Het leven van Hugo de Groot

Chapter 1

Chapter 13,248 wordsPublic domain

Produced by Frank van Drogen, Jeroen van Luin and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This file was produced from images generously made available by the Bibliothèque nationale de France (BnF/Gallica) at http://gallica.bnf.fr)

H E T

L E V E N

V A N

H U G O D E G R O O T,

GETROKKEN UIT DE VOORNAAMSTE HISTORIE- SCHRYVERS EN DICHTERS; DOORMENGD MET ONPARTYDIGE AANMERKINGEN, EN VERSIERD MET

TWEE JUISTE AFBEELDINGEN

VAN HET

K O F F E R,

WAARIN DE GROOT ZYNE GEVANGENIS ONTKOMEN IS:

GETEKEND NAAR HET ECHTE KOFFER ZELF, THANS BERUSTENDE ONDER DEN HEER,

Mr. _JACOB KLINKHAMER_.

_Te AMSTELDAM,_

By J.B. ELWE EN D.M. LANGEVELD.

MDCCLXXXV.

[Afbeelding: Hugo de Groot, met onderschrift van W. den Elger:

Door deugd des afgunst dood Door geest een waerelds wonder Door naam een schelle donder Was de ed'le Huig de Groot ]

V O O R R E D E.

_Het in 't licht verschynen van de beide echte aftekeningen des koffers, doormiddel van 't welk de beroemde _Hugo de Groot_, het bange Loevestein ontkomen, en welk Vaderlandsch Gedenkstuk thans berustende is, onder den Heer, Mr. _Jacob Klinkhamer_, heeft ons aanleiding gegeeven tot het vervaardigen van deeze weinige bladen, bevattende alle de voornaamste levensgebeurtenissen van den gemelden grooten Staats- en Letterheld: wy hebben de Dichters te hulp geroepen om onzen styl te veraangenaamen, en laaten ons voorstaan geene zaaken van belang overgeslagen, en tevens de nietsbetekenende kleinigheden vermeld te hebben; indien dit bevonden wordt zodanig te zyn, hebben wy hoop dat onze arbeid goedkeuring zal verwerven, want by veelen is het leven van onzen _Hugo_ als, aangestipt, terwyl anderen er een zwaar boekdeel van gemaakt hebben._

_De tydsomstandigheden welken wy belevenen, hebben ons byna op ieder regel de voorzichtigheid voorgepredikt; wy hebben ons bepaald tot het geeven van een beknopt verbaal van 't gebeurde, zonder over het gebeurde te oordeelen; hier en daar hebben wy den Lezer op den weg gebragt, en hem dan aan zyne eigene krachten overgelaaten;----wy hoopen dat zulks goedgekeurd zal voor den:--men geloove echter niet dat wy om die reden onzen naam verzweegen hebben; wy schaamen ons denzelven niet, ook niet de gevoelens welken wy over den tyd van den grooten _HUGO_, zo min als die welken wy over onzen tyd koesteren; geenzins; eene reden waarby de Lezer geheel geen belang kan hebben, heeft ons tot dat verzwygen verpligt._

_Met eene beknopte beschryving van het koffer te geeven, hebben wy gemeend den Liefhebberen geenen ondienst te zullen doen? dat die beschryving zeer juist is, is ons naderhand door den Tekenaar verzekerd, alzo hy zelf alles naauwkeurig opgenomen, en zyne aantekeningen den Graveerder medegedeeld heeft._

