Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Part 6

Chapter 63,844 wordsPublic domain

Ongeveer drie vierendeel jaars hierna, haalden de drie schelmen zich weder iets anders in het hoofd, dat met de vroegere schurkerij, door hen begaan, hun onheil genoeg berokkende, en bijkans den geheelen ondergang der kolonie bewerkt had. Onze drie knapen begon het werkzame leven, dat zij, en dat zonder hoop op verbetering in hunne omstandigheden, leidden, naar het schijnt, te vervelen; en zij vatten het plan op om een reis te maken naar het vasteland, vanwaar de wilden kwamen, om te zien of zij daar onder de inboorlingen niet eenige gevangenen konden maken en naar huis brengen, ten einde deze het zwaarste werk voor hen verrigtten.

Dit ontwerp was niet zoo kwaad overlegd, maar deze kerels deden niets zonder daarbij kwaad te bedoelen; als ik mijn gevoelen zeggen mag, schenen zij onder 's Hemels vloek te liggen. Het was gewis een blijkbare straf voor hunne moordzucht en muiterij, die hen in hunnen toestand bragt, en daar zij niet de minste wroeging betoonden, maar er nieuwe snoodheden bijvoegden, zoo als het kwetsen van een armen slaaf, omdat hij niet begreep, of misschien niet verstond wat hem gelast werd, en wel zoodanig, dat hij al zijn leven verminkt bleef, en dat in eene plaats, waar geen geneeskundige hulp te vinden was; en wat nog het ergste was, het moorddadig opzet, of beter gezegd, den voorgenomen moord, gelijk het was, zoowel als hun openlijk erkend voornemen, om al de Spanjaards in koele bloede te vermoorden als zij in slaap waren. Doch ik keer tot mijn verhaal terug.

De drie kerels kwamen op een morgen naar de Spanjaards toe, en verzochten zeer gedwee hen eens te mogen spreken. De Spanjaards waren bereid te hooren wat zij te zeggen hadden, hetgeen hierop neerkwam. Langer zoo te leven, verveelde hen. Zij waren niet vlug genoeg om te maken wat zij noodig hadden, en zagen wel in, dat zij zonder hulp van gebrek zouden omkomen, maar zoo de Spanjaards hun een van de kanoes wilden geven, waarmede zij op het eiland gekomen waren, en genoegzame wapens en kruid en lood, om zich te verdedigen, zouden zij naar het vasteland oversteken en hunne fortuin zoeken, en hen zoo van den last bevrijden, hun van meer voorraad te voorzien.

De Spanjaarden waren wel blijde, dat zij van hen ontslagen zouden raken, maar stelden hun toch eerlijk voor hoe zij zeker hun verderf in den mond liepen, en zeiden, dat zij daar zooveel ongemakken hadden moeten verduren, dat zij, zonder profeten te zijn, hen konden voorspellen te verhongeren of vermoord te zullen worden, en verzochten hen hierover na te denken.

Zij antwoordden vrij norsch, dat zij zeker verhongeren zouden als zij op het eiland bleven, want zij konden niet werken en wilden niet werken; dus mogt het even zoo goed elders gebeuren; wierden zij vermoord dan was het met hen gedaan; vrouwen noch kinderen zouden hen beweenen; kortom, zij drongen er sterk op aan, en verklaarden, dat zij vertrekken zouden, hetzij men hun wapens wilde geven of niet. De Spanjaards zeiden daarop zeer goedhartig, dat als zij volstrekt gaan wilden, zij niet naakt en bloot en zonder verdedingsmiddelen behoefden te gaan, en hoewel zij slecht hunne vuurwapens konden missen, daar zij zelfs voor zich niet genoeg hadden, zouden zij hun twee geweren, eene pistool, eene sabel en drie bijlen medegeven, waaraan zij huns oordeels genoeg hadden.

Zij namen dit aanbod aan, en nadat men hen voor eene maand van brood voorzien had, en van zooveel geitenvleesch als zij konden eten, zoo lang het goed bleef; een groote mand vol rozijnen, een jonge geit om te slagten en een groote pot met zoet water, ondernamen zij moedig in hunne kanoe de reis over zee, waar die ten minste veertig (Eng.) mijlen breed was. De boot was zeker groot en had zeer goed vijftien of twintig man kunnen bevatten, en dus zwaar genoeg voor hen om te besturen; maar daar de wind en het getij hun gunstig was, ging het zeer goed. Zij hadden van een langen staak een mast gemaakt en een zeil van vier groote gedroogde geitenvellen, dat hen snel genoeg deed voortuitgaan. De Spanjaards riepen hun achterna: _Buen viago_, en niemand dacht, dat hij hen ooit weder zou zien.

