Chapter 6
Men kan ligtlyk denken wat al beweegingen daardoor ontstonden, en welke beweegingen niet weinig vermeerderden, toen de zaak ter ooren van zyne vyanden gekomen was; tot by den Stadhouder toe, onderzocht men, op wiens toestemming hy het gewaagd had, weder in 't Vaderland te verschynen; ieder kende zig vry, hem daartoe verlof gegeeven te hebben; FREDRIK HENDRIK zeide: _Ik heb hem niet doen komen_; men was geheel verdeeld over de wyze waarop men den stap, door DE GROOT gedaan, zoude behandelen; deezen waren voor de zachtheid, ten welke einde de Heeren van _Delft_, zig zeer gelegen laatende leggen aan hunnen roemwaardigen Inboreling, eene bezending naar den Prins Stadhouder afvaardigden; _Amsteldam_ en _Rotterdam_ ondersteunden de lofwaardige poogingen van _Delft_, maar anderen, zeer waarschynelyk door de Geestlykheid opgezet, riepen, _dat hy _DE GROOT_ was, die Land en Kerk beroerde, dat hy de tegenwoordige Regeering in zyne verantwoording voor onwettig gescholden had, en dat hy op zyn eigen ban en boete, zonder voorafgaande bewilliging der Staaten, in 't Land gekomen was_; en deeze party behield de overhand; te vergeefsch had men hoop gevoed op den bystand van FREDRIK HENDRIK; te vergeefsch hadden niet weinigen geloofd, dat hy glory zou zoeken te behaalen door het herstellen van zo groot een man, als deeze bewonderenswaardige vluchteling, in deszelfs voorige waardigheden; men had dien Prins van zyne menschlievende en loflyke oogmerken weeten te doen afzien: "maar gelyk meerendeels", zegt één van HUGO'S levensbeschryveren;
"op de gemoederen der genen, die by Vorsten doen en laaten zyn, meer het nutte dan het eerlyke plaats grypt, en er geene ontbraken, die hem voor oogen stelden, hoe gevaarlyk 't voor syne saeken zyn soude, eenen man, die met soo groot een stantvastigheit de Vryheit en syn Vaederland beminde, wederom in de Regeeringe in te neemen, heeft hy beslooten veel eer te volghen 't gheen hem syne moogenheit dan 't gheen hem syne weerdigheit raedde, en, als de Staeten beraedtslaeghden oover 't verblyf van _de Groot_, sich gevoeght by 't oordeel der genen, die gevoelden dat men hem 't verblyven in syn Vaederlandt behoorde te verbieden":
--wat zou de doorluchtige balling, na het verlies van zulk een veel vermogenden voorstander, anders hebben moeten besluiten, dan zyne zelfberging niet uit het oog te verliezen?--hy nam de wyk naar _Amsteldam_, alwaar hy zig een geruimeren tyd, onder eenen verbloemden naam onthield, ten huize van den Heere, JOOST BRASSER, terwyl er volgends de aantekeningen van den onpartydigen BRAND, by de Heeren Staaten van _Holland_ geresolveerd werd, dat alle 's Lands Officieren zouden worden gelast, HUGO DE GROOT, in verzekering te brengen, op privatie van hun amt, en dat 2000 Guldens zou gegeeven worden, aan die geenen die hem in handen van de Justitie zoude leveren: _Amsteldam_ had zig daartegen zeer sterk verzet, van gedachten zynde, dat de Provincie van _Holland_ niet bevoegd was de poenen tegen DE GROOT, by voorgaande plakaat der Heeren Staaten Generaal gesteld, te bezwaaren; andere steden voegden zig weder by _Amsteldam_; maar te vergeefsch, men begeerde de zaak door te zetten, zo als zy van den beginnen af aan opgenomen was geworden; het moest er nu meê door; men scheen te ver gegaan te weezen om wedertekeeren; FREDRIK HENDRIK, "vond niet geraaden tegen deezen stroom van sterke driften opteroeijen"; dus werd het besluit, by meerderheid van stemmen, tot zyn nadeel genomen, gelyk wy boven gezien hebben.
