Chapter 9
"Dat men dus in het oog houdende de gelegenheid by welke, en het oogmerk, waar mede voornoemde Heer DE GROOT dit Advys, in den Jare 1617 heeft gesteld, en het zelve in zyn geheel met oordeel en attentie nalezende, ligt bemerken zal, dat hy daar by niets anders heeft willen betogen, als dat de Hoven van Justitie zich de klagten en quæstien tusschen de Magistraten der Steden en derzelver Ingezetenen over gezegde politique Ordonnantien of Correctien van die Magistraten tot maintien van de publyke rust, niet vermogen aan te trekken, en wel _voornaamlyk_, dat zulks egter by de Hoven ondernomen wezende, de Staten volkomen bevoegd waren zoodanige quæstien den Hove te onttrekken en aan zich te evoceren, zonder dat _daar door_ enige Privilegien verkort wierden."
* * * * *
En Pag. 150 sprekende van de DEFECTEN in de Personen, die gecommitteerd waren geweest tot zyne Rechters, zegt hy:
"dat eerst hier op staat te letten, dat _die niet en waren ordinarisse Rechters_; indien de Staten Generaal het regt van de Commissie te geven toekwam, (vervolgt hy) waarom en hebben zy daartoe niet gecommitteert den Hoogen of Provincialen Raad van Holland? waarom niet de Raden van Staten, die _ordinaris Recht doen_ uit den naam van de Generaliteit? In alle vrye Regering is hatelyk over het bloed, eer en goed van de Ingezetenen, _andere als ordinarisse Rechters_ te stellen, veel meer, als die Personen, gelyk het meerendeel van deze, niet en zyn in dienst van de Justitie, maar _politicque persoonen_."
* * * * *
Doch zoo men nog al zoude willen beweren, dat hy, in 1619 gesmaakt hebbende, wat het te zeggen is van zynen dagelykschen Rechter vis factie te werden geëvoceert, van een ander begrip geweest zy, dan in 1617, zal men teffens moeten erkennen, DAT HY HET SLAGTOFFER VAN ZYN EIGEN SYSTEMA IS GEWORDEN; en dat DE VIOLENTE EN ONWETTIGE HANDELWYZE OMTRENT HEM EN ANDERE BEROEMDE VOORSTANDERS DER VRYHEID GEHOUDEN, de hooge waarde van de Privilegien _de non evocando_, zoo wel hebben leeren kennen, dat sints alle tyd elk Liefhebber van het Vaderland een afgryzen van den naam zelfs van gedelegeerde Rechters als aangeboren is; zoo als men ook sedert altoos tegens dergelyke inbreuken en violentien, met de uiterste zorg heeft gevigileert, uitwyzens Hun Ed. Groot Mog. bekende verklaring van den 15 September 1677:
"dat het binnen den Lande van _Holland_ en _West Friesland_ een indisputabel recht is, dat geene Ingezetenen anders dan voor hunnen ordinaris en daaglykschen Rechter mogen te recht gesteld worden."
* * * * *
BERICHT VOOR DEN BINDER. _De Plaaten te voegen, tegenover Bladz. 70._
NOTEN.
Noot 1: _Eén op de verovering van _Nymegen_, door Prins _MAURITS_, en een ander tot vertroosting van zynen vader, over 't verlies van deszelfs vroeg gestorven zoon, _JAN DE GROOT_, welk versje van dezen inhoud is:_
Eerwaarde Vader, 'k bid dat ge uw gezucht bepaalt; Wyl die Johannes, wien de dood heeft weggehaald, Heeft met zyn dood, schoon noô, de groote schuld betaald.
Noot 2: _Hierop ziet een Latynsch tweeregelig versje, onder een zeer vroeg afbeeldsel van onzen Held, gegraveerd door _JACOB DE GEIN_: dus luidt het in onze taale_:
Ik, van myn vyftien jaar ter pleitrol opgeschreeven, HUIG JANSZ. DE GROOT, word dus in plaat verbeeld naar 't leven.
Noot 3: _Toen welëer veel gouds in _Holland_ omging, was men gewoon de dukaten en andere speciën te weegen, om te weeten of ze wigtig waren of niet; Wanneer nu de evenaar wat doorsloeg, of niet in 't midden bleef stil staan, werd dat leste aas _een kyfäas_ genoemd, om dat men twistte of het 'er by moest gerekend worden of niet--nu wil _VONDEL_ zeggen, dat het ook zo wankel stond met de Rechtbank in _Holland_, dat het maar een _Kyfäas_ scheelde, zus of zo stond, of de Heer _HUGO DE GROOT_ zou ook voor 't zwaard hebben moeten bukken; voor 't zwaard dat nu _gestroopt en reê was om den tweeden slach te geeven_._
_De _AANTEKENAAR_ op _VONDEL'S_ Hekeldichten_.
Noot 4: _Zie Bladz. 225 van de _Nieuwe Uitgaave_, onlangs by de Heeren _ELWE en LANGEVELD_ van de pers gekomen._
Noot 5: _Ibid._
Noot 6: Walcheren, _tweede uitgaaf_, Bladz. 226.
Noot 7: Anderen willen dat die Vorst zou gezegd hebben: _Ik dacht wel datze hem niet opgeslooten zouden houden; want hy was wyzer dan alle zyne rechters_.
Noot 8: _Dit geschiedde in 't begin van April, na dat zyn huisvrouw even te vooren ontslagen was; want den vyfden dier maand werd, by geschrifte, van haaren wege aan de Staaten Generaal geklaagd, dat men haar op _Loevestein_ gevangen hield, en dat zy haare natuurlyke vryheid verzocht: dit verzoek overwogen, en aangemerkt zynde, dat de Soldaaten zelven _DE GROOT_ uitgedraagen hadden; dat gevolglyk by de kloekmoedige Echtgenoote niets zonderlings misdreeven was, werd zy twee dagen daar na ontslagen._
Noot 9: _Dit betrof Hoogstdeszelfs erffenis van zyne Moeder, _LOUISA DE COLIGNY_, wier goederen meestall' in _Frankryk_ lagen._
Noot 10: Deeze was een Neef van den Rykskancelier OXENSTIERN, die DE GROOT aan den Koning gepresenteerd had, en nevens hem in 't gevaar was, vermits de kogels, op naauwlyks twee duimen afstands voorbij hunne hoofden vloogen.
Noot 11: _Deeze Vorstin, was, zegt zeker historieschryver, "ervaaren in alle saeken, haerer kennisse weerdigh; uitsteekende beminde sy geleertheid en geleerden, en ook _DE GROOT_ selven; met een doordringhendt oordeel wist sy syne uitgegeevene schriften te schatten"--op eene andere plaats beschryft hy deeze Vorstinne, als, "nogh onweetende in de verscheyde Landtschappen des aerdtboodems, nogh in de verschillende seeden der menschen"._
Noot 12: _Mevrouw _DE GROOT_, heeft, op verzoek van de _Zweedsche Vorstinne_, (_Zie Bladz. 133_), de nagelaatene schriften van haaren overledenen man, voor 24000 Guldens, aan haare Majesteit overgedaan_.