Het leven van Hugo de Groot

Chapter 7

Chapter 73,634 wordsPublic domain

"Seer veelen der genen, die in den jaere 1618 den staat der Republyke ontrust hadden, waeren nu overleden; eenighe der genen die in 't selfde jaar waeren geschopt uit hunne weerdigheeden, hadt de saghte gemaetightheid des Prinsen FREDERYK HENRIK; weeder tot hunne voorighe bedieninghe geroepen, en die nieuw in de Regeeringhe waeren gekoomen, gelykse in de partyschappen niet waeren gemenght geweest, soo ook des te meer bequaemheits hadden ze, om de waerheit t'onderscheyden. Dus is 't gebeurt, dat als de Heer JACOB KATS, toen ter tydt Raedtpensionaris der Staeten van _Hollandt_, ter vergaderinghe der gemelte staeten voordroegh, 't geen hem dienaangaande was voorgekoomen, haere Eed. Grootmooghende hem tot antwoordt gaeven, _dat hy de menschen, welker vreese wat te verre gingh, van die ongegronde vreese ontslaen soude, dat sy souden sorghe draeghen dat de Republyk geen schaede quaeme te lyden_."

Te _Rotterdam_ vertoefde hy geen langen tyd, maar vertrok van daar naar _Amsteldam_, alwaar toen de Burgemeesterlyke waardigheid, bekleed werd, door de Heeren, PIETER HASSELAAR, ANDRIES BIKKER, GERBRAND PANCRAS, en WILLEM BACKER; het gedrag van deeze Heeren, daarin bestaande, dat zy, terstond na het verneemen van 's man aankomst in hunne stad, by hem gegaan zyn; hem alle goede diensten aangeboden; van stads wege ten maaltyde onthaald, en hem een schip tot zyne overtogt bezorgd hebben; dit gedrag, zeggen wy, doet den onpartydigen aanmerkingen maaken over het lot dat de beroemde HUGO, welëer, had moeten ondergaan; een lot, het welk hem in den rang der boosdoenders stelde: tog heeft zyne vlucht, of lange afweezigheid zyne vooronderstelde schuld niet kunnen uitwisschen; hy was niet veroordeeld tot eene ballingschap van zo veele jaaren; dan zou men hebben kunnen zeggen, dat het recht voldaan, en 's mans schuld uitgewischt was geworden; neen, hy had niet als balling maar als vluchteling gezworven; nu werd hy gehouden voor een voorwerp wel waardig de achting en bezorgdheid van mannen, die wy beschreeven vinden geweest te zyn, _wyze_ en _bescheidene mannen_--maar, door welke mannen is DE GROOT dan gevonnisd geworden?--alles zy zo, jammer is het maar, dat de verleiding ten dien tyde zo groot geweest is, dat men zig tegen den grooten stroom niet heeft durven verzetten; want daardoor moet het nakomelingschap nog verwyting hooren, en vind daarin een medebron van het bittere leven dat hetzelve smaakt--de verwyters en pynigers zyn ondertusschen niet ervaaren in de kennis van het menschlyke hart; in de kennis der byzondere charakters van de voorvaderen des kroosts dat zy doen lyden, ook niet in de historie van den tyd van onzen HUGO.... maar het staat thans niet aan ons, daarover breedvoeriger te spreeken.

Zyn vertrek van _Amsteldam_ naar _Hamburg_, werd, door tegenwind, vertraagd, 't welk de groote VONDEL aangenaam genoeg was om _Boreas_ daarvoor een dankdicht op te draagen, beginnende met deeze zoetvloeijende verzen, dien onvergelykelyken Prins der _Nederlandsche Dichteren_ dubbeld waardig:

