Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1

Chapter 10

Chapter 103,964 wordsPublic domain

"Bezinne," dacht Rozeke glimlachend; "'t es woar, 'k ben nou bezinne." Zij staarde even naar het wit, besneeuwde hof met de zwarte boom-geraamten en naar de hooge maan met de dikke, grauwe wolken erom, boven 't dak der schuur.--Daar achter, op een wintersneeuwnacht zooals deze, had de arme vrouw gelegen waarvan Dons vertelde. Zij huiverde. O, die nare verhalen, wat had het haar aan 't hart gegrepen! Wat was er strijd, armoede en lijden op de wereld! Wat was háár lot gelukkig vergeleken bij dat van zooveel anderen! Plotseling dacht zij aan mejonkvrouw Anna. Ook die was niet gelukkig. Waar zou ze zijn op 't oogenblik? En wat was toch de oorzaak harer droefheid? Zij stond daar even over te peinzen, vaag luisterend naar 't verwijderd, fijn gezang der kinderen, die nu reeds op een andere hoeve waren. Maar de feestvierders daarbinnen klaagden luid dat ze 't koud en ongezellig maakte en dat ze weer moest binnen komen.

Haastig sloot zij de deur en kwam rillend terug bij den haard.

Nog een poosje bleven zij er doorpraten, gezellig rookend om den haard, onder het drinken van steeds meer koppen slappe koffie en ook glaasjes brandewijn; en weer werd hun gesprek nu los en licht en vroolijk, met ieder oogenblik uitbarstend scherts-gelach om ondeugend-schuine grapjes; maar toen boer Dons, zeer opgewonden, voorstelde het onderbroken kaartspel voort te zetten, bleek het reeds te laat geworden en spraken de vrouwen van nu maar liever weer naar huis te gaan. De mooie bazin Kneuvels, die tijdelijk zonder dienstmeid was, moest zelve nog alles tegen den volgenden dag beredderen, beweerde zij; en ook bazin Dons wilde liefst vertrekken vóór het laat in den avond werd en zij wellicht spoken op hun weg ontmoetten.

"Speuken! zij-je toch nie wijs! Doar 'n bestoan ommers gien speuken mier," lachte vader van Dalen.

Maar bazin Dons en ook meestal de anderen bleven zeer ernstig.

"D'r zijn zèker nog speuken!" bevestigde boer Dons, die reeds was opgestaan en zijn jas had aangetrokken, maar even weer ging zitten. En hij vertelde een vreemde geschiedenis van zijn ouden paardenknecht, van het spook en den kasteelhond.

Iederen avond,--dat was nu zeker wel ruim veertig jaar geleden--dwaalde daar in de buurt een kasteelhond.

"Wa ès da ne kastielhond?" viel Rozeke hem met groote oogen van belangstelling in de rede.

De oude boer haalde zijn schouders op.

"Da es nou gelijk," sprak hij, bijna korzel, "nen hond, ne kastielhond, niemand 'n weet precies wa dat dat es. Moar loat mij ne kier veurt vertellen."

"Iederen oavond dus,--'t was in de winter, omtrent dezen tijd--liep er hier rond 't hof ne kastielhond. Koarel-Sies, mijnen ouë peirdeknecht, ha hem al heul dikkels gezien, en telkens zat er hij achter mee zijn vurke, moar natuurlijk zonder hem oeit te keune krijgen.--Koarel-Sies, jongen, zei ik azeu, ge moet oppassen of ge goat doar leulijke dijngen mee ondervinden.--Zoe 'k wel, boas, zeit hij; da 'k hem moar e-kier 'n kon krijgen, 't zoe hier al gauwe gedoan zijn mee al dat geleup.--'K zegge: kijk, ge moe 't weten, Koarel-Sies, zeg ik azeu, moar geleuf mij, jongen, ge goat er vuil mee vangen, zeg ik azeu.--Goed.--Op nen oavond, nen dag of dreië achter da 'k hem da gezeid ha, komt Koarel-Sies al mee ne kier noar mij geleupen: "Boas! hij es doar weere zille en deze kier moe 'k hem hên!" Ik ha hem al ne heulen tijd gezien, moet-e weten: en, peis ik in mijn eigen...."