Ondertusschen werd zyn komst te _Amsteldam_ door de voornaamste Dichters bezongen: de Heer HOOFT, vervaardigde een Dichtstukje, waarin hy van onzen geleerden Held dus spreekt:
_O Blaakende vernuft, zo puur_ _Als 't rookelooze starrevuur,_ _Wanneer hem wolk noch schaduw let!_ _Gy stelt aan krygh en vreê de wet;_ _'t Wargaaren van 't gerecht gy schift;_ _Verlicht de duisternis der schrift;_ _De naamen die uw' lof verbreidt,_ _Vergoodt gy met onsterflykheit,_ _Oft eeuwelyk onzaaligh maakt,_ _De geene die uw' oordeel wraakt;_ _Baardt wonderwerk by wonderdaadt;_ _En altyds even zwanger gaat._ _Maar alle wond'ren streeft verby,_ _o Lief der deughde, dat, daar gy_ _Die groote wonderen bedryft,_ _Zoo kleen noch by u zelven blyft,_ _Dan, mits dat gy u dus verneêrt,_ _Houdt zich der Eng'len schaar vereert_ _Met zich te draagen onderdaan,_ _Aan u, en staâghs ten dienst te staan._
De groote VONDEL, die nooit zweeg, zweeg ook by deeze gelegenheid niet; hy verwelkomende DE GROOT te _Amsteldam_, met deeze verzen:
_Wat zaelge wint is 't, die van 't Lelistrant,_ _Den stroom op, in 't ondankbre Vaderlant,_ _Hervoert het Delfsche wetorakel, dat_ _Gekoffert, als een kostelyken schat,_ _Wel eer de bange Maes afdryven quam,_ _Tot dat de sein het in haar armen nam,_ _En zette dat gebergde Gods kleinoot,_ _Met blydschap, op den koninglyken schoot_ _Des allerkristelyksten Luidewyks,_ _Die 't herberg schonk, tot glorie zynes Ryks;_ _Op dat het, na 't verstuiven van die wolk_ _Des druks, verscheen tot heil van 't vrye volk,_ _En 't misverstant, aenziende 's helts gedult_ _Hem weder eerde, en riep; het is myn schult, enz._
Ten blyke van de genegenheid die de wethouderschap der Stad _Amsteldam_ onzen DE GROOT toedroeg, verstrekt het geen wy aangetekend vinden, naamlyk, dat hy, na zig omtrent drie maanden schuil gehouden te hebben, de vryheid nam van openlyk langs de straaten te gaan; de kerklyke vergadering der _Remonstranten_ by te woonen, en in de _Fransche Kerk_ te verschynen, niettegenstaande hy de straaten niet betreeden konde, zonder een grooten toeloop van menschen, die hem eer beweezen en beklaagden, waar uit te besluiten is dat het neemen van die vryheid, ter ooren van de Regeering moet gekomen weezen; men verzekert evenwel dat hem geen vrygelei gegeeven was geworden, hoe zeer anderen zulks ook voorgaven; 't kan zyn dat het niet uitdrukkelyk geschied zy, echter is het wel waarschynelyk dat onze Held de gemelde vryheid niet genomen zal hebben zonder te weeten, dat de Wethouderschap den Hoofdofficier, en door hem den Onderschouten, heimelyk gelast had, niets tot zyn nadeel te onderneemen, want die last was door de Heeren Burgemeesteren gegeeven geworden.
