Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
Chapter 1
Produced by Marc D'Hooghe
HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN
ROMAN IN TWEE DEELEN
DOOR CYRIEL BUYSSE
1905
_Voor mijne Moeder_
EERSTE DEEL
I.
De klok, in 't keukentje, riep "koekoe", één keer. Alfons werd half wakker. Hij vroeg zich even, in onduidelijk denken, af, of het soms reeds de echte vogel buiten was, en niet de klok. Hij kon 't niet ophelderen; hij sliep dadelijk weer snurkende in.
Toen scheen het hem dat iemand aan zijn venster tikte, en dat een welbekende stem zijn naam riep. Hij wilde opstaan en gaan kijken, maar de slaap van zwaar-drukkende vermoeidheid hield, als met duwende vingers, zijn oogleden dicht, en doofde de inspanning van zijn geest in soezing weer uit.
Toen hoorde hij het eindelijk heel duidelijk: het driemaal bonzen op zijn vensterraam, en de stotter-stem van boer Kneuvels, zijn baas, die riep:
"A... Alfons... 't es ien! Toe,... ge... ge moet opstoan!"
Opeens was hij klaar wakker en wipte uit zijn bed.
"Zij-je 't gij, boas?" riep hij werktuigelijk. En meteen, waggelend op zijn nog onvaste beenen, was hij bij het raampje en trok het open.
De heerlijk-frissche zomernacht-lucht woei hem als een adem van frisch leven in 't gezicht, en vulde met een gulle teug van nieuwe krachten zijn benauwde longen.
"Ghááá!... zuchte hij, diep ademhalend. En in de duisternis zag hij den boer daar buiten staan, een donkere, vaag omlijnde gestalte, tegen zwart-blauwen, flonkerenden sterrenacht.
"Dag Al... Alfons," hakkelde de boer. "Goe... oe weere te weege. Wi... ilt... e gij de Van Doalens goan roepen, 'k zal ik o... om d'ander goan?"
"Joa ik, boas," antwoordde Alfons, die zich reeds aan 't aankleeden was.
Hol en luid klonken hun stemmen in de stilte van den nacht. Als een donkere schaduw trok de boer zich terug, en helderder flonkerden in 't vierkant van het open raampje de levend-tintelende sterren aan het donkerblauw uitspansel. Alfons stak 't hoofd naar buiten. De boer was reeds onzichtbaar. Heel in de verte blafte hol en dof een hond.
Hij rilde en hoestte even van de frissche lucht, en sloot weer dicht het raampje. Hij stak een nachtpit op en kleedde zich verder aan. Naast zijn kamertje was dat van zijn oude moeder. Stiller ging hij nu te werk om haar niet te wekken. Maar zij hoorde hem toch, en haar stem klonk lijzig en klagend als die van een zieke:
"Zij-je 't gij, Fons?"
"Joa ik, moeder."
"Hèt den boer om ou geweest?"
"Joa hij, moeder."
"Hoe loat es 't?"
"Koart noar den ien; sloap moar gerust."
"Zilt-e de deure goed op slot doen?"
"Joa ik, moeder, ge meug gerust zijn."
"Ge moet zeker om de Van Doalens goan?"
"Joa ik, moeder."
Hij hoorde een zucht en een gekraak van 't bed, waarin ze zich scheen om te keeren. Hij was aangekleed, nam zijn klompen in de hand om geen lawaai te maken, blies 't lichtje uit, verliet zijn kamertje en opende in de duisternis de voordeur.
Een stil geruisch van ritselende bladeren, zacht-zijïg schuivend door elkaar onder den ademtocht van een windje dat nergens vandaan scheen te komen, zweefde als een heimelijk gefluister door de hooge kruinen der nabije popels; en ergens in de buurt kraaide plotseling schel een haan. Hij kraaide een tweede maal. Toen weer de groote, donkere, sterrenflonkerende stilte, en heel héél in de verte 't hol geblaf van waakhonden met zware stemmen. Alfons trok de deur op 't nachtslot en stak den sleutel in zijn zak.
Geen schim van dageraad was nog in 't Oosten te bespeuren. Het was de volle, stille zomernacht met zijn miljoenen en miljoenen aan den somber-blauwen hemeltrans flonkerende sterren, en heel laag op den horizon een scheef hellende sikkelmaan, die langzaam aan, van gloed verdoovend, in het westen aan 't verdwijnen was.