"Watte! de kastielhond! Het-e gij hem euk gezien, boas Dons?" viel Rozeke den ouden boer opnieuw met trillende emotie in de rede.

"Zeu goed of da 'k òù zie," verzekerde kalm boer Dons. Bazin Dons, die ook vol aandacht luisterde, knikte sprakeloos met het hoofd, om te getuigen dat het waar was. Al de anderen, om den ouden boer geschaard, vingen, in roerloos-stille graagte, de woorden van zijn lippen op.

"En wat deed hij? Hoe liep hij? Hoe zag hij d'r uit?" vorschte Rozeke ademloos.

"Da es nou gelijk!" antwoordde Dons weer ongeduldig wordend. "Ne kastielhond, zeg ik ou! Niemand 'n weet datte; niemand 'n hèt da van dichte bij gezien. Loat mij ne kier veurt vertellen...."

"Goed.--Peis ik in mijn eigen: Kaorel-Sies, jongen, doe gij ou gedacht; leupt gij er achter, aangezien da ge toch nie mier verstand 'n hêt; ik 'n trekke mij den boel nie aan. Goed.--De kastielhond droait hem ne keer of zeven rondom 't hof, en Koarel-Sies doar achter, mee zijn vurke veuruit, vliegen lijk de wind. 'K wilde da ge da gezien hadt! Ge kond' hem heure lessemen[6] toe op de keiter[7]. Wel verdeeke!... peis ik in mijn eigen, 'k geleuve woarachtig dat hij hem van deze kier goa krijgen, want 't 'n school gien hoar mier of hij zat er boven op;... moar al mee ne kier, percies op de moment da Koarel-Sies de kastielhond zijn vurke deur 't lijf goa steken, verandert de kastielhond in 'n speuk, dat rechte lijk ne pijl uit nen bogen noar den bosch toe leupt!

"'n Speuk! 'n woarachtig speuk! En hé-je 't gezien, boas Dons? riep Rozeke.

"Lijk of ik òù zie!... moar loat mij ne kier veurt vertellen."--Goed, 't speuk den bosch in en Koarel-Sies mee zijn vurke doar achter.--Ik vliege zeu zier of da 'k kan toe an 't hofgat en 'k roep uit al mijn macht! "Koarel-Sies! Koarel-Sies! gie dwoaze loeder, komt toch weere!" Moar 't spel was al verbrod en 't was te loate. 'K zag hem nog precies mee ne lei al de kant van dan bosch leupen en over de gracht sprijngen; en wig was hij, nie mier t'heuren of te ziene!"

"En?" vroeg Rozeke, de woorden uit zijn mond kijkend.

"Hewèl... hij hét hij heul den nacht rondgedwaald, zonder nog zijne wig te keune vinden. 't Speuk ha hem verlied. Tegen den uchtijnk es hij weere thuis gekomen, slijknat, deudmoe, al schriemende lijk 'n klein kind. Heul de godsche nacht had hij achter 't speuk geleupen, op alle soort van vrende prochies, deur bosschen woar dat hij nog noeit van zijn leven geweest 'n ha; en as hij thuis kwam had hij, in ploatse van zijn vurke, nen bessemstok in zijn peuten.--Hij hé hem ontklied en veertien doagen van altroassie in zijn bedde gelegen!"

"En 't speuk? de kastielhond?" vroeg Rozeke.

"De kastielhond! 'n moand lank hé 'k hem hier hoast iederen oavend rondom 't hof zien leupen. Hij kwam natuurlijk kijken of da Koarel-Sies nog goest ha om d'er mee zijn vurk achter te zitten; moar Koarel-Sies had er genoeg van, zille. Ge 'n zoedt hem 't 's oavens mee gien stokken mier van 't hof gekregen hén."