_Noorden wint, die langs ons stroomen_ _Knaegt de bloessem op de boomen;_ _d'Opgeloken telgen schent;_ _Wiltzang steurt, en lieve lent,_ _En den Mai, die met zyn zonnen_ _Quam aanminnig aangeronnen;_ _Wintervogel, guur en schrael,_ _Steur den zoeten nachtegael;_ _Schen de bloemen in de hoven,_ _Met de lucht van geur bestoven;_ _Knaeg, en eet vry ongetoomt_ _Zoo veel bloesems op 't geboomt,_ _Dat vast jammert om genade:_ _'t Is geen noot; want al die schade_ _Moet nu uit voor d'overbaet,_ _Die de wyze Magistraat_ _Rekent by uw schorre buien,_ _Die den adem van het zuien,_ _En den blaesbalg van het west,_ _Stuiten, keeren al hun best;_ _Zonder dat, gewis, wy zouden_ _Groote Huigen hier niet houden,_ _Noch festeeren in ons stad,_ _Nu verrykt door zulk een' schat,_ _Dien de verreziendste Heeren_ _En Gekroonden recht waardeeren._

Toen de beroemde Letterheld eindelyk vertrokken was, bragt dezelfde Dichter de volgende zinryke regels op het papier:

_'s Avonts daelt het Hemels wonder_ _Met zyn straelende aengezicht:_ _Maar _DE GROOT_, ons Hollands licht,_ _Gaet, helaes! hier 's morgens onder:_ _Hoe gelukkig, is de nacht_ _Die den dag uit hem verwacht!_

Te _Hamburg_, alwaar hy, door tegenwind, eerst op den agtsten dag na zyn vertrek van _Amsteldam_ aankwam, werd hy door de Regeering, mede met alle blyken van eerbied, ontvangen; hy reisde verder, over land, naar _Lubek_, alwaar hy even groote eere genoot; vandaar is hy gekomen te _Wismar_, alwaar de Graaf WRANGEL, Opper-Admiraal van _Zweeden_, hem zeer prachtig ter maaltyd onthaalde; anderen zeggen dat de Admiraal, verwittigd van de aankomst van DE GROOT, met inzicht om naar _Zweeden_ te vaaren, hem, in allerhaast, een oorlogschip, om zyne reize voordtezetten, heeft toegezonden.

Dit _in allerhaast toezenden van een oorlogschip_, door den Heer WRANGEL, komt niet wel overëen met het geen wy leezen in een' brief van onzen DE GROOT, aan zynen broeder, hierin bestaande:

"Te _Wismar_, hebben wy elf dagen zeer ledig doorgebragt, om dat de Gezachhebber van dat gewest, de Heer WRANGEL, de vloot niet durfde verdeelen, dewyl hy tyding had, dat de _Deenen_ voorhadden de vloot in brand te steeken: hy meende dat ze toestel maakten om zulks gewapenderhand te doen; maar het was heel anders met de zaak gelegen, want hun toeleg was zulks door list te verrichten; doch men nam een' man in hechtenis, die, zo men zeide, van sommige _Lubekkers_ omgekocht was, en eenige kisten met brandstoffen toebereid had, omze aan boord te zenden, welken, door eenige vuurwerken, op zekeren tyd, zouden aangaan".

--Door deeze "ontdekking", zegt een van 's mans levensbeschryveren,

"behaagde het de Voorzienigheid, hem, die eenmaal door een koffer of kist, zyne eeuwige gevangenis ontkomen was, wederom te redden uit het dreigende gevaar, waardoor het geschapen stond, dat hy, met vele anderen, door deeze springkoffers, jammerlyk zou zyn omgekomen:"

