Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
Chapter 3
Alfons zei geen woord. Hij keek naar Rozeke. Haar strakke oogen volgden een poos den aftrekkenden wagen, en toen keerde zij zich om en huiverde, als van kou. Haar blik viel op hem, en zacht en teeder staarde zij hem zwijgend even aan, en in zijn ziel juichte 't hoog op van zalige ontroering. Neen neen, zij hield niet van dien woesteling en bewonderde hem ook niet. Zij hield van hem, alleen van hèm, en zou de zijne worden!...
* * * * *
Even vóór tien uur hadden zij, onder uitbundig gejubel, de laatste stengels van den ontzaglijken vlasgaard uitgerukt en tot een laatsten bundel in elkaar gebonden. Nu lag het gansche naakte veld bezaaid met groene bundels, en daar waar 't hooge, rijpe vlas stond, schemerde nog nauwelijks, vlak bij den grond, als een dons van grauwachtig groen, het fijne wortelloof, dat, tegelijkertijd met 't vlas gezaaid, eerst nu zijn vrije beurt van wasdom zou krijgen. Het eerste gedeelte van hun zwaren arbeid was volbracht; en zij verademden even en dronken weer een borrel uit de flesschen die de boer voor de zooveelste maal van de hoeve had gehaald. Zij waren nog niet dronken, maar enkelen toch begonnen vreemd te doen. Irma Pese had van Vaprijsken een gevulde pijp gekregen en rookte met gulzige smakken, veel te gauw, als een kwajongen vóór hij rooken kan. La, Mietje Moor, Maaie Troet, het Geluw Meuleken en nog een zestal mannen en vrouwen omringden haar en moedigden haar spottend aan. Alleen Vaprijsken, die de pijp gegeven had, stond onbewegelijk en sprakeloos, als 't ware wachtend op haar te staren, een stillen glimlach op zijn bleek, effen gelaat met gelen baard en gele snor, waarin de kleine, bruingerookte schimp-mond als een donker putje lag.
Plotseling rukte Irma ruw de pijp uit haar lippen en gooide die tegen den grond, terwijl ze met een "pouah" van walging spuwde.
"Wa scheelt er dan? Deugt den toebak niet?" giegelden de vrouwen.
"Pouah! de smeirlap! hij hêt er papier in gestopt!" walgde Irma met een verwoeden blik op Vaprijsken.
"Papier nog al!" deed deze, zich onnoozel houdend en de pijp oprapend. "Kijk kijk, 't es tòch woar! wie mag da gedoan hên?" En onder algemeen schatergelach haalde hij, kalm glimlachend in zijn gelen baard, een vieze prop half versmeuld papier uit den bak.
Bij dit zicht werd Irma groen en ijlings keerde zij zich om. Haar schouders hikten even krampachtig op en neer, en plotseling zakte zij klagend ineen met het hoofd tegen een bundel vlas.
De anderen lieten haar maar liggen. Zij hadden nu pret met Krommen Bulcke en oude Sieska, die beiden half dronken, elkaar ter wille van een oude veete, heftig aan 't uitschelden waren. De Krommen brabbelde en viel over zijn woorden, heelemaal overstelpt door het razend gekwebbel en geschreeuw van Sieska, die hem eensklaps voor "ouwe smeirlap" uitmaakte, en dat scheldwoord herhaalde: tien keer, twintig keer, dertig keer, tot het werd als een blaffen en snauwen, zóó wild en dol, dat al de anderen weldra begonnen mee te gillen en te blaffen, en ten slotte hand aan hand een woeste ronde om de kijvers dansden, die aldoor maar razend bleven doorschelden, de Krommen in verwarde klanken brabbelend en stotterend, de oude feeks aldoor haar "smeirlap! smeirlap! smeirlap!" krijschend, in zulk een furie dat het schuim haar op de lippen kwam. Eensklaps rukte ze zich om en stak als uitersten hoon, met half opgetilde rokken haar achterste naar hem uit, zóó woest-geweldig, dat zij op den glibberigen bodem uitgleed en met 't gezicht tegen den grond neerstortte. De mannen brulden 't uit en de meisjes gilden schrille kreten, als werden zij door twintig handen te gelijk gekitteld, terwijl de Krommen Bulcke, eerst even als verbluft staande, plotseling in een reusachtig, onbedaarlijk, zegevierend schoklachen uitbarstte, zijn oogen stralend op het schouwspel, zijn tandeloozen mond wijd open, zijn beide grove handen beurtelings als biddend in de hoogte en dan wild-juichend neerpletsend op zijn knokkelige, natte, kromme beenen, als een kind in óverdolle uitgelatenheid. Hij hoorde niet eens het woedend geschreeuw van Smul, die, intusschen met zijn wagen terug gekomen, hem bijna omver reed; hij stond daar nog een heele poos te proesten, nadat Sieska, bevend van woede, weer opgestaan en met de anderen aan het laden was; hij zwenkte eindelijk weg, gelukkig voor den ganschen dag, wat er voortaan ook gebeuren mocht.