Er was opnieuw een korte stilte. Allen staarden weer met ernstige gezichten naar den ouden boer, die zooveel wonderbaars had bijgewoond en Rozeke durfde geen woord meer vragen.--Maar plotseling ging een onverwachte stem op òm den hoek der tafel, de ruwe, schorre stem van Smul, die nu in kort-gehorte woorden ook een wonderheid vertelde.

Dat was een jaar of twaalf geleden; hij woonde toen, als pasbeginnende paardeknecht, op een groote boerderij, den kant uit van 't Westvlaamsche. --Eens, op een ochtend, dat hij een verafgelegen partij land aan het beploegen was, zag hij, in een struik van den elzekant die den akker omsingelde, een vreemd klein dingetje hangen,--een soort bruinhouten pop of beeldje, leek het hem--half verborgen in 't gebladerte. Hij liet zijn ploeg met paarden even staan en ging dwars over 't akkerland, op 't vreemd verschijnsel af. Het was een klein, bruinhouten Lieve-Vrouwbeeldje, met een dof-gouden stralenkransje om het hoofd. Wie mag dat daar wel gehangen hebben? dacht hij. Het had geen waarde, hij liet het hangen en zette zijn arbeid voort, maar nam het 's middags mede naar de boerderij.

Ook daar begreep geen mensch wat het wel beteekenen mocht. Maar, aangezien het toch een heilig beeldje was, zou de boer het maar houden, en het werd in de keuken boven op de schoorsteenlijst geplaatst.

's Anderendaags morgens, toen de boerin beneden kwam en even naar den schoorsteenriggel opkeek, was het beeldje verdwenen. Dat werd hoe langer hoe vreemder; zij ondervroeg al de huisgenooten en de knechts en meiden van de groote boerderij, en allen gaven de stellige verzekering dat zij geen hand naar 't beeldje hadden uitgestoken. Bij gebrek aan verdere bewijzen moest de boerin hen wel gelooven, en ieder ging weer naar zijn werk zonder nog veel aan het beeldje te denken.

Maar nu werd het bepaald een wonder, een mirakel. Het eerste wat Smul zag, toen hij met ploeg en paarden op den akker kwam, was 't bruine Lieve-Vrouwbeeldje, hangend precies op de zelfde plaats, aan 't zelfde takje waar hij het 's ochtends te voren ontdekt had.--Dat heeft mij niemand voor de grap geleverd, dacht Smul, en 's avonds nam hij weer het beeldje naar de hoeve mee. Maar hij vertelde 't aan niemand, hij verborg het in een baalzak en stopte 't zoo weg onder zijn bed, op den zolder waar hij sliep, boven de paardenstallen.

Toen hij den volgenden ochtend ontwaakte, was zijn eerste zorg haastig den baalzak te openen. Het Lieve Vrouwtje was weg! Hij liep naar 't verre akkerland. Het beeldje hing er weer op de zelfde plaats, aan 't zelfde takje van 't zelfde elzestruikje.--Smul liet het hangen. Het hing er heel den dag en 's avonds nam hij het ook naar de boerderij niet mede----

Dien nacht gebeurde iets vreeselijks. Een jong boerenmeisje, dat tamelijk laat in den avond alleen huiswaarts keerde, werd langs den eenzamen weg door een landlooper aangerand. Zij vluchtte weg, kwam juist terecht op dat stuk akkerland, bij de plaats waar 't Lieve-Vrouw-beeldje in het elzestruikje hing. Daar werd ze verkracht en vermoord!..."

"Och Hiere!" slaakten al de vrouwen. Rozeke zag bleek van schrik en beefde, haar angstige oogen op den paardeknecht gevestigd. Had hij zelf niet geprobeerd haar met geweld te nemen, in het koren!...

Maar moeder Van Dalen was verontwaardigd en riep:

"Da was 'n heule slechte Lieve-Vreiwe!"

"'T 'n doet, integendeel," beweerde Smul. "Da was 'n woarschuwijnge van onz' Lieve-Vreiwe dat er op die ploatse moest gewoakt worden!" En hij vertelde verder:

"Den boer hèt er 'n kapelleke doen bouwen en 't Lieve-Vreiwke doar in gezet. Moar alle nachten speukt het er in 't ronde en 't zal d'r blijve speuken zeu lank of dat de meurdenoare nie gevonden 'n es."

