Het leven van Hugo de Groot

Chapter 8

Chapter 83,309 wordsPublic domain

ondertusschen is dit gedeelte van des grooten mans overschot iets bejegend, dat, om de zamenhang van alle zyne wederwaardigheden, aanmerkelijk is; het werd naamlyk, te _Rotterdam_ aangekomen zynde, door den schipper, die hetzelve had overgebragt, voor de vrachtpenningen gearresteerd, tot dat de Heer HENDRIK ZWAARDENKROON, vader van den Geneesheer, PETRUS ZWAARDENKROON, schoonvader van den Heere, CASPAR BRANDT, op verzoek van JAN VAN REIGERSBERGEN, de geëischte penningen betaalde, en dus het lyk van onzen Held ontsloeg.

De gestalte zyns lichaams was niet ver boven de middenmaatige, zyne gedaante vry schoon, de verwe frisch, de neus een weinig geboogen, zyne oogen glinsterende, het wezen helder, de leden geslooten, en zo sterk, dat hy in 't wandelen, in 't loopen, in 't springen, onder lieden van zyne jaren, weinig of naauwlyks weêrgaê vond: in 't bedryf van zaaken was hy ernsthaftig, onder zyne vrienden vrolyk, by allen gespraakzaam, en meêwarig; doch met wat nyverheid, wat verstand; met wat oordeel, met wat godvruchtigheid, liefde omtrent zyne naasten, liefde omtrent zyn vaderland, hy begaafd is geweest, zal klaarder uit zyne schriften zelven, dan uit de getuigenissen van anderen kunnen afgenomen worden.

Dus hebben wy dan onzen Held, op zynen moeijelyken levensweg gevolgd, tot daar hy door den dood in een beter leven overgegaan is: laat ons nu, eer wy verder kortlyk aantekenen, wat na zyn overlyden nog ten zynen opzichte is voorgevallen, hooren, hoe de dichters van dien tyd den uitvaart bezongen hebben van dien grooten man, die het heil des vaderlands altoos bedoeld heeft, doch onder de slagen der doemwaardige onëenigheid heeft moeten bezwyken: deeze gedachten omtrent hem drukt de Dichter G. BRANDT, dus kunstig uit:

_o Delf, beny geen Maes den grooten Rotterdammer,_ __DE GROOT_ is ruim zoo groot. d'Een' zocht het Hollands jammer_ _Te stuiten, door zyn' raadt: maar 't oor der twist bleef doof;_ _Men scheurde veel te licht om liefdeloos geloof;_ _Indien zyn Fenixgeest verdeelt waer onder zeven,_ _'t Vereenight Nederlandt waar onverdeelt gebleven._

De groote VONDEL, vervaardigde het volgende dichtstuk, waarboven hy schreef: _Uitvaart van zyn Excellentie den Heere _HUGO DE GROOT_, aan de wethouders van Delft_:

_Helaes! wie komt myn hoop vermoorden?_ _Wat onweêr ruischt 'er uit den Noorden?_ _Verzekert fluks ons beste pant:_ _Verzekert, bergt het Hollantsch wonder,_ _Hoe haelt de zon haer aanschyn onder!_ _O Baltisch meir! o storm! o strant!_ _Helaes! waar is _DE GROOT_ gebleeven,_ _Die voor de schipbreuk van zyn leven,_ _Zelf onder opgeheven zwaert,_ _'t Gezicht des doods braveerde, en sterker_ _Dan stael, voor eeuwigheid van kerker_ _Noch bittren laster was vervaert?_ _Dit was 't, Kristyn, dat u verraste,_ _Toen ghy naer uwe Ryckskroon taste,_ _En zocht den schoonsten diamant,_ _U tot cieraat en roem beschoren;_ _Maer zocht vergeefs; hy bleef verloren:_ _Een voorspook van uw Rycksgezant!_ _Hoe luysterden noch stracks uw ooren,_ _Die onverzaet 't orakel hooren,_ _Dat in uw koningklyck paleis_ _U zyn geheimenissen melde;_ _U in den dagh der wysheit stelde,_ _En toonde d'eere van den Pais:_ _Dan zagh men Pais uw hart bewegen;_ _Zoo dat ghy den geschaerden degen_ _Scheent op te steecken, op zyn woort,_ _En met uw heiren aftetrecken;_ _Die nu de Kristenweerelt decken,_ _En openen den Krygh de poort._ _Flus hoopte Munster hem t' ontfangen;_ _Nu delft heel Delft met lyckgezangen- _Zyn' ingeboren in het graf;_ _Daar d'Afgunst, entlyck afgeronnen,_ _Zyn doot gebeente rust moet gonnen,_ _Die zy den levende nooit gaf._ _Och krancke troost in zulk een jammer_ _Men stell', gelyk den Rotterdammer,_ _Een beelt den wyzen Delvenaar:_ _Men paer' die groote nageburen,_ _Wier faem alle eeuwen zal verduuren,_ _Zo sta de Wysheit op 't altaer._