Zy die hem genegen waren, zaten ondertusschen niet stil, met hunne pogingen aantewenden, om hem een gerust en vreedzaam verblyf in den Lande te bezorgen; men vorderde van hem dat hy daartoe een verzoekschrift zou opstellen, 't welk hy echter onwillens deed; maar men oordeelde dat hy zig daarin veel te fier uitdrukte, 't geen een gevolg was van zyn gevoelen wegens zig zelven; hy wilde met zyne partyen gaarne bevredigen, maar alles wat slechts eenigzins naar belydenis van schuld zweemde, hoe ingewikkeld ook, of de minste gunstvorderende uitdrukking, was voor zyne waarlyk verhevene ziel onverdraagelyk; zyn verzoekschrift, bovengemeld, werd dan afgekeurd en een ander opgesteld, doch dit weigerde hy te tekenen, ronduit verklaarende, _dat hy geen pardon, hoegenaamd, begeerde, maar wel vergeeven wilde den geenen, die hem misdaan hadden_: na men langen tyd over zyn te houden gedrag geraadpleegd, en elkanders gedachten onderling medegedeeld had, nam onze HUGO een onverzettelyk besluit om het vaderland te verlaaten: begeerende dat het ook niet zyn koud gebeente toevertrouwd zou worden; men poogde hem van dat voorneemen aftebrengen, maar te vergeefsch, hy ging te scheep naar _Hamburg_, waardoor hy zyne vyanden verheugde, doch zyne vrienden nog veel meer bedroefde, vooral die geenen van hun, welken de hoop op eene volkomene bevrediging nog niet geheel opgegeeven hadden; en waarin zy versterkt werden door de betuiging van Prins FREDRIK HENDRIK, dat hy, ingeval DE GROOT, door een request te presenteeren, zyne zaak eene andere gedaante geeven, en zyne vrye inwooning verzoeken wilde, hy in zulk een geval de hand aan zyne zaak houden, en alles ten zynen besten zoude helpen bestuuren.
Te _Hamburg_ werd onze Held, met alle minzaamheid en hoogachting ontvangen, ja veelëer, volgends zyn eigen schryven, als een staatelyken Afgezant, dan als een verdreeven balling; hier voegde zyne Echtgenoote, die zig eenigen tyd elders opgehouden had, zig weder by hem, en HUGO, leide in het byzyn van haar, en zyn verder gezin, als mede onder het onvermoeid navorschen en beoefenen der weetenschappen, een leven, zo gelukkig als een man in zyn omstandigheid zou hebben kunnen leiden.
Eenigen tyd daarna werd hy, ('t geen reeds meermaalen geschied was, doch nu ernstiger dan voorheen) aangezocht, van GUSTAAF ADOLF, Koning van _Zweeden_, om in deszelfs dienst over te gaan; deeze Vorst was wegens zyne geleerdheid, en doordringend oordeel, bekwaam om de zonderlinge gaaven van den grooten HUGO, op haare rechte waarde te schatten; het boek van onzen Held, over 't recht des oorlogs en des vredes, had zyne Majesteit zig zeer ten nutten weeten te maaken, waarom zyne achting voor het zelve ook zo groot was, dat hy het, ten dienste zyner onderdaanen, in de _Zweedsche taale_ liet overzetten: DE GROOT werd, tot vreugd van zyne vrienden, door den dood zyner Majesteit, die op het bed van eer stierf, verhinderd, in het handelen over deezen overgang in _zweedschen dienst_, maar zyne hoop op eene aanzienlyke verbindenis werd by het leven behouden, door andere Mogendheden die hem, by aanhoudendheid, aanzoeken van dien aart bleeven doen; de Koning van _Deenemarken_ verzocht hem te _Glukstad_ te willen komen, om hem in persoon te spreeken, aan welk verzoek onze Held voldeed, en, ter gezegde plaatze, door zyne _Deensche Majesteit_, met zonderlinge blyken van gunst en genegenheid, ontvangen werd;--intusschen wees DE GROOT alle aanzoeken van dien aart vriendlyk van de hand, het welk 't _Zweedsche Hof_ weder gelegenheid gaf om het meer dan eens hervatte verzoek te vernieuwen, 't geen AXEL OXENSTIERN, groot Cancelier van dat Ryk, dien benevens nog drie andere Raaden, 't Staatsroer was toebetrouwd, ter oorzaake van de minderjarigheid van Koninginne CHRISTINA, op zig nam, en daarover, in het begin des jaars 1633 aan den geleerden HUGO schreef: "Kan UE," dus drukte OXENSTIERN zig in dien brief uit,
