Het leven van Hugo de Groot

Chapter 4

Chapter 43,648 wordsPublic domain

Zie daar een zeer aanmerkelyk stuk--welk een drom van beschuldigingen!--en dat ten laste van een man zo groot als DE GROOT!--De aankanters tegen het huis van _Oranje_ kennen deze Sententie genoegzaam van buiten: de Hemel weet hoe veel duizende maalen dezelve in onze dagen niet wel geleezen en herleezen is!

Zeide de meergemelde groote Dichter, VONDEL, in zyne _Opdragt van _HIPPOLYTUS_ aan den getrouwen Hollander_, (onzen DE GROOT naamlyk,) niet te recht:

_Een kyfaes[3], en niet meer, dat baet u 't lieve leven;_ _Sprak flauwelyk de tong der ongerechte schael,_ _Daer vrijdom tegens bloed gewogen wierd, het stael_ _Gestroopt en reê was om den tweeden slach te geeven._

Met groote aandacht en blyken van eene zonderlinge gerustheid van ziel, werd het vonnis door den gevangenen aangehoord; alleenlyk keerde hy zyn hoofd om, wanneer 'er iets geleezen werd, dat, naar zyn oordeel, met de waarheid niet overëenkwam: naderhand schreef hy in zyne gedrukte verantwoording, _dat 'er in de Sententie veele pointen stonden, die nooit by hem bekend, maar wel uitdrukkelyk ontkend waren, en gesteld met uitlaating van de noodige omstandigheden, en met byvoeging van ongegronde gevolgen, uit zyne woorden getrokken; ja zelfs dat 'er eenige opstonden, daar hy nooit op gehoord was_: wanneer men dit zeggen van onzen Held nagaat, is zeer gemaklyk te begrypen, wat de drangreden geweest is tot de bovengemelde zeldzaame voorzorg, omtrent de verkozene Rechters genomen; welke voorzorg, trouwens alleenlyk tot nadeel der gevangenen, uit het oog verlooren werd, in de uitschryving van een' Biddag, die den 17den April gehouden stond te worden; want in die uitschryving werden de gevangenen niet weinig beschuldigd, regelrecht strydig met het gemaakte verbond, van daaromtrent niets te zullen openbaaren, gelyk dan ook door veele Predikanten geweigerd werd, gezegde uitschryving van den Predikstoel den volke voor te leezen; schoon zy om die weigering van hunne kostwinning ontzet werden.

Op den 5den Juny eerstvolgende, des avonds, tusschen elf en twaalf uuren, werd HUGO naar het bekende _Loevestein_ gevoerd, met bevel, dat niemand by hem mogt komen, zelfs ook zyn oude vader niet: voords werd hem 24 stuivers daags toegelegd, welk sober tractement echter door zyne heldhaftige Gemaalin geweigerd werd, alzo zy voorneemens was, den haar zo dierbaaren gevangenen op haare eigene kosten te onderhouden.

Zie daar dan den grooten HUGO binnen den omtrek der muuren van een kamer bepaald--welk eene ommekeer!--van pas herinneren wy ons de woorden waarmede de laatstgenoemde Dichter zynen _Palamedes_ ten tooneele doet verschynen:

_Die zorgt, en waekt, en slaeft, en ploegt, en zwoegt, en zweet,_ _Ten oirbaer van het lant een lastig ampt bekleet,_ _En waent de menschen aen zyn vroomheit te verbinden,_ _Zal zig te jammerlyk in 't endt bedrogen vinden._ _Van 't wispelturig volk, dat, veel te los van hooft,_ _Genoten dienst vergeet, en 't ergste liefst gelooft._