G. BRAND, bovengenoemd, heeft mede de uitvaart van onzen Held gezongen, in een uitgebreid dichtstuk, waarin hy zig, onder anderen, dus laat hooren:

_Vraag Hollant nu naar haar doorluchtigsten _DE GROOT_._ _Wie zal nu met zyn pen haar afgezette Staaten_ _Verdedigen? wie zal de slaverny zo haaten?_ _Of wie was zo gehaat van dwingelanden? want_ _Hy leet niet van, maar om, en met zyn Vaderlant;_ _'k Zing nu niet hoe de haat heeft over hem gezeten;_ _Noch hoe men hem (God weet, en veele menschen weeten_ _Door wiens gewelt en list!) onwettiglyk verwees:_ _Noch hoe hy levendig begraven lag, en rees,_ _Door 't ysre grafslot uit: noch hoe ze t'zamen spanden,_ _In zynen ondergang, en maakten hem die landen_ _Te naauw, wier grenzen hy had uitgebreit: noch hoe_ _De wysheit met hem ging in ballingschap: waar toe_ _Dat opgehaalt? had hy geen ongeluk verdragen,_ _Waar was nu zyn geluk geweest? laat ons niet klaagen_ _Om dat hy balling was; zyn Vaderlant is niet_ _Bepaalt van Oceaan, noch Ryn, noch Maas; neen, ziet_ _Den heelen Hemel aan, die heeft in zich beslooten_ _Zyn Vaderlant; wie daar nog niet is uitgestooten_ _Is in geen ballingschap; enz._

In een volgend gedeelte van dit Dichtstuk zegt de Heer BRAND; daar hy HUGO in den hemel ziet:

_----van te voren_ _Had men zyn rechters meest uit vyanden verkooren:_ _Maar daar spant Godt voor hem een strenge vierschaar, om_ _Hem recht te doen; daar is 't myneedig recht nu stom;_ _Daar zal men 't recht met geen gekochte stemmen kreuken;_ _Daar leezen Seraphyns zyn goude Goden spreuken;_ _Daar spreekt de mont nu van d'onmondige Vorstin_ _Der Gotten; daar is nu de vryheit met hem in_ _Geen Loevestein; zy zyn van slaverny ontslagen;_ _Daar sleept men hem niet weg, door de onverwagte lagen,_ _Daar d'ouden vader van het vaderlant meê wiert_ _Verrast: enz._

Men vervaardigde ook het volgende grafschrift, waaruit men het jaartal zyns overlydens (1645) kan tellen.

_hVgo de groot een LICht, Was aLLer WereLts Wonder;_ _sIIn sIeLe Leeft bII godt, sIIn LIChaaM Leght hIer onder._

De Heer SARRAVIUS, zeide, wegens het overlyden van dien wonderbaaren man: _Hy is 'er, ô droefheid! geweest: de man met naam en daad groot, en een heldere flonkerster onzer eeuwe, _HUGO DE GROOT_; ô bitter ongeval voor de geleerdheid! ô overzwaar verlies! de aarde zy hem ligt, en de bloemen moeten zyn grafstede bedekken! zo lang de boeken en weetenschappen zullen geëert worden, zal de naam van _DE GROOT_ waarlyk groot wezen; zo lang myn bloed in de aderen zweeft, zal ik zekerlyk altyd roemen dat ik gemeenzaam by hem bekend geweest ben_.

