Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
Chapter 2
De slijters stonden allen buiten op het erf nu, en als een dichte, grauwzwarte groep, gingen zij, luidruchtig pratend, onder dof klompengetrappel, naar het openstaande hek. De boer volgde, met onder iederen arm een groote flesch jenever. Woest blaften de waakhonden, en de hanen, ontwaakt, begonnen schril te kraaien. De sterren blonken hier en daar als gouden punten in het pikzwarte loovergewelf der dubbele rij boomen van de lange oprijlaan, en een heel zacht windje ging suizend door de ritselende kruinen. Weer zwijgend nu in 't drukke praten van de anderen, liep Alfons naast Rozeke. Zijn hart was zoo vol, uren en uren lang had hij met haar wel willen spreken, en nogmaals vond hij geen woord. De tegenwoordigheid van al die anderen hinderde en benauwde hem, maakte 't hem onmogelijk haar iets te zeggen, hoewel hij instinctmatig voelde dat ze naar zijn woorden wachtte. Had hij de uitdrukking van haar gezicht maar kunnen zien, had hij maar eerst zwijgend kunnen spreken met zijn oogen, dan zou het zich wellicht van zelf in hem ontboezemd hebben; maar hij zag niets dan die vage, donkere gestalte naast zich, en hij voelde wel dat alles wat hij zeggen zou misplaatst en wanluidend zou klinken. Hij keek haar van terzijde aan, tersluiks, met schuwe oogen; wachtend op hij wist niet wat in zijn toenemende bedeesdheid, wachtend op een woord van haar, op een toevallige aanvoeling, op een gezegde van een ander, dat hem aanleiding zou geven om ook te spreken en uit zijn onuitstaanbaar-drukkende knelling verlost te zijn. Hij voelde zich bespottelijk worden, het suisde in zijn ooren, hij moest, hij zou iets zeggen, om 't even wat, al was het nog zoo dom, en hij opende reeds machinaal zijn lippen, toen plotseling, aan zijn andere zij, in het geraas der drukke bende, een schelle stem opging, een lachende scherts-stem, die plagend vroeg:
"Wa scheelt er aan dat-e gulder tegen mallekoar nie 'n spreekt? Zie-je mallekoar nie geirn mier dan?"
Als onder een schok keerde hij zich om en herkende in de duisternis de struische gestalte van Irma Pese. Onopgemerkt was ze naast hem komen loopen. Haar oogen glommen van ondeugende pret in 't donker, en even zag hij, als een kleine lichtstreep in haar vaag gezicht, de witte schittering harer tanden.
"Wa vertelt-e gij doar!" riep hij gansch onthutst, en meteen keerde hij zich naar Rozeke, en staarde haar peilend in de duisternis aan.
Het kwam hem voor of haar gelaat, tot nu toe door het grauwe van den nacht omneveld, zich plotseling met bijna duidelijk omlijnde trekken bezielde. 't Was als een vage, teere straling om haar fijn profiel, een glimlach als van zoete stille vreugd, een uit de duisternis opleven en hem te gemoet komen van gansch haar zacht en ietwat tenger wezentje. Hij voelde eensklaps als een tinteling heel zijn lijf doorstroomen, en het ontsprong als van zelf uit zijn lippen, het borrelde en bruiste op als 't water uit een bron, terwijl hij zich, met snel-hamerend hart en jagenden adem, weer tot de dikke vroolijke deerne wendde:
"Of ik heur nie geirn mier 'n zie! Joa ik, zulle, 'k zie heur zeker nog geirne!"
Hij hijgde en stokte. Daar!... daar had hij 't plotseling gezegd, alles en nog meer zelfs dan hij zeggen wilde! Het was er uit! Ze wist het nu!
Hij duizelde even van zijn waagstuk, hij hoorde, als in een droom, de dikke Irma luidop schaterlachen, en Rozeke, beschaamd en half verwijtend stamelen: "Ah moar Fons, wa peist-e toch!" Maar hij hàd het gezegd, het was er uit, er uit!... en hij juichte inwendig, en voelde een gewaarwording van licht geluk, alsof een ondraagbaar-zware last hem eensklaps van het hart genomen was.