De Commandeur van het Slot, zynde de Luitenant JACOB PROUNINK, genaamd _Deventer_, had bevel, dat de Huisvrouwen der gevangene Heeren in de keuken zouden mogen kooken; dat de Dienstmaagd de spyzen bovenbrengen en weder afhaalen mogt, mits door den Commandeur in- en uit-gelaaten te worden, en dat de Huisvrouwen tot _Workum_ of _Gorkum_ mogten reizen, om het noodige te koopen: korten tyd daarna werden de vrouwen nog nader bepaald, naamlyk in diervoegen, dat ze by haare mannen opgeslooten mogten blyven, zo lang zy wilden, maar niet van hun afgaan, dan met consent: ook werd den Commandeur gelast, voor het bepaalde geld van 24 stuivers daags, zelf de gevangenen te moeten spyzigen; waarop de braave REIGERSBERGEN zeide, dat haar man niet gewoon was zo soberlyk te leeven; _dat men, ingevalle de meening van de Heeren was, hem de keel toe te binden, en van gebrek of ongezondheid te laaten vergaan, hem dan alzo lief had mogen handelen, gelyk men den Advokaat gedaan had_: recht manlyke taal! uitmuntende vrouw! overwaardig dat het verstandige gedeelte uwer sexe u bewondere, gelyk het u bewondert--zouden myne leezers hiervan onkundig kunnen weezen? te berucht zyn, om my by het schitterendst vernuft van onzen tyd; by de schranderste vrouw, het voorbeeld van gezond verstand, doordringend oordeel, levendige verbeelding, ongeveinsd hart, vrolyken en arbeidzaamen aart, om my by het pronkjuweel van _Neêrlands geleerde vrouwen_ te bepaalen; te berucht zyn de werken van de groote ELIZABETH WOLFF, geboren BEKKER, die ontelbaare lauwers, en nog onlangs eenen voor alle ander vernuft onverkrygbaaren krans behaald heeft; te veel worden de werken dier voorbeeldige vrouwe geleezen, dan dat men niet zou weeten, hoe breed de lof van HUGO'S Gemaalinne door haar uitgemeeten wordt: dus zingt zy onder anderen in haar _Walcheren_,[4]:

_ó Reigersberg! 'k ontroer daar ik uw beeld beschouw;_ _'k Doorzoek uw helder oog!.... gy zyt een groote vrouw!_ _Gy waart een Grotius of niemand was hem waardig:_ _Hoe zweeft uw geest op uw gelaat!_ _Wat kwam u uwen moed te baat!_ _Die vlugge werkzaamheid! dat oordeel, vast en vaardig!_

Het antwoord dat REIGERSBERGEN haare vrienden gaf, toen dezen haar aanspoorden tot het verzoeken van pardon voor haar' man, welk verzoek zelfs door den Raadsheer VOSBERGEN, op begeerte van zyne Exellentie, ondersteund werd, is door de gemelde groote Dichteres, in de volgende verzen gebragt,[5]:

_Wat rustig antwoord gaaft ge aan uwe vrienden niet,_ _Daar elk u bad, dat ge om vergeeving bidden liet!_ _"Men sla hem 't hoofd af, is hy schuldig. Hoe! vergeeven!_ _Wel, heeft myn Grotius misdaan,_ _In recht en wetten voortestaan?_ _Hy sterv' met Barneveld: ik bid nooit om zyn leven."_

Wy zullen terstond de geleerde ELIZABETH nog eens van de kloekmoedige MARIA hooren zingen.

De fiere uitdrukking, door de laatstgenoemde, wegens het spyzigen van haaren man, gebruikt, veroorzaakte veel moeite, om van PROUNINK verlof te verkrygen, dat zy naar den _Haag_ mogt gaan, om haare bezwaaren by H.H.M. intebrengen, eindelyk gelukte dit evenwel, en de roemwaardige vrouw bragt, niet zonder veel loopens en biddens, ten wege, dat zy met haare vyf kinderen, vier of vyf weeken op het Slot zou mogen blyven, en twee of drie maal daags af- en toe-gang hebben; dat ze ook van de keuke, en de kinderen en dienstboden van slaapplaatzen zouden voorzien worden; mitsgaders dat 'er dagelyks een geneesheer uit _Gorkum_, by DE GROOT, die door de koorts in 't bed gehouden werd, mogt komen: zie daar schreeuwende gunstbewyzen!--dan men kon dezelven ligtlyk toestaan, want de gevangene had nog genoeg te lyden: sterk drukt de bovengemelde groote Dichteres zig desaangaande uit, in een' brief van ARNOLD GEESTERANUS aan MARIA VAN REIGERSBERGEN (_Bladz. 45_), daar zy ARNOLD deze woorden laat schryven:

_Men bragt me op Loevestein, daar veele broeders zaten._ _Men zegge: dit 's het loon van al wie stout weêrstreeft,_ _Het geen de magt des Lands gesteld heeft by Placacaten:_ _Maar dat men ons zo hard--zo wreed mishandeld heeft!_ _Of heeft de Magt des Lands dit ook met een geboden?_ _Men wyz' de wettigheid van zulk een handel aan;_ _Wat heeft men uw' Gemaal, door uw beleid ontvloden,_ _In dees Gevangenis al kwelling aangedaan!_

Bevreesd dat HUGO, door middel van touw en rappe handen, zyn lyden zou ontvluchten, had men reeds beslooten, de kleine vengsters zyner gevangenis nog digter te maaken, "waardoor hy meer benaauwing van licht en lucht, ten nadeele zyner gezondheid zou gehad hebben," maar zyn Geneesheer wist zo veel dringends, nopens zyne zwakheid te zeggen, dat men hem de genade bewees, om het lieve daglicht te mogen zien, en de gezonde werking van versche lucht te mogen genieten: ô ja, de groote HUGO, het uitmuntend mensch, werd tot zo verre van den medemensch, waarschynelyk vry minder groot, begenadigd, dat hy in 't algemeene geschenk van GOD mogt deelen: hy mogt den dageraad zien aanbreeken--maar zuchtende: hy mogt de avondschemering al 't aardsche zien bedekken--maar klaagende--des niettegenstaande werd de mensch door den mensch begenadigd.

Men denke echter niet dat zyn ryk verstand hem geene onuitputtelyke bron van troost zou verschaft hebben; ongetwyfeld zyn 't slechts oogenblikjes geweest, dat de mensch het roer in handen gehad heeft, en zekerlyk is 't getal dier oogenblikjes nog verminderd door de toegenegenheid zyner geleerde vrienden, waaronder boven allen te tellen zyn, de Heeren VAN MAURIER, SCRIVERIUS, ERPENIUS en VOSSIUS, die heimelyk briefwisseling met hem hielden: VOSSIUS vermaande hem, dat hy moest denken aan zynen naam, en aan de gulde spreuk van SENECA:

__GROOT_ is de man alleen;_ _Die 't groot kan achten kleen._

Men kon niet weeten, schreef die geleerde man, wat GOD nog met hem voor had--voorwaar uitmuntende troostwoorden in de ooren des verstandigen; wat weet ik, zegt deze, ik die het algemeene plan niet kan overzien..... maar wy moeten by onzen HUGO blyven.

Dezelfde VOSSIUS zond hem nu en dan eenige boeken, zulks deed ook ERPENIUS, die te _Gorkum_ geboren was, en aldaar een zuster had, getrouwd met zekeren ADRIAAN DAATSELAAR, welke op verzoek van den Heere ERPENIUS, de gevangene Heeren DE GROOT en HOGERBEETS, getrouwlyk met raad en daad bystond: alles wat, ten behoeven van de gezegde Gevangenen, uit _Holland_ naar _Loevestein_, of vandaar herwaards overgezonden werd, kwam eerst aan het huis van DAATSELAAR; dus ook het koffer, waarin de boeken, bovengemeld, van wegen ERPENIUS gezonden werden, en door middel van welk koffer de beroemde HUGO, op aandrang van zyne Gemalinne, uit het bange _Loevestein_ ontsnapt is; te beter gelukte deze list, om dat dezelve niet te overhaast in 't werk gesteld werd, want men ondernam niets, voor dat het af- en aan-brengen van het boekenkoffer als eene gewoonte geworden was; niets voor dat men het koffer niet meer opende, om te zien wat 'er in was, 't geen in den beginne telkens gedaan was geworden.