Smul, recht op den wagen, stond geducht te brommen en te vloeken. Wat dachten ze wel met hun lanterfanten en hun gekheid maken? Meenden ze misschien dat hij tot laat in den nacht met zijn paarden heen en weer zou rijden! Dadelijk moest de helft der mannen en der vrouwen naar den rootput met hem mee om het vlas te helpen lossen en aan 't reepen en rooten te gaan. De andere helft moest op de partij blijven en de bundels aan den rand van den landweg brengen. Hij sprak en beval alsof hij de baas was, en toen een der slijters hem vroeg of de boer het zoo geschikt had, antwoordde hij vloekend dat de boer al met een stuk in zijn kraag liep en dat hij nondedzju zijn broek veegde aan den boer. De wagen werd opnieuw geladen en de slijters bespraken even onder elkaar wie mee zou gaan en wie zou blijven.
Alfons kwam heimelijk naast Rozeke geschoven.
"Wat doe-je gij?" vroeg hij fluisterend.
"Lijk of ge wilt," antwoordde zij zacht.
Wat vond hij 't lief van haar, dat zij háár besluit van 't zijne liet afhangen.
"Ik blijve," zei hij.
"Ik ook," murmelde zij. En beiden gingen achteraan staan.
De meesten wilden trouwens mee, om de verandering en de pret. De meisjes wipten giegelend midden in de groene bundels op den wagen, de mannen zouden loopen. Met een woedenden blik keek Smul Alfons en Rozeke even na. Zij hoorden hem wat pruttelen van "verdomsche leeggangers" maar trokken 't zich niet aan. Hij zweepklapte en rukte aan de leidsels, en de schichtige paarden stoven vooruit, met wreed-blikkerend wit van oogen en overeind-wuivende manen. De rootput lag verre, in een weiland, aan de andere zijde van het dorp. Het was een heele sjouw om al dat vlas daarheen te vervoeren. Het was er geen mindere de zware bundels van het verste einde der partij naar voren aan den weg te brengen; en zonder verder talmen gingen de overblijvers weer aan 't werk.
De heete zon priemde af en toe met scherpe schichten door de grijze wolken en kroop het oogenblik daarna, als verstoppertje spelend, weer achter sluiers weg. De leeuwerikjes orgelden steeds onvermoeid in 't hooge van de lucht, en bijwijlen galmden nu ook in de verte de zwaardere contralto-stemmen van wielewaal en koekoek. Stil fladderden soms gele en witte vlinders rond, loom zwenkend als vermoeide wezens; en heele kleine kapelletjes: bruinroode, met zwarte stippeltjes, of louter azuurblauwe zonder een vlekje, zaten roerloos op de lichte, schrale wortel-kruidjes, nu eens met schitterende open vlerkjes in de heete zon te genieten, dan weer met doffe, mes-fijn dichtgeknepen vlerkjes in de schaduw te rusten of te slapen. De Krommen Bulcke, die op 't veld gebleven was, keek nu en dan gebogen-luisterend naar den einder, en beweerde dat het in de verte donderde.
Om de drie kwartier keerde Smul met zijn leegen wagen terug. Zij zagen en hoorden hem komen van verre in de woestheid van zijn rennen, en in vliegende haast werden de bundels opgeladen. Telkens keek Alfons hem even vluchtig aan. Hij nam geen bizondere notitie van Rozeke, hij keek naar niemand, hij schreeuwde maar, in onstuimige drift, als tegen een troep beesten, dat ze zich moesten haasten; en terwijl zij laadden ging hij naar de jeneverflesch en dronk groote borrels, soms twee drie na elkaar.