Dikwijls zeiden de Spanjaarden tegen elkander en de twee achtergebleven eerlijke Engelschen: hoe rustig en genoegelijk leven wij thans, nu die drie onruststokers weg zijn. Dat zij ooit weder zouden komen, daaraan dachten zij het minst, doch twintig dagen na hun vertrek zag een der Engelschen, die op het veld arbeidde, in de verte drie vreemde gestalten naar zich toekomen, waarvan twee geweren op den schouder hadden. Weg liep de Engelschman alsof hij dol was, en kwam geheel ontzet bij den Spaanschen gouverneur, zeggende, dat zij verloren waren, want er waren vreemdelingen op het eiland, hij wist niet wie. Na eenig nadenken zeide de Spanjaard: "Wat meent gij, dat gij niet weet wie. Het zijn toch zeker wilden?"--"Neen, neen," zeide de ander, "zij hebben kleederen en wapens."--"Welnu," zeide de Spanjaard, "waarvoor vreest gij dan? Zijn het geen wilden, dan zijn het vrienden, want geen Christennatie op de wereld is er, die ons anders dan goed zou doen."

Terwijl zij spraken kwamen de drie Engelschen nader, en het bosch voor de woning intredende, riepen zij hun toe. Zij herkenden de stemmen en alle verwondering van dien aard hield dus op. Maar nu waren zij over iets anders verwonderd, namelijk hoe het kwam, dat men hen terugzag. Weldra waren zij aangekomen, en op de vraag, waar zij geweest waren, en wat zij uitgerigt hadden, verhaalden zij in korte woorden hunne geheele reis, namelijk, hoe zij in minder dan twee dagen het land ontdekt hadden, doch bij hunne nadering het volk op de been en gereed vindende hen met boog en pijl te bevechten, durfden zij niet aan wal gaan, maar zeilden zes of zeven uren noordwaarts, tot zij aan eene groote opening kwamen, waaraan zij bespeurden, dat het land, dat zij van ons eiland gezien hadden, niet het vasteland, maar ook een eiland was. In de opening gekomen, zagen zij een ander eiland regts van hen, in het noorden, en nog verscheidene in het westen. Besloten hebbende ergers te landen, hielden zij op een der westelijke eilanden aan, en stapten moedig aan wal. Zij vonden het volk vriendschappelijk; men gaf hun verscheidene wortelen en gedroogden visch, en ontving hen zeer welwillend, zoo wel vrouwen als mannen voorzagen hen vlijtig van levensmiddelen, en bragten die een groot eind weegs ver, op het hoofd. Zij bleven daar vier dagen, en vroegen door teekens, zoo goed zij konden, wat slag van volk elders op de eilanden woonde. Men gaf hun te kennen, dat overal woest en kwaad volk woonde, dat menscheneters waren; zij echter aten nimmer menschenvleesch, behalve van in den oorlog gemaakte gevangenen, dan hielden zij van deze een groot gastmaal. De Engelschen vroegen wanneer zij zulk een feestmaal zouden houden, en zij antwoordden, twee manen later, door op de maan te wijzen en dan twee vingers op te steken; en dat hun groote koning thans tweehonderd gevangenen gemaakt had, en dat zij die vet maakten voor het volgende feest. De Engelschen schenen zeer verlangend om deze gevangenen te zien, maar de wilden begrepen hunne meening verkeerd, en dachten, dat zij eenigen van hen verlangden om zelf op te eten. Zij wezen dus eerst naar de ondergaande en dan naar de opgaande zon, om te beduiden, dat zij den volgenden morgen met zonsopgang hun eenigen zouden brengen, en den volgenden morgen kwamen zij met vijf vrouwen en elf mannen aan, en gaven die aan de Engelschen om op reis mede te nemen, even als wij in een zeehaven ossen en koeijen zouden brengen om een schip te provianderen.

