Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 8
De Spaansche gouverneur had zijn kleine troep op eene hoogte bijeengetrokken. Atkins, ofschoon gewond, wilde oprukken en gezamenlijk de wilden op het lijf vallen. Maar de Spanjaard zeide: "Sennor Atkins, gij ziet hoe hunne gewonden vechten; laat hen in rust tot morgen, dan zullen al die gekwetsten stijf en pijnlijk van hunne wonden en zwak van bloedverlies zijn, en dan zullen wij met minder te doen hebben." Deze raad was goed, maar Willem Atkins zeide vrolijk: "Dat is waar, sennor, maar dat zal ik ook zijn, en daarom wilde ik nu op hen af, nu ik nog warm ben."--"Wel, sennor Atkins," zeide de Spanjaard, "gij hebt u dapper gekweten en u deel verrigt; wij zullen voor u vechten als gij niet voort kunt; maar ik denk dat het best is tot morgen te wachten." Dus bleven zij wachten.
Maar daar het helder maanlicht was, en zij bespeurden, dat de wilden in groote wanorde om hunne dooden en gekwetsten heen zwierven, met een groot rumoer waar zij lagen, besloten zij naderhand hen gedurende den nacht te overvallen, vooral als zij in staat zouden zijn hen slechts eene laag te geven, alvorens ontdekt te worden. Hiertoe vonden zij eene schoone gelegenheid, want een der twee Engelschen, nabij wiens woning het gevecht begonnen was, voerde hen tusschen de bosschen en het westelijk strand door, en vervolgens zuidwaarts keerende, kwamen zij nabij den digtsten hoop wilden, zoodat, alvorens zij gezien werden, acht hunner onder hen schoten en eene vreesselijke slagting aanrigtten. Eene halve minuut daarna gaven acht anderen vuur op hen, en door hun schroot werden ook eene menigte gedood en gewond, en al dien tijd waren zij niet in staat te zien wie hen aanviel of waarheen zij vlugten moesten. Zoo spoedig zij konden laadden de Spanjaards weder, en verdeelden zich daarop in drie hoopen, en besloten hen alle op hetzelfde oogenblik op het lijf te vallen. Ieder troep bestond uit acht personen, dat is vier en twintig te zamen, waarvan twee en twintig mannen en twee vrouwen, die, om dit ter loops aan te merken, verwoed vochten.
Zij verdeelden de vuurwapens, hellebaarden en pieken gelijkelijk onder iedere troep. Zij wilden de vrouwen achter laten blijven, maar deze zeiden, dat zij met hare mannen in den dood wilden gaan. Na aldus hun legertje verdeeld te hebben, kwamen zij van onder het geboomte te voorschijn en rukten op den vijand aan, terwijl zij zoo hard schreeuwden als zij konden. De wilden stonden allen opeen, doch waren in de uiterste verwarring, daar zij ons volk van drie kanten te gelijk hoorden schreeuwen. Zij zouden gevochten hebben, zoo zij hen gezien hadden, en zoodra zij in hun gezigt kwamen, werden eenige pijlen op hen gelost en de oude Vrijdag gewond, schoon niet gevaarlijk. Doch de onzen gaven hun geen tijd, maar drie maal op hen aanvallende, gaven zij hun drie maal de laag en vielen daarop aan met de geweerkolven, sabels, pieken en bijlen, en sloegen daarmede zoo in het rond, dat de wilden een jammerlijk gehuil en gegil aanhieven, en naar alle kanten heen vlugtten om hun leven te redden.
De onzen waren vermoeid van het moorden; zij hadden in de beide gevechten ongeveer honderd en tachtig gedood of zwaar gewond; de overigen vlugtten, geheel verbijsterd, door de bosschen en over de heuvels, zoo snel hunne voeten hen dragen konden; en daar de onzen zich weinig moeite gaven om hen na te zetten, bereikten zij allen gezamenlijk het strand, waar zij geland waren en hunne kanoe's lagen. Doch hunne rampen waren nog niet geëindigd, want dien avond kwam er uit zee een geweldige storm op, zoodat zij onmogelijk in zee konden steken, ja daar de storm den geheelen nacht aanhield, waren hunne kanoe's, toen de eb begon, zoo hoog op het strand geslagen, dat zij er niet dan met de grootste moeite weder konden afgebragt worden, en eenigen er van waren zelfs tegen de kust of tegen elkander verbrijzeld.