--wat van het een en ander zy, onze Held vertrok van _Wismar_ naar _Colmar_, om naar _Stokholm_ voordtereizen: de tyding van zyne nabyheid, deed de geleerde CHRISTINA[11], haar vertrek, van _Upsal_, alwaar zy zig bevond, naar _Stokholm_ verhaasten, vermits zy reeds sedert een geruimen tyd eene vuurige begeerte gehad had om DE GROOT te zien: als met opene armen werd hy van de Vorstinne ontvangen: weinig tyds daarna, gaf hy haare Majesteit verslag en rekenschap van zyne verrichtingen, in hoedanigheid van haaren afgezant, over al het welke zy betuigde zeer voldaan te zyn; maar toen hy om zyn ontslag verzocht, kreeg hy geen voldoend antwoord, 't geen hem duidelyk deed begrypen, dat het de mening van haare Majesteit niet was, hem uit haar Ryk weder te laaten vertrekken: zy liet hem vervolgends weeten, dat zo hy zyn verblyf in _Zweeden_ wilde neemen, en zyn huisgezin derwaards doen overkomen, zy hem met veel genegenheid in haaren dienst zoude houden, op eene jaarwedde overëenkomstig met zyne verdiensten; maar onze held verkoos niets minder dan dat; behalven dat hy begreep dat deeze genegenheid alleen genoeg was om de afgunst, welke hy, reeds terstond by zyne komst, in verscheidene ryksgrooten bespeurd had, nog meer gaande te maaken, behalven dat, zeggen wy, was het in 't geheel zyne verkiezing niet, zig nedertezetten, in een gewest des werelds, alwaar hy dagelyks niet minder met den aart der menschen, als met de strengheid der luchtsgesteltenis te kampen zou hebben; derhalven nam hy alle mogelyke gelegenheden waar om op zyn ontslag aantehouden, dat hem door CHRISTINA, eindelyk, ook toegestaan werd: de schrandere Vorstinne begreep duidelyk hoe bezwaarelyk het was, een gemoed dat noch door gierigheid, noch door staatzucht beheerscht werd, maar zig alleenlyk vergenoegde met zyne studiën en in den ommegang met geleerde lieden, te beweegen, een land te verlaaten waarin hy zo langen tyd geleefd had, en hetzelve te verwisselen voor een gewest der wereld, dat zelfs naauwlyks haar, die aldaar geboren en opgevoed was, ja die er het gebied voerde, kon behaagen: met dat alles toonde de groote Vorstinne dat zy over het besluit van haaren roemwaardigen Ambassadeur niet voldaan was, en liet hem zeggen, dat, indien zy gedacht had, dit genoegen niet van hem te zullen verkrygen, 't genoegen, naamlyk, van hem in haar Ryk te mogen houden, zy hem niet uit _Frankryk_ herroepen zou hebben; evenwel bleef DE GROOT by zyn besluit maar kon geen vrygeleibrief van de _Zweedsche Vorstinne_ erlangen, welke nalaatigheid, gelyk naderhand bleek, nergens aan toegeschreven moest worden, dan daaraan, dat eenige schoone geschenke, nog niet gereed waren: by verscheidene Schryvers vinden wy deeze stukken niet afzonderlyk genoemd; doch volgends den meergemelden Dichter DUIM, hebben dezelven bestaan in keurelyk zilverwerk; want deeze doet de Vorstin dus tegen den grooten HUGO spreeken:

_Ontfang, tot dankbaarheit, dees beurs met goude kroonen,_ _En uit genegenheid, dit beeltryk zilverwerk,_ _Op dat gy t' allen tydt, wen gy 't aanschouwt, bemerk',_ _'t Genoegen, 't geen ik heb van uwen dienst ontfangen;_ _'k Wil, tot bekrachtinge, om uwen halze hangen,_ _Dees keten, waaraan is myn Beeltenis gestrikt._ _Dit alles hebbe ik voor uw' dienst, u toegeschikt,_ _En uit genegenheit, gulhartig willen schenken,_ _Hier aan zult gy aan my, ten allen tyd gedenken._

De beurs waarvan in deeze verzen gesproken wordt, was gevuld ter waarde van 12000 Ryksdaalders, voorwaar geen gering geschenk, en dus zeer beantwoordende aan de grootheid van haar die gaf, en van hem dien gegeeven werd: de goudene keten waaraan het afbeeldzel van haare Majesteit hong, was drie dik; en by het schenken daarvan gebruikte de Vorstin eene omstandigheid, welke onzen HUGO zo zeer verëerde als ze aandoenlyk voor hem moet geweest zyn; zy deed naamlyk, dezelve eerst om haar eigen hals, en hong haar daarna om dien van DE GROOT, die dat alles beantwoordde, met de hartlykste betuigingen van dankbaarheid, en de ernstigste verzekering dat hy, werwaards zyn lot hem ook mogt voeren, nooit vergeeten zou, de hoogachting die hy verschuldigd was aan de uitmuntende verdiensten van haare Majesteit.