Met vlugge schreden, den kraag omhooggetrokken en een weinig huiverend, liep Alfons langs het smalle kronkelpaadje naar den breeden, mullen zandweg. De zware popels om zijn huisje suisden hem nog even droomerig na, en dadelijk daarop was hij in 't volle veld, tusschen de rechts en links golvende, rijpende korenvelden. De hooge halmen, over het paadje gebogen, gleden hem met de klam-kille streeling hunner bedauwde aren over de handen en 't gezicht, en geurden zoet en frisch naar landelijke heerlijkheid.
Hij dacht aan Rozeke. Gisteren, en ook al de laatste vorige dagen had hij aan haar gedacht, omdat hij wist dat hij haar nu terug zou zien, dat hij één dag, een ganschen vollen dag met haar zou mogen doorbrengen. Maar een ontstemmend gevoel fronste plotseling zijn wenkbrauwen: er was er nòg een die naar haar verlangde en haar den ganschen dag zou zien: Smul, boer Kneuvels' paardenknecht!
Hij bromde iets tusschen zijn tanden en vlugger nog, als in gejaagde haast, liep hij door. Hij voelde reeds de nachtelijke frischheid niet meer en sloeg den kraag van zijn wambuis weer over. Smul,... dat was de vijand; hij kon hem niet uitstaan. Telkens wanneer hij een dag op de hoeve kwam werken, moest hij zich met wilskracht bedwingen, of het zou tot een uitbarsting, tot een vechten gekomen zijn. Dat was nu al vanaf dien Kermisdag, twee jaar geleden, toen Smul zoolang met Rozeke gedanst had. Zij had niet bepaald durven weigeren met hem te dansen, zij wou het alleen maar heel kort maken; doch eenmaal in zijn bezit had hij haar niet meer losgelaten, haar met geweld doen meedraaien, oneindig lang, tegen haar zin, tot zij eindelijk niet meer kon, en huilend in zwijm bijna, uit de armen van den woestaard in elkaar gezakt was. Hij, Alfons, was dreigend in het midden gekomen, had hem met geweld het meisje, --bijna zijn meisje--uit de handen willen rukken; maar Smul was veel sterker dan hij, en weinig had 't gescheeld of het liep uit op een gevecht waarin Alfons zonder twijfel een deerlijke nederlaag zou geleden hebben.
Hij joeg die nare herinnering van het verleden uit zijn gedachte, en even kwam een glimlach op zijn lippen. Rozeke hield van hem, hij voelde 't, hij wist het, al had ze 't hem nog niet gezeid. Hij zag dat telkens in haar oogen, hij hoorde 't in haar woorden, al deed ze soms ook nog wat stug en vreemd met hem; en hij had pret in zichzelf omdat hij het zoo handig met boer Kneuvels had weten te schikken, dat niet de boer noch zijn paardenknecht, maar wel hij de Van Dalens dien ochtend zou gaan wekken. Hij eerst, vóór alle anderen, zou Rozeke zien en met haar spreken. Hij zou met haar, en met haar broeders en haar zuster, in de vertrouwelijke duisternis van den nacht, den tamelijk langen weg afleggen van hun huisje naar de hoeve, en daarna van de hoeve naar den vlasgaard. Ook Smul zou haar zien, en met haar spreken, zeker, dat kon ook niet anders, doch eerst later, als hij al ruim tijd en gelegenheid zou gehad hebben, om haar te zeggen en te vragen, dàt wat hij reeds zoo lang van plan was en nu eindelijk brandde van verlangen haar te zeggen en te vragen.
Hij was op een breeden, zandigen landweg gekomen, volgde dien een eindje, stak dwars een steenweg over bij een kruispunt waar een eenzaam huisje stond, volgde weer de kronkelige baan tusschen het hooge koren. De doodstille zomernacht droomde. De geurende korenvelden stompten zich aschgrauw gelijk twee vage muren aan beide kanten van den landweg af, en daarover heen was niets dan één hooge, donkerblauwe oneindigheid, tintelend van levend-gouden sterren. Hij zag geen boomen en geen huizen meer: het was de volle nachtelijke eenzaamheid der heerlijk vruchtbare landouwen.