Toen sloeg het op den onzichtbaren kerktoren twaalf trage slagen, en te gelijkertijd klingelde schel het klokje boven op het dak der boerenwoning, de arbeiders naar 't noenmaal roepend. Zij lieten dadelijk de bundels vallen en trokken in groep naar de hoeve. Weer voelden zij plotseling allen een knagenden honger, en 't leek hun of de dag nu reeds zóó lang geduurd had dat het wel avond moest zijn. Zij waren moe en beu van werken en van drinken, zij hadden maar één gedachte, één verlangen meer: eten, en daarna gaan liggen op den boomgaard in het gras, onder de frissche schaduw der fruitboomen. Bijna te gelijkertijd kwam ook het volk der rooterij op het boerenhof aan; en in de ruime keuken, waar de karnemelkpap dampend in vier groote aarden kommen op de lange, ruw-houten tafel klaar stond, namen allen haastig plaats, sloegen een kruis, deden een kort gebed, en gingen met de houten lepels aan het scheppen. Borden hadden zij niet: allen aten met hun lepels uit de groote kommen. De magen rammelden. Zij hadden honger, honger!... Zij voelden eerst hoe groot hun honger was, nadat zij gulzig een paar lepels hadden ingeslurpt. In enkele minuten waren alle vier de reusachtige kommen leeg, de boerin nam ze weg en zette de tweede schotel: vier enorme platte teilen aardappels met kaantjessaus in de plaats. De gele, vet-besausde knollen glommen in hooge stapels, en de korte ijzeren vorken prikten in den tas, telkens een vollen, heet-dampenden aardappel naar den mond brengend. Hun honger scheen nog toe te nemen en zij aten overdadig; de lekkere geur der vettige ui-en-speksaus krinkelde diep in de neusgaten en deed hun 't water in den mond komen. Het was stikwarm in huis en 't zweet brak uit op de gezichten.
De werkers der rooterij beweerden dat zij nu te veel vlas kregen op den dem[1] en drongen er op aan dat de achterblijvers op den vlasgaard thans ook mee zouden helpen om den te grooten voorraad te reepen en te wateren vóór het overige vlas gehaald werd. Anders kwamen zij stellig vóór middernacht niet klaar. De boer, die heel den ochtend in de herbergen van 't dorp gezeten had, kwam aangeschoten, met vuurrood gezicht en waterige oogen binnen, en hakkelde ook dat er te te te te veel volk was op den vlasgaard en te te te weinig op den dem; kortom er werd besloten dat zij na de noenstondrust allen samen naar den dem zouden gaan, en eerst later, nadat zij daar goed opgeschoten waren, de laatste bundels van den vlasgaard weghalen. Zij waren klaar met eten, zij deden weer een kort gebed en sloegen een kruis, en toen haastten zij zich allen naar den boomgaard en vielen er doodmoe in het malsche, koele gras, onder de frissche schaduw der heerlijke fruitboomen neer. De meesten sliepen dadelijk in; anderen babbelden nog even door en enkele mannen kittelden de bloote enkels van de meisjes met stroohalmen en graspijltjes. Alfons lag naast Rozeke's broeder, Rozeke zelf lag tusschen haar zuster La en 't Geluw Meuleken. Af en toe klonk een kort gelach der mannen of een geknor der gesarde meisjes. Alfons richtte zich even, geprikkeld en jaloersch, half overeind, vreezend dat de mannen ook Rozeke kittelden. Maar zij had haar voorzorgen genomen, haar rok nauwsluitend om haar beenen opgerold. Zij sliep reeds, en dat stelde hem gerust. Hij hoorde nog even het gegiegel van de dikke Irma Pese, die wat hooger dan de andere gekitteld werd, en toen sliep hij ook loodzwaar in. De lucht was effen grijs en stil, benauwd en broeiend; de vliegen zwermden sarrend. Glanzend-rood hingen de rijpe kersen in het zachte groen te blozen. In de verte hoorde men af en toe vaag en zwaar dondergeroffel.
* * * * *
Klokslag twee waren zij allen op den dem. 't Was in een groot stuk weiland, midden in een lang en smal verschiet van andere weilanden, rechts afgebakend door den met hooge boomen beplanten berm van een onzichtbaar, diepliggend kanaal, links door een zanderigen landweg, waarachter de rijke akkers van vruchtbaarheid geleidelijk naar de ruime vlakte opgolfden. Op korten afstand rees de ouderwetsche slanke dorpskerktoren boven de lage, roode huisdaken, als een fijne naald van grijsgeel steen met gothisch kantwerk van boogramen; en even verder, aan de andere zijde van de weilanden, lag een groote boerderij midden in haar boomgaard als een rotsig eilandje in vlakke, stille zee. Nòg verder was een donker eikenbosch, en daarachter puntten scherp ten hemel de hoektorentjes van het kasteel. In enkele weiden graasden vreedzaam bonte kudden koeien en paarden; in andere zag en hoorde men de vroolijke bedrijvigheid van maaien en van hooien. 't Was overal de volle zomerdrukte, wanneer de lange dagen nog te kort zijn voor het overweldigend-vele dat verricht moet worden.