Na eindelyk hartlyk afscheid genomen te hebben vertrok hy, voorzien van eenen vrygeleibrief, die van den volgenden inhoud was:

"_Wy Christina, door Gods genade, Koninginne enz. enz._ aan allen die dezen tegenwoordigen zullen zien en leezen, doen te weeten, dat de edele, voortreffelyke, en onze zeer beminde Heer, HUGO GROTIUS, na in onzen naame de bediening bekleed te hebben van onzen gewoonen Ambassadeur by den Allerchristelyksten Koning, geduurende den tyd van meer dan tien jaaren, van ons alhier verkreegen heeft een gunstig afscheid: en ingevolge van dien, voorneemens zynde zig elders te begeeven, zo hebben wij, uit achting voor de treffelyke hoedanigheden, waarmede hy begaafd is, en zyne verdiensten jegens ons en ons Koningryk, uit zonderlinge gunst die wy hem toedraagen, en om het groot genoegen dat wy ontvangen hebben van zyne diensten aan ons beweezen, in zyne gemelde bediening, hem willen begunstigen, en zyn vertrek verzekeren, door deezen tegenwoordigen brieve van vrygelei."

"En derhalven verzoeken wy van de vriendschap, goedwilligheid, en genade van alle Mogendheden ter zee en te lande, van wat staat en aanzien die mogen zyn, en voornaamlyk de Koningen, Prinsen, vrye Republieken, en Steden, waardoor de reize zal mogen genomen worden, door gemelden Heer GROTIUS, voorheen onzen Ambassadeur in _Frankryk_, en tegenwoordig van ons ontslaagen, de zonderlinge gunst, om te gaan, keeren en komen, in _Duitschland_, _Frankryk_, de _Nederlanden_, of eenige andere plaatzen, daar 't hem behaagen zal naar toe te vertrekken, om hem, en zyn gevolg, met zyne dienaars en goederen, te laaten doortrekken, in alle vryheid, veiligheid, en zonder ophouden of beletzels, hoe dat zou mogen weezen: gelyk ook aan hem te bewyzen alle tekenen van goedwilligheid en vriendschap.

"Voords beveelen wy aan allen, die ons getrouwheid en onderdanigheid schuldig zyn, in hoedanigheid van Afgezanten, Krygsbevelhebbers, Admiraalen, Generaalen, Gouverneurs van de Provinciën, Vlooten, Steden, Vaartuigen en Havens, waardoor hy zal komen te reizen, met al het geene hem toebehoort, te gehoorzaamen aan dit ons bevel en ernstige wille, zig wel wachtende eenige verhindering te doen ofte laten doen aan gemelden Heere GROTIUS, op den weg dien hy zal neemen, het zy om wedertekeeren in _Frankryk_, 't zy om te vertrekken naar _Duitschland_, _Nederland_ of andere plaatsen; maar veel meer, dat zy hem de behulpzaame hand zullen bieden, en helpen bevorderen in zyn oogmerk naar hun vermogen.

"Die bevonden zullen worden zig anders te gedraagen, zullen van onzent wege worden gestraft. Ter bevestiginge hiervan hebben wy dit doen verzegelen met ons Koninglyk zegel, en den tegenwoordigen getekend met onzen eigen hand: enz."