"zyne studien zo veel tyds onttrekken, dat gy my in dit gewest komt bezoeken, zyt verzekert, dat UE. my den aangenaamsten dienst zult doen, dien ik, zo ik niet anders vermag, ten minsten zo hoog zal achten en erkennen, dat ge over de moeijelykheid uwer reize niets te klaagen zult hebben, en in der daad bevinden, dat ik de ongemakken uwer ballingschap heb getracht te verlichten. Meer mag ik voor deezen tyd niet schryven", enz:
--zeide de beroemde VONDEL niet te recht van onzen HUGO:
_Hoe zou de duisternis dit Hollandsch licht gedoogen,_ _Dat al te hemels scheen in aller blinden oogen!_ _Het ging een wyle schuil, om klaarder op te gaan:_ _Wy haaten 't groote licht, een ander bidt het aan._
Onze Held dit dringende aanzoek, dat waarschynelyk verscheidene keeren hervat zal weezen, overweegende, en begrypende dat de hoop om voor eerst in zyn vaderland een gerust verblyf te zullen vinden, op een zeer zwakken grond steunde, besloot het oor te leenen aan de begeerte van _Oxenstiern_; vertrok in de Maand Mei des jaars 1634 van _Hamburg_ naar _Zweeden_ alwaar hy met de uitsteekendste blyken van eere en gunst ontvangen werd.
Men begrypt ligtlyk dat men zo veel moeite om DE GROOT derwaards te doen trekken niet gedaan had, alleenlyk om in hem een voorwerp van verwondering te kunnen hebben; geenzins, het welzyn van 't Ryk was de voornaamste dryfveer dier aanzoeken, dit toonde men ook wel rasch, want onze HUGO werd vereerd met de waardigheid van _Zweedsche Afgezant_ aan 't Hof van _Frankryk_, benevens die van Staadsraad des _Zweedschen Ryks_; de eerste op een jaarwedde van 15000 en de andere op eene van 5000 guldens: in 't begin des volgenden jaars, (1635) vertrok hy van _Mentz_ naar _Parys_, en verscheen nu andermaal aan het Hof van LODEWYK DEN DERTIENDEN, trouwens in zeer verschillende omstandigheden, thans ten hoogsten aanzienlyk, niet zo zeer door den luister zyns Gezantschaps, als wel door den roem zyner geleerdheid, en zyner deugden: ondertusschen lieten zyne vyanden nog niet af hem te vervolgen, aan 't _Fransche Hof_, alle pogingen aantewenden, om te beletten, dat door DE GROOT toetelaaten, in de gezegde waardigheid, zyn voorgaand gedrag, waarom hy zo veel geleeden had, niet gerechtveerdigd werd; men begreep zeer wel dat als HUGO braafheids genoeg bezat, om als _Zweedsch Afgezant_ aan 't Hof van _Frankryk_ geduld te worden, dat hy dan onmogelyk een man kon weezen, schuldig genoeg om als balling buiten zyn Vaderland te moeten zwerven; evenwel was alles te vergeefsch, en DE GROOT had reden te zeggen:
Al scherpt de magre Twist haar tand, God slaat haar voor my neêr met schand.
Ons voorneemen en bestek laaten niet toe ons breedvoerig over zyne verrichtingen als Afgezant uittelaaten, alleenlyk kunnen wy desaangaande zeggen, dat hy veele wederwaardigheden te boven te komen had, echter in 't _Fransche Ryk_ leefde, zo aangenaam by den geenen aan welken, als by hun van welken hy gezonden was; zynen tyd bestedede hy grootendeels in de bezigheden zyns Gezantschaps, gedeeltelyk ook in zyne studien, maar ook gedeeltelyk met de bezoeken en aanspraaken der geenen, die van alle kanten als zamenvloeiden om hem te zien, en met hem te raade te gaan: voor allen, zegt zeker schryver, stond zyn deur, voor alle zyn tafel, voor allen zyn dienst open, zelfs zonderde hy daarvan niet uit, die geenen, wier ouders, na hem tallooze ongelyken aangedaan te hebben, oorzaak van zyne gevangenis en ballingschap geweest waren.