Hoe ruw en woest de Engelschen ook waren, maakte dit gezigt toch diepen indruk op hen, en zij wisten niet wat zij zouden doen; de gevangenen te weigeren, ware de grofste beleediging geweest, die zij den wilden hadden kunnen aandoen, en wat zij er mede beginnen zouden wisten zij niet. Zij besloten echter, na eenig beraad, hen aan te nemen, en gaven wederkeerig aan de wilden, die hen gebragt hadden, een hunner bijlen, een ouden sleutel, een mes en zes of zeven kogels, welke laatsten hen bijzonder schenen te bevallen, schoon zij er niets mede konden doen. Daarop werden de arme gevangenen gebonden en door de wilden in de boot gebragt.

De Engelschen waren verpligt zoo spoedig mogelijk te vertrekken, anders zouden de gevers van dit geschenk zeker verwacht hebben, dat zij er den volgenden morgen een paar van geslagt en misschien de gevers ten maaltijd er op genoodigd hadden. Zij namen dus afscheid met alle vriendschapsbetuigingen, die mogelijk waren tusschen menschen, waarvan de een geen woord verstond wat de ander zeide, staken van wal en kwamen terug naar het eerste eiland, waar zij aan wal stapten en acht der gevangenen in vrijheid stelden, daar zij er te veel hadden. Onder weg trachtten zij met hunne gevangenen te spreken, maar zij konden hun niets aan het verstand brengen; wat zij ook zeiden, of deden of gaven, uit alles begrepen zij, dat hun oogmerk was hen te vermoorden. Eerst maakten zij hen los, maar zij gilden hierbij verschrikkelijk, vooral de vrouwen, alsof zij het mes reeds in hunne keel gevoelden, want zij besloten dadelijk, dat hunne banden alleen losgesneden werden om hen ter dood te brengen. Gaven zij hun iets te eten, het was even zoo, dat begrepen zij was uit vrees, dat zij vermageren zouden en niet vet genoeg worden om geslagt te worden. Zagen zij een hunner slechts aan, zij begrepen dadelijk, dat het was om te zien of hij de vetste of beste was om te slagten, ja, nadat zij hen overgevoerd hadden, en goed behandelden, verwachtten zij nog elk oogenblik, dat zij tot voedsel voor hunne nieuwe meesters moesten strekken.

Nadat de drie zwervers dit verhaal hunner lotgevallen gedaan hadden, vroegen de Spanjaarden, waar de wilden waren, die zij medegebragt hadden, en vernemende, dat zij die aan wal en in een hunner hutten gebragt hadden, en eenige levensmiddelen voor hen kwamen vragen, begaven de Spanjaarden en Engelschen, dat wil zeggen de geheele kolonie, zich derwaarts om hen te zien, en Vrijdags vader ging mede. In de hut gekomen, vonden zij hen allen gebonden zitten; want toen zij hen aan wal gebragt hadden, hadden zij hen gebonden, opdat zij niet met de boot zouden ontsnappen; dus zaten zij daar, allen geheel naakt. Eerstelijk drie mannen, kloeke, welgebouwde kerels, van dertig of vijfendertig jaar oud, en vijf vrouwen, waarvan twee tusschen de dertig en veertig, en twee vier of vijfentwintig jaar oud konden zijn; de vijfde was een rank, welgemaakt meisje van zestien of zeventien jaar. De vrouwen zagen er in vorm en trekken niet kwaad uit, buiten hare bruine kleur, en twee van haar zouden, als zij blank geweest waren, zelfs in Engeland voor schoonheden zijn doorgegaan, daar zij een zeer bevallig gelaat en zedig voorkomen hadden, vooral toen zij later gekleed en opgeschikt waren, gelijk zij het noemden, schoon haar opschik waarlijk weinig beteekende, doch hierover nader.

Dit gezigt was eenigzins stuitend voor de Spanjaards, die, om hun regt te doen wedervaren, mannen van het braafste gedrag en van het bezadigdste gemoed, en in het bezit van de volmaaktste opgeruimdheid waren, die ik ooit ontmoet heb, en vooral waren zij allerzedigst van aard, gelijk blijken zal. Het was voor hen een stuitend gezigt, zeg ik, drie mannen en vijf vrouwen, geheel naakt, gebonden, en in den jammerlijksten toestand, waarin een menschelijk wezen vervallen kan, te zien, namelijk van elk oogenblik te verwachten als gemeste kalveren naar buiten gesleept, den hals afgesneden en opgegeten te worden. Zij zeiden dus tot den ouden Indiaan, Vrijdags vader, dat hij naar binnen zou gaan, en eerst zien of hij een hunner kende, en vervolgens of hij hen verstaan kon. Zoodra de oude man inkwam, beschouwde hij hen een voor een, maar kende hen niet, ook kon hij zich door woorden, noch door teekens aan hen doen verstaan, behalve aan eene vrouw. Dit was echter voldoende, om hen te berigten, dat de lieden, in wier handen zij gevallen waren, Christenen waren; dat deze het eten van menschenvleesch verfoeiden, en zij er op rekenen konden niet gedood te zullen worden. Zoodra zij hiervan verzekerd waren, legden zij zoo veel vreugde aan den dag, en op zulke vreemde en zonderlinge wijzen, dat het niet te beschrijven was, want zij waren, naar het schijnt, van verschillende natiƫn.

Daarop werd de vrouw, die tot tolk diende, gelast hen te vragen, of zij als dienstboden wilden werken voor de lieden, die hen medegebragt hadden om hun het leven te redden. Allen begonnen te dansen van blijdschap, en daarop nam de een dit, de ander dat op, wat voor de hand lag, en droeg het op de schouders, om te kennen te geven, dat zij wel wilden werken.

De gouverneur, die begreep, dat het verblijf van vrouwen onder hen somwijlen tot onaangenaamheden, en misschien tot twist en bloedstorting aanleiding zou kunnen geven, vroeg aan de drie mannen, wat zij met deze vrouwen voor hadden, en hoe zij haar wilden beschouwen, als dienstboden of als huisvrouwen. "Als beide," antwoordde een der Engelschen dadelijk. De gouverneur antwoordde: "Daarin wil ik u niet tegengaan; gij zijt de meester daaromtrent te handelen zoo als gij wilt; maar ik acht het billijk om twist en tweedragt tusschen u te vermijden, en ik verlang het alleen om die reden, dat zoo iemand uwer een dezer vrouwen tot zijne huisvrouw neemt, hij er slechts eene zal nemen, en dat, schoon wij u niet in den echt kunnen verbinden, zij echter als uwe wettige vrouw beschouwd wordt, zoo lang gij op dit eiland blijft althans." Allen achtten dit zoo billijk, dat zij er zonder aarzelen in toestemden.

Daarop vroegen de Engelschen of de Spanjaarden ook eenige wilden nemen, doch allen zeiden neen. Sommigen zeiden, dat zij in Spanje vrouwen hadden, anderen, dat zij geene Heidin tot vrouw begeerden, en allen verklaarden, dat zij er niets mede wilden uitstaan hebben; waarlijk, een voorbeeld van deugd, zoo als ik op al mijne reizen niet meer ontmoet heb. Aan den anderen kant nam ieder der vijf Engelschen eene vrouw, en zoo begonnen zij eene nieuwe levenswijze, want de Spanjaarden en Vrijdags vader bleven mijn oud verblijf bewonen, dat zij van binnen aanmerkelijk vergroot hadden; de drie slaven, die zij in het gevecht der wilden hadden gevangen genomen, woonden bij hen; en zij verzorgden de geheele kolonie bijkans, daar zij de overigen met levensmiddelen en bijstand, waar dit noodig was, ondersteunden.

Maar het zonderlingste was hoe vijf zulke onrustige en onhandelbare kerels het schikten omtrent de vrouwen, en dat twee van hen niet dezelfde vrouw verkozen, vooral daar twee of drie van haar ontegenzeggelijk veel fraaijer dan de andere waren. Doch zij namen een goed middel te baat, om daaromtrent allen twist te voorkomen; want zij plaatsten de vijf vrouwen in eene hut, en gingen allen in eene andere hut, en toen lootten zij wie het eerst kiezen zou. Degeen, wien dit te beurt viel, ging alleen naar de hut, waar de arme naakte schepsels waren, en koos daar eene uit. Het was echter opmerkelijk, dat hij, die het eerst kiezen mogt, degeen nam, die men voor de leelijkste en oudste van de vijf hield, hetgeen de anderen niet weinig vermaakten, en zelfs de Spanjaards schaterden van lagchen. Maar de man had beter dan zij bedacht, dat vlijt en werkzaamheid hen het meest baatten, en zij was, wat dat betreft, de beste vrouw van allen.

Toen de arme vrouwen zagen, dat zij zoo op eene rij gesteld en een voor een uit de hut gehaald werden, nam de angst bij haar weder de overhand, en zij geloofden met zekerheid, dat zij thans geslagt zouden worden. Toen dus de Engelsche matroos inkwam en eene van haar medenam, begonnen allen jammerlijk te krijten, en namen van haar een zoo droevig afscheid, dat de hardvochtigste mensch er door had moeten getroffen worden; ook konden de Engelschen haar niet beduiden, dat zij niet dadelijk vermoord zouden worden, voor zij Vrijdags vader in de hut hadden gezonden, die haar te kennen gaf, dat de vijf lieden, die haar een voor een uit de hut gehaald hadden, haar tot vrouw namen. Toen dit afgeloopen en de angst der vrouwen wat bedaard was, gingen hare mannen aan het werk en de Spanjaarden kwamen om hen te helpen, en binnen weinige uren hadden zij voor ieder eene nieuwe hut of tent opgeslagen om afzonderlijk te bewonen, want degenen, die zij hadden, waren reeds vol met hunne gereedschappen, huisraad en levensmiddelen. De drie slechte Engelschen hadden zich verst af, en de twee goede digter bij, doch beide aan de noordzijde des eilands nedergezet, zoo dat zij als te voren gescheiden waren. Aldus was mijn eiland op drie plaatsen bevolkt en kon men zeggen, dat er drie dorpen op ontstaan waren.

Nu verdient het wel hier vermeld te worden, dat, gelijk het dikwijls in de wereld gebeurt (zonder dat ik zeggen kan waarom de Goddelijke wijsheid het dus beschikt), dat de twee brave lieden de kwaadste wijven hadden, en dat de drie schurken, die naauwelijks een strop waard waren, die alleen geboren schenen om zichzelven en anderen kwaad te doen, drie knappe, vlijtige, zorgvuldige, schrandere vrouwen hadden; niet dat de twee andere boosaardig van karakter waren, want alle vijf waren zeer onderdanige, zachtaardige schepsels, veeleer slavinnen dan huisvrouwen; maar zij waren niet even schrander, vlug van begrip of even zindelijk en net.

Nog moet ik aanmerken tot eer der werkzaamheid, en schande van een traag, achteloos en onverschillig karakter, dat toen ik op het eiland kwam en de verschillende bouwingen en verbeteringen der onderscheidene kleine kolonies naging, de twee Engelschen de andere drie zoo ver vooruit waren, dat het niet bij elkander te vergelijken was. Zij hadden wel beide even veel grond voor koorn ontgind als zij noodig hadden, want mijns inziens schreef de natuur voor niet meer graan te bouwen dan zij noodig hadden, maar het onderscheid in de behandeling van het land, de omheiningen, kortom in alles viel bij den eersten opslag ieder in het oog.

De twee Engelschen hadden om hunne hutten eene ontelbare menigte jonge boompjes gezet, zoodat men, daar komende, niets dan een bosch zag, en schoon hunne plantaadje tweemaal vernield was, eens door hunne landslieden en eens door de wilden, gelijk wij later zullen hooren, was alles weder in een bloeijenden toestand; zij hadden wijngaarden geplant en geleid, schoon zij nimmer te voren die gezien hadden, en hunne druiven waren uitstekend. Zij hadden ook in het digtste van het bosch eene schuilplaats gemaakt, en schoon daar geen natuurlijke spelonk was, hadden zij er met ontzettenden arbeid eene gemaakt, waar, toen het eiland in onrust was, hunne vrouwen en kinderen eenige veilige schuilplaats vonden; zij hadden door ontelbare stekken en takken te planten van een hout, dat, gelijk ik zeide, zoo welig groeide, een ondoordringbaar bosch gemaakt, behalve op eene plaats, waar zij aan de buitenzijde konden overklimmen, en dan een hun bekend pad moesten volgen.