Met stralende oogen, zonder acht te geven op 't schertsen der heele bende, die met de ondeugende Irma om zijn onverwacht antwoord medelachte, durfde hij nu Rozeke onbevangen aankijken, en 't kwam hem voor alsof zij, in het schemerduister, onder zijn langen liefdeblik, meer en meer vast-levende vormen kreeg. Hij zag nu duidelijk iets van haar gelaat: haar kleinen mond, haar fijnen neus, de vage bleekheid van haar voorhoofd en haar wangen, de donkere golving van haar haren, den stillen glans van haar op hem gerichte oogen... En eensklaps zag hij heel haar tengere gestalte duidelijk omlijnd uit de grauwheid van den nacht oprijzen, en even om zich heen starend zag hij ook de duidelijker wordende gestalten van al de anderen, en het alom lichter worden van den grauwen nacht. Een fijn, kort vogelgezang kweelde ergens in de nabijheid, een haan kraaide, een zacht-zingend geluid klonk in de verte: het duidelijk hoorbaar slijpen van een zeis. Het duizelde in zijn geest, en 't was of hij nog maar half wakker was en nog droomde, tot hij met heel de bende op een breeden, mullen zandweg stond, dichtbij een uitgestrekte, nevelige vlakte, die leek een zwaar en dicht begroeid stuk weiland.
Zij stonden vóór den grooten, rijpen vlasgaard die dien dag geoogst moest worden, en 't schemerig schijnsel, dat meer en meer aan alles zijn vaste, duidelijke vormen gaf, was 't zacht en stil geboren-worden van den zomer-dageraad.
* * * * *
Boer Kneuvels trad naar voren en hield glimlachend zijn beide flesschen jenever in de hoogte.
"A... allo, jongens, ne nen dreupel om te beginnen!" stotterde hij. "Ie ie iest d' ouwste."
Een dof rumoer van pret ging op, en de Krommen Bulcke, die de oudste was, kwam naar hem toe. Hij nam de tabaksprop, waaraan hij reeds aan 't kauwen was, uit zijn mond, en spuwde links van zich af.
"Ik ben den ouwsten!" riep hij. Maar Sieska Verhelle snelde toe en beweerde dat zij de oudste was. Er werd even gekibbeld en gelachen. Zij moesten hun geboorte-jaar zeggen en toen het bleek dat de Krommen Bulcke werkelijk de oudste was, kreeg hij het eerste glas. Hij dronk en gaf het leege glas aan Sieska. Maar zij noemde hem "ouwen Buck" en veegde eerst het glaasje schoon aan haar schort omdat het stonk naar zijn tabaksprop. Om de beurt dronken zij nu, de mannen en de vrouwen, allen uit hetzelfde glas, tot de twee flesschen leeg waren. Dat was de eerste prikkel voor den langen zwaren arbeidsdag, die zonder veel jenever nooit zou uitgehouden worden; en eer ze nu aan 't werk gingen was er een korte stilte, en maakten zij allen een kruis. Dat riep Gods zegen over hun werk, en hoog en vroolijk galmde dadelijk daarop de kreet:
"Goan we beginnen?"
"Joa w'!"
en zij schaarden zich op één lange rij, bukten neer, en rukten in de grijze schemering de kille, natbedauwde stengels uit, met volle grepen.
De mannen rukten uit, de vrouwen legden de stengels in pakjes van een handvol over elkaar, beurtelings met de zaadkorrels omhoog en omlaag, om ze dan later, bij de verdere bewerking weer in afgepaste handvollen terug te vinden. Iedere twaalf of vijftien pakjes werden met een strik van enkele vlasaartjes tot een bundel saâmgebonden, en op reke neergelegd. Niemand sprak of schertste meer; allen werkten onverpoosd, zonder opkijken door, zoo vlug zij konden, enkel bezorgd om vooral in het begin goed op te schieten. Men hoorde geen ander geluid meer dan dat van het aanhoudend uitgerukte vlas, en het klonk bijna pijnlijk in de stilte van den nacht, als iets dat klagend en zuchtend, onder lastig zwoegen, van elkaar werd gescheurd.