Op den dem, vlak bij den rootput, naast een kolossalen stapel lichtgroene vlasbundels, waarin hier en daar een meegerukte klaproos als een bloedspat vlekte, waren de vier "reepen" volop aan den gang. Het waren vier stevige, zware, twee voet breede en zes voet lange, plat op den grond liggende planken, met dwars door het midden een dichte rij lange, stevige, rechtopstaande ijzeren punten. De reepers, rechts en links met de voeten naar voren tegen de punten geschraagd en plat ten gronde op de planken neergezeten, sloegen de vlasstengels met volle grepen tusschen de scherpe ijzeren tanden, rukten uit al hun kracht, een keer, twee keer, soms drie keer, tot al de zaadkorrels er af geritst waren, gooiden de stengels op zij, namen een andere volle greep, rukten opnieuw. De vrouwen holden om hen heen en weer, brachten de bundels aan, bonden ze los, namen ze, ontdaan van de korrels op, bonden ze weer tot bundels, en gooiden ze dan van hand tot hand naar de rooters, die in en om den rootput stonden. Met een plons gingen de bundels in het water onder, de een boven den ander, en naarmate zij in dikke lagen heel de diepte van den bodem vulden, werd er stroo over uitgespreid en boven op het stroo zware graszoden gelegd, om het geheel goed in elkaar gedrukt onder water te houden. Dat reepen en rooten was het echte harde sjouwen van den ganschen ruwen vlas-arbeid. Het uitrukken en op de wagens laden was slechts kinderspel daarbij vergeleken.
Nu was het hijgen en zweeten zonder ophouden; nu was het beulen als afgejakkerde lastdieren. De haren van de vrouwen hingen in natte, slordige verwarring om haar vuurroode gezichten; de mannen, hemdsmouwen en broeken opgestroopt tot over de ellebogen en knieën, waren beslijkt en bemorst als hadden zij in een modderpoel ondergeduikeld. En echte vreugd klonk er niet meer in hun af en toe nog gewilde uitgelatenheid: de oogen stonden dof en hol, de wangen waren ingevallen, de knieën knikten en de handen beefden. Maar de drank, de slechte jenever, werd bijna aanhoudend rondgeschonken, en dat hield de krachten nog op, en gaf aan de bedrijvigheid haren bedriegelijken schijn van levenslustige pret.
Zij snakten allen naar den avond, naar het einde van het afmattend gebeul. De zon was weer even tusschen grijze wolken doorgeschoven en straalde met goudende tinten over de groene weilanden, over het rijke vee, over de rijpende korenakkers en de hooge, grijsgele kanteelen van den kerktoren. En zij keken op en zuchtten; de zon stond nog zoo hoog, zoo eindeloos-wanhopig-hoog; het zou zoo lang nog duren vóór die weiden en akkers bronsrood werden, vóór dat rustig-grazend vee wegsmolt in avondnevelen, vóór die oude, grijze kerk, rood-laaiend als een vuurtoren, het laatste licht van den ondergaanden stralenbol opving. De klokkeslag der lange trage uren was zoo gauw geslagen: drie uur, vier uur; 't was of de langzame dag niet voortschreed en nooit eindigen zou.