Nog zullen wy hier byvoegen, het volgende grafschrift, gedicht door WYBO FYNJE:

_Europa's wonder, dat geleerdheid doet verstommen;_ _Het werkstuk daar Natuur zig zelve in overtreft;_ _Het beeld der deugd; 't verstand, in 's hemels top geklommen,_ _'t Sieraad dat boven 't lot des menschdoms zich verheft;_ _Dien waaren Godsdienst, voor wiens eer hy streed, beloonde,_ _Met fraaije Cederen van Libans kruin gehaald;_ _Dien Pallas met olyf, en Mars met laauwren kroonde,_ _Toen hy het recht van vrede en oorlog heeft bepaald;_ _Dien Theems en Seine, om stryd, een wonderwerk beleeden_ _Van Neêrland; dien de Zweed zig eigende als gezant;_ __DE GROOT_ ligt hier; wyk van dit graf met snelle schreden,_ _Die niet door vaderlands- noch wysheids-liefde brandt._

Dit ter neder gesteld hebbende kunnen wy tot het waardige overschot van onzen Held wederkeeren.

Zo dra sommige heethoofdige Predikanten vernamen, dat de ingewanden van HUGO eene eerlyke verblyfplaats genooten, hebben zy zulks hooglyk niet alleen afgekeurd, maar zig ook met kracht daartegen verzet; denkelyk ter oorzaake van zyne toegeevendheid voor de _Remonstranten_, of mogelyk geloofden die zonderlinge Geloovigen, die zekerlyk, in den geloove, gantsche kemels kunnen doorslikken, en te dikwyls zo ryk in ligtgeloovigheid, als arm in broederliefde zyn; mogelyk, zeggen wy, geloofden zy de taal van den laster, die uitstrooide, dat DE GROOT met _papistery_ besmet geweest was; die geestlyke stookebranden wisten dan te bewerken, want hunne invloed is van alle tyden af zonderling groot geweest, dat het overschot van dien geleerden man, uit zyne rustplaatze weggenomen, en elders in een vreemd oord gebragt is geworden:--hoe haatelyk is niet de vuige haat, wanneer zy 't hart van een' Godstolk bewoont, en zig zelfs op het levenloos overschot der broederen wreekt!

Deeze gruwelyke en allerverachtelykste daad, werd echter niet met toestemming des volks verricht, inzonderheid waren de studenten van _Rostoks Hooge Schoole_, over een bedryf dat de menschlykheid schande aandeed, zeer gebelgd, en toonden zulks ook in 't openbaar, want zy zyn,

"kort daarna, gelykelyk, met een geheelen drom en opgeheven toon, toegevloogen, om op nieuw de uitvaart te houden van den grooten man, en zyn overschot weder in zyne oude grafstede te brengen; deeze studenten, die door eenen rechtmaatigen yver waren ontstoken, dreigden tevens dat zy, indien dat eerwaardig pand in het toekomende niet onaangeroerd en ongemoeid bleeve, altemaal terstond hun goed oppakken, en naar een andere studeerplaats vertrekken zouden, daar men de zeergeleerde mannen, ten minsten na hunnen dood, veilig zou laaten rusten".