Zoo liep hij enkele minuten door, in zachte opgewektheid van gedachten. Op den onzichtbaren kerktoren van het dorpje klopte kort en hel één slag: half twee. Een ander dorpje galmde tegen, heel héél zwak en verre, als een kinderstemmetje dat antwoordt op een mannenstem. Vleermuizen fladderden geruischloos om hem heen, muggen gonsden droomerig in de groote stilte, en zijn eenzame schreden klonken in kadans, dof-klompend door het mulle zand. Weldra draaide en kronkelde de weg in een reeks van grillige bochten tusschen slooten en boomen, en eindelijk kwam hij op een klein gehucht met spitse, bleeke geveltjes naar den straatkant, en reuzen-populieren, die hun donkere kruinen, hoog in den blauwen sterrennacht, over de stille daakjes uitspreidden. Dáár was het. Zijn klompen, galmend in de doodsche stilte op het smal plaveisel tusschen de huisjes, deden plotseling de honden blaffen. Hij telde de woninkjes: twee, drie, vier,... in donkere, gesloten rust achter de boomgaardjes; en vóór het vijfde hield hij stil, tilde den sluitboom van het hek op en stapte over 't smalle paadje door het gras naar het woonhuisje toe.
Zijn hart klopte gejaagd. Hij wist niet waar ze sliep: voor of achter. Alleen wist hij dat rechts van de deur het keukenraampje was, en links daarvan een slaapvertrek. Hij hoopte, zonder eigenlijk precies te weten waarom, dat zij aan den voorkant sliep, en dat hij aan het raampje van hààr kamertje zou tikken.
Hij stond vóór 't raampje, de luikjes waren dicht. Hij trok er zachtjes aan. Zij boden weerstand. Toen tikte hij, driemaal, niet hard, met de kneukels op het hol-klinkend hout.
Iemand bewoog zich in een bed daarbinnen. Hij wachtte even. Toen tikte hij opnieuw, twee maal, zachter.
"Wie ès er doar?" vroeg plotseling een zware, slaperige mannenstem.
De teleurstelling deed hem 't antwoord even schuldig blijven. Hij had zóó gehoopt aan Rozeke's venster te tikken.
"Ès er doar iemand?" vroeg opnieuw de stem, norsch-wantrouwend en nu heelemaal wakker.
"'k Ben 't ik, boas Van Doalen," antwoordde Alfons eindelijk, "'k Kom ulder opkloppen veur de slijtinge."
"Haha!" knorde de stem gerustgesteld. "Wacht'n beetsen, 'k zal open doen."
Alfons trok van het raampje weg, en kwam bij de voordeur, terwijl vader Van Dalen, opgestaan, nu met groot geluid daarbinnen zijn familie wakker maakte.
"Roze, La, Miel, Dolf, ala toe, opstoan! 't es tijd!" hoorde Alfons hem roepen. En dadelijk was hij aan de deur, waarvan hij ratelend den grendel wegschoof, en spoedig openmaakte.
Alfons trad binnen. Vader Van Dalen, barrevoets, in broek en hemdsmouwen, begroette hem met een gullen "goên dag" en ging hem voor in 't keukentje, waar hij een lichtje opstak.
"Zet ou 'n beetsen;--wa veur 'n weer es 't buiten? scheun slijting-weer, hè?" praatte hij met luid-galmende stem, alsof hij op den akker was; en opgewekt ging hij daarover door, bewerend dat 't een zomer was die al de boeren rijk zou maken, als dat prachtig weer nog maar enkele weken aanhield. Hij had het lichtje ietwat hooger opgedraaid, en Alfons zag hem nu zooals hij hem sinds lang al kende: middelmatig van gestalte, met sterk afgeteekende, vriendelijke gelaatstrekken, het rechter-oog fel-levendig en helder, het linker als een doffe witte bal, uitgedoofd en doodgegaan in een ziekte, jaren geleden.
Binnendeuren gingen open, en van rechts en links kwamen de zonen en de dochters met een korten ochtendgroet te voorschijn. De gezichten stonden vermoeid, de oogen waren nog beneveld door slaap, de bewegingen loom en langzaam. Miel en Dolf, de eerste lang, blond en mager, de tweede kort, donker en dik, met groote, zwarte, te wijd van elkaar staande oogen, kwamen van de zoldertrap, en La en Rozeke verschenen samen uit de kamer rechts.
Dáár sliep ze dus, dacht Alfons met kloppend hart; en zijn oogen bleven als betooverd op haar gevestigd.