Veel viel 'er intusschen nog voor, zo over het verkoopen der verbeurd verklaarde goederen van den Gevangenen, als over het uitgeeven van deszelfs afbeeldzel, al het welk door anderen breedvoerig beschreeven is, en niet tot ons plan behoort; PROUNINK bleef ook bestendig zyn best doen, in het onredelyk behandelen van den ongelukkigen DE GROOT; terwyl evenwel de braave MARIA, niet zonder groote moeite, vergund werd, eens ter week om nooddruft te mogen uitgaan, of te zenden.

Onze Held bragt zyn' tyd door met leezen en schryven, en ook somtyds met het naloopen van een' dryftol, ter bevorderinge of onderhoudinge zyner gezondheid--Onder zynen _Loevesteinschen arbeid_, muntte uit, het reeds door ons genoemde werk, _Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid_, en, _Het bewys van den waaren Godsdienst_, dat hy met deze verzen sloot:

_Vindt gy hier iet, het welk u dunkt te weezen goedt,_ _Bedank hem, zonder wien geen mensch iets goeds en doet:_ _Is hier of daar gemist, herinner met medoogen,_ _U zelven, wat een wolk bedwelmt der menschen oogen:_ _Verschoon veel liever 't werk, dan dat gy 't bitter laakt,_ _En denk, och Heer, het is te Louvestein gemaakt!_

Een gedeelte van den gezegden arbeid bestond ook daarin, dat hy zynen Dienaar VAN DEN VELDE, in de _Latynsche Taale_, en de gronden, der Rechtsgeleerdheid onderwees; en deze moeite is voorwaar met den allerzonderlingsten uitslag bekroond; want by vervolg van tyd, huwde die braave dienaar met de Dienstmaagd van Mevrouw VAN REIGERSBERGEN, genaamd ELSJE VAN HOUWENING, welke, gelyk welhaast blyken zal, een voornaam hulpmiddel geweest is, ter ontkominge van den ongelukkigen HUGO; VAN DEN VELDE, verwierf den tytel van _Advocaat voor het Hof_, ja heeft zelfs de eer gehad, van den uitersten wille zyner Hoogheid FREDRIK HENDRIK, te schryven.

Na onze Held nu byna twee jaaren op de voorgemelde wyze doorgebragt had, viel het oog van zyne schrandere Gemalinne op het koffer van den Heere ERPENIUS, en zy sloeg haaren man voor, om zig, onder den naam van boeken, met hetzelve, naar den vriend DAATSELAAR, te laaten brengen: men stelle zig voor de verbaasdheid die onzen Held bevong, toen de kloekmoedige MARIA hem dezen voorslag deed:

_Lief, hoe komt het in uw' zin?_ _Ik leggen in die Kist! pas half kan ik 'er in;_ _Een derde is zy te kort, ook zoude ik moeten smooren,_ _Hier is geene opning, waar door lucht zou kunnen booren._

Dus laat de meergemelde Dichter, DUIM, hem, in dit tydsgewricht, spreeken: indien alles was, gelyk het moest weezen, was het antwoord der schrandere vrouwe, dan zou men te eerder achterdocht opvatten: om kort te gaan, men besloot te beproeven, of het koffer groot genoeg was; en, bevonden hebbende dat de Gevangene

"'er ter naauwer nood, niet uitgestrekt of in de lengte, maar gekromd en in bochten, in liggen konde, bezocht men daarna, of hy, in die benaauwdheid liggende, zyn adem kon scheppen, en hoe lange hy 't, in gevalle van stilte of tegenwind, daarin zou kunnen uithouden. Vervolgens beval hy zyne huisvrouw, eenigen tyd op de kist te gaan zitten, om te zien of hy, als 'er onderwegen by geval iemand op ging zitten, zulks zoude konnen verdraagen:"

een uurs zandlooper, schryft men elders, liet zy tweemaal uitloopen, hangende haare klederen voor 't sleutelgat;

"zy, merkende onder het zitten op de kist, dat haar man zig nu en dan verroerde, en zyne beenen optrok of uitstrekte, waarschouwde hem, dat zy zulks kon voelen. Na dat men dit alles verscheidene maalen in 't heimelyk, zonder weeten van Knecht of Dienstmaagd, beproefd, en naar wensch bevonden had, besloot men de zaak, in Gods naam, te waagen:"

WILLEM en ELSJE werd nu den aanslag ontdekt, die beiden hunne hulp van harten toezeiden: by DAATSELAAR was de noodige voorzorg gebruikt, en de huisvrouw van PROUNINK, was, door haar, geduurende eenigen tyd, eene en andere kleinigheden te schenken, ingenomen; want men nam de gelegenheid waar, dat PROUNINK zelf, naar _Heusden_ vertrokken was, om de Compagnie, waarover hy tot Capitein aangesteld was geworden, te ontvangen, dus men alleenlyk de toestemming van deszelfs vrouw noodig had, om het koffer, naar gewoonte, te doen scheep brengen.

Alles dus voorbereid zynde, verscheen den bepaalden dag, (22, BRAND zegt 13 Maart 1621); de groote HUGO vleide zig neder in het koffer, en begaf zig dus uit de eene gevangenis, in eene nog veel engere, om door dat middel, de vryheid, die natuurlyke schat van den mensch, hem te jammerlyk ontnomen, weder te krygen: een nieuw Testament verstrekte hem ten hoofdkussen, en dus kan men zeggen, dat HUGO zyn hoofd gerust op GOD's woord nederleide; ook had hy niet te vergeefsch op zyn' Schepper vertrouwd: met het aanbreeken van den dag, waarop de geoorloofde list in 't werk gesteld zou worden, viel hy op zyne kniën, en bad, dat de Almagtige zynen toeleg wilde zegenen: de verhooring van zyne bede was by GOD bepaald; het koffer werd, na ontvangen verlof, met behulp van eenige der wachten, aan boord gebragt, echter niet zonder groot gevaar voor den benaauwden HUGO, van ontdekt te zullen worden; ELSJE had de zorg op zig genomen, om met de kleine gevangenis over te steeken, en stapte derhalven kloekmoedig mede op 't schip: zie daar onze Held ten deele verlost: men begrype wat 'er in 't hart van de edele REIGERSBERGEN moet omgegaan weezen: treffend was haar gedrag, na zy de nieuwe gevangenis van haaren beminden HUGO geslooten had: hoor de bovengeroemde onvergelykelyke Dichteres dat gedrag verhaalen:

_ô Weêrgaêlooze vrouw! 'k denk nooit aan uw bestaan,_ _Dan met een kloppend hart: hoe menig stille traan_ _Heb ik om u geweend, geroerd door mededogen......_ _Gy knielt ter neêr, gy kust het slot,_ _Beveelt, al schreiende, uwen God,_ _Uw lieven Grotius,--wiens ziel blyft onbewogen?_[6]

De groote _Agrippyner_ heeft mede niet vergeeten, dat edele voorwerp te vereeuwigen; dus zingt hy in een Dichtstukje, ten tytel voerende, HUGO DE GROOTS _verlossing, aan Mevrouw_ MARIA VAN REIGERSBERGH:

_Een vrouw is duizent mannen t' erg._ _O eeuwige eer van Reigersbergh,_ _De volgende eeuwen zullen spreeken_ _Hoe gy den haet hebt uitgestreken:_ _Na datge op 't droef gevangenhuis._ _Gelyk Marye neffens 't kruis,_ _Uw Bruigom, onder moordenaaren_ _Gerekent, trooste heele jaaren:_ _Zoo liet de trouwe Michol eer,_ _Haer' liefsten schat met koorden neer,_ _Toen Sauls zweerden hem bezetten,_ _Gelyk de Jagers 't hart met netten._ _Aldus werd Lynceus ook gered_ _In zyn belegert bruiloftsbed,_ _Toen zo veel ledekanten smoorden,_ _In 't gruwlyk bloet der mannemoorden._

Dezelfde Prins der _Nederlandsche Dichteren_, maakte op de vlucht van onzen Held, het volgende geestig dichtje:

_Twee kisten bergden Huig de Groot,_ _d'Een levendig, maer d'andre doot_.

Had Mevrouw VAN REIGERSBERGEN zig kloekmoedig gedraagen, niets minder kan van het trouwhartige ELSJE gezegd worden: verscheidene zwaarigheden, die allen den aanslag zouden hebben kunnen doen mislukken, zo wel by 't inscheepen, staande den overtogt, als by het overbrengen van den dierbaaren vracht, uit het schip naar het huis van DAATSELAAR, had zy te boven te komen; in alles gedroeg zy zig zo schrander als onverschrokken, en ten loon daar voor smaakte zy het genoegen, van haaren Heer weder in genoegzaame vyligheid te mogen zien.

[Afbeelding: _Afbeelding (in twee Plaaten) van een KOFFER, waar mede HUGO de GROOT van Loevestein naar Gorinchem, volgends alöude Overleveringen zou zijn Getransporteerd, in den toestand zo als dezelve thans binnen Amsteldam, berustende is, onder den Heer Mr JACOB KLINKHAMER, die de Aftekening daar van, op gedaan versoek, heeft toegestaan, in de maand December des Jaars 1783_.

_J.C. Schultsz, del. 1783._ _J.B. Elwe, Excudit._ _C. Philips, Jz. fecit._]

[Afbeelding: _J.C. Schultz, del. 1784._ _C. Philips, Jz. fecit._]

Wat betreft het koffer, waarin onze Held zyne gevangenis ontkomen was, en welke de Lezer op de nevensstaande plaaten, zeer uitvoerig vertoont wordt; de Heer, Mr. JACOB KLINKHAMER, vleit zig dezelve te bezitten, en het is met Zyn Ed. gunstige toestemming, dat de Kunstschilder J.C. SCHULTZ, daarvan twee juiste aftekeningen vervaardigd heeft: de Heer J.C. PHILIPS, door wiens bekwaame hand de gezegde tekeningen in 't koper gebragt zyn, heeft ons de volgende beschryving daarvan medegedeeld.

"Het koffer is gemaakt van boekenhout; heeft een boogswys dekzel, zynde van buiten geheel overtrokken met dun zwart leder, en beslagen met eene menigte van dunne, smalle, eizerene banden: de sluiting bestaat in twee binnensloten, en één buiten- of hang-slot.

"Van binnen is het koffer met wit linnen bekleed, zynde het zelve, naar gewoonte, aan het dekzel, met elkander kruissende linten belegd.

"Men ziet dat de tyd, en het gebruik, of herhaalde overvoeringen, het een en ander merkelyk beschadigd hebben; veelen der eizerene banden zyn geheel of gedeeltelyk weg; doch men kan derzelver plaatsen, door een roestige vlek, meer of min gewaar worden: van het bekleedzel, zo wel binnen als buiten, zyn hier en daar geheele lappen uitgevallen.

"De rand van het dekzel is aan den voorkant, byna in 't midden, (mogelyk door toeval,) sterk voorwaards gebogen, en steekt daar ter plaatse wel een duim breed over; zo dat men 'er 't hangslot niet heeft kunnen aandoen.

"In den bodem is een vry groote kwast uitgevallen; dus kon door deze zo wel als door den afgebogen rand, luchts genoeg inkomen; te meer daar de bodem des koffers niet vlak op den grond staat, als hebbende onder een soort van slede, van byna twee duimen hoogte:"

----dit spreekt ons voorgaande verhaal wel niet volstrektlyk tegen, maar evenwel kan het aanleiding tot bedenkingen geeven; wy laaten daaromtrent ieder zyne vryheid, en den eigenaar van het _Vaderlandsche rariteit_ in het onbetwiste bezit daar van.

"De lengte van het koffer is buitenswerks vyf voet en byna vier duim:"

(by een ander vinden wy deze lengte bepaald op twee duim korter dan vier voet:)

"de breedte is twee voet en ruim één duim; de hoogte tot op 't midden van het dekzel, twee voet en ruim twee duim; alles _Rhynlandsche maat_."