De drie schurken, gelijk ik hen te regt noemde, schoon zij thans veel beschaafder waren door hunne nieuwe huishouding, vergeleken bij vroeger, en niet meer zoo twistziek, omdat zij er niet zoo veel gelegenheid toe hadden; bleven toch altijd eene eigenschap van een bedorven karakter behouden, namelijk hunne luiheid. Het is waar, zij bouwden graan en maakten heiningen, maar nimmer werden Salomo's woorden meer bevestigd dan bij hen: "ik ging den akker des luijaards voorbij en hij was vol doornen," want toen de Spanjaarden naar hun graan kwamen zien, was het op verscheidene plaatsen door het onkruid verstikt, er waren onderscheidene gaten in de heining, waar de wilde geiten doorgedrongen en het graan afgegeten hadden. Hier en daar waren wel eenige dorre takken gestoken om hen buiten te houden, maar dit was de put dempen toen het kalf verdronken was. Op de plantaadje der anderen daarentegen scheen alles gezegend en voorspoedig te zijn, er was geen onkruid onder hun graan, geen gat in hunne heining, en ook zij bevestigden, dat de hand des vlijtigen rijk maakt. Want alles stond welig te groeijen, zij hadden overvloed binnen en buiten 's huis, meer tam vee en meer gereedschappen dan de anderen, en toch meer genoegen en uitspanningen.

Wel waren de vrouwen der drie Engelschen binnen 's huis zeer handig en net, en na van een der Engelschen, die, gelijk ik gezegd heb, koksmaat was geweest, op de Engelsche wijze te hebben leeren koken, maakten zij zeer goed het eten voor hunne mannen gereed, hetgeen de beide anderen niet aan het verstand gebragt kon worden, doch hier deed de gewezen koksmaat het zelf. De drie Engelschen echter zwierven rond om schildpadeijeren te zoeken, vogels te vangen, en te visschen; kortom, zij deden alles behalve werken, en het ging hun dan ook daarnaar. De vlijtigen leefden genoegelijk en in overvloed, en de tragen bekrompen en in armoede, gelijk het over het algemeen, geloof ik, de geheele wereld doorgaat.

Maar thans kom ik tot eene gebeurtenis, geheel verschillende van hetgeen hen of mij ooit gebeurd was, en de oorzaak hiervan was als volgt.

Op een vroegen morgen kwamen vijf of zes kanoes met wilden aan land, ongetwijfeld met het oude oogmerk van hunne gevangenen te verslinden. Doch de Spanjaarden waren thans met zulk een gebeurtenis zoo gemeenzaam geworden, dat zij er zich niet zoo om bekommerden als ik; maar daar de ervaring hun geleerd had, dat het alleen hunne zaak was verborgen te blijven, en dat de wilden, zoo zij slechts niets van hen bespeurden, stilletjes zouden vertrekken na hun oogmerk volvoerd te hebben, ik zeg, dit wetende, gaven zij slechts kennis hiervan aan al de bewoners, zich binnen 's huis te houden, en plaatsen alleen een verspieder om hun te berigten als de booten weder in zee staken. Dit was ongetwijfeld zeer verstandig, maar een onvoorzien toeval verijdelde al hunne maatregelen, en maakten den wilden bekend, dat er bewoners op het eiland waren, hetwelk bijkans de geheele kolonie ten ondergang bragt. Nadat de kanoes met de wilden vertrokken waren, kwamen de Spanjaards weder buiten, en de nieuwsgierigheid dreef sommigen aan naar de plaats te gaan, die zij verlaten hadden. Hier vonden zij, tot hunne groote verrassing, drie achtergebleven wilden, die gerust op den grond lagen te slapen; waarschijnlijk waren zij, overladen na hun onmenschelijk feest, als beesten in slaap gevallen, en hadden niet willen opstaan toen de anderen vertrokken, of zij hadden in het bosch gezworven en waren eerst teruggekomen toen hunne makkers reeds weg waren.

De Spanjaarden zagen vreemd op en wisten niet wat zij doen wilden. De gouverneur was bij hen en men vroeg zijn gevoelen, maar hij zeide het niet te weten, want slaven hadden zij genoeg, en om hen van kant te maken, daar had niemand lust toe. Hij verhaalde mij naderhand, dat hij er niet aan had kunnen denken om onschuldig bloed te vergieten, want zij hadden noch hun zelven, noch hun eigendom eenig leed gedaan, en zij hadden dus geen regt hen van het leven te berooven.