De maaltijd van vier ure: spek met roggebrood en koffie werd in gedrukte afgematheid gebruikt, en eerst toen ze weer aan den arbeid waren, en de jeneverflesch nog eens was rondgegaan, begon de trapsgewijze afkoeling van den druk-benauwden dag hen eenigszins op te fleuren. Allen samen zongen zij een liedje en 't leek wel of het werk eensklaps gemakkelijker ging in het eentonig rythmeerende wiegen van het deuntje, en toen het uit was zongen zij er nog eentje, vroolijk en opgewekt, en toen een derde, een schuin-ondeugend, dat hen allen lachen deed. Weer werd de stemming goed, weer haalden zij hun grapjes uit. Om vijf uur barstte plotseling opnieuw een korte, maar geweldige plasbui los, en voor de tweede maal werden de vrouwen "in de zij" gestoken. Die tegenspoed, in plaats van hen ter neer te slaan, verfrischte en verlevendigde hun pret. Zij waren nu toch eenmaal morsig en nat, het kon hun niet meer schelen, zij zouden nu maar kletsnat blijven, van binnen en van buiten nat, giegelden zij, en voor de zooveelste maal ging de flesch rond. De boer, die sinds een paar uren bij de slijters niet gekomen was, verscheen plotseling op den zandweg, in zulk een toestand, dat de heele bende wild begon te proesten en te gillen. Hij zwenkte waggelend over de gansche breedte van den weg, 't gezicht paarsrood, de armen hangend, en toen hij op het glooiend weiland kwam namen zijn knikkende beenen van zelf een aanloopje, recht op den rootput af. Twee mannen sprongen toe om hem nog bij tijds tegen te houden, en hij plofte als een doode massa in den hoop zaadkorrels tusschen de twee eerste reepen neer, klanken brabbelend waarvan geen enkel mensch een woord verstaan kon. De boer van de nabij-gelegen hoeve, die op zijn akker stond en hem van verre had zien aanzwenken, kwam langzaam en glimlachend naar de slijtersbende toe, drong door de spotlachende menigte, tilde Kneuvels onder de schouders op en sleepte hem mee naar zijn huis om er wat bij te komen.
* * * * *
De slijters waren nog volop aan 't praten en aan 't lachen over het geval, en de langzaam dalende avondzon brak opnieuw schitterend door de wolken, toen zij aan de overzijde van het weiland, op den berm van het kanaal, een groepje menschen zagen: drie dames en een heer, die van verre met belangstelling naar hun werk stonden te kijken.
"Wie zijn datte!" riep Irma Pese.
Niemand herkende ze.
"Datte!... da zijn liefs veur ons!" schertste Vaprijsken. En hij wenkte ze van verre tot zich, vrijpostig roepend:
"Ala toe, meiskes, kom moar hier; we zillen ulder ne kier tegen onz' onderveste trekken."
"Ha moar zwijg toch, gie kalf!" riep Rozeke eensklaps een vurige kleur krijgend. "Zij-je nie beschoamd! 't zijn iefers van 't kastiel!"
Rozeke had plotseling jonkvrouw Anna, de dochter van 't kasteel herkend, die veel in 't veld ging wandelen en haar reeds meer dan eens op vriendelijke wijze aangesproken had.
Haar uitroeping tegen Vaprijsken bracht als bij tooverslag een benauwende stilte onder de slijters te weeg. 't Kasteel, dat was de almacht waar zij allen bang voor waren; en nu hadden zij allen ook eensklaps mejonkvrouw Anna herkend. Zij vreesden dat de jonkvrouw Vaprijskens onbeschoft geroep gehoord had, en hun vrees steeg plotseling tot ontzetting en schrik, toen zij de vier personen, na een korte aarzeling, beslist naar hen toe zagen komen.
"Z'hén ou g'heurd zille; ge zilt er van goan krijgen, Vaprijs," fluisterden zij bevend, terwijl zij allen met inspanning en schuw-neergeslagen oogen weer aan 't werk gingen.
De vier bezoekers waren reeds op 't weiland. De slijters, in hun werk verdiept, keken al onder op met zijlingsche blikken en zagen ze bedaard onder kalm gepraat over het groene gras naar hen toeschuiven. De dames waren in lichte zomerkleeren: wit, geel en roze, met schitterende parasols; de heer, in 't donkerblauw met gelen stroohoed, zwaaide met een bruinen wandelstok. De reepers rukten aan de stengels, de vrouwen holden met de bundels heen en weer, de rooters plonsden in het water. Geen woord werd meer gesproken, geen oog durfde meer opkijken.
"Mogen we ne keer komen zien?" klonk eensklaps een jonge, heldere, vriendelijke stem.
Als bij tooverslag, het hart van een zwaar pak verlost, keken al de slijters op.
"Zeker, mejonkvreiwe, zeker," klonken bedeesd een paar stemmen.
De vier bezoekers waren heel dichtbij gekomen en mejonkvrouw Anna groette de arbeiders met een lieven glimlach en een algemeenen "goên dag." De beide dames die haar vergezelden groetten insgelijks, met een kort hoofdknikje, en de heer lichtte eventjes den rand van zijn stroohoed op. Allen antwoordden, stil en nederig: "dag mejonkvreiw en gezelschap," en gingen druk voort met hun arbeid.