De onzen, schoon verheugd over hunne overwinning, genoten dien nacht echter weinig rust; maar na eenige ververschingen genuttigd te hebben, besloten zij naar de plaats te trekken waar de wilden heen gevlugt waren, om te zien hoe zij thans gesteld waren. Dit bragt hen natuurlijk weder over de plaats van het gevecht, waar zij verscheidene van die arme schepsels vonden, die nog niet geheel dood waren en toch geen hoop op herstel meer hadden; dit was voor een edelmoedig gemoed een treurig gezigt, want een waarlijk groot man, schoon door de wet des oorlogs verpligt zijn vijand te vernielen, schept toch in zijn ongeluk geen behagen. Zij behoefden hieromtrent echter geene bevelen te geven, want hunne eigene wilden, die in hunne dienst stonden, maakten deze arme schepsels met hunne bijlen af. Eindelijk kregen zij de plaats in het gezigt, waar het rampzalig overschot van het leger der wilden gelegerd was; dat uit nog een honderd man scheen te bestaan; zij zaten meestal op den grond, met het hoofd tusschen de handen.
Toen de onzen op een paar geweerschoten afstand van hen gekomen waren, gelastte de Spaansche gouverneur twee schoten met los kruid te doen. Dit deed hij, om uit hun voorkomen op te maken, wat men van hen te wachten had, namelijk of zij nog moeds genoeg bezaten om te vechten, of dat zij door hunne nederlaag geheel ontmoedigd waren, ten einde hij diensvolgens zou kunnen handelen. Deze krijgslist gelukte. Naauwelijks hadden de wilden het eerste schot gehoord, of zij sprongen in de grootst mogelijke verwarring op de been, en toen de onzen zich snel naar hen toe begaven, liepen allen gillende en huilende weg, met eene soort van gillend gekrijsch, dat ons volk niet verstond en nimmer te voren gehoord had, en zoo liepen zij over de heuvels landwaarts in. Eerst wenschten de onzen, dat het weder meer bedaard geweest was, en zij allen in zee waren gestoken, maar daarbij bedachten zij niet, dat dit waarschijnlijk aanleiding zou gegeven hebben, dat zij in zoo grooten getale terug waren gekomen, dat zij onwederstaanbaar waren, of althans, dat zij zoo sterk en zoo dikwijls terugkwamen, dat het eiland er geheel door verwoest worden en zij van honger sterven zouden. Willem Atkins, die in weerwil van zijne wond altijd bij hen geweest was, gaf thans den besten raad, hij stelde voor van hun tegenwoordig voordeel partij te trekken, de wilden van hunne kanoe's af te snijden, en hun zoo de mogelijkheid ontnemen van wederom tot onheil des eilands terug te komen.
Lang beraadslaagden zij hierover, en sommigen waren er tegen, uit vrees, dat de rampzaligen naar de bosschen zouden vlugten en daar in wanhoop blijven leven; en dan zouden zij jagt op hen moeten maken als op wilde beesten, bevreesd zijn van buiten's huis te gaan, hunne velden steeds afgestroopt, hun tam vee gestolen vinden, en kortom in de grootste armoede voortaan moeten leven. William Atkins voerde daarentegen aan, dat het beter was met honderd mannen, dan met honderd natiën te doen te krijgen, dat zij niet alleen de kanoe's vernielen, maar ook de menschen moesten uitroeijen, of zelf door hen uitgeroeid worden. In een woord hij bewees hun zoo duidelijk, dat het noodig was, dat zij er allen in toestemden; dus begonnen zij dadelijk de kanoes te vernielen, en eenig droog hout van een dooden boom nemende, trachtten zij er eenigen van in brand te steken, maar zij waren zoo nat, dat zij niet wilden branden. Het vuur beschadigde haar echter zoo, dat zij geen zee konden bouwen. Toen de Indianen zagen, wat er gebeurde, kwamen eenige hunner het bosch uitstuiven, en de onzen naderende, knielden zij neder en riepen: _Oa, oa, waremokoa_! en eenige andere woorden in hunne taal, waarvan niemand iets verstond, doch uit hunne droevige gebaren en gejammer kon men duidelijk opmaken, dat zij smeekten hunne booten te sparen, en dat zij vertrekken wilden en nimmer terugkomen.