Zij rukten en bonden, warm reeds en bezweet van den vluggen arbeid, en om hen heen ontwaakte stil, zonder dat ze 't haast merkten, de teere heerlijkheid van een frischgeboren zomerdag. Alles werd doorschijnend wazig-grijs, heel licht, heel teer en ijl, als had nog niets zijn vaste stevigheid van vormen en van kleuren. De lange vochtige vlasstengels van vage tint plakten zich papperig-week tot slappe bundels samen, de ronde zaadkorrels ritselden broos tegen elkander als natte, glazen balletjes; en zij zelven, al die mannen en die vrouwen, stonden in een onreëele atmosfeer, als wazige groote poppen, die heel licht een dood-eenvoudig en gemakkelijk kinderwerk verrichtten. Het was iets zoo vreemds, dat zij af en toe elkander instinctmatig aankeken, als 't ware om zichzelven te overtuigen dat zij werkelijk levende wezens waren, die werkelijk-reëele gebaren en bewegingen maakten. Een der mannen, Drieske Nijpers, hield even op met rukken en stak de hand uit naar zijn buurman Miel van Dalen, om hem van zich af te duwen, alsof hij hem hinderlijk in den weg stond. En beiden lachten vreemd om die nuttelooze beweging, want zij stonden passen van elkaar. De andere keken op en staarden ingelijks verbaasd naar rechts en links, en dan ook achter zich om, naar de bindende meisjes. Wat was het zonderling! 't leek of ze allen op een kluitje stonden, en wanneer zij de handen uitstaken raakten zij elkander niet aan. Even stonden zij daar allen lachend met wijd-uitgestrekte handen, als blinden zoekend met onvaste schreden en gebaren, maar dadelijk in 't stevig aanvoelen van elkanders lichaam schaterjoelden de mannen van uitgelaten pret en poogde de een den ander om te gooien. Zoo kwamen zij ook op de meisjes af, maar deze vluchtten gillend weg, en eindelijk omringden zij allen den boer, die vruchteloos tegenworstelde en stotterde, en eerst verlost werd uit hun dolle knelling op voorwaarde dat hij dadelijk naar de boerderij twee versche flesschen jenever zou gaan halen. Zij hadden, volgens oud gebruik, recht op een liter per hoofd, en de boer stotterend, haastte zich weg, terwijl allen met vernieuwden moed weer aan den arbeid gingen.
* * * * *
Toen steeg opeens, als een zachtjubelende groet van levenslust en liefde, een teer en fijn gezang van uit de grijze lucht naar den langzaam ophelderenden hemel. Het galmde zoo frisch en zoo rein en zoo zoet, zoo vol ontroerde melodie, het steeg in de geurende atmosfeer als een zingende extaze tot de laatste, wegbleekende sterren; en zij zagen 't eerste leeuwerikje van den pas-geboren zomerochtend, wervelwiekend in het trillen van zijn fijne vlerkjes, naar de hooge, ijle, lichtblauw- wordende lucht. Het steeg en steeg, steeds hooger en hooger, als wou het aan den verren, doffen horizon iets zoeken, dat slechts van uit de ontoegankelijkste regionen te ontdekken was. En toen scheen het eensklaps onbewegelijk te blijven hangen, niet zichtbaar meer voor hen die daar in 't grijs beneden stonden, en alleen zijn gezang parelde nog steeds, heel fijn nu, als in kristallen droppels op de aarde neer, terwijl ginds heel héél verre in 't Noord-Oosten, een transparant-geelachtig schijnsel, over een lange, lage en smalle uitgestrektheid, als de weerschijn van een eindeloos verren brand den doffen einder kleurde. Het was de dageraad. Een frisch, bijna kil windje kwam even aangewaaid, en stierf meteen, als 't ware zuchtend, uit: en plotseling stonden al die mannen en die vrouwen in 't wezenlijk grijs-roze licht van alle vroege ochtenden, en lachend groetten zij elkaar nog eens "gôen dag", als kwamen zij maar pas elkander te ontmoeten.
Reeds keerde de boer met de twee volle flesschen jenever terug, en opnieuw dronken zij, de mannen en de vrouwen, ieder twee borrels, uit het eenig, om de beurt van hand tot hand gaande glaasje. En dadelijk bukten zij met inspanning weer neer over den ruwen arbeid, de mannen rukkend en de vrouwen bindend, in een van lieverlede weer opkomende roes van drukte en lawaaiigheid. Vliegensvlug ging het werk vooruit nu, zij trachtten elkander de loef af te steken; de mannen rukten om de meisjes te overstelpen, en de meisjes bonden en slingerden de bundels om zich heen en kwamen in hollende haast de stengels tot onder de voeten der mannen oprapen. Zij grabbelden en schaterden en lachten, geen van allen wou voor een ander onder doen, en 't ging zoo voort tot zij eindelijk niet meer konden en hijgend en blazend allen te gelijk even ophielden, en afgemat, met druipende gezichten en hangende armen, op den vlasgaard neerzakten.