H E T

L E V E N

V A N

H U G O D E G R O O T,

Onder het aanzienlyk getal van voornaame mannen, welken, van tyd tot tyd, op het tooneel van _Nederland_ hunne rol gespeeld hebben, is HUGO DE GROOT één der uitmuntendsten, en zal, zo lang de Republiek, wier lotgevallen de gantsche wereld zo menigmaal hebben doen verbaazen, zo lang _Nederland_ bestaat, in gedachtenisse blyven by hen, die niet onverschillig zyn omtrent her land dat zy bewoonen, en het navorschen van deszelfs voorledenen en tegenwoordigen staat, voor eene ten hoogsten nuttige, niet alleen, maar ook noodige bezigheid houden--zy die gewoon zyn, den ongelukkigen grysaart, den beroemden OLDENBARNEVELD, met traanen van medelyden naar het verachtelyke schavot te vergezellen--zy die niet zonder innerlyke ontroering, dien grooten Vaderlander, op den oever des grafs staande, kunnen hooren zeggen: _Mannen, gelooft het niet, dat ik een Landtverrader ben, ik hebbe oprecht, en vroom gehandelt, als een goed Patriot, en die zal ik sterven_--zy wier hart scheurt, wanneer zy dien bukkenden grysaart, op een stoksken steunende, en met zwakke treden, het blikzemende zwaard, dat opgeheven is om hem te ontzielen, ten gemoete zien waggelen; hem zyne oogen ten hemel zien slaan, onder het uitroepen van deze hartlyke woorden: _Jesus Christus zal myn leidsman zyn: Heere God, Hemelsche Vader, ontvang mynen Geest_----zy die zig by aanhoudendheid verwonderen, over de zonderlinge bedaardheid van ziel, waarmede die onvoorbeeldige yveraar voor zyn Vaderland, de kortstondige, maar niet te min geduchte reis, naar de eeuwigheid, aangenomen heeft, zy kennen den Letterheld, met wiens lotgevallen wy ons voor een oogenblik zullen bezig houden; zy kennen den grooten HUGO, den tyd- en, gedeeltelyk, ook den ramp-genoot van den voornoemden grysaart; zy zyn gewoon ook hem met traanen van medelyden naar het bange _Loevestein_ te vergezellen, en met een hart, dobberende tusschen hoop en vrees, hem, door een geoorloofde list zyne banden te zien ontkomen: maar de groote man verdient dat ook de gantsche wereld hem kenne; ieder Vaderlander is verpligt het zyne daartoe bytebrengen; dit billykt ons voorneemen, en zal niet minder ons den arbeid aangenaam maaken.

Om een algemeen denkbeeld van 's mans uitmuntendheid te verkrygen, is zeer geschikt het vierregelig versje van W. DEN ELGER, geplaatst onder een afbeeldzel van onzen held, door VAN GUNST in 't koper gebragt: dus luidt het:

_Door deugd des afgunst dood,_ _Door geest een waerelds wonder,_ _Door naam een schelle donder,_ _Was de ed'le _HUIG DE GROOT_._

Onder een ander afbeeldzel, geschilderd door MIEREVELD, en gegraveerd door VAN DER WENNE, leest men het volgende versje, van den beroemden G. BRANDT, 't welk niet minder den lof van den edelen vluchteling verbreidt:

_Dus leeft de Fenix der Geleerden, _HUIG DE GROOT_,_ _Des aartryx wonder, gift des hemels, die de doodt_ _De tydt en nydt beschaamt: die Neêrlandts Staatsgevaaren,_ _Het oorlogh en 't bestandt beschreef in gulde blaêren._ _Het vaderlandt, dat hem verstiet wordt hier verplicht:_ _En Hollandts vryheit trekt haar luister uit dit licht._

VONDEL schreef onder een derde afbeeldzel, door den beroemden HOUBRAKEN, naar 't origineele van gezegden MIEREVELD vervaardigd, deze versen:

_De zon des Lants wert dus van Mierevelts penseel,_ _Geschildert, toenze gaf haer schynsel op 't panneel;_ _Doch niet gelykze straalt op 't heerlykste in onze oogen,_ _Maer met een dunne wolk van sterflykheit betogen,_ _Om Duitsch te spreken, dit 's de Fenix _HUIG DE GROOT_,_ _Wiens wyze Majesteit beschynt den Weereltkloot._ _Wie vraegt nu, wat Cefis of Delfos eertyts zeide?_ _Een Delfsch Orakel melt meer wysheit dan die beide._

Onder nog een ander afbeeldzel van onzen Held, schreef de geleerde D. HEINSIUS, een zinryk _Latynsch Puntdichtje_, 't welk door den Heer BRANDT dus vertaald is:

_Dit 's 't pand van 's hemels gunst, van Holland voortgebragt,_ _Dat zich met recht ontzette en by zich zelve dacht,_ _Heb ik dien grooten Huig wel voor my zelf gebaard?_ _Dit zichtbaar menschlyk is, de rest naar 't godlyk aart._

Immers doet dit alles ons denken op een' man, zo groot van verstand als verheven van ziel? en onze HUGO was inderdaad zulk een zeldzaam voorbeeld: DE GROOT was waarlyk _Groot_, en had dus dezen zynen eigen naam ook als een' eernaam moge voeren: hem daardoor in den rang der Vorsten te stellen, is niets minder dan vlyery--'t wordt by de Historiekundigen ook geloofd, dat de voorzaaten van onzen Held, zig, door uitmuntende diensten het Vaderland beweezen, den gezegden eernaam verworven hebben, zynde het geslacht van DE GROOT eigenlyk voordgesprooten uit dat van KRAAIJENBURG, welks adelyk huis van dien naam, welëer gestaan heeft tusschen _Delft_ en _'s Gravenhagen_: de gezegde afkomst van het geslacht onzes Helds, wordt bevestigd door deszelfs wapen, 't welk 't zelfde is met dat van den huize KRAAIJENBURG voornoemd.