Boven gaven wy te kennen dat de toestemming van het _Fransche Hof_ om DE GROOT als Afgezant van _Zweeden_ te ontvangen, eene soort van verontschuldiging voor dien edelen balling was; dien dit vreemd mogt voorkomen, uit aanmerking van het vonnis dat in zyn vaderland over hem was uitgesproken geworden, zal zig nog meer verwonderen over de volgende _Verklaaring_, welke in 1637, van wege de Heeren van _Delft_, in 't licht verscheen; dus luidende:
"Wy Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raaden der Stad _Delft_, certificeeren mits deezen voor de waarheid, dat voor ons gecompareerd zyn, de Heeren JOOST VAN ADRICHEM, Burgemeester der voorschrevene Stad; EWOUT VAN DER DUSSEN, en, Mr. CORNELIS VAN BEERESTEIN, Oud Burgemeester, mitsgaders Mr. JOHAN CAMERLING, Raad-pensionaris derzelver Stad, de welken gezamentlyk, en elk in 't byzonder, ten verzoeke van den Heere WILLEM DE GROOT, Advocaat voor den Hove van _Holland_, van wege zynen broeder HUGO DE GROOT, thans Ambassadeur van haar Majesteit, en de kroon _Zweeden_, by zyne Majesteit van _Frankryk_, hebben verklaard en getuigd, by den eed by hem respectivelyk in hunne amten gedaan, dat zy comparanten, als gedeputeerden deezer stad, present zyn geweest, in de vergadering van de Ed. Gr. Mog. Heeren Staaten van _Holland_ en _Westfriesland_, gehouden vóór Paasschen van den jaare 1632, en dat zylieden comparanten ten zelven tyde de Gedeputeerden der Stad _Rotterdam_, dewelken ter voorschreevene Vergaderinge, de voornoemde Stede _Rotterdam_ waren representeerende, hebben hooren mondeling uit verklaaren, dat de voornoemde HUGO DE GROOT, ten tyde dat hy het Pensionarisschap, en 't Gecommitteerde Raadschap, der voorschrevene Stede was waarneemende, en naamlyk, in den jaare 1618, niet anders heeft geproponeerd, voorgedraagen, en gedaan had, dan 't geen was conform de resolutiën van zyne Meesters, de Heeren Regeerders van _Rotterdam_, en hem dien volgende belast was, daar het behoorde, voor te draagen, en de genomene resolutie te effectueeren, zonder dat hy buiten of tegen den last van voorschrevene zyne Meesters, zig zelven eenigzins heeft verloopen: daar by voegende, indien de voornoemde HUGO DE GROOT daarin misdaan heeft, zo hebben wy-luiden misdaan."
--De aanmerkingen die na het leezen van deeze _Verklaaring_, over de zamenhang der zaake van onzen HUGO, te maaken zyn, laaten wy aan den kundigen Leezer over.
Eene en andere omstandigheden begonnen hem nu een groot ongenoegen te geeven, en daartoe behoort het nalaatig weezen in 't betaalen van zyne jaarwedden, welke hy reeds van twee volle jaaren, dus ter somma van 40.000 guldens te vorderen had, behalven zyne groote verschotten: "Ik heb", schreef hy,
"al myn geld, dat ik met verkorting van myn jaarlyks inkomen, uit _Holland_ heb doen overkomen, reeds uitgegeeven, en daarom penningen noodig: ik verzoek dat men my van de ongemakken en bekommeringen daar ik mede gedrukt worde verlosse; _om groote zaaken te doen moet het hart van zorgen vry zyn_; en 't is onmogelyk, als de byzondere zaaken niet wèl zyn gesteld, dat alles naar zyne behoorelyke waardigheid kan geschieden: _'t is een hard lot voor een blinkende eernaam zo nadeelig een schatting te betaalen_".