Schoon alles wat wy van die voortreffelyke Vorstinne, met betrekking tot onzen Held, gezegd hebben, genoegzaame blyken opgeeft van de hoogachting welke zy voor 's mans gaêdelooze talenten had, kunnen wy echter niet nalaaten nog daarby te voegen den volgenden brief, door haare Majesteit, na den dood van haaren geliefden HUGO, aan deszelfs Weduwe geschreeven: dus luidt dezelve:

"Ik heb uit uwen brief van den 16 van hooimaand verstaan, hoe mynen gezant heeft uitgevoerd de bevelen, die ik hem gegeeven had, raakende de boeken van wylen Mynheer DE GROOT, uwen man, en dat gy, onaangezien de aanbiedingen u gedaan van anderen, om die in hunne handen te krygen, meer in acht genomen hebt het vernoegen van myne begeerten, als de voordeelen, welken men u van dien kant deed hoopen: ik beken, dat in het vermaak dat ik schep, in 't leezen van goede Schryvers, ik dermaate op de schriften van Mynheer DE GROOT verliefd ben, dat ik my niet zoude vergenoegd houden, indien ik my vervallen zag van de hoop om die te kunnen plaatzen in myne boekerye. Myn Gezant zal u mogelyk verhaald hebben een gedeelte van de hooge achting, waarin by my zyn, zyn wonderlyk verstand, en de goede diensten, die hy my heeft beweezen, maar hy zoude u niet volkomelyk kunnen uitdrukken, hoe verre zyn geheugen my dierbaar is, en in wat waarde ik houde de vruchten zyns arbeids; en inderdaad indien goud of zilver iets konden bybrengen, om zo doorluchtig een leven wederom te koopen, in myn vermogen zoude niets zyn, 't geen ik niet van harte ten dien einde besteeden zoude: oordeel hier uit, dat gy die schoone gedenkschriften en overblyfzelen in geen betere handen zoudt kunnen stellen, of van welken zy beter zouden ontvangen en gehandeld worden, als van de myne: en dewyl my het leven van haaren schryver zo dienstig geweest is, gedoog niet dat zyn dood my ten eenemaale vervoere van de vruchten van zynen doorluchtigen arbeid. Ik versta, dat nevens de boeken van anderen, gy my zult doen hebben alle zyne geschrevene memoriën en extracten, volgens de belofte die gy my doet in uwen brief: nimmer zoudt gy my beter kunnen betuigen uwe goede genegenheid, als by dit voorval en ik heb, God dank, waarmede het te erkennen, en u te beloonen, gelyk myn Gezant u breeder zal te kennen geeven, waartoe my verlaatende, bid ik God dat Hy u verder wil behouden in zyne heilige bescherminge".

In het begin van de maand Augustus des jaars 1645, begaf de beroemde HUGO zig dan aan boord om naar _Lubek_ te stevenen, terwyl zyne gezondheid reeds in een wankelen staat was, doch die hem vergezelden hoopten dat het verlangen om eerstdaags zyne beminde Gemaalin, en verder huisgezin weder te zien, zo groot een vermogen op hem zou hebben, dat het wel 't voornaamste gedeelte van zyn smart, die hun afweezen hem veroorzaakt had, zou kunnen verdryven. Hy stak met helder weêr en een vry goeden wind in zee, doch de hoop op eene voorspoedige reis verdween welhaast, en verwisselde in de vrees voor in de hollende baaren begraaven te zullen worden; reeds ten volgenden dage was men, ter oorzaake van een hevigen storm, genoodzaakt kleiner zeil te maaken: de wind, tegen den avond nog woedender uitbarstende, wierp den grooten mast overboord; het schip liep verscheidene keeren gevaar van te zullen zinken; het werd door de winden, die van alle kanten toeliepen, zodanig geslingerd, dat het, na ook de andere mast gebroken was, ten laatsten op de kust van _Cassubien_, lek en reddeloos op 't strand geraakte: dit gevaar duurde volle agt dagen, na welken tyd de beangste, vermoeide en geteisterde togtgenooten, middel vonden om, naby het dorp _Liba_, veertien _Duitsche mylen_ van _Dantzig_ voet aan land te zetten: DE GROOT, zegt zeker schryver, was ziek, niet min van verdriet als van lichaam, en daar hy van zyn hart, dat zig spoedde om weder naar de zynen te keeren, zelfs niet éénen dag om zyn lichaam te verkwikken en te bezorgen konde verkrygen, heeft hy op een boerenwagen, dien hy aldaar ter naauwernood gekreegen had, door regen en wind, nog andere agt dagen zyne reis vervolgd, tot dat hy ten laatsten, nu zyne krachten door te hevige schokken en vermoeidheid waren uitgeput, den 26sten der bovengemelde maand, te _Rostok_ is aangekomen: de Hertogin van _Pommeren_, had hem te _Stolke_ doen verwelkomen, en ten Hove noodigen, doch hy liet zig verontschuldigen, en haar bedanken: zyne reis vervorderende, zond de Hertogin haare koets hem na, die hem te _Coslin_ bragt, alwaar zy hem ter maaltyd liet onthaalen, met bevel van hem kosteloos te stellen tot aan _Stettyn_, doch hy zondt de koets te rug, met een' brief van dankzegging, waardoor de gezegde Hertogin de eer genoot van den laatsten brief, dien de groote Staats- en Letter-held geschreeven heeft, te bezitten.

Terstond na zyne aankomst te _Rostok_, begaf hy zig te bedde, waarvan hy ook niet weder is opgestaan: de geneesheer die by hem ontboden werd, oordeelde dat eene te groote vermoeidheid alleen de oorzaak was van 's mans ongesteldheid, en begreep derhalven dat hy door rust en versterkende spyzen hersteld moest worden; doch des anderen daags wederkomende, zeide hy onzen held den dood aan; waarom men, volgends gewoonte, een Geestlyke by hem ontbood, verkiezende daartoe den Heer, JOHANNES QUISTORPIUS, Doctor en Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, mitsgaders bedienaar des Godlyken woords by de _Luthersche Gemeente_ te _Rostok_, een man, zegt men, door zyne schriften in de geleerde wereld bekend; wy kennen hem niet, maar wel zyn gedrag dat hy by den stervenden HUGO hield, en bekennen dat wy daarin den geleerden man niet kunnen vinden; wel den gewoonen Geestlyke, die zig by alle stervenden op een zelfde wys gedraagt, als wilde hy te kennen geeven dat hy zyn ambacht oefent gelyk een timmermans- of metzelaars-gezel 't zyne; 't behaagt my als ik QUISTORPIUS voor het sterfbed van onzen HUGO hoor zeggen, _dat hem niets aangenaamers zou geweest zyn, dan dat hy met zyn Ed., nog gezond zynde, in gesprek had mogen komen_: maar 't komt my van zyn' kant zeer ambachtlyk voor, de verbaazende kunde, (en met nadruk in de Godgeleerdheid,) van DE GROOT, in aanmerking neemende, wanneer ik die man, zulk een onvoorbeeldig mensch hoor vermanen, _dat hy zig tot een gelukkige verhuizing uit dit leven moest gereed maaken; dat hy zig van alle aardsche zaaken moest ontlasten; dat hy bekennen moest een zondaar te zyn, met betuiging van leedweezen over de zonden waar in hy mogt zyn gevallen_; (de Hoogleeraar stelde het zondigen van onzen HUGO, met dat, _mogt_, ondertusschen vry twyfelachtig,) _dat hy de oneindige goedertierenheid Gods in de zonden te vergeeven voor oogen moest houden_; wanneer ik hem het voorbeeld van den bekenden Tollenaar hoor bybrengen; wanneer ik hem hoor zeggen, _dat _DE GROOT_ zyn toevlucht tot _CHRISTUS_ moest neemen, als buiten wien geen zaligheid is_; benevens meer andere dingen, die men GEWOON is, zegt zeker schryver, den stervenden voortehouden; die men GEWOON is; zo is 't ambachtlyk! de Dichter DUIM, behaagt my, ter plaatse alwaar hy QUISTORPIUS, tegen onzen held doet zeggen:

_----Ik reken,_ _U zyn de paden wel bekend, om op den weg_ _Der eeuwigheid, met wys, en ryplyk overleg,_ _Te wandlen._