De Krommen Bulcke en de oude Sieska bromden. Was dat nu werken! 't leek wel jongensspel! Maar al de anderen hadden uitgelaten pret, en zij hielden de twee oudjes voor den gek en stelden spottend voor hun een tafeltje en een paar stoelen te halen. Doch de ochtend vorderde en de nog te bewerken oppervlakte was ontzaglijk groot, en weer gingen zij aan 't werk, kalmer nu, in een gelijke, vlugge rythme zonder overhaast. Zoo moest het gaan, zoo zouden zij ook klaar komen; en in die gelijkmatigheid van arbeid kwam een soort gezelligheid, met lust tot praten en tot zingen.
Alfons, stilzwijgend in 't geraas der anderen, hield tersluiks Rozeke in 't oog. Zij stond schuins achter hem en deed ook slechts van verre in de jool der anderen mee, maar af en toe, terwijl hij vluchtig naar haar omkeek, kruiste zijn blik zich even met den hare. En het zong van geluk in zijn ziel, terwijl hij, in 't geroezemoes der drukke bende, alleen met zijn gedachten en zijn nu vaststaande plannen, aan de zacht-heerlijke toekomst dacht. Te lang had hij met haar getalmd; thans was hij vast besloten haar te vragen; zij zouden trouwen en voorloopig hun intrek nemen bij zijn oude moeder, in het bouwvallig, maar gezellig huisje met de kleingeruite raampjes en het grauwe stroodak, onder het lommer van de hooge, zacht-ruischende populieren. Hij was vol illuziën, hij zou voor haar werken en zij zou voor zijn oude moeder als een dochter zorgen; zij zouden zoo gelukkig en zoo vreedzaam met hun drieën leven, en in de soms drukkende kleurloosheid van zijn eenzaam bestaan zou zij plotseling verrijzen als de zachte, warme lentezon, die alles opfleurt en verlevendigt.--Hij peinsde verder, dieper de toekomst in: moeder, op gevorderden leeftijd gestorven, door Rozeke's teedere zorgen omgeven, en zij beiden voortaan alleen in het huisje, met hun kinderen. Hard werken zou het dan wezen, maar het geluk gaf moed en kracht; daarvoor was hij niet bang. Zij zouden wel ieder jaar zien rond te komen en zelfs een klein beetje op zij kunnen leggen, voor later. En dan, ja, wie kon het weten, zijn oude nicht Begijntje, die te Gent in 't Klein Begijnhof woonde, liet hun ook misschien iets na! Daar dacht hij plotseling aan met diepe emotie, als iets dat bijna mòèst gebeuren. Zijn moeder, en na zijn moeder, hij, was 't eenig familielid, die nicht Begijntje nog bezat. Zij had geld, veel geld, beweerde men, en ieder jaar, in Januari, ging hij haar met zijn moeder in 't Begijnhof een nieuwjaar wenschen, en kreeg tien frank van haar. Zonder twijfel zou nicht Begijntje in haar testament wel heel veel van haar vermogen aan 't Begijnhof achterlaten, maar zou er ook niet iets voor moeder en voor hem, haar eenige bloedverwanten, overblijven? En eensklaps dacht hij dat hij vooral niet vergeten mocht nicht Begijntje's goedkeuring te vragen om met Rozeke te trouwen. Gelukkig dat hij daaraan nu plotseling dacht! Wat zou nicht Begijntje wel zeggen indien hij daar zoo opeens met Rozeke vóór haar stond, en zei: "Nicht Begijntje, ik ben getrouwd en hier is mijn vrouw." Wat zou ze 't hem kwalijk nemen en wellicht nooit vergeven, als hij haar zoo schandelijk miskende!
Overal nu, hoog boven alle de velden, hingen de zachte leeuwerikjes onverpoosd te orgelen, in de ijle, teere, wazig-blauw geworden lucht. 't Was als een aanhoudende melodie zonder begin en zonder eind, als de rythme zelf van de ontwakende natuur. En alles om hen heen kreeg nu ook meer en meer zijn vaste vorm en kleur: het vlas waarin zij zwoegden lag scheef en schots geslagen door de laatste zomer-onweersregens, als een reusachtige vacht van levende, ongekamde, geel-groene borstelharen; de blonde korenakkers er omheen bogen hun rijpende halmen naar den grond; de aardappel-landen lagen somber-groen, met al de rechtopstaande witte trosjes van hun bloeisel als zoovele zilverwit brandende kaarsjes; de nog grijs-groene haver trilde door al haar miljoenen bepareldauwde klokjes, en de bloeiende klavervelden vlamden alom als paarse en roze, plat ten gronde uitgestrekte vlaggen, tusschen die schitterweelde van smaragd en goud. Aan den einder, boven de kruinen van de verre vage boomen, verrees de zon in een chaos van oranje en grijze wolken, als een boudeerende godheid, als een groot en machtig wonder, dat zich ongenaakbaar achter nevelen verborgen houdt. 't Begon reeds benauwd warm te worden.
