Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Part 7

Chapter 74,030 wordsPublic domain

Ter eere van deze Spanjaards moet ik hier aanmerken, dat hoe verschrikkelijk ook de verhalen der Spaansche gruwelen in Mexico en Peru zijn mogen, ik nimmer zeventien menschen bij eenige natie ontmoet heb, die zoo algemeen zedig, matig, deugdzaam, opgeruimd en hoffelijk waren als deze Spanjaards; in hun geheele karakter lag geen zweem van wreedheid, of barbaarschheid, of woeste hartstogten, en toch waren het allen mannen van grooten moed en dapperheid. Hunne gematigdheid was gebleken in het verduren van de schandelijke bejegeningen der Engelschen, en hunne regtvaardigheid en menschelijkheid bleek in het hier vermelde geval met de wilden. Na eenig beraad besloten zij zich nog eene poos verborgen te houden, tot zoo mogelijk deze drie lieden heengingen; maar toen herinnerden zij zich, dat zij geen vaartuig hadden, en dat, zoo zij het eiland rondzwierven, zij zeker ontdekken zouden, dat het bewoond was. Derhalve keerden zij terug waar de drie mannen lagen te slapen, en besloten hen te wekken en gevangen te maken, gelijk zij deden. De wilden waren uiterst bevreesd toen zij aangegrepen en gebonden werden, en bevreesd te zijn, dat zij geslagt en opgegeten zouden worden, want het schijnt dat deze lieden denken, dat men overal, even als zij, menschenvleesch eet; doch zij werden hieromtrent spoedig gerust gesteld en weggevoerd.

Het was zeer gelukkig, dat zij hen niet naar het kasteel, ik meen naar mijne oude woning tegen den heuvel, bragten, maar naar mijn landhuis, waar de meeste veldarbeid, als geiten hoeden, koorn bouwen, enz., te verrigten viel, en naderhand voerden zij hen naar de woning der twee Engelschen. Hier werden zij aan het werk gezet, schoon men weinig voor hen te doen had, en hetzij door achteloos opzigt over hen, of dat men meende, dat zij hen niet konden ontvlugten, althans een hunner liep weg, en in het bosch gerakende, hoorde men nimmer meer van hem. Men begreep echter met reden, dat het hem kort daarop gelukte naar zijn land terug te keeren, met eenige wilden, die drie of vier weken later met hunne kanoes aan den wal kwamen, om hun gewoon feest te vieren, en binnen twee dagen vertrokken. Dit denkbeeld bekommerde hen niet weinig, want zij begrepen niet zonder reden, dat zoo deze man weder behouden bij zijne landgenooten kwam, hij hun zeker verhalen zou, dat er lieden op het eiland waren, en tevens hoe weinig en zwak zij waren; want, gelijk ik zeide, men had dezen wilde, en dit was zeer gelukkig, nimmer gezegd hoe velen er op het eiland waren of waar zij woonden, ook had hij nimmer een geweer zien afschieten; veel minder had hij een hunner schuilplaatsen leeren kennen, zoo als de grot in het dal of de nieuwe spelonk, die de twee Engelschen gemaakt hadden.

Het eerste blijk, dat deze man zijn volk van hen kennis had gegeven, was, dat ongeveer twee maanden daarna, zes kanoes, ieder met zeven, acht tot tien wilden er in, langs de noordzijde van het eiland kwamen roeijen, waar zij vroeger nimmer kwamen, en een uur na zonsopgang op eene geschikte landingplaats aan wal stapten, een kwartier van de woning der twee Engelschen, waar de vlugteling geweest was. De Spaansche gouverneur zeide, dat zoo zij allen daar op de plek waren geweest, het gevaar zoo groot niet geweest zou zijn, want dan, zeide hij, zou geen enkele wilde het ontkomen zijn. Maar nu was de kans al te ongelijk; twee man tegen vijftig. Gelukkig hadden de beide mannen hen ontdekt, toen zij nog eene mijl ver in zee waren, dus ongeveer een uur voor zij landden, en daar zij een kwartier van hunne woningen aan wal stapten, duurde het nog eenigen tijd voor zij bij hen waren. Daar zij nu veel reden hadden zich verraden te achten, was het eerst wat zij deden, de twee achtergebleven slaven te binden, en hen door twee van de drie mannen, die zij met hunne vrouwen medegebragt hadden, en hen, naar het schijnt, zeer getrouw waren, naar hunne schuilplaats in het bosch te doen brengen, waarvan ik gesproken heb, met al wat zij verder konden medevoeren, en daar lieten zij de twee slaven, aan handen en voeten gebonden, voor 's hands liggen.

Daarop ziende, dat de wilden allen geland waren en regt naar hunnen kant toekwamen, openden zij de heiningen, waarin de melkgeiten gehouden werden, dreven haar allen naar buiten, en lieten ze los het bosch inloopen, om de wilden in den waan te brengen, dat het wilde geiten waren; maar de Indiaan, die bij hen was, was te sluw en had hen, naar het schijnt, van alles onderrigt, want zij gingen regt op hun verblijf aan. Nadat de twee arme, verschrikte Engelschen hunne vrouwen en goederen in veiligheid gebragt hadden, zonden zij den anderen slaaf van de drie, die met de vrouwen gekomen was, en die toevallig bij hen was, ijlings naar de Spanjaarden, om hen hiervan te verwittigen en te hulp te roepen, daarop namen zij hunne geweren en kruid en lood mede, en trokken terug naar de plaats, waar hunne vrouwen waren, doch bleven op eenigen afstand, om zoo mogelijk de wilden te blijven gadeslaan.

Zij waren niet ver gegaan of zij konden van een hoogen grond het legertje van hunne vijanden regt op hunne woningen zien afgaan, en een oogenblik later hunne woningen en al hun huisraad in lichtelaaije vlam staan, tot hunne bittere smart en spijt, want zij leden een groot en voor eenigen tijd onherstelbaar verlies. Zij bleven eene poos stand houden, tot zij de wilden als verscheurende dieren zagen rondzwerven, alles vernielende en nazoekende om buit te maken, en vooral naar menschen zoekende, waarvan zij, gelijk thans duidelijk bleek, kennis droegen. Dit ziende, achtten de twee Engelschen zich niet langer veilig waar zij stonden, daar waarschijnlijk sommige wilden, en misschien een te groote overmagt, hunnen kant heen zouden komen. Dus trokken zij een half kwartier verder terug, hopende, dat hoe verder zij gingen, hoe meer zij zich verspreiden zouden. Zij hielden stand aan het begin van een zeer digt begroeid deel van het bosch, en waar een ouden, zeer grooten en hollen boomstam stond, en in dezen boom gingen zij staan en besloten af te wachten wat er verder gebeuren zou.

Niet lang daarna kwamen twee wilden regt op hen aan, alsof zij wisten, dat zij hier stonden en hen kwamen aanvallen, en kort achter hen zagen zij er nog drie aankomen, en nog vijf op eenigen afstand, die allen denzelfden weg hielden; terwijl in de verte nog zeven of acht rondzwierven, want zij liepen overal als jagers, die het wild opzoeken. De arme kerels wisten zelf niet of zij stand houden of de vlugt nemen zouden. Na een oogenblik beraad begrepen zij, dat als de wilden de landstreek zoo afliepen, voor er bijstand kwam opdagen, zij misschien hunne schuilplaats in het bosch zouden ontdekken, en dan was alles verloren; dus besloten zij stand te houden, en als er voor hen te veel kwamen, boven in den boom te klimmen, waaruit zij zich, zoo zij niet door vuur aangevallen werden, dachten te kunnen verdedigen, zoo lang hun kruid en lood zou strekken, al vielen ook al de wilden, die geland waren, wier aantal omstreeks vijftig bedroeg, hen aan. Daarna beraadslaagden zij of zij op de twee voorsten wilden schieten, of de drie volgende afwachten, en op deze vuren; waardoor de twee voorsten en de vijf laatsten gescheiden zouden zijn. Eindelijk besloten zij de twee voorsten te laten gaan, ten ware dezen hen in den boom ontdekten of aanvielen. Zij deden dit echter niet, maar gingen een weinig ter zijde naar een ander gedeelte van het bosch, doch de drie en de vijf achter hen kwamen regt op den boom aan, als wisten zij, dat de Engelschen daar waren.

Toen deze hen zoo regt op hen zagen afkomen, besloten zij, daar zij achter elkander liepen, dat slechts een te gelijk zou schieten, en misschien kon het eerste schot hen alle drie treffen. Daarom deed de een vier of vijf kogels op zijn geweer, en daar hij uit een gat in den boom een goed mikpunt had, legde hij aan zonder gezien te worden, wachtende tot zij omtrent dertig schreden van hem af waren, zoodat hij niet missen kon. Terwijl de wilden naderden zagen zij duidelijk, dat een van de drie de wilde was, die van hen was weggeloopen. Beide herkenden hem duidelijk, en besloten, dat hij, zoo mogelijk, niet zou ontsnappen, al zouden zij beide vuren, dus hield de ander zijn geweer gereed, om, zoo hij niet bij het eerste schot viel, hem ook een kogel toe te zenden. Maar de eerste was een te goed schutter, om hem te missen, en daar de wilden digt achter elkander gingen, trof hij twee van hen. De eerste ontving een kogel in het hoofd en was dadelijk dood; de tweede, die de weggeloopen wilde was, stortte met een kogel in den buik neder, doch was niet dood, en de derde had een schampschot in den schouder, misschien van denzelfden kogel, die den ander door het lijf was gegaan, en daar hij, schoon ligt gewond, allerhevigst verschrikt was, viel hij akelig schreeuwende en gillende op den grond.

De vijf achtersten, meer verschrikt van het schot, dan gevaar ziende, stonden eerst stil; want het schot weergalmde in het bosch, en de echo's herhaalden het, en de vogels vlogen met een geweldig gekrijsch van alle kanten op, even als het was toen ik het eerste schot deed, dat misschien daar ooit, zoo lang het eiland geweest was, gevallen was. Toen echter alles weder stil werd, gingen zij, niet wetende wat er gebeurd was, onbezorgd verder, tot zij aan de plaats kwamen, waar hunne makkers zich in een toestand bevonden, die jammerlijk genoeg was. En hier stonden de arme onwetende schepselen, weinig bevroedende, dat hun hetzelfde onheil boven het hoofd hing, allen over den gewonde gebogen, en vroegen waarschijnlijk hoe hij zoo gekwetst kwam. Het is te denken, dat hij zeide, dat een bliksemstraal en daarop gevolgde donderslag der goden deze twee gedood en hem gewond had; dat is, zeg ik, te denken, want gelijk zij niemand in hunne nabijheid gezien hadden, zoo ook hadden zij nimmer iets van een geweerschot gehoord, en geenerlei besef, dat men menschen met vuur en kogels op een afstand dooden konde. Ware het anders, dan zouden zij niet zoo gerust bij hunne makkers gestaan hebben, zonder voor zichzelven een gelijk lot te vreezen.

Ofschoon het de beide Engelschen, gelijk zij mij naderhand verklaarden, aan het hart ging, dat zij zoo veel arme schepsels, die zelfs geenerlei besef van hun gevaar hadden, moesten dooden, besloten zij echter, daar zij hen nu allen in hunne magt hadden, en de eerste weder geladen had, thans beide vuur te geven, en kwamen overeen op wie ieder mikken zou, waarna zij vier hunner doodden, of althans zwaar kwetsten, de vijfde, ofschoon niet gewond, viel van schrik met de overigen op den grond, zoo dat zij hen allen ziende vallen, dachten, dat zij allen gedood waren. In deze meening stapten onze twee mannen moedig uit den boom alvorens zij weder geladen hadden, hetgeen zeer onverstandig was; en zij zagen vreemd op, toen zij op de plek komende, niet minder dan vier wilden nog in leven vonden, en daarvan twee ligt en een geheel niet gekwetst. Dit dwong hen de kolf van hun geweer te gebruiken; en eerst maakten zij den weggeloopen wilde van kant, die de oorzaak van al het onheil was, en een ander, die in de knie gekwetst was. Toen kwam de wilde, die ongekwetst was, en knielde voor hen neder met opgeheven handen, en maakte onder een jammerlijk misbaar allerlei teekens om zijn leven te sparen; schoon zij geen woord konden verstaan van al wat hij zeide.

Zij gelastten hem echter door teekens, dat hij aan den voet van een boom daar in de nabijheid zou gaan zitten, en een der Engelschen bond met een stuk touw, dat hij toevallig in zijn zak had, hem de beenen stijf bijeen en de handen op zijn rug, en daarop lieten zij hem liggen, en volgden ijlings de twee voorste achterna, vreezende, dat deze of anderen den weg naar hunnen schuilhoek in de bosschen zouden vinden, waar hunne vrouwen en hunne weinige bezittingen verborgen waren. Eens kregen zij hen beide in het gezigt, schoon op een grooten afstand. Zij hadden echter het genoegen hen een vallei te zien doortrekken, die naar den zeekant liep, geheel den tegenovergestelden weg van dien, die naar hunne spelonk leidde, waar zij voor vreesden. Hieromtrent gerust gesteld, keerden zij naar den boom terug, waar zij hunnen gevangene gelaten hadden. Waarschijnlijk was deze door zijne makkers verlost, want hij was weg, en de twee einden touw, waarmede hij gebonden was geweest, lagen aan den voet des booms.

Zij waren thans even ongerust als te voren; niet wetende hoe nabij of hoe sterk de vijand was; dus besloten zij zich naar de plaats te begeven, waar hunne vrouwen waren, om te zien of alles wel was, en haar, die zeker zeer in angst moesten zijn, gerust te stellen; want schoon de wilden hare landgenooten waren, waren zij echter doodelijk bang voor hen, misschien omdat zij hen zoo goed kenden. Daar gekomen, bespeurden zij, dat de wilden in het bosch en zelfs zeer nabij de plek waren geweest, doch die niet gevonden hadden; want zij was inderdaad niet te ontdekken, daar de boomen er zoo digt stonden, ten ware de personen, die het zochten, door anderen, die de plek kenden, geleid werden, hetgeen hier het geval niet was. Zij vonden dus alles wel, behalve dat de vrouwen in doodsangst waren. Terwijl zij hier waren, hadden zij het genoegen van zeven Spanjaarden tot hunnen bijstand te zien aankomen; de andere tien met hunne slaven en den ouden Vrijdag, ik meen Vrijdags vader, waren gezamenlijk naar de buitenplaats vertrokken, om het graan en het vee, dat daar bewaard werd, te verdedigen, in geval de wilden aan dien kant mogten komen; maar zij kwamen zoo ver niet. Met de zeven Spanjaards kwam een van de wilden, die zij, gelijk ik verhaald heb, vroeger gevangen hadden gemaakt, alsmede de wilde, dien de Engelschen aan handen en voeten gebonden bij den boom hadden gelaten, want zij waren dien kant afgekomen, hadden de zeven dooden gezien en den gevangene losgemaakt en medegenomen. Zij waren echter genoodzaakt hem weder te binden, gelijk zij ook de twee gedaan hadden, die achtergebleven waren, toen de derde weggeloopen was.

Deze gevangenen waren thans een last voor hen, en zij waren zoo bang, dat zij ontsnappen zouden, dat zij overwogen of het niet volstrekt noodig was hen tot zelfbehoud te dooden. De Spaansche gouverneur wilde echter hiertoe zijne toestemming niet geven, maar gelastte, dat zij uit de voeten, naar mijne oude spelonk gebragt en daar bewaard zouden blijven, met twee Spanjaarden bij hen, om hen te bewaken en voedsel te geven. Dit geschiedde, en men bond hun handen en voeten voor dien nacht.

Toen de Spanjaarden aankwamen, waren de Engelschen zoo moedig geworden, dat zij niet langer zich vergenoegen konden met daar te blijven, maar met vijf Spanjaarden begaven zij zich op weg, gewapend met vier geweren en eene pistool, en twee duchtige knuppels, om de wilden op te zoeken. Eerst kwamen zij aan den boom, waar de wilden lagen, die zij gedood hadden, maar het was gemakkelijk te zien, dat daar nog eenige wilden geweest waren, want zij hadden getracht hunne dooden mede te voeren, en twee een goed eind weegs voortgesleept, doch het toen opgegeven. Vandaar begaven zij zich naar de hoogte, waarop zij eerst gestaan hadden, en hunne plantingen hadden zien vernielen, en nog het verdriet hadden eenigen rook te zien oprijzen, maar nergens zagen zij hier eenige wilden. Zij besloten toen, echter met alle mogelijke behoedzaamheid, voort te trekken tot aan hunne vernielde plantaadje. Doch even voor dat zij die bereikten, kwamen zij in het gezigt van het strand, en zagen duidelijk al de wilden in hunne kanoes scheep gaan, om te vertrekken.

Het speet hun eerst, dat zij hen thans niet bereiken konden, om hun nog een afscheidsgroet te geven, doch over het geheel waren zij thans wel tevreden van hen ontslagen te zijn.

De arme Engelschen waren thans voor de tweede maal geruïneerd, en al hunne aanplantingen vernield. Al de overigen besloten hen te helpen bouwen en van het noodige te voorzien. Hunne drie landslieden, die tot hiertoe nog niet de minste neiging betoond hadden om iets goeds te doen, kwamen thans, zoodra zij het hoorden (want daar zij ver oostwaarts woonden, hadden zij er niets van gehoord voor dat alles afgeloopen was), en boden hunne hulp en bijstand aan, en werkten verscheidene dagen ijverig mede om hunne hutten weder op te bouwen en hen van het noodige te voorzien, en zoo werden zij in korten tijd weder in hunnen vorigen staat gezet.

Ongeveer twee dagen later hadden zij het genoegen drie van de kanoes der wilden aan strand te zien spoelen, en op eenigen afstand van daar twee verdronken lieden, waaruit zij met grond vermoedden, dat hun op zee een storm overvallen had, die hen had doen omslaan, want het woei den nacht na hun vertrek zeer hard. Schoon echter eenigen verongelukt waren, zoo ontsnapten er van hen genoeg om de overigen te verwittigen zoo wel van hetgeen zij verrigt als hetgeen hun overkomen was; en hen tot eene andere soortgelijke onderneming aan te sporen, welke zij, naar het scheen, besloten te beproeven met genoegzame magt om alles te veroveren wat zij ontmoetten; want uitgezonderd hetgeen de eerste man hen van bewoners verhaald had, konden zij daarvan weinig mededeelen, want zij hadden geen mensch gezien, en daar de man, die dat verhaald had, gedood was, hadden zij niemand om dit te bevestigen.

Het duurde vijf of zes maanden, dat zij niets verder van de wilden hoorden, in welken tijd de onzen begonnen te hopen, dat zij hun vorig onheil niet vergeten of dat zij de hoop op een beteren uitslag hadden opgegeven. Plotseling echter werden zij overvallen door eene geduchte vloot van niet minder dan acht en twintig kanoes vol wilden, met bogen en pijlen, groote knuppels, houten zwaarden en dergelijk krijgstuig gewapend, en deze ware zoo vol volk, dat onze bewoners er door in de grootste verlegenheid geraakten. Daar zij met den avond en aan de oostelijkste zijde van het eiland aan wal kwamen, hadden de onzen den geheelen nacht om te overleggen wat zij doen zouden. In de eerste plaats, wetende dat vroeger al hunne veiligheid daarin bestond, dat zij onopgemerkt bleven, en dit thans te meer het geval was, nu het getal hunner vijanden zoo groot was, besloten zij eerstelijk de twee hutten, die voor de Engelschen gebouwd waren, te slechten, en hunne geiten naar de oude spelonk te drijven; omdat zij onderstelden, dat de wilden regtstreeks daarheen zouden trekken zoodra het dag werd, om het oude werk van vernielen te hervatten, schoon zij thans twee mijlen vandaar geland waren.

Vervolgens dreven zij al de geiten, die zij hadden, naar mijne buitenplaats, gelijk ik die noemde, die aan de Spanjaards behoorde, en lieten zoo min mogelijk ergens een spoor van bewoners, en vroeg in den morgen vatten zij met al hunne strijdmagt post bij de plantaadje der twee mannen om hen af te wachten. Het gebeurde gelijk zij vermoed hadden; de nieuwaangekomenen lieten hunne kanoes aan het oosteinde van het eiland, en kwamen langs het strand regt op de plaats aan, ten getalle van tweehonderd en vijftig, naar de onzen gissen konden. Ons leger was slechts klein, maar wat nog erger is, zij hadden geen wapens genoeg voor hen allen. Hunne geheele strijdmagt was naar het scheen als volgt zamengesteld; eerstelijk uit manschappen:

/$ 17 Spanjaarden. 5 Engelschen. 1 oude Vrijdag, of Vrijdags vader. 3 slaven met de vrouwen medegebragt, die zeer getrouw bleken te zijn. 3 andere slaven, die bij de Spanjaards woonden. $/

Om deze te wapenen hadden zij:

/$ 11 geweren. 5 pistolen. 3 jagtgeweren. 5 geweren, of jagtgeweren, die door mij aan de oproerige matrozen ontnomen waren. 2 sabels. 3 oude hellebaarden. $/

Aan hunne slaven gaven zij geene geweren, maar deze hadden ieder een hellebaard of een langen stok met een ijzeren spits aan het einde, en eene bijl op zijde; ook ieder van de onzen had eene bijl. Twee van de vrouwen wilden volstrekt deel aan het gevecht nemen, en zij hadden boog en pijlen, die de Spanjaards den wilden ontnomen hadden bij het eerste gevecht, dat ik vermeld heb, waar de Indianen gezamenlijk vochten; deze vrouwen hadden bijlen ook.

De Spaansche gouverneur, van wien ik zoo dikwijls gesproken heb, voerde het opperbevel, en Willem Atkins, die schoon een vreesselijke snoodaard, tevens een allermoedigste kerel was, voerde onder hem het bevel. De wilden kwamen aanrukken als leeuwen, en wat het ergste was, de onzen hadden geen voordeel van het terrein, behalve dat Willem Atkins, die thans uitermate veel nut deed, met zes man achter eenige struiken, als eene soort van voorpost geplaatst was, met bevel eenigen te laten voorbijtrekken, en dan midden onder hen te vuren, en dadelijk daarop achter een boschje om te trekken, en zoo achter de Spanjaards te komen, die allen door eenige digte boomen beschermd werden.

Toen de onzen aankwamen, liepen de wilden allen bij hoopen rond te zwerven, zonder eenige orde, en Willem Atkins liet ongeveer vijftig hunner voorbijtrekken; toen ziende, dat de overigen digt opeengedrongen naderden, gelastte hij drie van zijn volk vuur te geven, nadat zij ieder zes of zeven kogels, zoo groot als groote pistoolkogels, op hun geweer gedaan hadden. Hoeveel zij doodden of wondden wisten zij niet, maar de verwarring en verbaasdheid onder de wilden was onbeschrijfelijk, die allerhevigst ontstelden op het hooren van zulk een geraas, en hunne makkers gedood zagen en anderen gekwetst, zonder dat zij iemand zagen, die het deed; waarop Willem Atkins, te midden van hunnen schrik, met de drie anderen in den digtsten hoop vuurde, en in minder dan eene minuut gaven de drie anderen, die inmiddels weder geladen hadden, hun nogmaals de laag.

Zoo Willem Atkins met zijn volk dadelijk, na vuur gegeven te hebben, was teruggetrokken, zoo als hem gelast was; of zoo de overigen daar vlak bij geweest waren, om een aanhoudend vuur te geven, zouden zij de wilden geheel verslagen hebben, want de schrik, die onder hen heerschte, ontstond voornamelijk daaruit, dat zij geloofden door hunne goden met donder en bliksem gedood te worden, omdat zij niemand zagen. Maar Willem Atkins deed hun de krijgslist ontdekken, door stand te houden om weder te laden. Eenige wilden, die op een afstand waren, hadden hen ontdekt en kwamen van achteren op hen aan, en schoon Atkins en zijn volk ook twee of drie malen op hen vuurden, en terwijl hij zoo spoedig hij kon terugtrok, ongeveer twintig van hen doodde, wondden zij echter Atkins zelf en doodden een der Engelschen met hunne bogen, gelijk zij naderhand een Spanjaard deden en een der met de vrouwen gekomen Indiaansche slaven. Deze slaaf was een dappere kerel en vocht allerwoedendst, terwijl hij vijf hunner met eigen hand doodde, zonder ander wapen dan zijn piek en een bijl.

Ons volk, dat thans hard bedrongen werd, daar Atkins gewond en twee anderen gedood waren, trok terug naar eene hoogte in het bosch; ook de Spanjaarden trokken terug na hun driemaal de laag te hebben gegeven; want hun aantal was zoo groot en zij waren zoo verwoed, dat schoon meer dan vijftig hunner gedood en nog meer gewond waren, zij echter tot vlak bij de onzen doordrongen, zonder het gevaar te ontzien, en eene wolk van pijlen afschoten, en men merkte op, dat hunne gekwetsten, die door hunne wonden niet geheel buiten gevecht gesteld waren, als razenden vochten.

Toen ons volk aftrok, lieten zij den Spanjaard en den Engelschman, die gedood waren, achter; en toen de wilden hen vonden, mishandelden zij hunne lijken gruwelijk, door hen met hunne knuppels en houten zwaarden, als echte wilden armen en beenen en hoofden te verbrijzelen. Doch bespeurende, dat ons volk vertrokken was, schenen zij niet voornemens hen te vervolgen, maar sloten een kring, dat naar het scheen, hunne gewoonte was, en hieven tweemaal een gejuich aan, ten teeken van victorie. Waarna zij verscheidene hunner zagen nedervellen en van bloedverlies sterven.