"Hên z' hem dan nie gevonden?" riep Rozeke.

"Nien z'!" zei Smul kortaf, haar voor het eerst dien avond recht in het gezicht aankijkend.

Zij sloeg den blik ten gronde en sidderde, als voelde zij een dreiging in zijn blik.

Allen waren langzaam opgestaan en namen afscheid. Ach, men moest maar niet te veel aan al die vreeselijke dingen denken, meende de oude boer, terwijl hij zijn dikken bruinen kraag opzette en zijn pet over de ooren trok: men moest trachten met iedereen goed te staan en ieder geven wat hem eerlijk toekwam. Dan lieten spoken, kasteelhonden en verschijningen je wel met rust. Allen waren 't daar ernstig over eens, en dat gesprek bracht hen eindelijk nog even weer op de kwestie van de weddingschap die tusschen Dons en Smul was aangegaan.

De oude boer, buiten op den drempel, gilde Smul, die naar de stallen ging om in te spannen, na:

"Veur twintig fran, hè? Nie vergeten, zille!"

"Ge meug gerust zijn, 'k zal d'er zelf omme komen!" klonk van verre Smuls ruwe, schertsende stem.

De witte nacht was gansch helder geworden, glans-helder van vol manelicht over de blanke, donzig-dikke sneeuw; en hun lange, zwarte schaduwen rekten zich gedrochtelijk vóór hen uit, tusschen het vreemd-gewirwar van 't weerkaatste, naakte boomen-netwerk op den onbetreden witten grond. Het vroor en al de sterren tintelden in 's hemels donkerblauw; maar laag aan den gezichtseinder rezen weer donkere balken, zwaar-dik van nog dreigende sneeuw.

"Ala, de goê nacht en 'n dreumt er nie van!" riep de oude boer, terwijl hij met zijn vrouw, met vader en de broeders van Dalen het hoevetje verliet. Luid pratend onder elkaar verdwenen zij in den helderen, sonoren maan-en-vriesnacht. Het oogenblik daarna was ook de sjees van Kneuvels klaar en Alfons en Rozeke, die hen tot aan den weg een uitgeleide deden, kwamen rillend van de kou terug bij La en moeder, om het langzaam uitdoovend haardvuur.

Dien nacht had Rozeke vreemde, benauwende droomen. Alles wat ze 's avonds gehoord had woelde verward door haar geest en zij kreeg akelige vizioenen van kasteelhonden en spoken, van zieltogende menschen in de sneeuw en van vluchtende vrouwen die door landloopers overweldigd en vermoord werden. Mejonkvrouw Anna, van 't kasteel, werd wreed door een van die honden verscheurd; en zij zelve, eenzaam en verlaten, verre van Alfons en verre van haar ouders en haar broeders, vluchtte voor een schurk die haar razend achtervolgde en haar eindelijk vastgreep en omverwierp op den harden grond onder een elzestruik.

Met een gil van angst schrikte zij plotseling wakker, vloog overeind, sloeg verwilderd hare armen uit.

"Wa het-e-gij? Wat doe-je gij?" riep Alfons, ook eensklaps uit zijn slaap wakkergeschrikt.

"Niets! 'k 'n weet niet! 'k miende da 'k iets zag! da 'k iets heurde!" hijgde ze angstig.

"Kom kom, g' hèt gedreumd, legt ou neere, loat ons sloapen," zuchtte hij.

Zij zag de hooge maan in bleeken hemel door het bovenste gedeelte van het kleingeruite raampje; en dat aanschouwen van de kalme, koude, heldere werkelijkheid, verjoeg haar ingebeelden droomangst. Ja ja, zij had gedroomd....

Zacht strekte ze zich weer uit en legde haar armen om zijn hals.

"'K zie ou zeu geirne Fons; ge 'n meug mij noeit verloaten, ge moet altijd... altijd bij mij blijven," nokte zij teer-ontroerd.

Zijn handen drukten haar werktuigelijk tegen zich aan, maar hij gaf geen antwoord meer. Hij was reeds weer in slaap.

Toen zuchtte zij heel diep en sliep ook kalm weer in.

Noten:

[3] Gerookt rundsvleesch.

[4] Hemelgeiten: kwezels.

[5] Stallen en schuren.

[6] Hijgen.

[7] Kouter; vlakte.

* * * * *

VIII.

Het was dat jaar een lange, ruwe winter. Weken en weken na elkaar bleef het doodsche veld onder de dikke sneeuw begraven; en daarop vroor het, hard als steen. De menschen liepen met opgetrokken schouders, tot over hun ooren in wollen halsdoeken gewikkeld, als zwarte, sukkelige stumperds over al die harde, strakke blankheid; en de kinderen die van de dorpsschool kwamen leken van verre op misvormde kaboutertjes: de oorlappen der petten neergetrokken, de blauw-verkleumde handjes in de grijze wollen wanten, de neusjes purperrood en de waterige oogjes schreiend van de scherpe kou. Enkele liepen soms met ijssleetjes onder den arm, om ergens op een ondergeloopen stuk weiland te gaan "ijsstoelen"; anderen gingen "baantje slieren" op de smalle slootjes, in benden van tien en vijftien glijdend en buitelend in uitgelaten pret onder elkaar. Heel enkelen hadden schaatsen, en die waren zeer trotsch en reden met aanstellerige minachting, in groot gezwaai van armen en geschrijd van beenen, de tragere ijsstoelers en baantjesslierders voorbij. Hun drukke pret bracht telkens als een korte herleving over het verlaten veld, dat dadelijk na hun lawaaiïgen voorbijtocht weer in doodschen winterslaap verzonk.

Vreemd zag het heele land er uit: alles verkleind en als 't ware ineengekrompen. De mooie fruitboomen der boerderijen leken nu niet grooter dan ontbladerde heesters op de smal en klein schijnende erven; en zelfs de woonhuizen, de stallen en de schuren schenen tot de helft geslonken en als 't ware in den grond gedrukt, onder de dikke, gewafelde sneeuwlaag die log de dakpannen bedekte. Het dorpje, in de verte, over de wijdte van het blanke, vlakke veld, was niets meer dan een hoopje lage, nauwelijks zichtbare gebouwen onder een trosje zwarte boomkruinen; en de grijze torennaald der kerk, die anders zoo fier en zoo slank uit het frissche zomergroen opschitterde, leek nu wel een brooze, schrale ijskegel, die elk oogenblik om zou kunnen vallen. En ook het statig kasteel in rood steen met zijn gesloten vensterluiken, maakte thans geen grooteren indruk dan een gewoon buitenhuis; en 't prachtig park, 's zomers zoo ondoordringbaar zwaar en donker, was nu vol gapende holten en gaten, waar men dwars door de verre landerijen en de boerenhuizen zag, als hadden schendende handen er in groot getal de mooiste boomen weggekapt.

Die winter-kleinheid en bekrompenheid van alles verbaasde en beangstigde bijna Alfons en Rozeke.

"Ha moar, dat 'n es hier zeu greut niet as dat Dons gezeid hèt! Da es amoal veel kleinder!" riepen zij soms met onthutste verwondering uit, toen zij wel eens, in één enkelen oogopslag, geheel hun erfje met gebouwen en omliggende landerijen opnamen. En Alfons moest dan eerst de afstanden stappen, de boomen van den boomgaard tellen, de hoogte der gebouwen en de uitgestrektheid van de akkers meten, vóór zij gelooven konden dat zij niet bedrogen waren.

Doch er waren ook soms heerlijke verrassingen.

Op een ochtend, toen Rozeke in de vroegte buitenkwam, scheen het haar toe of ze zich plotseling op een heel andere doening, in een soort van wonder-of-tooverland bevond. Wat was dat! al die boomen eensklaps zoo groot en overladen met het weelderigste bloeisel! En dat ruischend zilverkleed in plaats van grasveld! En die heg om het erf als een blauw-wazig verre muur van doorschijnend-kristal! En al dat bouwland er omheen, glinsterend, fonkelend, flonkerend in de zon, als een eindeloos veld van de fijnst-getinte lichtroze en lichtblauwe, levende en trillende bloemen? Dat was de winterrijp over de naakte boomen en gewassen, de blanke rijp doorschijnend tintelend met allerteerste kleurschakeering in de gouden zonnestralen! Het leefde en beefde, de overladen twijgjes van de naakte kruinen fluisterden en schitterden in stil geritsel als waren zij gansch vol van onbekende, wemelende vogels en kapellen. Zij schitterden en wemelden in zacht-suizend gefladder en gekweel, maar 't was slecht een illuzie: zij vielen ritselend in risten op het wit-glanzende grasveld neer en vloeiden er weg als groote, stille droefheidstranen; en weer stonden de boomen zwart en naakt als dorre heesters, en weer omheinde de schrale heg met haar doorzichtbaar doorngeraamte 't kleine erfje, en weer lagen de akkers kleintjes afgemeten er omheen, in de langzaam uitdoovende schitterpracht van al dat vreemd en broos-fantastisch leven, dat er eindelijk nat en triestig, onder een aanhoudend dof geruisch als van stille zuchtjes en snikjes, te smelten en te sterven lag.

Zij leefden in afwachting van wat langzaam aan komen en worden zou: de lente; en met de lente: de arbeid op het land. Alfons had tegen Maart een knecht gehuurd: Vaprijsken, die boer Kneuvels' boerderij verlaten had en gelukkig was, bij een vroegeren werkkameraad en vriend, een goeden meester en een vaste betrekking te zullen vinden; en Rozeke, die in haar zwangerschap het zware werk van koeienmelken en beestenvoeder- koken niet goed meer verrichten kon, had reeds een dienstmeisje, ook een vroegere kennis en een flinke werkster: het Geluw Meuleken. Met die twee konden zij 't vooreerst wel stellen. Een paardenknecht hadden zij niet noodig: dat baantje zou Alfons zelf waarnemen.

Stil en gelukkig leefden zij, met hun hoop en hun gedachten in de toekomst. Slechts bij zeldzame uitzondering ging Rozeke nog een enkelen keer naar het ouderlijk huis, dat nu wel wat ver afgelegen was, maar bijna elken zondag kreeg zij bezoek van de haren. Meestal kwamen moeder en La na de vesper aanhijgen, telkens klagend dat het niet te doen was door de sneeuw; en als ook vader en de broeders kwamen spraken zij uren lang over vee en landerijen, en eindigden doorgaans met een partijtje kaart te spelen, de mannen rookend bij het haardvuur, met koppen koffie en borrel-glaasjes op de tafel om zich heen. Dat mooie boerderijtje was de trots en als 't ware de rijkdom van hen allen. Zij waren er allen in een hoogeren stand en voornamer aanzien door gekomen; zij waren boeren, echte boeren geworden; en iederen zondag bij het huiswaarts keeren voelde vader de behoefte nog enkele herbergen in het dorp te bezoeken, waar hij dan, dikwijls tot ergernis en spotlust der aanwezigen, zonder eind op het rijk huwelijk en op die schoone rijke "doening" van zijn oudste dochter zat te snoeven en te pochen.

* * * * *

IX.

Nog nooit was de lente zoo levendig en zoo frisch uit den winterslaap geboren.

In de eerste dagen van April scheurde de alom uitgespreide sneeuwmantel eindelijk aan flarden; en 't leven der ontwakende natuur bruiste onstuimig door de scheuren en de gaten op, groen als van een nooit-geziene jonge, malsche groenheid, met triomfante kracht en graagte. De blonde vlietjes huppelden als dol tusschen de steile, wit-en-geel-bebloeide oevertjes, de wilgentwijgjes trilden als duizenden slanke vleugeltjes, wild van jeugdig, opstormend levenssap. In enkele dagen tijds stonden de populierenkruinen alom als dichte, groen-grijze pruiken van ontluikende en krullende knopjes, en 't een na 't ander kwamen leutig zingend al de lentevogeltjes, terwijl gele, bruine en witte vlinders, waggelend als van luchtdronkene bedwelming, door de lauw-wazige zon-atmosfeer der vrije, frisch-geurende ruimte fladderden.

En ook het boerderijtje herleefde uit zijn stillen winterslaap!... De mooie boomgaard stond niet stekelig-witbebaard meer met schijn-bloeisel van fantastische rijp, maar bloeide en geurde werkelijk nu van zacht-en-frisch-levend lentebloeisel. Het waren als donzige wolken van wit en van roze om het roze huisje en de roze stallen, als reusachtige, heerlijk-frisch ruikende tuilen van herboren jeugd op oud-verweerde dingen; en de blaadjes die zacht-ritselend in zonneglinstering op den grond vielen, smolten niet meer weg als stil gedrop van tranen, maar bleven liggen, als een licht, fluweelig kleed van weelde, om de ruige stammen in het groen, groen bloeiend gras gespreid. De beesten waren buiten in de wei, de staldeuren stonden den ganschen dag wijd open, rechthoekigzwart als donkere kuilen en gaten, waar mensch noch dier lust meer had zich in te wagen. Het gele haar van 't Geluw Meuleken blonk als een glinsterende goudvacht op haar hoofd, waar zij buiten op het erf haar rinkelende en schitterende koperen emmers schuurde; en op de landerijen was Alfons van den ochtend tot den avond aan 't ploegen, aan 't zaaien of aan 't eggen, zijn donkere silhouet achter het zware paard scherp afgeteekend in een paarlemoeren atmosfeer, terwijl Vaprijsken, over de vore gebukt, met vluggen duw zijn spade in de aarde drukte en telkens met een breeden zwaai van vette glinstering een groote kluit van zware blonde klei omkeerde.

Rozeke, in huis, of vóór het zonnig geveltje, zat stil-gelukkig bij een hoop verstelgoed of werkte aan de luiermand van het verwachte kleintje....

Eens, op een namiddag, tegen avond, terwijl ze daar in de gouden schemering zat, mazend aan kousen, naast het Geluw Meuleken, die de karn aan 't schoonmaken was, hoorde zij een vluggen stap in een geruisch van rokken achter zich naderen; en, toen ze 't hoofd omwendde, stond plotseling mejonkvrouw Anna vóór haar.

"Och Hier, och God, mejonkvreiwe!" kreet Rozeke, verkleurend van verrassing en emotie.

"Dag Rozeke, hoe gaat 't met u?" glimlachte zwakjes jonkvrouw Anna.

Zij zag er bleek uit, slechter nog dan op dien wintermiddag, toen Rozeke haar voor 't laatst op het kasteel gezien had. Zij was weer geheel in 't zwart gekleed, als droeg zij rouwkleeren, en haar vermagerd gezicht stond pijnlijk getrokken, met ingevallen wangen en donkere oogen van lijden en angst.

Ontroerd was Rozeke opgestaan.

"Kom binnen, mejonkvreiwe: zet ou 'n beetsen," verzocht zij het meisje. En met aarzelende stem durfde zij te nauwernood vragen:

"Hoe goat 't mee òù? Hèt ou goed geamezeerd op reize?"

"Rozeke," sprak de jonkvrouw, angstig-gejaagd om zich heen starend, zoodra zij binnen waren, "Rozeke, g' hebt mij beloofd dat g' ook eens iets voor mij zoudt doen als het u mogelijk was, en nu kom ik het u vragen."

"Zeker, mejonkvreiwe, mee plezier, 'k ben ten ouën dienste, al wa da 'k kan zal ik veur ou doen," beloofde Rozeke.

"Is er hier iemand! Kan ons niemand hooren?" vroeg de jonkvrouw, wantrouwig rechts en links omkijkend.