Een geruimen tyd na het overlyden van onzen held, werd by de Regeering der stad _Delft_ beraadslaagd, over eene openbaare vereeuwiging van 's mans zonderlinge verdiensten; men was van gevoelen hem een standbeeld opterichten, in navolging van die van _Rotterdam_, welken den grooten _Erasmus_ op die wyze verëerd hadden; dan, eenigen waren meer genegen tot het vervaardigen van een prachtigen graftombe, om dat het oude _Delft_ wel de meeste praalgraven bezit; deeze wisten hunne begeerte doortedringen, en hun voorstel werd tot zo verre voordgezet, dat de Overheid van _Delft_, het volgende besluit nam:

"De Heeren Burgemeesters en Regeerders der stad _Delft_, hebben, op verzoek van den Heere, Mr. PIETER DE GROOT, Pensionaris der stad _Amsteldam_, zo van hem zelven, als van wegen zyne zuster, vrouwe CORNELIA DE GROOT, aan hunne Achtbaarheden gedaan, na ingenomen advies en bericht van de Heeren Kerkmeesteren binnen de voorschrevene stad, geconsenteerd en toegestaan, gelyk hunne Achtbaarheden consenteeren en toestaan mits deezen, dat gemelde Heer DE GROOT zal mogen doen oprichten, in 't Choor van de Nieuwe Kerk alhier, op de graven daar de Heer HUGO DE GROOT, hunlieder vader Zal. Ged. begraaven is, een tombe met de ornamenten daartoe behoorende, ter eere en gedachtenisse van hun gemelden Heer vader; mits dat alvorens van de inscriptie daarop te doen stellen, communicatie aan de Heeren Burgemeesteren gegeeven, en derzelver approbatie daarop erlangd zal moeten worden. Gedaan by alle de Heeren, 21 July 1663".

Dit besluit, hoe billyk, werd echter niet verder ter uitvoer gebragt, dan dat een ontwerp, van het beraamde praalgraf getekend, en in aarde geboetseerd werd, door den vermaarden kunstenaar en beeldhouwer, ROMBOUT VERHULST, door wien, naderhand, ook getekend is, de tombe werkelyk vervaardigd ter gedachtenisse van den vermaarden Zeeheld, DE RUITER, met welke tombe het Choor der Nieuwe Kerk te _Amsteldam_ is versierd geworden: op den voorgrond zag men den beroemden letterheld, den grooten HUGO, levensgrootte nederliggen, rustende met zyn' hoofd op een stapel boeken, en houdende een boek in zyn rechterhand; op den achtergrond was een voetstal uitgewerkt, met boeken en papieren versierd, en daarop, in 't midden, een zon, ten zinnebeelde, dat gelyk deeze het aardryk met haare straalen, alzo ook DE GROOT, de geleerde wereld met zyne schriften verlichtte: rondsom den voetstal vloogen eenige naakte kindertjes, met boeken, rollen papieren, en lauwerkransen in de handen; in het verschiet, zag men, aan wederzyde een grafnaald, en boven den voetstal vloog de Faam, die 's mans lof en geleerdheid, met twee trompetten, uitblies: op de kroonlyst zag men zyn wapen, en aan iedere zyde van hetzelve een opengeslagen boek: deeze beraamde praaltombe gaat in prent uit, en is den Landgenooten eerst medegedeeld, door den Heer CORNELIS VAN ALKEMADE, in zyn werk, ten tytel voerende: _Inleiding tot het Ceremoniëel en de plechtigheden der begravenissen_: op den voet der tombe leest men het volgende vierregelig versje:

__De Phenix van zyn vaderland,_ _Het Delfs-orakel, 't groot verstand,_ _De zon die 't aardryk heeft verpligt,_ _Was waard dit graf van eer gesticht._

Zynde deeze regels op het onderwerp toepasselijk gemaakt, oorspronglyk zyn zy van den Heere G. BRAND, en gedicht om geplaatst te worden, op de tegenzyde van eenen eerepenning waarop onzen held afgebeeld is; alwaar zy dus luiden:

_De Fenix van het vaderlandt,_ _Het Delfs-orakel, 't groot verstandt,_ _Het licht dat d'aarde alom bescheen,_ __DE GROOT_, vertoont zich hier in 't kleen._