Doch de onzen waren thans overtuigd, dat hun zelfbehoud en dat der kolonie hun geen anderen weg openliet, dan dit volk te beletten weder naar hun land terug te keeren; daar zij begrepen, dat zoo slechts een hunner in zijn land terugkeerde om zijnen landslieden het voorgevallene mede te deelen, het met de kolonie gedaan was. Zij gaven hun dus te kennen, dat zij geene genade te wachten hadden, en vernielden al die kanoes, welke de storm nog gespaard had. Op dit gezigt hieven de wilden in het bosch een afgrijsselijk geschreeuw aan, dat de onzen duidelijk hoorden, waarna zij als onzinnigen in het rond liepen, zoodat de onzen eerst niet wisten, wat met hun te doen.
De Spanjaards met al hunne voorzigtigheid bedachten ook niet, dat, terwijl zij deze lieden tot het uiterste bragten, zij goede wacht over hunne plantaadjen moesten houden, want schoon zij hun vee weggedreven hadden en de Indianen hunne voornaamste bewaarplaats daarvan niet vonden, namelijk mijn oud kasteel aan den heuvel of de spelonk in het dal, hadden zij echter mijne plantaadje aan mijn lusthuis ontdekt, en het gewas en de afsluitingen geheel vernield, het graan vertrapt, de wijngaarden uitgeroeid, terwijl de druiven bijkans rijp waren, en de onzen eene onberekenbare schade toegebragt, zonder er zelf eenig voordeel van te hebben. Schoon de onzen hen altijd het hoofd konden bieden, konden zij hen echter niet vervolgen of jagt op hen maken, en terwijl zij de onzen te vlug ter been waren als deze een enkelen hunner aantroffen, durfden deze echter ook niet alleen uitgaan, uit vrees van door een aantal hunner omsingeld te worden. Gelukkig hadden zij geene wapens, want zij hadden wel bogen maar geen pijlen noch middelen om die te maken, en ander wapentuig hadden zij niet.
Groot en inderdaad beklagelijk was het gebrek, dat zij leden, maar te gelijk werden de onzen tot strenge maatregelen tegen hen genoopt, want schoon hun bergplaats bewaard was, waren hunne velden vernield en verwoest. Hun eenigste toevlugt was thans hunne kudde, die zij in het dal bij de spelonk hielden, en eenig graan, dat daar groeide, benevens de plantaadje van Willem Atkins en zijn makker, waarvan de ander gedood was door een pijl, die hem in het hoofd getroffen had. Het was opmerkelijk, dat dit dezelfde woestaard was, die den armen slaaf met zijne bijl gewond, en naderhand voorgeslagen had al de Spanjaards te vermoorden. Hun toestand scheen mij thans slimmer dan de mijne ooit was, nadat ik het eerst de halmen graan en rijst ontdekt, en eenig koorn gewonnen en tam vee gekregen had; want nu hadden zij als het ware honderd wolven op het eiland, die alles vernielden wat in hun bereik kwam, schoon zij hen zelven niet bereiken konden.
Het eerst wat zij besloten was, hen zoo mogelijk verder naar het zuidoost einde van het eiland te drijven, opdat, zoo er meer wilden op het eiland kwamen, deze hen niet zouden vinden, vervolgens, dat zij hen dagelijks zouden bestooken, en zoo veel dooden als zij konden, tot hun getal wat afgenomen was en zij hen konden temmen, wanneer zij hun koorn zouden geven en leeren hoe zij dit aankweeken en van hunnen veldarbeid leven konden. Te dien einde vervolgden en verschrikten zij hen zoodanig met hunne geweren, dat als een na weinige dagen op een Indiaan schoot, deze, als hij niet getroffen was, van schrik nederstortte; en zij waren zoo vreesselijk beangst, dat zij zich steeds verder verwijderden, tot eindelijk de onzen hen volgden en schier alle dagen eenigen doodden of wondden; waarop zij zich zoo in holen en bosschen verscholen, dat zij schier van honger vergingen, en eenigen vond men naderhand dood in het bosch zonder eenige wond, die alleen van honger gestorven waren.