Immers was het op dien toon dat hy tegen een uitgeleerd man, en die in zyn gantsche leven, naar zyn besten vermogen, deugdzaam geweest was, had moeten spreeken! hoe verdienstlyk zou QUISTORPIUS zig gedraagen hebben, wanneer hy den grooten HUGO, nu stervende, als by de hand, het koningryk der hemelen ingeleid had! wanneer hy, in een wel geordend tafreel, zyn zwak levenshulkje, dat zedert zo veele jaaren op de ongestuime zee des tyds gesukkeld had, en geslingerd geweest was door storm en donderbuijen, had doen aanlanden in behoudenen have, om daar te omhelzen de geenen die hem reeds vooruitgegaan waren, en zonder ongeduld te verwachten die voorwerpen zyner liefde, welken hy moest achterlaaten!--wat waren toch de aardsche zaaken waarvan hy zig moest ontlasten? zou de voornaamste daarvan niet wel geweest zyn, de bewonderenswaardige MARIA, zyne hartvriendinne, zyne verlosscheresse? ô zekerlyk, en ook zonder twyfel zyne lieve kinderen; (de Groote man zal de laatste oogenblikken zyns levens tog niet besteed hebben aan het peinzen over de zaaken van staat!) hy mogt in de armen van die gadelooze panden den geest niet geeven; zou dit den dood voor hem niet akelig hebben kunnen maaken? die dat van een stervenden man en vader vordert, is nooit man en vader geweest, of moet door eenige gewyde drogredenen, alle natuurlyk en beminnelyk gevoel des harten verdoofd hebben: moest HUGO zig ontslagen hebben van zyne lieve vrouw, die hy zekerlyk in 't stervende hart goeden nacht gekuscht heeft? ô dat waare haare betoonde liefde voor hem schandelyk geweest! neen, maar QUISTORPIUS had hem moeten vertoonen den zaligen hemel; hy had hem moeten doen denken, dat duizend jaaren aldaar als een dag voorby snellen; dat hy dus byna by het uitstappen uit het levensbootje in de eeuwige rust, zyne lieve MARIA, en na nog weinige oogenblikjes ook haare telgen zou zien aanlanden;--zou zulks ook ambachtlyk geweest zyn?--neen zeker, maar thans verdiende het gedrag van den Geestlyken dien naam zo veel te meer, daar hy zelfs niet eens een toepasselyk en krachtig gebed voor den stervenden deed, maar _met luider stemme_, het gewoone _Hoogduitsche Gebed_, beginnende; _Her Jesu wahrer mensch und Godt_, uitbazuinde, (men zegt dat DE GROOT zyn slaapmuts afnam:) aanmerkelyk is het, dat hy den grooten man na het eindigen van dat gebed, vroeg, _of hy hem wel verstaan had_?--hy ontving ook niet anders tot antwoord als: _ik heb het wel verstaan_.... dan laat ons hiervan verder zwygen,--DE GROOT gaf den geest op den tweeden dag na zynen aankomst _Rostok_, (den 28 Augustus des jaars 1645), omtrent middernacht, in den ouderdom van 62 jaaren, en ruim 4 maanden: zyne ingewanden werden geslooten in een koperene bus, en zyn in een zeer eerlyke plaatse in de hoofdkerk begraaven; 't lichaam is, met sterke kruiden gebalzemd, overgevoerd naar zyn vaderland, en tot _Delft_, zyne geboortestad, niet zonder groote pracht by zyne uitvaart, gelegd in 't graf zyner voorouderen, in 't Choor van de Nieuwe kerk, ter rechter zyde van de vermaarde grafplaats der Prinsen van _Oranje_:

"Een zeer groot getal menschen vloeide by zyne begraavinge uit de omliggende plaatsen derwaards, en van _Rotterdam_ alleen, zag men zes schuiten, opgepropt met volk, om de eer te hebben van zyne lykstatie bytewoonen; men telde vier honderd paar in rouwgewaad bekleed, behalven nog een groote stoet, die zonder rouwgewaad volgde:"