De meergemelde Dichter DUIM, heeft zyne Leezers ook een afbeeldzel van de gezegde beraamde tombe medegedeeld, maar DE GROOT, een pen in de hand gegeeven, en 'er bygevoegd, de twee gedenkpenningen, waarvan wy daadlyk zullen spreeken, die hy geplaatst heeft, aan de kroonlyst, ter wederzyde van de geopende boeken; het zelfde bovengenoemd versje van BRAND heeft hy mede op de tombe geschreeven, maar met nog eene andere verandering; by zyn Ed. luidt het als volgt:

_De Fenix van het vaderlant,_ _Het Delfs Orakel, 't groot verstand._ _Het licht dat d'aarde alom bescheen,_ _De groote _HUIG_ rust hier beneên._

Dezelfde Dichter heeft eene uitlegging der tombe, in versmaat, vervaardigd, waarvan wy den Lezer een gedeelte zullen mededeelen, als bevattende eene beknopte beschryving van het leven, van onzen onvergelykelyken HUGO; dus luidt dezelve:

_Zie hier de tombe van den grooten _HUIG DE GROOT_,_ _Eerst Advocaat Fiskaal, om Hollands heilge wetten_ _En zyn gerechtigheên, (wie tegenstand hen boodt,)_ _Te schraagen, en voor 't recht zig in de bres te zetten._ _Toen Raatsman van den Raadt der koopstad Rotterdam:_ _Hy zette zyne borst, voor onze aloude rechten,_ _Als eenen koopren muur, toen die verwoede vlam,_ _Van kerk- en staat-twist, uit kwam barsten, om te slechten_ _Den band der eendracht. Hy, met onvermoeide vlyt,_ _'t Roer wendde van de kerk en staat, naar alle boegen;_ _Op dat die band niet wierd verbroken, in dien tyd,_ _Zocht hy, ter wederzyds, elk een te vergenoegen:_ _Om zulks te doen, was 't wit van hem, verdraagzaamheid,_ _Hierop hy doeldde, doch party wou 't niet gedogen;_ _Hy wierd, om deeze drift, naar Loevestein geleid,_ _En levendig, als dood, ontrukt der menschen oogen,_ _Tot hy na der d'half jaar verlost wierd, door een kist;_ _Hy leefde in ballingschap, na 't vluchten, all' zyn dagen,_ _Maar Zweden, die 't geweld, hom aangedaan, wel wist,_ _Heeft 't ampt, als Afgezant, hem gunstig opgedraagen._ _Dit heeft hy loffelyk bediend; maar, door den dood,_ _Nu eindelyk ontlast van alle de aardsche zorgen,_ _Rust hier het lichaam van den wakkeren _DE GROOT_,_ _Voor wien (wat wetenschap betreft,) niets was verborgen._ _Des rust hy met zyn hoofd op boeken; in de hand_ _Voert hy een veder, die de vrucht des geestes baarde;_ _Kenmerken van zyn groot en doorgeleerd verstand._ _In d'achtergrond ziet gy den schat, dien hy vergaarde,_ _Een gantsche boekzaal, waarin hy begraaven lag;_ _Dit gaf men naderhand voor twaalef duizend kroonen,_ _In handen van Katryn[12], op dat ik, schreef zy, mag._ _Myn' grooten Afgezant, my, in zyn schrift vertoonen_ _In 't midden van dien schat, ziet gy een helder zon,_ _Wier glans alom verlicht het aardryk, met haar straalen_ _Van zynen geest, die in zyn schrift met luister praalen;_ _Die schriften vliegen al de wereld door en door,_ _In Englen handen; en met kransen van Lauwrieren,_ _Ontwonden Rollen, elk een draaft op 't letterspoor;_ _Gy zietze, wederzyds om deeze zonne zwieren._ _Wat hooger blaast de faam, met twee trompetten, uit,_ _'s Mans lof, zyn wysheid, in religie, en staatkunde._ _Zyn wapen ziet men op de lyst. Een boek ontsluit,_ _Ter wederzyde, zig, wyl 't yder toegang gunde,_ _Om, nevens Huig de Groot, de bladren in te zien_: enz.