't Zal hier niet oneigen zyn den Lezer te doen hooren, hoe de groote HUGO zelf, deze zyne gelukkige tweede gevangenis beschouwd heeft: hy schreef in vervolg van tyd een aanspraak aan dezelve, in _Latynsche verzen_, welken in de volgende _Nederduitsche_ vertolkt zyn:

_Zoete Schuilplaats, o voor korten tyd naauw huiske,_ _Dat myn bedrukte ziel, beslooten in uw kluiske,_ _Hebt vry gemaakt, en zo in open lucht gesteld_ _Uw lieve last, die, naauw gepakt, door sterk geweld_ _Van 't strenge Krygsvolk, werd allengskens uitgedraagen,_ _En eindlyk, als een pand, doch dat ze niet en zaagen,_ _Bevolen, op een schip, de Waals afloopend ty._ _o Kist, wat danks, wat lofs verdiend gy wel van my?_ _Gy hebt myn slaverny verjaagd en overstreden,_ _Die 'k zeeven maanden meer dan twee jaar heb geleden_ _Dat ik des hemels licht aanschouw met vry gelaat,_ _Dat my geen Slot meer plaagt, myn ooren niet meer slaat_ _Der grendelen geknars, en 't wreed gegraauw der wachten;_ _Maar mag gerust en vry, het bly gegroet verwachten,_ _Van vrienden, die gedoopt zyn in geleerdheids nat,_ _(Als Puteäan, Thuaan, wiens trouw geen weêrga had,_ _En dat geleerd verstand, Thilenus,) welker reden,_ _Den onverdrooten tyd my vrolyk doen besteeden._ _Dit al, en zo 'k nog meer geluks 't erdenken wist,_ _Dit moet ik u alleen, dank weeten, lieve Kist,_ _Doch wilde ik naar verdienste uw lof ten vollen roeren,_ _Ik hoefde zo veel schrifts als gy ooit plag te voeren._

Men zegt, (wy begeeren alles onpartydig aan te tekenen,) dat het koffer nog lang by een' Heer van aanzien bewaard, en fraai beschilderd is geweest, met het opschrift: _Dees kist heeft Loevestein den Huig geligt_: daarmede komt overëen 't geen de Heer BRAND het koffer doet zeggen:

_Wie heeft de vryheid meer verplicht?_ _'k Heb Loevestein den Huig geligt._

Hoe die Heer aan het koffer gekomen is, zegt zeker schryver, weet men niet, maar wel dat het langen tyd door DE GROOT'S ouders, te _Delft_ bewaard, en naderhand ten huize van zyn' broeder WILLEM vermist is, waarover onze HUGO groote spyt toonde te hebben.

Wat betreft het schilderen, waarvan wy boven spraken, 't zelve wordt door ons koffer, volgends opgaaf van den Graveerder, geheel onaanneemelyk, zo niet logenachtig gemaakt:--dezen dank heeft men ten minsten aan den Heere Mr. KLINKHAMER, dat wy thans weeten dat men het koffer, waarin de beroemde HUGO, uit het bange _Loevestein_ ontkomen is, waarschynelyk nimmer geschilderd heeft:--laat ons thans tot het hoofdvoorwerp onzer bemoeijingen wederkeeren.

Het ontbrak hem ten huize van DAATSELAAR, aan geene goede trouw en hartlyken bystand; langen tyd aldaar te vertoeven was geheel ongeraaden, en onvermomd zig voor het oog van ieder te vertoonen, was niet minder gevaarlyk; men vond dan onderling goed, dat de edele vluchteling zig in een metzelaars gewaad zou vermommen: zekeren metzelaar, JAN LAMBERTSZ, werd de onderneeming toevertrouwd, en tot reisgezel van DE GROOT verkoozen, van welken last de goede man zig ook zo kloekmoedig als voorzichtig kweet; hy bezorgde den vluchteling het noodige gewaad, gaf hem een metzelaars maatstok of rei in de handen, die, ter oorzaake van derzelver blankheid, hier en daar met wat kalk besmeerd werden, en trok met hem, des morgens, omtrent 11 uure, op weg; DE GROOT betuigde, in 't uitgaan, _dat hy zeer ontsteld, was, en naauwlyks op zyn beenen staan konde_; "want hy vreesde", voegt zeker schryver 'er by;

"dat hy, moetende voorby een' boekverkooper gaan, alwaar toen eenige Predikanten en andere lieden, in 't voorhuis stonden, van den een of den ander, gekend en verraaden mogt worden;"