Het kasteelmeisje gaf, in een vreemde taal, uitleggingen aan haar gezellinnen.
"They begin very early in the morning, I believe at one or two o'clock and they have to work awfully hard all day, until they have finished, not often before eight or nine in the evening."
De andere luisterden en glimlachten, met af en toe een "very interesting" van belangstelling. Zij waren leelijk en mager, met grooten mond en vooruitstekende kin, en iets hard-mannelijks in haar stijve, houterige gestalten. Haar rokken waren kort en hare voeten groot, en op haar rosblonde haren droegen zij, sterk naar voren, gewone mansstroohoeden met zwarte linten, zonder gratie. Mejonkvrouw Anna, daarentegen, was een buitengewoon mooie en gracieuze verschijning, lang en slank, een frisch-roze gezondheidskleur over haar zachte ovale wangen, met schoone donkere oogen en weelderige zwarte haren onder een licht en lief, sierlijk gebogen zomerhoedje met witte tulle en roze rozen, die dezelfde teere kleur hadden als haar doorschijnend japonnetje. De jonge man die haar vergezelde was groot en blond, stevig gebouwd, met een borstelig- opgekrulde, blonde snor en iets stugs in de uitdrukking van zijn koude, grijze oogen. De mannen keken onder het sjouwen af en toe eens schichtig op, de meisjes waagden, in het heen en weer hollen met de vlasbundels, zijdsche blikken naar de frissche, lichte zomertoiletjes.
Eensklaps ontwaarde mejonkvrouw Anna Rozeke; en vriendelijk-verrast, als tot een goede oude kennis, riep zij uit:
"Kijk kijk, Rozeke, zijt gij hier ook aan 't werk?"
"Ha joa ik e-woar: mejonkvreiwe," glimlachte Rozeke, verlegen opkijkend. En een vluchtig blosje verlevendigde zoo lief en frisch haar moegesjouwd gezichtje, met de natte, om haar voorhoofd en slapen klevende bruine krulletjes, dat alle drie de bezoeksters haar even met verteederde bewondering aanschouwden.
"That's my very dear little friend. Is n't it a pity that she has to do such a hard, rough work?" zei jonkvrouw Anna tot haar gezellinnen.
"Aoh! too bad, she looks so nice!" antwoordden zij met een aanstellerig glimlachje.
"That young man behind her, the dark one with his good features, that's her lover, you know."
"Aoh! really!" riepen de twee Engelsche, eensklaps vol belangstelling naar Alfons kijkend. De oudste van de twee greep naar haar face-à-main en nam den jongen man aandachtig op. Vaprijsken en de Seissekoker, die naast Alfons stonden, zagen de beweging en glimlachten.
De heer, die de drie meisjes vergezelde, was even wat op zij gaan staan en keek belangstellend naar 't zwaar figuur van Irma Pese in haar plakkend-natte kleeren.
Mejonkvrouw Anna kwam plotseling naar hem toe en keek hem sprekend met haar lieve oogen aan, terwijl ze zacht en teeder haar fijne hand op zijn arm legde.
"Armand, donne-leur quelque chose, leur travail est si dur," streelde zij.
Hij ging dadelijk in zijn zak, tastte even, haalde een goudstuk van twintig frank uit.
"C'est trop, n'est-ce pas?" dubieerde hij.
"Mais non, mais non; rend-les heureux, ne fut-ce qu'une fois," smeekte zij met een ontroerde verteedering in stem en oogen.
Hij stak het glinsterend stukje in de hoogte, en floot even, als om een hond te roepen.
De slijters keken op en aarzelden, niet goed begrijpende wat hij bedoelde, niet kunnende gelooven dat hij hun zooveel wou geven.
"Allons donc!" riep hij eenigszins ongeduldig met het stukje wenkend.
Vaprijsken liet zijn bundel vallen en kwam toegesneld. Hij kreeg het goudstuk.
"Merci, menier den b'ron, merci, gij zijt wel bedankt," zei hij met een kleur van emotie, die gansch zijn geel gezicht met gelen baard van geluk deed stralen.
"Nondedzju! twintig fran!" juichte hij stil, met het schitterend stukje bij de anderen terugkomend. Zij stonden er allen als verbluft van, en keken bijna bang-bewonderend naar den milden gever.
"Ha ha ha, menier den b'ron, gij gij gij zij nog weird da ge leeft!" brabbelde plotseling de Krommen Bulcke, onmachtig zijn overweldigende ontroering langer te bedwingen.