Wat betreft de gedenkpenningen, tot 's mans eere geslagen, en waarvan wy boven reeds gewag gemaakt hebben; beiden vertoonden zyn borstbeeld, doch in verschillende standen; op de tegenzyde van den eenen, zag men een koffer, indedaad in alles zeer gelykende naar dat welk onder den Heer Mr. KLINKHAMER berustende is, en dat wy den Leezer in plaat medegedeeld hebben; op het koffer stonden twee kroonen, verbeeldende die van _Frankryk_ en _Zweeden_, te kennen geevende zyn vlucht in 't eerstgemelde ryk, en zyn gezantschap ten dienste van het tweede; aan de eene zyde van het koffer vertoonde zig een opgaande zon, en aan de andere zyde, in een flaauw verschiet, het Slot van _Loevestein_; de opgaande zon verstrekte

"ten zinnebeeld van de vernieuwing zyner tydlyke gelukzaligheid en glorie, als die lang verborgen geweest zynde onder de duisternis van veele rampen, eindelyk te helder weder doorbrak":

De Dichter DUIM, laat de flaauwe vertooning van het _Loevesteinsche slot_, te kennen geeven, dat deszelfs vermogen door de groote HUGO overwonnen is: dus zingt hy, in de bovengenoemde Uitlegging:

_Men ziet, aan de eene zyde, een halve opgaande zon,_ _Het slot van Loevestein verflaauwd aan de andre zyde,_ _Ten teken dat zyn glans verryst, en hy verwon_ _Het Loevesteinsche slot, dat hem zyne eer benydde._

Boven aan den rand van deezen penning las men de woorden:

MELIOR POST ASPERA FATA RESURGO.

Dat is:

_Ik kom na myne rampen weder ten voorschyn_:

Onder aan stond:

N. 1583. O. 1645.

Dat is:

_Geboren in 't jaar 1583, en overleden 1645._

Op den tweeden penning, zag men, gelyk gezegd is, mede 's mans sierlyk borstbeeld, en daar rondsom de volgende woorden:

HUGO GROTIUS NATUS MDLXXXIII, 10 APR. OBIIT, MDCXLV. 28 AUGUS.

Dat is:

_Hugo de Groot, geboren den 10 April 1583,_ _En gestorven den 28 Augustus 1645_.

Op de tegenzyde las men, onder drie bloemtrossen, en boven twee lauwertakken, het versje van den Heere BRAND, gelyk wy het Bladz. 153 opgegeeven hebben.

Laat ons by dit alles nog eenige weinige regels ten slotte voegen:--de gewoone spreuk van den onstervelyke HUGO was; _Ruit Hora_, dat is, _Het uur snelt voord_, welke woorden hem altoos de kostlykheid van den tyd te binnen bragt: hy was gewoon des morgens ten zes uure optestaan: wanneer hy vermoeid was door de studie, las hy iets vrolyks, of onderhield zig met zyne kinderen: _Ik heb de genade van God_, zeide hy, _als ik de sleutel uit myn Comptoir trek, dat ik my van alle ingespannene gedachten ontledig_: hy was hartig in 't eeten; hoorde gaarne dat men hem tegensprak: zynen Geheimschryver, den Heer PELS, raadde hy, den bybel te leezen, zonder enige aantekeningen te raadplegen, zeggende: _Komt U iets voor, dat gy niet verstaat, leg daar een vouwtje by, en lees voord; het een zal 't ander verklaaren, en God zal u helpen_.