Zyne onvoorbeeldige Gemaalinne deed weder een reis haar _Holland_, om zyne achterstallen aldaar intevorderen, waarin zy ook gelukkiglyk slaagde, schoon haar aan den anderen kant het verdriet trof, dat, staande haar verblyf aldaar, de vader en zuster van haaren dierbaaren HUGO, den laatsten tol aan natuur betaalden, in welke omstandigheden haare tegenwoordigheid zeer wel te passe kwam.
Dat de _Zweedsche Ambassade_ hem begon tegentestaan, blykt duidelyk uit zyn schryven, by gelegenheid van een verspreid gerucht, dat men in _Zweeden_ genegen was hem te herroepen, en een ander in zyne plaats te, zenden: "De Ambassade", schreef hy,
"brengt my geen profyt in; ik heb eers genoeg ingelegd; en ben 'er zat van. Zo men my de minste occasie geeft, zal ik ligt een stille plaats vinden om myn leven in goede gedachten te eindigen, en de wereld, die ik meer en meer moede worde, te laaten woelen. Wat het Hof alhier aangaat, ik meen, dat ik hier in achting ben; maar datze liever een slechthoofd hier hadden, doch, gy kunt verzekerd zyn, dat ik 'er my in 't minst niet over bekommere".
Zyne gedachten op een stil afgezonderd leven, en op zyn' dood, moeten, van tyd tot tyd, gemeenzaamer by hem geworden zyn; want hy zond zynen broeder een tweeregelig versje, in de _Latynsche taale_ geschreeven, met verzoek van hetzelve, als het GODE behaagde hem uit het leven opteontbieden, als zyn grafschrift, by zyne overige verzen, in die taale opgesteld, te voegen; dus vinden wy het vertolkt:
_Dit is het graf van _HUIG DE GROOT_,_ _Dien Holland in zyn kerker sloot;_ _En daaruit vrygeraakt, in ballingschap deed leeven,_ _o Magtig Zweeden! tot uw Ryksgezant verheven._
Het voorgemelde gerucht van zyn ontslag, werd eindelyk met 'er daad bevestigd; na den onvermoeiden Letterheld, nog eenige onaangenaamheden, over het uitgeeven van sommige zyner herssenvruchten getroffen hadden; na omtrent elf jaaren, aan het _Fransche Hof_, in den dienst van _Zweeden_ doorgebragt te hebben, ontving hy eene eigenhandige missive van de Koninginne CHRISTINA, zyne Meesteresse, die nu den ouderdom van agttien jaaren bereikt had, dus meerderjaarig geworden was, en het bestuur over haar Ryk en Staaten aanvaard had: in deeze missive, gedateerd, 30 December, 1644, sprak de Vorstin onzen held aan, met den loflyken eernaam van, _Edele en voortreffelyke persoon, overgegeeven aan onzen dienst!_ betuigende in het slot des briefs, dat hy zig ten vollen verzekerd konde houden, dat haare Majesteit ten hoogsten voldaan was over zyne diensten, welken hy de Kroon van _Zweeden_ beweezen had; hem tevens verzekerende, dat, gelyk haare Majesteit dezelven niet uit haar geheugen zou laaten gaan, zy ook hem en zyne famille blyken zou geeven van 't gevoel haarer erkentenisse: in den brief aan zyne Majesteit den Koning van _Frankryk_, ter kennisgeevinge van dat opontbod, noemde zy onzen Held, _de edele_, _voortreffelyke_, _onze geliefde_ HUGO GROTIUS.