Door de uitwerkzelen van den alles vernielenden twist, het monster dat in ons lieve Vaderland zo menigmaal zyne haatelyke rol gespeeld heeft, werden de voorzaaten van onzen HUGO genoodzaakt de wyk te neemen naar het nabuurig _Delft_, alwaar zy vervolgends, onder den naam van DE GROOT, de aanzienlykste eeramten bekleed hebben: op de regeringslysten van _Delft_ voornoemd, vindt men, volgends de aantekening van zekeren _Aper Melisz. van Melisdyk_, getrokken uit een oud register, op den jaare 1485 reeds, Mr. HUGO HUGOSZ. DE GROOT, die gestorven is den 8 Mei des jaars 1509: DIRK HUIGENSZ. DE GROOT, mede een vermaard man, dien wy 't laatst op den jaare 1521 als Burgemeester van _Delft_ vermeld vinden, stierf omtrent den jaare 1530, zonder kinderen van het manlyke geslacht natelaaten, waardoor derhalven de beroemde naam van DE GROOT welhaast verlooren geraakt zou weezen, ware het niet dat ERMGARDT DE GROOT, dochter van Heer DIRK voornoemd, daarin voorzien hadde; deze in 't huwelyk zullende treeden met den Heere CORNELIS CORNETS, een man afkomstig uit de Hertogen van _Bourgondiën_, werd zo sterk door de zucht voor haar beroemd geslacht gedreeven, dat zy den voorgenomen echt niet wilde voltrekken, dan onder beding, dat de zoonen, welken uit haar geboren mogten worden, den naam van DE GROOT zouden voeren: volgends dit voorbeding werd een zoon van vrouwe ERMGARDT, HUGO CORNELISZ. DE GROOT genoemd, zynde de grootvader van onzen Held: deze HUGO voegde de wapens, enz. van beide de geslachten, waaruit hy gesprooten was, CORNETS en DE GROOT, byéén; ook werden de waardigheden, sedert zo veele jaaren herwaards door de voorzaaten van vrouwe ERMGARDT bekleed, en die op haaren man, CORNETS, niet overgebragt hadden kunnen worden, om dat hy geen geboren _Hollander_ was, nu weder, met algemeene toejuichinge, aan Heer HUGO opgedraagen: en niet alleenlyk de aanzienlykste waardigheden, maar ook de weetenschappen scheenen in dit beroemd geslacht ervelyk te weezen, waarvan wy de spreekendste bewyzen zullen opleveren; wat den laatstgemelden HUGO desaangaande betreft, van dezen wordt gezegd, dat hy was, "een man in de _Latynsche_, _Griexe_, en ook _Hebreeusche Taalen_ ervaaren, meer dan die tyden meêbraghten;" hy huwde met ELSELINGH HEEMSKERK, (anderen geeven hem nog eene vroegere gemaalin, naamlyk, MARIA STEFFENS,) een telg uit het doorluchtig en aloud _Nederlandsch Geslacht_ van dien naam, waaruit zo veele groote mannen voordgesprooten, en waarvan de nakomelingen nog heden in aanzien zyn: om slechts iets tot lof der HEEMSKERKEN te zeggen, wyzen wy den Lezer op den beroemden JACOB HEEMSKERK, of VAN HEEMSKERK, gelyk wy hem ook genoemd vinden, een held, "die door verscheidene togten, in bekende en onbekende landen, en naar de _Oostindiën_, den Vaderlande veele onwaardeerbaare diensten beweezen heeft, tot dat hy voor _Gibralter_, in den jaare 1607, zyn doorluchtig leven al vechtende afleide;" onze wereldstad roemt op het bewaaren van 't overschot dezes helds: zyn grafstede, in de _Oude-Kerk_, prykt met het volgende zinryke versje van den onstervelyken Ridder, P.C. HOOFT:

_Heemskerk, die dwars door 't ys, en 't yzer dorste streeven,_ _Liet d'eer aan 't Land, hier 't lyf, voor Gibralter het leven._

HUGO DE GROOT, verwekte by vrouwe ELSELINGH, onder andere kinderen, twee zoons, naamlyk, JAN en CORNELIS, beiden mannen, wier roem door onze Vaderlandsche Historieschryvers mede ten breedsten uitgemeeten wordt; volgends BOXHORN, is de laatstgemelde geboren te _Delft_, in den jaare 1546: in zyne vroege jeugd oefende hy zig te _Parys_ in de Wysbegeerte en de Historiën; van daar vertrok hy naar _Orleans_, alwaar hy in de rechten studeerde; weder t'huis gekomen zynde, werd hy, in 1575, tot Leeraar in de rechten, op de Hooge School te _Leiden_, verkoozen; na veele waardige diensten gedaan te hebben, is hy te dier stede overleden, op den verjaardag zyner geboorte, dat is, op den 25 July des jaars 1610, bekleedende toen voor de zesde maal de waardigheid van _Rector magnificus_ der Universiteit: hy was by de geleerdste lieden van zynen tyd, en boven all' by den vermaarden JUSTUS LIPSIUS, zeer gezien: zyn broeder JAN DE GROOT was de vader van onzen Held; deze heeft op zyn beurt mede de wetten en 't welzyn der Stad _Delft_ helpen handhaven; ook werd hem de zorg voor _Leidens Hooge School_ aanbetrouwd; hy huwde met ALIDA VAN OVERSCHIE, mede geboren uit een oud adelyk _Delftsch Geslachte_: de Ambachtsheerlykheid van dien naam, wordt onder de oudste eigendommen van _Delft_ geteld: een andere zoon van Heer JAN, een jonger broeder van HUGO, 't voorwerp onzer tegenwoordige bemoeijingen, was WILLEM DE GROOT: had gezegde HUGO welëer, en 't geen wy nader zien zullen, geschreeven, de _Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid_, deze verledigde zig ter vervaardiginge van een werk, ten tytel voerende: _Inleiding tot de praktyk van den Hove van Holland_, eerst in de _Latynsche_, en daarna in de _Nederduitsche Taale_; hy droeg hetzelve op aan de Burgemeesteren van _Delft_: de geestige J. WESTERBAAN maakte op beide werken een dichtstukje, waarvan dit de laatste versen zyn:

_Aankomelingen, ziet hoe dese Groote mannen,_ _Uyt liefde t' uwer dienst sich hebben ingespannen,_ _En toont haar alle bey, dat u haar wel-doen raeckt:_ _'t Geen _HUGO_ had begost heeft _WILHEM_ opgemaeckt._

Deze WILLEM DE GROOT wordt by uitneemendheid een zeer vroom, nederig, en oprecht man van leven genoemd; welken lof hem ook toegezwaaid is, door den geleerden N. HEINSIUS, in een _Latynsch Vers_, door dien Dichter op het afbeeldzel van Heer WILLEM gemaakt: HUGO's geleerde broeder stierf den 12 Maart des jaars 1662, in den ouderdom van 65 jaaren, en ruim één maand.

Zie daar het geen wy verkoozen vooraf te zeggen; thans zullen wy ons nader bepaalen by onzen grooten HUGO, de eeuwige eer en 't orakel van _Delft_, welken eertytel hem elders gegeeven wordt; en iets dergelyks van onzen Letterheld geboekt te vinden, is waarlyk niets nieuws, gelyk in het vervolg ten overvloede zal blyken: Professor BAUDIUS noemt hem, _de allergrootste, de wonderbaare _GROTIUS_, het sieraad en puikjuweel der Hollandsche jeugd_; ter gelegenheid dat CLAUDIUS SALMASIUS, den Heer DE GROOT, na zyn overlyden, met eenige schriften, onder den naam van _Simplicium Verinus_ aanrandde, schreef de schrandere VONDEL, in den jaare 1646, desaangaande, aan den Heere HOOFT, onder anderen deze regelen:

"onze _goede_ en WYZE GROTIUS is ook al heene; Salmasius kan dit gebeente niet laaten rusten; de Bourgonjons hebben het altydt te Delft op levenden of dooden geladen, Balthazar Gerards op Prins Wilhem, en deeze op Grotius assche:"

het komt ons voor dat uit de zamenvoeging van misdaaden, die de Dichter hier maakt, zonneklaar blykt, welk een hoog gevoelen hy van onzen HUGO gehad moet hebben: de eer van dien Letterheld aanteranden, vindt hy overeenkomstig met den gruwelyken moord, aan den grondlegger van _Neêrlands Vryheid_ gepleegd; terwyl hy tevens den gezegden Held, en den Vader des Vaderlands, nevens elkander plaatst: hoe VONDEL over GROTIUS gedacht heeft, blykt niet minder uit het Dichtstukje, door dien beroemden Dichter den gemelden lasteraar toegezongen; dus luidt het:

_ô Phariseeusche gryns, met schyngeloof vernist,_ _Die 't _Groote_ lyk vervolgt ook in zyn tweede kist;_ _Gy Helhont past het u dien Herkles na te bassen,_ _Te sleuren op 't autaer den Fenix in zyn asschen,_ _Den mond van 't Hollandsch Recht, by Themis zelf beweent?_ _Zo knaeg uw tanden stomp aan 't heilige gebeent._

Deze voortreffelyke Geleerde, onze HUGO, is dan geboren te _Delft_, op den tienden van Grasmaand des jaars 1583: nog een kind zynde, gaf hy reeds doorslaande blyken van zyn zonderling vernuft: dus doet de Dichter DUIM hem, naar waarheid, tegen zyne kinderen spreeken:

_'k Schreef op myn achtste jaar al vaerzen in 't Latyn[1],_ _'k Wou, niet alleen des daags, maar, 's nachts ook werkzaam zyn._

In zyne nachtstudie werd hy echter door zyne zorgelyke moeder verhinderd, waardoor hy genoodzaakt was, zyn _Zondagsgeld_, gelyk zekere schryver zig uitdrukt, te besteeden, om kaarsen te koopen: nog naauwlyks den ouderdom van elf jaaren bereikt hebbende, werd hy reeds bekwaam gekeurd om naar de Hooge School te _Leiden_ gezonden te worden: in dien kweektuin van geleerdheid arbeidde hy onvermoeid, oefenende zig in de Wysbegeerte, Godgeleerdheid, Rechtsgeleerdheid, Sterreloopkunde en Wiskunst: nog geen jaar lang dus bezig geweest zynde, ontwierp hy drie versen, twee in de _Latynsche_ en één in de _Grieksche Taale_, die, in 't licht verschynende, de gantsche wereld deeden verstommen: met zyn vyftiende jaar had hy den loop zyner studiën reeds volbragt, en verliet niet alleenlyk _Leidens Hooge School_, maar ook het Vaderland, gaande (1598) in het gevolg van den Heere OLDENBARNEVELD voornoemd, naar _Frankryk_, werwaards die Heer, als Gezant van Hunne Hoog Mogende aan Koning HENDRIK DEN VIERDEN, vertrok: OLDENBARNEVELD, de schranderheid en zeldzaame geleerdheid van den zo veel beloovenden jongeling, op hoogen prys stellende, beschikte hem gelegenheid, om voor zyne Majesteit den Koning van _Frankryk_ eene redevoering te doen, in dewelke hy zyne onvergelykelyke geleerdheid en verwonderlyke bekwaamheden, met zo veel luisters ten toon spreidde, dat de Vorst, daardoor verbaasd, tegen zyne aanwezende Hovelingen zeide: _Voila le miracle d'Hollande_; dat is: _Ziet daar het wonder van Holland_; dees eertytel, hoe veel betekenende ook, voldeed echter niet aan 's Konings hoogachting, derhalven beschonk zyne Majesteit den jongen redenaar met een goudene keten, waaraan hing 's Vorsten beeldenis, op een medaille van 't zelfde metaal.

Na zig een jaar lang in _Frankryk_ opgehouden te hebben, binnen welken tyd hy ook, te _Orleans_, den tytel van _Doctor in de Rechten_ verkreeg[2], keerde hy naar zyn vaderland te rug, alwaar zyne bekwaamheden niet minder geacht werden; ten bewyze daarvan, dat hy op zyn zestiende jaar reeds Advocaat voor den Hove van _Holland_ was; en nog geen vier-en-twintig jaaren bereikt hebbende, (in 1607,) werd hy door de Heeren Staaten van _Holland_, _Zeeland_ en _Westfriesland_ tot Advocaat Fiscaal aangesteld.

Ons bestek verbiedt ons verslag te doen van alle 's mans geleerde schriften, welken hy van tyd tot tyd in 't licht gaf, wy moeten ons alleenlyk tot de hoofdpunten van zyne levensbeschryving bepaalen; des staat ons te melden dat hy zig, in den jaare 1608, in 't huwelyk begaf met _Maria van Reigersbergen_, dochter van den Heere _Pieter van Reigersbergen_, Burgemeester der Stad _Veere_, een man, van wien getuigd wordt, dat hy den Lande, en niet minder den Huize van _Nassau_, groote diensten beweezen had; welke trouw echter met schande is betaald geworden; want in de _Leicestersche tyden_ is hy ter Stad uitgezet, en heeft vervolgends als balling moeten omzwerven.

In 1613, het dertigste jaar zyns ouderdoms, aanvaardde de beroemde HUGO het gewigtig amt van Pensionaris der Stad _Rotterdam_:

_Wat zyn my in dien dienst al woedende zeebaaren_ _Gevlogen over 't hooft,_

dus laat de meergemelde Dichter DUIM hem, desaangaande, zeggen; dan, geen dier woedende baaren heeft hem kunnen doen bezwyken: hy vond reden om het gemelde moeijelyke amt niet aanteneemen, dan onder voorwaarde, dat het in de magt der Magistraat van _Rotterdam_ niet zou staan, hem immer, tegen zyn' wil, van hetzelve aftezetten: de inwilliging van dit voorbeding, 't welk eene volstrekte beperking van het gezegde vermogen insloot, bewyst andermaal welke gedachten men van onzen HUGO gevoed, en hoe groot het vertrouwen was dat men op zyne bekwaamheid gesteld heeft.

Terwyl men bezig was met deze en geene voorwaarde te beraamen, werd hy, met nog drie andere Heeren, in gezantschap naar het nabuurig _Engeland_ gezonden, ter vereffeninge van eenige geschillen, ontstaan tuschen JACOBUS DEN EERSTEN, die toen den _Britschen Zetel_ bekleedde, en de _Hollandsche Oostïndische Maatschapy_, van welke bezending hy zig ongetwyfeld mede by uitneemendheid verdienstelyk gekweeten moet hebben, aangezien hy, niettegenstaande zyne nederigheid, van zig zelven, desaangaande, zulk een hoog gevoelen had, dat hy naderhand betuigde, _van die Compagnie wel zoveel verdiend te hebben, dat, al ware het dat alle anderen sliepen, zy voor hem behoorde te waaken_: het hevige geschil tusschen de _Remonstranten_ en _Contraremonstranten_, 't welk, ten dien tyde, ons lieve Vaderland beroerde en dat, niettegenstaande het een kerklyk geschil was, een twist over den Godsdienst, of liever eene betwisting van een vryen Godsdienst, dat zalige genot waarop alle menschen aanspraak hebben; niettegenstaande Christenen met Christenen, allen belyders van een' God van liefde, twistten, oorzaak werd van de smaadelykste en verachtelykste handelwyzen; dat hevige geschil, 't welk wy niet behoeven voor te draagen, aangezien het reeds menigvuldigmaal en met de natuurlykste verwen afgebeeld en dus by ieder bekend is, dat geschil werd door onzen HUGO, by zyne _Britsche Majesteit_ verhandeld, en mede met een goed gevolg:--_hy sprak in alles ten voordeele van de Remonstranten_.

Zyn gedrag omtrent deze vredelievende menschen, over 't algemeen genomen, bragt hem in groote opspraak; men vond het onbegrypelyk, en althans ten hoogsten te bejammeren, dat een man, die, wegens zyne veele kundigheden, voor iets vreemds in de Natuur mogt gehouden worden, die den onsterfelyken _Erasmus_ in veele opzichten gelyk was; in weinigen hem moest wyken, en in eenigen overtrof; dat zulk een man de _Remonstranten_ toegedaan scheen te weezen: ondertusschen beoogde hy in alles niet anders dan de bevordering der kerklyke eendragt; dit betuigde hy in een' brief aan zynen vertrouwden vriend, VOSSIUS, zeggende: _Dat hy eeniglyk, waarvan _GOD_ zyn getuige was, daarop toelei, dat 'er omtrent de kerklyke verschillen eene gemaatigde vryheid mogt vergund worden, dewyl zonder dezelve de eene scheuring uit de andere moest groeien._