Zyne weduwe, de onvoorbeeldige MARIA, volgde haaren zaligen Echtgenoot, op de reis naar de eeuwigheid, den 19 April des jaars 1653: haare dochter CORNELIA was gehuwd aan den Heere JOAN BARTON, Graaf van _Mombas_: behalven deeze dochter, liet onze held na, drie zoonen, CORNELIS, PIETER, en DIEDERIK, waarvan de oudste en jongste ongehuwd gestorven zyn; de middenste, door wien het beroemde geslacht van den grooten HUGO voordgeplant is, werd, na in vreemden dienst geweest te zyn, aangesteld tot Pensionaris van _Amsteldam_; vervolgends bekleedde hy de hooge waardigheid van Afgezant van Hun Hoog Mogende, by de _Noordsche Kroonen_, en werd daarna Pensionaris en Lid in de Vroedschap van _Rotterdam_; doch hy heeft ook eindelyk het lot van zyn' vader ondergaan, en buiten zyn vaderland moeten zwerven, tot dat hy, na dat de tyd de benevelde oogen een weinig verklaard had, wederkeerde, en zyn verblyf nam op een buitenplaats naby _Haarlem_, alwaar hy zyne dagen sleet, in het opvoeden van zyne kinderen en het leezen van goede schryvers: hy overleed in den ouderdom van 70 jaaren.

A A N H A N G Z E L.

Indien wy ons, onder het zamenstellen van de voorgaande bladen, hadden willen bedienen, van eenige papieren, in den tegenwoordigen tyd van beklaagenswaardige verdeeldheid ten voorschyn gebragt, zouden wy menigvuldige trekken hebben kunnen bybrengen, zo wel die den braaven HUGO DE GROOT ongunstig zyn, als anderen die van zynen lof gewaagen; dan, daar wy het grootste gedeelte van die geschriften houden voor schandzuilen, den lande opgericht, om dat ze hunne geboorte verschuldigd zyn aan eene verfoeijelyke partyzucht, en verdervenden geest van nieuwigheden, hebben wy dezelven allen ter zyde gelegd, als onwaardige werktuigen in de hand van een onpartydigen; 't kan de nagedachtenis van DE GROOT niet verheerelyken, dat men zyner uitmuntendheid gedenkt, ten koste van de openbaare rust; maar, daar de onlusten binnen de stad _Rotterdam_ voorgevallen, en de gevolgen van dien, de achtbaare Regeering van _Amsteldam_, onlangs, aanleiding gegeeven hebben, om in den lof van onzen Held uitteweiden, en eenige uitdrukkingen te doen, welken over het geval van dien grooten man, een zeer helder licht verspreiden, hebben wy geoordeeld die lofspraak, en verdere uitdrukkingen, by onze voorgaande beknopte beschryving van 's mans leven te moeten voegen; aangezien dergelyke straatsstukken, schoon niet altoos bevattende onwrikbaare grondslagen, waarop men mag bouwen, of onwederlegbaare regelen, waarnaar men mag oordeelen, echter te stellen zyn, verre boven de verachtelyke papieren waarvan wy boven spraken:--de bedoelde lofspraak is vervat in de volgende woorden, te vinden in de _Nadere Aantekening van _Amsteldam_, ter Staatsvergaderinge van Holland en West-Frieslaand gedaan, op eene Resolutie van den 24 December 1784, concerneerende het onderzoek van het voorgevallene te _Rotterdam_:_

"En dit wel uit denzelven __VOORTREFLYKEN_ en _BY DE NATIE HOOGGESCHATTEN_ Rechtsgeleerden, _HUGO DE GROOT_, op wiens Leer en Gezag de Supplianten van zeker Request, op den 2 December laatstleden aan Hun Ed. Gr. Mog. gepresenteerd_, ter adstructie van het Sentiment en Advys van bovengemelde Heeren Gedeputeerdens, _zich met zoo veel fiducie beroepen hebben_."

"Dat men ten dien einde vooraf moet remarqueren, dat de Memorie, by voorschreve Requeste geallegueert, speciaal was ingerigt, zo als uit de Introductie klaar te zien is, tegen de Hoven van Justitie, dewelke IN DIE ONGELUKKIGE TYDEN VAN SCHEURINGEN EN VERDEELDHEDEN IN KERKE EN BURGERSTAAT, _zich aanmatigden kennis te nemen van dispositien en politique orders, die de Steden goedvonden in den hare te stellen tot conservatie van de Rust en Vrede onder hare Ingezetenen_; doch welken de Hoven, door Mandamenten en andere Provisien van Justitie illusoir tragtten te maken."