"Onweer of regen van doage!" voorspelde de Krommen Bulcke, even opkijkend en blazend.
"Onweer in ou broek!" spotte Vaprijsken. En allen moesten schaterlachen.
Op het veld, langs de eenzame wegen, begon langzamerhand leven en beweging te komen. Karren dokkerden in de verte, hanen kraaiden overal, roepstemmen galmden. Onzichtbare maaiers waren ergens aan het werk en in de ijle, stille lucht, hoorde men af en toe de zeisen slijpen. Heel in 't verschiet roffelde dof een trein, met rythmisch zuchten van stoom en lange nadreuning over metalen brug.
"Hoe loate zoe 't al wel zijn?" vroeg eensklaps een der mannen. En als een antwoord begon het juist op den kerktoren te slaan en zij telden vier langzame slagen. Vier uur; 't was volop dag. Zij keken om naar het reeds afgelegde werk en voelden zich tevreden. Met nieuwen moed bukten, rukten, bonden zij, al pratend en zingend. De schrille neusstemmen der vrouwen galmden in fausset-klank tusschen 't zacht en puur gekweel der leeuwerikjes; de zware keelstemmen der mannen bromden mee in ondertoon. Een hondenkar bespannen met vier groote honden kwam ratelend in wilden ren en woest geblaf over den steenweg aangereden, en in de verte, tusschen de boomen der oprijlaan, zagen de slijters boer Kneuvels met twee versche flesschen jenever aankomen. Zij juichten hem met rauw geschreeuw van verre te gemoet, zwaaiend met hun petten en hun handen....
* * * * *
De leeuwerikjes hadden al een tijd als dol gezongen, en het was zeven uur en de grootste helft van den vlasgaard was uitgerukt en lag in geelgroene bundels verspreid over het plat-getrapt veld, toen de lucht, die sinds een poos steeds grijzer en somberder werd, plotseling in een overweldigende, lauwe regenbui losbarstte. Het duurde niet lang, maar zij konden nergens schuilen, en in enkele minuten waren zij allen doornat. De druipende mannen zagen er uit als uit het water gehaalde honden, en de vrouwen zaten allen "in de zij" gestoken, zooals ze 't schaterlachend noemden: al hun kleeren plakkend om het lijf gegoten, met natten weerglans als van fijn-glimmende zijde.
"Kijk ne kier! Kijk ne kier! 'k zit in de zijë en 'k droage ne sleep!" giegelde Irma Pese, met doorgezakte knieën en wringingen van heel het lijf haar morsigen rok over het veld heen en weer dweilend. Maar de mannen keken minder naar haar rok dan naar haar bovenlijf en dijen, waar de volle vormen zóó rond afgegoten waren, dat het alles meehuppelde en trilde in de dolheid van haar wispelturige bewegingen. Drieske Nijpers en de Seissekoker staakten alle twee het werk om haar met begeerig- glinsterende oogen aan te kijken, en plotseling vloog de Seissekoker als gek op haar af, greep haar met zijn beide armen in het middel dat zij er bijna van omsloeg, en drukte haar een hartstochtelijk-wilden zoen op den mond. Zij worstelde zich giegelend los en sloeg hem zonder boosheid van zich af; en allen schaterden en gilden om het meest, terwijl ieder van de mannen nu op een der meisjes afvloog. Het vocht en schreeuwde en schaterde even alles door elkaar, enkele vrouwen boos, de meeste jolig, als een wilde bende uitgelaten jonge dieren. Zelfs de oude Krommen Bulcke wilde meedoen, en vloog waggelend op zijn scheeve beenen naar de oude Sieska toe, de eenige werkelijk booze, die hem met een ruwen vuistslag van zich afweerde; maar wat hen allen bij het eindigen der dolle pret nog 't meest deed lachen, was het vreemd gezicht van Alfons en van Rozeke, die als 't ware aaneengebonden nog steeds in elkanders armen stonden, nadat al de anderen elkaar reeds hadden losgelaten. Bij 't eerste sein der wilde uitspatting was hij recht op haar afgesneld, zoodat geen ander haar kon nemen, en daar stond hij nog zooals hij haar had vastgegrepen: de rechterhand beschermend om haar middel, de linkerhand over haar schouder en zijn blik in smachtende, biddende liefde op haar aangezicht gevestigd. Zij hield de oogen neer en wachtte, een warme kleur over haar wangen, de losse bruine krulletjes om 't voorhoofd en de slapen door glinsterende regendroppels nat-bepareld. Hij zou en wilde 't haar nu eindelijk in duidelijke woorden zeggen, maar plotseling zag en hoorde hij het spotgelach van al de anderen, en rood van spijt en schaamte liet hij haar weer los zonder nog een enkel woord te kunnen vinden.
Maar er kwam afleiding opdagen. De paardenknecht der hoeve was in aantocht om de eerste vracht groen vlas naar de rooterij te vervoeren. Zij zagen van verre het tweespan met den wagen komen, hobbelend in gestrekten draf door de lange oprijlaan der boerderij, met Smul rechtop van voren, de beenen wijd-opengeschraagd, de zweep snel-klappend- slingerend in de lucht. Alfons fronste de wenkbrauwen: daar kwam de vijand aan. Maar al de anderen keken met een soort van eerbied en bewondering en 't deed hem leed dat Rozeke ook iets van dien eerbied en bewondering scheen te voelen. O die Smul, wat wist hij met de paarden om te gaan! Zij sidderden en snoven zoodra ze zijne stem maar hoorden of zijn hand aan de leidsels voelden. Ja, gelukkig voor Kneuvels dat hij zulk een "boever" had; anders was hij al lang boer-af, met zijn heele godsche dagen zwadderen en drinken!--Smul, rechtop met uitgesperde beenen op den ratelend-hotsenden wagen, kwam als een rukwind uit de oprijlaan gestoven, zwenkte zonder zijn wilde vaart te stremmen links om, kwam recht als een kogel, in daverenden draf, op den vlasgaard aangerukt. De blonde manen van zijn sterke vossen wapperden als rook-en-vlamme-tongen in den wind, en groote brokken modder-aarde vlogen wentelend met de wielen op. Blijkbaar was hij prat over die gapende bewondering van allen, en vlak vóór den vlasgaard hield hij met een plotsen ruk zijn paarden in, sprong af en greep ze alle twee bij de gebitten vast, schuddend en duwend, terwijl de jagende beesten steigerden en hinnikten, met snuivende, schuimende bekken en angstig-wild draaiende oogen.
"Hierrr zilt-e stoan, peirden van luxe!" bulderde hij, ze met een laatsten, ruwen wrong twee passen achteruitduwend; en trotsch omdat ze gedwee en bevend als lammeren gehoorzaamden, klopte hij hun even vriendelijk op den hals, wipte weer op den wagen en tilde een zware mand in de hoogte, nu roepend tot de slijters:
"Allo, hier!... uldere fricot!"
Hij had hun tweede ontbijt meegebracht, en bij dit zicht straalden de oogen, en allen voelden plotseling den scherpen honger, waarvan zij tot nog toe, onder het harde werken, den knagenden prikkel hadden onderdrukt.
"Joa moar, iest mijne woagen loan!" eischte Smul, hun de mand overhandigend.
"Ha moar Ivo jongen, loat ons iest eten, we zien scheel van den honger," smeekte de oude Krommen Bulcke.
Doch er was geen zeggen aan. Smul ging aan 't vloeken, sprong weer beneën en begon zelf de groene bundels op den wagen neer te ploffen. Toen hielpen zij hem allen en in enkele minuten was de zware vracht opgeladen.
"Jue, nondedzju!" bulderde Smul.
Zijn zweep klapte als razend, en de twee paarden, rillend als van schrik tegen elkaar gedrongen, spanden hun krachtige lenden dat het harnas er onder kraakte, en rukten eindelijk den wagen met zijn ingezakte wielen uit den kleverigen moddergrond op.
"Och Hiere, die biesten moeten toch trekken!" riep de oude Sieska meewarig.
"Ze'n trekken aan mijn hoar niet!" brulde Smul; en weg was hij, in gestrekten pas nu, hangend aan de leidsels die hij ruw op de gebitten snokte, aanhoudend schreeuwend, vloekend, en klappend met zijn lange zweep over de glimmend-gespannen ruggen der paarden, die trokken en trokken, alsof de dood hen op de hielen zat.
"Nondedzju!" riep een der slijters, pal van bewondering.