Toen de onzen dit gewaar werden ging het hun aan het hart, en gevoelden zij diep medelijden met hen, vooral de Spaansche gouverneur, die de edelmoedigste man was, dien ik ooit in mijn leven aangetroffen heb. Hij sloeg voor, er zoo mogelijk een gevangen te nemen en hem hun voornemen te doen begrijpen, zoo dat hij het zijnen landslieden kon mededeelen, en trachten hen tot het aannemen van voorwaarden aan te manen, waardoor zij in het leven konden blijven en geen kwaad meer doen. Het duurde eenigen tijd voor men er een magtig kon worden, en eindelijk werd een, die zeer verzwakt en half dood van honger was, gevangen genomen. Hij was eerst norsch, en wilde eten noch drinken, maar toen hij zag, dat hij goed behandeld werd en men hem geen kwaad deed, werd hij eindelijk handelbaar.
Daarop liet men den ouden Vrijdag tot hem gaan, die veel met hem sprak, en hem zeide hoe goed men het met hen allen voorhad, dat zij hun niet alleen in het leven wilden sparen, maar ook een deel van het eiland geven om op te wonen, mits zij beloofden, dat zij binnen hunne grenzen bleven en den anderen geen kwaad deden; en dat zij hun graan zouden geven om aan te kweeken en er brood van te maken, en eenig brood om thans van te leven, en de oude Vrijdag zeide den wilde, dat hij aan zijne landslieden dit moest mededeelen en hooren wat zij er van zeiden, terwijl hij verzekerde, dat zoo zij dit niet dadelijk aannamen, zij allen uitgeroeid zouden worden.
De rampzaligen, die geheel gedwee waren geworden, en wier getal tot op zevenendertig was gesmolten, namen dadelijk den voorslag aan, en smeekten om eenig voedsel; waarop twaalf Spanjaarden en twee Engelschen, goed gewapend, met drie slaven en den ouden Vrijdag zich naar de plaats begaven, waar zij waren. De drie slaven droegen eene groote menigte brood en eenige uit rijst gebakken en in de zon gedroogde koeken en drie levende geiten. Men gelastte hun op de zijde van een heuvel te gaan zitten, gelijk zij deden, en met veel dankbaarheid de levensmiddelen opaten en in het vervolg hunne beloften ten stiptste nakwamen; want behalve als zij om levensmiddelen of onderrigting kwamen vragen, overschreden zij nimmer hunne grenzen, maar woonden binnen dezelve toen ik op het eiland kwam en hen ging opzoeken.
Men had hun geleerd graan te kweeken, brood te maken, tamme geiten te fokken en die te melken. Het ontbrak hun slechts aan vrouwen, anders zouden zij spoedig een volk geworden zijn. Hun was een strook lands aangewezen, die aan de achterzijde door hooge heuvels omringd was, en van voren zich tot aan zee aan den zuidoosthoek des eilands, uitstrekte. Zij hadden land genoeg, en het was zeer goed en vruchtbaar, want het was ongeveer eene halve mijl breed en eene mijl lang. De onzen leerden hun houten spaden te maken, gelijk ik gedaan had, en gaven hun twaalf bijlen en drie of vier messen, en zij leefden zoo onderworpen en onschuldig als mogelijk was. Hierna genoot de kolonie ten aanzien der wilden eene volkomene rust, tot ik hen ongeveer twee jaren later weder bezocht; wel kwamen nu en dan eenige kanoes met wilden, om hun barbaarsch gastmaal te houden, maar daar zij tot onderscheidene natiën behoorden, en misschien van degenen, die vroeger kwamen, noch van hun oogmerk iets gehoord hadden, zochten zij nimmer naar hen, en zouden hen ook, al hadden zij het gedaan, moeijelijk gevonden hebben.
Ik heb thans, geloof ik, een volledig verslag geleverd van hetgeen hun tot aan mijne terugkomst wedervoer, althans alles wat meldenswaardig was. De Indianen of wilden waren bijzonder door hen beschaafd, en dikwijls gingen zij hen bezoeken, echter was het den Indianen op doodstraffe verboden bij hen te komen, omdat zij hunne inrigtingen niet weder verraden wilden hebben.
Iets was zeer opmerkelijk, namelijk, dat zij de Indianen manden leerden vlechten, maar dat deze hunne meesters spoedig te boven gestreefd waren, want zij maakten van teenen de alleraardigste dingen, als manden, zeven, vogelkooijen, enz., zoo wel als stoelen, voetbankjes, rustbanken en eene menigte dergelijke dingen, en waren zeer vernuftig in dat werk, toen zij eerst den slag er van hadden.
Mijne komst was hun uiterst welkom, want wij voorzagen hen van messen, scharen, schoppen, spaden, houweelen en alles wat zij van dien aard noodig hadden. Met deze werktuigen waren zij zoo handig, dat zij zich zeer aardige hutten of woningen bouwden, die zij even als mandenwerk geheel met rijs omvlochten, hetgeen zeer aardig bedacht was en allervreemdst stond, maar eene uitmuntende beschutting was, zoo wel tegen de hitte als tegen allerlei ongedierte; en de blanken waren er zoo mede ingenomen, dat zij den wilden verzochten dit ook voor hen te doen, zoodat toen ik de twee Engelsche kolonies ging bezoeken, deze op een afstand naar een aantal bijenkorven geleken, en Willem Atkins, die zich thans zeer werkzaam, nuttig en gematigd gedroeg, had zelf voor zich eene tent van teenen gevlochten, waarvan men de weergade wel nimmer gezien zal hebben. De buitenste omvang daarvan was honderd en twintig schreden, gelijk ik meette; de muren waren in twee en dertig vakken of paneelen zoo digt als eene mand gevlochten, verdeeld, en zeer sterk en omtrent zeven voet hoog. In het midden stond een andere muur van niet wel twee en twintig schreden in omvang, maar sterker en in achthoekigen vorm gebouwd, en op de acht hoeken stonden zeer sterke palen, op welke acht stutten, die het hoogopgaande dak droegen, rustten; en dat alles zeer sterk in elkander gevoegd, ofschoon hij geene bouten en slechts weinige ijzeren banden had, die hij ook zelf gesmeed had uit het oude ijzer, dat ik achtergelaten had. Inderdaad toonde deze knaap vrij wat scherpzinnigheid in vele dingen, waarvan hij geene kennis had. Hij had voor zich eene smidse met een houten blaasbalk gemaakt. Hij had houtskool gebrand, om daar te stooken, en hij maakte uit een van de ijzeren koevoeten een tamelijk goed aanbeeld om op te smeden. Op deze wijze had hij verscheidene dingen gemaakt, maar vooral haken en banden, bouten en hengsels. Maar om tot zijn huis terug te keeren; nadat hij het dak van zijne binnenste tent bevestigd had, dekte hij dit met gevlochten teenen, en deze weder zoo netjes met rijstenstroo, en daarover groote boombladen, die den gevel bedekten, dat zijn huis zoo droog was of het met pannen of leijen gedekt was. Hij bekende echter, dat de wilden het vlechtwerk voor hem gedaan hadden.
Van deze binnensten tot aan den buitensten muur liep eene soort van afdak rondom denzelven geheel en al, en lange latten liepen van de twee en dertig vakken naar de hoofdstijlen van het binnenste huis, zijnde eene breedte van omtrent twintig voet, zoo dat er tusschen den binnensten en buitensten muur eene soort van wandeling was van twintig voet breed. De binnenste tent was met soortgelijk, maar veel fijner vlechtwerk afgedeeld in zes vertrekken, zoodat hij zes kamers gelijkvloers daarin had, en in ieder dezer kamers was eerst eene deur, die in den hoofdingang van de groote tent uitkwam, en eene tweede deur, die in den rondloopenden gang of ruimte tusschen de beide muren uitkwam, zoodat deze ruimte ook in zes vakken afgescheiden was, die niet alleen tot een wijkplaats, maar ook tot berging van voorraad van het gezin strekte. Deze zes kamers besloegen echter den geheelen omvang van den buitensten omgang niet, en het overige was verdeeld als volgt. Bij het inkomen van de deur van het geheele gebouw zag men voor zich een regte gang, die naar de deur van de binnenste tent geleidde, maar aan weerszijden was een gevlochten beschot met eene deur er in, door welke men kwam eerst in eene groote kamer of schuur van twintig voet breed en dertig voet lang, en door deze in eene andere, die niet wel zoo lang was, zoodat er in de buitenste ruimte tien knappe kamers waren; in zes van welke men niet dan door de binnenste vertrekken kon komen, en die tot slaap- of bergplaatsen voor de verschillende kamers van het binnenste verblijf verstrekten; en vier groote schuren, of hoe men ze noemen wil, die in elkander liepen, twee aan weerszijden van den ingang, die naar de binnenste tent voerde.
Zulk een meesterstuk van vlechtwerk is, geloof ik, nergens ter wereld meer gezien, noch een huis of tent, die sneller zamengesteld of zoo gebouwd was. In deze groote bijenkorf leefden drie huisgezinnen, namelijk Willem Atkins en zijn makker; de ander was gedood, maar zijne vrouw bleef met drie kinderen over; en de beide anderen aarzelden volstrekt niet om de laatsten van alles hun aandeel te geven, namelijk van melk, graan, druiven en als zij een geit geslagt of een schildpad gevonden hadden. Allen leefden dus vrij wel, schoon het waar was, dat zij niet zoo vlijtig waren als de andere twee Engelschen, gelijk ik reeds gezegd heb.
Eene zaak mag ik echter niet verzwijgen, namelijk wat de godsdienst betreft, geloof ik niet, dat zij daar ooit aan dachten; wel herinnerden zij elkander dikwijls genoeg, dat er een God was, door op de gewone wijze der matrozen zijn naam al vloekende te misbruiken. De arme, onwetende Indiaansche vrouwen trokken er ook geen voordeel van, dat zij met Christenen, gelijk zij heetten, leefden; want daar zij zelf weinig van godsdienst wisten, waren zij geheel onbekwaam een woord over God of godsdienst te wisselen. De eenigste aanwinst, die de vrouwen door hun toedoen verkregen hadden, was, dat zij redelijk wel Engelsch hadden leeren spreken, en al de kinderen, die zij hadden, dat ongeveer twintig bedroeg, spraken ook Engelsch, schoon in den beginne zeer gebroken, even als hunne moeders. Geen van deze kinderen was ouder dan zes jaren, toen ik bij hen kwam; want het was niet veel langer dan zeven jaren geleden, dat zij deze vijf Indiaansche dames van elders gehaald hadden; maar zij waren allen zeer vruchtbaar, en hadden allen kinderen, de een meer, de ander minder. Ik geloof, dat de vrouw van den gewezen koksmaat van haar zesde kind zwanger was; en de moeders waren allen een goed slag van stille, bedaarde, nijvere en zedige schepsels, zeer behulpzaam voor elkander, magtig gehoorzaam en eerbiedig jegens hunne meesters, want ik kan niet zeggen hunne mannen; en haar ontbrak niets dan onderrigt in de Christelijke godsdienst, en een wettig huwelijk, hetwelk beide later gelukkig door mijn toedoen tot stand kwam, althans ten gevolge van mijne komst aldaar.
Na aldus een verslag van de kolonie in het algemeen gegeven te hebben, en vrij uitvoerig van mijne vijf weggeloopen Engelschen, moet ik iets zeggen van de Spanjaarden, die het voornaamste deel van de bevolking uitmaakten, en wier geschiedenis ook belangrijks genoeg opleverde.