La-tje, blond als vlas en mollig als een poesje, groette hem met een lieven glimlach en een vriendelijken blik van haar lichtblauwe oogen; Rozeke, ietwat grooter en tengerder, met zacht krullend bruin haar en frissche wangen, begroette hem slechts met een vluchtigen blik en een haastig, als 't ware bedeesd "dag Fons", haar heel-kleine klompjes in de hand, haar grauwe werkschort en blauw-linnen zonhoed aan den arm.
"Wilt g' iets drijnken?" vroeg vader Van Dalen op aanmoedigenden toon aan Alfons.
Maar hij had geen zin, hij dankte, ietwat onthutst door Rozeke's koel onthaal; en zij vertrokken met hun vijven, door den vader tot aan 't hek gevolgd.
De zomernacht was onveranderlijk zacht-geurig-frisch van landelijke aroma's, met de oneindige, donker blauwe sterrenkoepel over de grauw-duistere uitgestrektheid van de stille, nachtelijke velden. Zij liepen in een dichtgeschaarde groep, hun klompen dof-klopperend in het zand, allen even-huiverend met opgetrokken schouders onder de eerste aanvoeling van koele frischheid. De jongens zetten hun kraag op, de meisjes sloten haar borstdoek dicht om den hals, en liepen klappertandend, met haar handen in de mouwen. Maar na een poosje hadden zij het ook lekker warm; de schouders zakten en de kragen vielen neer en zij begonnen over het werk van den dag te praten.
"Weet-e gij, Fons, mee hoevele da we zillen zijn?" vroeg Miel.
Alfons noemde op: Bros Cnudde, Drieske Nijpers, Miel Pese, Sies de Seissekoker, Vaprijsken en de Krommen Bulcke als mannen: Sieska Verhelle, Fietje Cleemens, Maaie Troet, Irma Pese, Liza Cloet, Mietje Moor en 't Geluw Meuleken als vrouwen; dat was dus samen, met hun vijven meegerekend, achttien.
"'t Es drei man te weinig, we'n zille véúr den negen van den oavend nie gedóan hèn," bromde Dolf, Rozeke's jongste broeder.
Allen waren 't met hem eens; het was te weinig, eigenlijk wel vijf, zes man te weinig voor zulk een uitgestrekten vlasgaard als dien van Kneuvels. En duchtig begonnen de twee Van Dalens af te geven op den boer, die stommerik, die hakkelpot, die luiaard, die heele dagen dronken op zijn hof of in het dorp liep, en zóó slecht op zijn zaken paste dat hij nooit menschen noch beesten genoeg had om al zijn achterstallig werk gedaan te krijgen.
"Dat hij Smul, zijne peirdeknecht, nie 'n ha, hij zoe 'em in twie joar tijd 't hoar deur zijn mutse boeren!" schimpte minachtend Miel.
Dolf en La beaamden die woorden door een goedkeurend gemurmel, maar Alfons fronste even in de duisternis zijn wenkbrauwen, toen hij Smul, zijn vijand, aldus door Rozeke's oudsten broeder hoorde roemen. Hij had zich dicht bij Rozeke geschoven, doch het gelukte hem geenszins, zooals hij gehoopt had, zich met haar van de anderen af te zonderen. Zij deed niet mee in 't algemeen gesprek, zij liep zwijgend naast La, die des te drukker praatte en lachte, en alleen 't geklepper van haar kleine klompjes, die trouw met de klompen van de anderen in stapkadans meeklapperden, getuigde dat zij solidair met het gezelschap medeging. In het duistere van den nacht kon hij niets van haar gezicht zien; en daar zij niet meer notitie van hem nam als van een vreemde, kropte 't in zijn keel van ingehouden droefheid, en vroeg hij zich wanhopig af wat hij haar wel onbewust misdaan mocht hebben, toen zij eensklaps, als 't ware door zijn stilzwijgen benauwd, het hoofd half naar hem omkeerde, en hem met een lief zacht stemmetje vroeg hoe het nu met zijn moeder ging.
"O, goed, heul goed," antwoordde hij haastig, met een plotseling gevoel van innige dankbaarheid en warmte, omdat ze niet boos was op hem zooals hij vreesde. En eerst nadat hij zoo instinctmatig, op een innigen juichtoon had geantwoord, wijzigde hij zijn al te optimistisch gezegde en bekende dat zijn moeder wel iets beter, maar toch nog heel héél zwakjes was.
"'t Zal beteren as 't weere wa afkoelt; 't hè toch zeu woarm geweest de loatste viertien doagen," meende Rozeke.
Hij liep een poosje zwijgend naast haar, gansch ontroerd van vreugd, zijn geest inspannend om nu toch ook weer iets te zeggen dat het gesprek zou gaande houden. Maar hij kon eensklaps niets meer bedenken; al de woorden die hem op de lippen kwamen zeiden heel andere dingen dan wat hij mocht of durfde uitspreken, en hij voelde zich ellendig en onhandig als een dom, onmondig kind. Hij beet op de lippen en in de duisternis verkrompen zijn gelaatsspieren als van pijn, terwijl hij haar zoo heel dicht aan zijn zij zag loopen, zoo heel en al in zijn bereik en lief gestemd nog, maar inwendig zeker reeds teleurgesteld, omdat hij nu zoo weinig op haar tegemoetkomende vriendelijkheid inging.
Zij waren bij den ingang van het dorp gekomen en moesten er dwars door om dan verder weer den weg naar boer Kneuvels' boerderij te volgen. En nauwelijks kwamen zij tusschen de eerste huizen in het hol gegalm van hun klompen op het hobbelig straatplaveisel, of daar hoorden zij, van uit een zijstraat, luide kreten in de stilte van den nacht weerklinken.
Zij hielden even stil en luisterden, en dadelijk wisten zij dat het andere slijters waren, die ook naar boer Kneuvels' hoeve gingen en bij het hooren van hun stappen naar hen hadden geroepen, wel vermoedend dat zij voor hetzelfde doel zoo vroeg van huis trokken.
Het waren twee mannen en twee meisjes: Bros Cnudde en Vaprijsken, met Liza Cloet en 't Geluw Meuleken. Zij juichten luid toen zij zoo onverwacht de Van Dalens en Alfons om den hoek der straat ontmoetten, en in één drukke lawaaiïge groep gingen zij nu samen verder de stille Groote Dorpsstraat in, reeds opgewonden door 't vooruitzicht van den langen dag van gemeenschappelijke pret en zwoegen, die nu reeds begonnen was.
Bros Cnudde zette 't in met het traditioneel, luid-galmend geroep:
"Zijn we te goare?"
waarop al de anderen antwoordden:
"Joa w'!"
"Blijven we heul den dag te goare?"
"Joa w'!"
"Goan we bij boer Kneuvels slijten?"
"Joa w'!"
"Goan we veel dzjenuiver drijnken?"
"Joa w'! Joa w'!"
Zoo ging het voort, in allerhande juich-en-nonsenskreten, uit louter opwinderij, omdat het nu eenmaal de gewoonte was bij 't slijten, dat men den langen, zwaren arbeidsdag door zooveel mogelijk pret en opwinding vervroolijkte. Zij gilden en zongen, en stampten met hun klompen op de klinkende straatkeien, om de rustige, slapende burgers ook eens goed te ergeren; zij schudden aan de enkele, nog brandende lantarens in de stille, donkere straat; zij keften tegen de razend-keffende hondjes achter de gesloten deuren, kraaiden op 't gekraai der hanen, en bootsten ook het gemiauw van katten na; en midden op de brug van het kanaal dansten zij hand aan hand een ronde, stampvoetend dat de ophaalketens in hun hengsels ervan schommelden en klapperden. Zij moesten 't maar weten, al die vette luilakken van burgers die nu in hun bed lagen; zij moesten ook maar eens om één uur 's nachts opstaan en mee gaan slijten; en meneer de pastoor en zijn meid moesten het ook maar weten, en meneer de notaris en meneer de burgemeester moesten 't ook maar weten; zij waren slijters en de rest kon hun niet schelen... en verder trokken zij door, het geheele dorp uit zijn nachtelijke rust opschuddend, schreeuwend, zingend en klompen-klabbetterend tot zij weer buiten waren, in de eenzaamheid en stilte van het nachtelijk zomerland.
Daar stond de groote, sombere hoeve, laag en breed uitgebouwd met haar stallen en schuren, achter de donkere boomen van de oprijlaan en van den uitgestrekten boomgaard. Twee vensterramen van het woonhuis waren hel verlicht; de groote waakhonden blaften in het gerinkel van hun kettingen.
Een vóór een traden zij door de openstaande voordeur en een gangetje binnen, en kwamen, links, in de helderheid van een groote plaats, de oogen knippend tegen 't licht, en machinaal "elk ne goên dag" wenschend. De ruime boerenkeuken met haar glimmend tin en koper boven op den breeden schoorsteenmantel en alom tegen de muren, was reeds druk gevuld met mannen en vrouwen, die op twee lange houten banken aan beide zijden van een lange ruw-houten tafel zaten te eten en te drinken. Alfons herkende beurtelings Maaie Troet en Mietje Moor, Sieska Verhelle en Fietje Cleemens, Miel en Irma Pese, Drieske Nijpers, Sies de Seissekoker en de Krommen Bulcke. 't Was al jong volk, behalve Sieska en de Krommen Bulcke, en zij juichten allen luid toen zij de bende der Van Dalens zagen binnenkomen, en schoven joelend op elkaar om plaats voor hen te maken. De boerin, een jonge, knappe vrouw, met levendige donkere oogen en zwarte haren, liep bedrijvig heen en weer om allen te bedienen; de boer, een veertigjarige lummel met paarsrood gezicht, stond, bij den schoorsteen geleund, tegen de dichtst bij hem zittenden te brabbelen en te hakkelen.
Alfons merkte, met één enkelen blik, dat Smul, de paardenknecht, in de keuken niet was.
Hij nam plaats bij de anderen, naast Rozeke, op een der lange houten banken, en zij gebruikten hun eersten maaltijd: dikke tarwesmouterhammen met groote koppen slappe koffie. Zij hadden honger van het loopen door de frissche nachtlucht en aten vlug en zwijgend in het druk gebabbel van de anderen, omdat zij reeds wat laat waren. De hooge stapels wit brood smolten als sneeuw op de breede, platte teilen. De ouderwetsche klok in haar lange eiken kast tegen den achterwand sloeg langzaam twee uur. Enkele mannen stonden op en staken hun pijp aan; de vrouwen ontplooiden haar grauwe werkschorten en stroopten lange grauwe mouwen over de voorarmen.
"Ala k... jongens,... 't... 't zal tijd worden," hakkelde de boer. De laatst aangekomenen slokten en slorpten met haast de groote brokken en de lauwe koffie in, en weldra stonden allen klaar. Toen ging de deur ruw open, en Smul trad binnen.
"Elk ne goên dag!" riep hij bruusk, zonder iemand aan te kijken; en hij ging naar de tafel, nam een smouterham, schonk zichzelf een kom met koffie in, en begon nu ook, zonder te gaan zitten, schrokkig te eten en te drinken.
"Hè... hè hè-je de peirden al gegeên, I... I... Ivo?" vroeg stotterend de boer.
"Joa ik," antwoordde hij lomp, zonder zijn meester aan te kijken. En zijn barsche blik bleef eensklaps strak gevestigd op Rozeke, die hij nu naast Alfons ontdekt had.
Instinctmatig keek zij even met haar heldere oogen naar hem op, terwijl zij haar mouwen aan 't vaststrikken was, en met een korte rilling, als van schrik, sloeg zij die dadelijk weer neer, terwijl een lichte kleur over haar wangen kwam. Alfons merkte het en zijn wenkbrauwen trokken zich samen. Boos-wantrouwend keek hij den paardenknecht vlak in 't gezicht. Smul, de wangen kauwend, de lippen aan zijn koffie, staarde, al over den rand van zijn kom, brutaal onverschrokken, Alfons' blik tegen. De rosse stekels van zijn snor stonden als 't ware dreigend overeind; zijn kleine oogen glinsterden, staalblauw en hard. Geen van beiden sprak een Woord, maar in hun zwijgenden kruisblik lag al de haatdragende wrok van hun oude vijandschap.
"'t Zal zomer zijn van doage!" riep enkel Smul op een toon van uitdaging, als gold het een schimpende hatelijkheid die een ieder wel begrijpen moest; en meteen zette hij ruw zijn kom op de tafel neer, en drong met groote, haastige schreden, door de drukke groep heengaande slijters naar de deur.
"Loast an 't eten, iest an 't wirken!" hoorde men hem nog even buiten roepen, terwijl hij in het donker deurgat van den paardenstal verdween.
* * * * *