Na eene en andere bedenkingen op het bevel zyner Meesteresse gemaakt te hebben, besloot hy eindelyk zig naar _Zweeden_ te begeeven, en maakte ten dien einde de noodige schikkingen in zyne byzondere zaaken: ook was hy, staande die bezigheid, weder bedacht op zyn opontbod uit deeze wereld, naar het vaderland der ziele, want nog eer hy op reis ging, schreef hy zynen uitersten wille, welke dus luidde:
"Ik, HUGO DE GROOT, weetende dat wy zyn geboren om overtegaan tot een beter leven, wenscht dit tegenwoordige te eindigen in den Christelyken Godsdienst, gelyk ik denzelven heb uitgelegd in myne boeken, overeenkomende met de H. Schriftuur, en de Leeraars by de kerk goedgekeurd; God biddende, dat hy de Christenen wil verëenigen tot één kerk, onder eene heilige reformatie: en om te disponeeren van myne goederen, erkennende de groote trouw, en liefde voor onze kinderen, van Vrouwe Maria Reigersbergen, myne zeer geliefde Echtgenoote, zo bidde ik God, dat hy haar vergelde het goede, dat zy my beweezen heeft, en stelle dezelve tot myne universeele erfgenaame van alle myne goederen, tegenwoordige en toekomende, van hoedanige natuur en plaatse die zouden mogen zyn; en begeere, dat zy aan onze kinderen, by hun huwelyk, of anderzins, uitkeere, 't geen zy zal redelyk oordeelen: en indien één van myne kinderen niet mogte vergenoegd zyn met deeze myne dispositie, zo stel ik dien tot erfgenaam alleen, van zyne legitime portie, hem toerekenende al het geene hem naar de Wetten en Costumen kan toegerekend worden.
"Gedaan te Parys den 27 Maart, in 't jaar van onzen Zaligmaaker, 1645: getekend met myn hand, en gezegeld met het Signet van myn wapen; enz."
Te zonderling is het volgende geval, dat wy aangetekend vinden in 't verslag van het geen onze HUGO in _Frankryk_ bejegend is, dan dat wy het onzen Leezers niet zouden mededeelen: liefst volgen wy hier den voorgemelden Dichter, DUIM, die 't één van DE GROOT's volgjonkers, in deeze verzen doet verhaalen:
_Mynheer, reed op een' tyd wat driftig van den Koning_ _Door zeker dorp, verzelt met Kroeze[10], naar zyn woning;_ _In 't Dorp men bezig was misdadigers, ten schrik_ _Van anderen, ter dood te brengen, door een' strik;_ _De mening was, men kwam de schellemen ontzetten,_ _En door 't gedruis van 't volk, zy op 't geroep niet letten,_ _Om op te ruimen voor den Zweedschen Afgezant,_ _Maar verr' van zulks te doen; men schoot van allen kant_ _Van achtren door de koets, digt langs zyn hoofd, naar vooren._ _En trefte den koetzier; twee kogels kwamen boren_ _In 't lichaam, dus gegrieft, stierf korts hy van die wond._
Na dan alle noodige bestellingen verricht te hebben; ging hy t'scheep, achterlaatende zyne vrouw en dochter, vermits de eerstgemelde zig niet in staat bevond, om hem op zyne reis naar _Zweeden_ te vergezellen, en de Geneesheeren haar geraaden hadden, ter herstellinge van haare Gezondheid, de wateren van _Spa_ te gaan gebruiken.
Hy nam zyne reis door _Holland_, en te _Rotterdam_, zyne oude woonplaats, gekomen zynde, werd hy aldaar met groote toejuichingen en gunst der burgeren ontvangen; maar zyne vyanden, niet vergenoegd met de lasteringen en ongelyken, waarmede zy hem zo langen tyd geplaagd hadden, liepen by hunnen aanhang rond, en arbeidden, om wien ze konden aan hun snoer te krygen: "Heemel en aarde", zegt één zyner Levensbeschryveren, dien wy, met anderen, hier volgen.
"Heemel en aarde beweeghenden, om te beletten, dat de Staeten van _Hollandt_, juyst toen ter tydt vergaedert, toelieten, dat DE GROOT ongestraft door hunne Landen en Steeden synen wegh nam: maer 't weesen der saeken was verandert;"
voegt dees schryver er by: