Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 3
Maar de ellende van de arme passagiers in de kajuit was van een anderen aard, en ging die van de anderen ver te boven. Want daar het scheepsvolk zelf zoo weinig had, hadden zij hen in het begin zeer schraal bedeeld, en op het laatst geheel verwaarloosd, zoo dat zij inderdaad zes of zeven dagen lang in het geheel geen voedsel hadden gehad, en verscheidene dagen te voren zeer weinig. De arme moeder, die, volgens den stuurman, eene zeer welopgevoede vrouw was, had uit moederliefde, alles wat zij krijgen kon, zoo voor haren zoon bespaard, dat zij er eindelijk onder bezweken was. Toen de stuurman van ons schip in de kajuit trad, zat zij op den grond met den rug tegen het beschot, tusschen twee vastgesjorde stoelen, en haar hoofd op de borst gezonken, schoon zij nog niet geheel dood was. Mijn stuurman zeide al wat hij kon, om haar op te beuren en aan te moedigen, en stak haar met een lepel eenige bouillon in den mond. Zij bewoog hare lippen en hief eene hand op, maar kon niet spreken; zij verstond echter wat hij zeide, en gaf door teekens te kennen, dat het voor haar te laat was, maar wees op haar kind, als wilde zij zeggen, dat hij daarvoor maar moest zorgen.
De stuurman, die hevig getroffen was, trachtte echter haar iets binnen te krijgen, en zeide, dat hij haar een paar lepels vol had doen doorzwelgen, schoon ik twijfel of hij hiervan zeker was. Het was echter te laat; zij stierf nog denzelfden nacht.
De knaap, die ten koste van zijn moeders leven bewaard was gebleven, was nog niet zoo ver heen, maar toch lag hij in eene kooi uitgestrekt, en gaf naauwelijks eenig teeken van leven. Hij had een stuk van een ouden handschoen in zijn mond, waarvan hij het overige opgegeten had. Daar hij echter jong en sterker was dan zijne moeder, gaf de stuurman hem langzamerhand wat in, en hij begon zigtbaar te herleven, schoon hij, toen hij eene poos daarna twee of drie lepels te gelijk innam, zeer ongesteld werd en het niet kon binnenhouden.
De dienstmaagd vereischte thans ook onze zorg. Zij lag digt bij hare meesteres op den grond, even als iemand, die door eene beroerte getroffen was, en lag met den dood te worstelen. Hare leden waren verwrongen; een harer handen was krampachtig om den poot van een stoel geslagen, zoo stijf, dat wij dien niet gemakkelijk konden losmaken, hare andere hand lag boven haar hoofd, en hare beenen stijf tegen het beschot der kajuit; kortom zij lag als een zieltogende; en toch was er nog een vonkje leven in. Niet alleen was de arme meid half dood van honger en verschrikt door het naderen van den dood, maar gelijk het volk ons naderhand verhaalde, haar hart was gebroken, toen zij twee of drie dagen te voren het zieltogen harer meesteres aanschouwd had, die zij teeder beminde. Wij wisten niet wat met de arme meid te beginnen, want toen onze doktor, die een man van veel kennis en groote ervaring was, haar met veel moeite in het leven had teruggebragt, moest hij haar onder zijne behandeling houden, want het scheen langen tijd, dat haar verstand gekrenkt was.
De lezers van dit mijn geschrift moeten wel in het oog houden, dat men op zee bij elkander geene bezoeken aflegt, zoo als men een reisje te land doet, waar men soms veertien dagen achtereen op dezelfde plaats blijft. Het was thans wel onze zaak dit scheepsvolk in hunnen nood bij te staan, maar niet bij hen te blijven liggen; en schoon zij wel eenige dagen gelijken koers met ons wilden houden, konden wij echter geen zeil voeren, om gelijk met een schip te blijven, dat zijne masten verloren had. Daar echter hun kapitein ons verzocht hem te helpen een noodsteng op den grooten mast en een soort van steng op zijn fokkemast op te zetten, maakten wij als het ware drie of vier dagen te dien einde een bijlegger bij hem. Na hem daarop vijf vaten ossenvleesch, een vat spek, twee groote vaten beschuit, en zooveel erwten, meel en wat wij missen konden, gegeven te hebben, namen wij daarvoor van hen over drie vaten suiker, eenigen rum en eenige stukken van achten, en verlieten hen daarop, na op hun eigen ernstig verzoek den jongeling en de dienstmaagd met al hun goed bij ons aan boord te hebben genomen.
De jongeling was ongeveer zeventien jaren oud, een knappe, welopgevoede, verstandige en zedige knaap; zeer bedroefd over het verlies zijner moeder; en naar het bleek had hij slechts weinige maanden geleden zijn vader te Barbados verloren. Hij verzocht den doktor, om zijne voorspraak bij mij, om hem aan boord te nemen; want hij zeide, dat de onbarmhartige kerels zijne moeder vermoord hadden. Dit was ook in zekeren zin de waarheid, want zij hadden wel een klein weinig kunnen afzonderen voor de arme hulpelooze vrouw, waardoor zij het leven had kunnen behouden, al ware het maar genoeg, dat zij niet van honger gestorven was. Maar de honger is een scherp zwaard, en kent vrienden noch bloedverwanten, noch regten; en heeft derhalve geene gewetens wroeging en is voor medelijden onvatbaar.
De doktor zeide hem welk eene verre reis wij gingen doen, en hoe die hem van al zijne bloedverwanten verwijderen zou, en hem misschien even ongelukkig doen worden, als toen wij hem vonden, namelijk om in de wereld te verhongeren. Hij zeide, dat het hem onverschillig was, waar hij heen ging, zoo hij slechts van dat verschrikkelijk scheepsvolk ontslagen was; dat de kapitein (waarmede hij mij bedoelde, want hij had mijn neef niet gezien) hem het leven gered had, en hij was verzekerd, dat hij hem verder geen kwaad zou toevoegen. Wat de dienstmaagd betrof, ook deze, zeide hij, zou zeer dankbaar zijn, al bragten wij haar ook waar wij wilden. De doktor stelde mij de zaak zoo treffend voor, dat ik er in toestemde, en wij namen beide aan boord met al hun goederen; behalve elf vaten suiker, die niet overgeladen konden worden; en daar de jongeling er een cognossement van had, liet ik den kapitein eene verbindtenis teekenen, om zoodra hij te Bristol aankwam, naar zekeren heer Rogers, een koopman daar, te gaan, die volgens des jongelings zeggen, een bloedverwant van hem was, en dien een brief van mij, met al de goederen der overledene weduwe af te geven, hetgeen ik niet geloof, dat ooit gebeurd is; want ik heb nooit vernomen, dat het schip te Bristol aangekomen is. Waarschijnlijk is het vergaan, want het was zoo ontredderd en zoo ver van alle land, dat ik denk, dat het bij den eersten storm, waarvan het beloopen werd, moest zinken, want het was lek en had schade in het hol, toen wij het aantroffen.
Wij waren nu op 19° 32' en hadden tot hiertoe, wat het weder betreft, eene niet ongunstige reis, schoon in het eerst veel tegenwinden gehad. Ik zal niemand lastig vallen met de geringe voorvallen van weer en wind en stroomingen, maar mijne geschiedenis bekortende, alleen vermelden, dat ik den 10den April 1695 op mijn oud verblijf, het eiland aankwam. Geene geringe moeite kostte het mij het terug te vinden, want daar ik vroeger er op kwam en vertrok van de zuid- en oostzijde, als van Brazilië komende, zoo kwam ik nu tusschen het vasteland en het eiland, en daar ik geene kaart van de kust of eenige landmerken had, kende ik het niet, toen ik het zag, en wist niet of ik het zag of niet.
Wij kruisten een geruimen tijd rond, en deden verscheidene eilanden aan in den mond van de Oronoco, doch vruchteloos; alleen bespeurde ik door onze kustvaart, dat ik vroeger in eene groote dwaling vervallen was; namelijk, dat het vasteland, hetwelk ik van het eiland waarop ik woonde meende te zien, eigenlijk geen vast land, maar een lang eiland, of liever eene eilandenreeks was, die van de eene zijde van den wijden mond dier rivier tot aan de andere liep, en dat de wilden, die op mijn eiland kwamen, eigenlijk niet diegenen waren, die wij Caraïben noemen, maar eilandbewoners van hetzelfde ras, die wat digter dan de overige aan onzen kant woonden.
Ik bezocht verscheidene dier eilanden vruchteloos; sommigen vond ik dat onbewoond waren, anderen niet. Op een derzelve trof ik eenige Spanjaarden aan, die ik meende dat daar hun verblijf hielden; maar toen ik hen sprak vernam ik, dat zij daar digtbij in eene kreek eene sloep hadden liggen, en dat zij hier kwamen, om zout te maken, en naar parelmosselen te visschen; maar zij behoorden tot het eiland Trinidad, dat op 10° of 11° verder noordelijk lag.
Aldus het eene eiland na het andere aandoende, somtijds met ons schip, en somtijds met de sloep van den Franschman, dat wij een zeer geschikt vaartuig vonden, en met hun goedvinden achtergehouden hadden, kwam ik eindelijk aan de zuidzijde van mijn eiland, en herkende thans duidelijk waar ik was. Ik bragt dus het schip veilig ten anker, dwars voor de kleine kreek, waar mijne oude woning was.
Zoodra ik de plaats zag, riep ik Vrijdag, en vroeg hem, of hij wist waar hij was. Hij zag in het rond, en, in de handen klappende, riep hij uit: "O ja, daar! O ja, daar!" terwijl hij naar onze oude woning wees, en danste en rondsprong, of hij gek geworden was, en ik had veel moeite, hem te beletten dat hij in zee sprong, om naar den wal te zwemmen.
"Wel Vrijdag," zeide ik, "denkt gij, dat wij hier iemand zullen vinden of niet? Wat dunkt u, zullen wij uwen vader hier vinden?" Hij stond eene poos zonder te spreken, maar toen ik van zijn vader sprak, zette hij een treurig gelaat, en ik zag, dat hem de tranen over het gelaat liepen. "Wat deert u, Vrijdag," zeide ik, "zijt gij bedroefd, omdat gij denkelijk uw vader zult zien?"--"Neen, neen," zeide hij, het hoofd schuddende; "hem niet weêr zien, zal hem niet weêr zien."--"Waarom?" zeide ik, "hoe weet gij dat, Vrijdag?"--"O neen," zeide Vrijdag, "hij lang geleden gestorven; hij lang dood, hij zoo oud man is."--"Kom, het is nog zoo zeker niet, Vrijdag," zeide ik. "Maar zullen wij dan niemand anders zien?" Vrijdag had beter oogen dan ik, en hij wees naar den heuvel, achter mijn verblijf; en, schoon wij er nog een half uur af lagen, riep hij uit: "Ik zie, ik zie, ik zie veel menschen, en daar en daar!" Ik zag derwaarts, maar kon niets onderscheiden, zelfs niet met een kijker, schoon dit geloof ik, kwam door dien ik de plek niet er in opvangen kon, want den volgenden dag vernam ik, dat hij gelijk had gehad, en er vijf of zes lieden naar het schip hadden staan te zien, die niet wisten waar zij ons voor moesten houden.
Zoodra Vrijdag mij zeide, dat hij menschen zag, deed ik de Engelsche vlag hijschen en drie schoten doen, om te kennen te geven, dat wij vrienden waren, en ongeveer een half kwartier later zagen wij rook van de zijde van de kreek oprijzen. Ik gelastte dadelijk de boot uit te zetten, nam Vrijdag mede, en eene witte of vredevlag opzettende, ging ik naar den wal, met den jongen priester, waarvan ik gesproken heb, wien ik mijne geheele levensgeschiedenis verhaald had, benevens hoe ik daar gewoond en wie ik daar had gelaten, en die evenzeer als ik daarheen verlangde. Bovendien hadden wij ongeveer zestien goed gewapende mannen bij ons, als er soms eenige nieuwe gasten gekomen waren, die wij niet kenden; doch wij hadden onze wapens niet noodig.
Daar wij, toen de vloed bijkans op zijn hoogst was, aan wal gingen, roeiden wij de kreek in, en de eerste man, waar mijn oog op viel, was de Spanjaard, dien ik het leven gered had, en wiens gelaat ik dadelijk herkende; zijne kleeding zal ik later beschrijven. Ik gelastte, dat buiten mij niemand de boot zou verlaten, maar Vrijdag was niet te houden, want de brave jongen had zijn vader zeer in de verte gezien, veel verder dan mijn oog reikte, en zoo men hem niet aan wal had laten gaan, zou hij in zee gesprongen zijn. Naauwelijks was hij aan land, of hij vloog als een pijl uit den boog naar zijn vader. De hardvochtigste mensch zou tranen vergoten hebben bij het zien van de eerste uitbarsting zijner vreugde, toen hij bij zijn vader gekomen was. Hij omhelsde en kuste hem, streelde hem over het gelaat, nam hem in zijne armen op en zette hem op een boomstam en ging bij hem liggen; dan stond hij op en staarde hem aan, gelijk men eene vreemde schilderij zou doen, wel een kwartier lang; dan viel hij weder neder, streelde zijne beenen en kuste ze, en sprong dan weder op en bleef hem aanstaren; men zou gezegd hebben, dat hij betooverd was. Maar iedereen had weder moeten lagchen als men zag hoe hij zijne vreugde weder op eene andere wijze lucht gaf. In den morgen wandelde hij verscheidene uren met zijn vader langs het strand heen en weder, altijd hem bij de hand houdende alsof hij een kind was, en nu en dan kwam hij iets uit de boot voor hem halen, als een klomp suiker, een borrel, een beschuit of eenige andere versnapering. Des namiddags maakte hij weder andere grappen, want toen zette hij den ouden man op den grond en danste om hem heen met allerlei potsige gebaren, en gedurende al dien tijd sprak hij tot hem, en verhaalde hem eene of andere gebeurtenis van zijne reizen, en wat hem overgekomen was, om hem te vermaken. Kortom, zoo er bij de Christenen in ons werelddeel zoo veel kinderlijke liefde bestond, zou men bijkans geneigd zijn te zeggen, dat het vijfde gebod niet noodig was.
Doch ik moet tot mijne landing terugkeeren. Ik zou nimmer eindigen als ik al de pligtplegingen en beleefdheden der Spanjaarden wilde vermelden. De eerste Spanjaard, dien ik, gelijk ik zeide, zeer goed herkende, was degeen wien ik het leven gered had, hij kwam met nog een naar de boot toe, ook met eene witte vlag; en niet alleen herkende hij mij in het eerst niet, maar hij had ook niet het minste denkbeeld of vermoeden, dat ik het zijn zou, tot ik hem toesprak. "Sennor," zeide ik in het Portugeesch, "kent gij mij niet?" Hij antwoordde niet, maar gaf zijn geweer over aan den man, die bij hem was, en iets in het Spaansch zeggende, dat ik niet wel verstond, kwam hij naar mij toe en omarmde mij, zeggende, dat het onverschoonlijk was, dat hij het gelaat niet herkende, dat hem eens, als dat eens engels uit den Hemel, was verschenen om zijn leven te redden. Hij zeide mij eene menigte beleefdheden, gelijk ieder welopgevoede Spanjaard altijd doen zal, en riep daarop dengeen, die bij hem was, en verzocht hem naar zijne makkers te gaan en die te roepen. Hij verzocht mij daarop naar mijn oud verblijf te gaan, waar hij mij weder in het bezit van mijn vorig huis zou stellen, en mij laten zien, dat er slechts geringe verbeteringen waren aangebragt. Ik ging dus met hem mede, maar ik kon helaas den weg evenmin vinden, alsof ik er nooit geweest was, want zij hadden zoo veel boomen en zoo digt bij elkander geplant, en deze waren in tien jaren zoo ineengegroeid, dat de plaats onbereikbaar was, behalve langs zulke kromme en bedekte wegen, daar alleen derzelver aanleggers den weg door konden vinden.
Ik vroeg hem naar de reden van al deze verschansingen. Hij zeide, dat ik erkennen zou, dat zij noodig genoeg waren, als hij mij verhaald had wat zij van hunne komst op het eiland af beleefd hadden, vooral nadat zij het ongeluk hadden gehad van mijn vertrek te vernemen. Hij zeide, dat toen hij gehoord had, dat ik met een goed schip en naar mijn genoegen vertrokken was, hij niet dan zich kon verheugen over mijn geluk; en dat hij naderhand dikwijls vertrouwd had, dat hij mij den een of anderen tijd zou wederzien. Maar nimmer was hem in zijn leven iets zoo onverwachts en treurigs overgekomen als de teleurstelling, die hij in het eerst gevoelde, toen hij, op het eiland teruggekeerd, vernomen had, dat ik mij daar niet meer bevond.
Wat de achtergebleven barbaren (gelijk hij ze noemde) betrof, en van welke hij zeide mij veel te verhalen te hebben, de Spanjaarden achtten zich allen veel beter onder de wilden, hoezeer zij in zoo klein getal waren. "En waren zij sterker in getal geweest," zeide hij, "wij zouden reeds lang in het vagevuur geweest zijn," terwijl hij een kruis maakte. "Ik hoop echter, dat het u niet mishagen zal, mijnheer," vervolgde hij, "als ik zeg hoe de noodzakelijkheid ons gedwongen heeft hen, tot behoud van ons leven, te ontwapenen, en hen, die niet tevreden waren met in zachtheid onze meesters te zijn, maar onze moordenaars wilden zijn, tot onze onderdanen te maken." Ik antwoordde, dat ik er zeer voor gevreesd had, toen ik hen daar achterliet, en dat niets bij mijn verlaten van het eiland mij meer onrust baarde dan dat zij niet teruggekomen waren; anders zou ik hen eerst in het bezit van alle dingen gesteld en de anderen in een staat van onderdanigheid achtergelaten hebben, gelijk zij verdienden. Doch zoo zij hen daartoe gebragt hadden, was mij dit zeer aangenaam, en ik er verre af hierin iets laakbaars te vinden; want ik wist, dat zij een hoop ontembare, weerbarstige schurken waren, die tot alle kwaad in staat waren.
Terwijl hij dit verhaalde, kwam de man, die hij teruggezonden had, met nog elf anderen terug. Het was mij onmogelijk uit de kleeding, die zij droegen, op te maken, van welke natie zij waren, doch hij verklaarde alles zoo wel aan hen als aan mij. Eerst keerde hij zich tot mij, en naar hen wijzende, zeide hij: "Dit, mijnheer, zijn eenigen van de heeren, die hun leven aan u te danken hebben," en zich daarop tot hen keerende en op mij wijzende, deelde hij hun mede wie ik was. Waarop zij allen een voor een naar mij toekwamen, niet alsof zij matrozen en zulk volk waren en ik huns gelijken; maar als waren zij ambassadeurs van hoogen adel en ik een monarch of groote veroveraar. Hun gedrag was ten uiterste hoffelijk en verpligtend, en toch met een manhaften ernst en deftigheid gepaard, die hun zeer goed stond; kortom, zij waren zoo hoffelijk, dat ik naauwelijks wist hoedanig hunne beleefdheden te ontvangen, veel minder hoe ik die beantwoorden zou.
De geschiedenis van hunne komst en gedrag op het eiland na mijn vertrek is zoo merkwaardig, en behelst zoo vele voorvallen, die het volgend deel mijns verhaals zal ophelderen, en in het meerendeel overeenstemmen met het daarvan reeds gegeven verslag, dat ik niet dan met het grootst genoegen die te boek stel voor hen, die na mij dit zullen lezen.
Ik zal niet langer mijzelven laten optreden, ten einde niet duizendmaal: "ik zeide, hij zeide, ik hernam, hij hervatte," enz., te moeten herhalen, maar zal de gebeurtenissen mededeelen, zoo als zij achtervolgens geschied zijn, en mijn geheugen die bewaard heeft, uit hetgeen zij mij mededeelden en van hetgeen ik in mijn omgang met hen en op de plaats vernam.
Ten einde dit zoo duidelijk mogelijk geschiede, moet ik teruggaan tot den staat, waarin ik het eiland verliet, en van de personen, waarvan ik spreken moet. Eerstelijk moet ik herhalen, dat ik Vrijdags vader en den Spanjaard, die ik het leven gered had, in eene groote kanoe naar het vasteland, waarvoor ik het toen hield, had doen oversteken, om de makkers van den Spanjaard, die hij achtergelaten had, te halen, ten einde hen voor gelijke ramp, als die hem getroffen had, te behoeden, en hen voor het oogenblik te hulp te komen, en ten einde wij zoo mogelijk, gezamenlijk een middel tot onze bevrijding zouden uitvinden.
Toen ik hen wegzond had ik geenerlei vooruitzigt of eenigen meerderen grond om op mijne redding te hopen, dan ik twintig jaren lang gehad had, veel minder had ik eenig vermoeden van hetgeen kort daarop gebeurde, namelijk, dat een Engelsen schip het eiland zou aandoen om mij op te nemen; en het moest voor hen eene zeer groote verrassing zijn, toen zij bij hunne terugkomst niet alleen vonden, dat ik vertrokken was, maar er ook drie vreemdelingen aantroffen, in het bezit van al wat ik achtergelaten had, en dat anders hun eigendom zou geweest zijn.
Het eerst waar ik naar vroeg, was naar hunne eigene lotgevallen; en ik verzocht hem mij een verslag te geven van zijne terugreis naar zijne landslieden, met de boot, toen ik hem uitgezonden had om hen te halen. Hij zeide, dat dit zeer eenvoudig was, want dat hun onder weg niets merkwaardigs gebeurd was. Zij hadden stil weder en eene effen zee gehad. Het was buiten kijf, zeide hij, dat zijne landslieden bovenmate verheugd waren hem weder te zien. (Het schijnt, dat hij de voornaamste onder hen was, want de kapitein van het schip, waarmede zij schipbreuk geleden hadden, was voor eenigen tijd gestorven). Zijne terugkomst verbaasde hen te meer, daar zij wisten, dat hij in de handen der wilden gevallen was, die, naar zij begrepen, hem zoo goed als hunne andere gevangenen zouden opgegeten hebben, en toen hij hun verhaalde hoe hij gered was geworden en thans in staat was gesteld hen vandaar te voeren, dachten zij te droomen, en waren, zeide hij, even verbaasd als Jozefs broeders, toen deze hun verhaalde wie hij was, en hoe hoog hij aan Farao's hof verheven was. Maar toen hij hun zijne wapens, kruid en lood en mondbehoeften liet zien, die hij voor hunne reis medegebragt had, kwamen zij tot zichzelven, juichten over hunne bevrijding en maakten zich dadelijk tot hun vertrek gereed.
Hunne eerste zorg was thans kanoes te bekomen, en hierbij waren zij genoodzaakt niet al te eerlijk te werk te gaan, maar van hunne vrienden, de wilden, twee groote kanoes of praauwen te leenen, onder voorwendsel, dat zij er mede gingen visschen. Met deze vertrokken zij den volgenden morgen. Zij hadden ook weinig tijds noodig om zich gereed te maken, want zij hadden noch bagaadje, noch kleederen, noch voorraad, noch iets dan zij aan het lijf hadden, en geen anderen voorraad dan eenige wortelen, waarvan zij gewoon waren brood te maken.
In het geheel waren zij drie weken afwezig, en ongelukkig voor hen had zich juist in dien tijd de gelegenheid voor mij opgedaan van het eiland te verlaten, gelijk ik in het vorig deel verhaald heb, terwijl ik er drie alleronbeschaamdste, weerbarstigste en verhardste schurken achterliet, die men ooit ergens vinden kon, en zeer tot verdriet en ongeluk der Spanjaarden, daar kan men op rekenen.
De eenigste pligtmatige daad der schurken was, dat toen de Spanjaarden aan wal stapten, zij hun mijnen brief gaven, en levensmiddelen en goederen, gelijk ik gelast had. Ook gaven zij hun de vele geschrevene aanwijzingen, hoe ik gedurende mijn verblijf aldaar gehandeld had, hoe ik mijn brood bakte, mijne tamme geiten aanfokte, mijn koorn plantte en mijne druiven droogde, potten bakte, kortom, hoe ik alles deed. Dit geheele schriftelijke opstel gaven zij aan de Spanjaarden, waarvan twee vrij goed Engelsch verstonden. Ook weigerden zij in den beginne niet, hen met een en ander te gerijven, want zij leefden eerst in vrij goede verstandhouding; zij vergunden hun mede het gebruik van het huis of den kelder, en zoo leefden zij vrij gezellig, en de Spanjaard, die veel van mij afgezien had, benevens Vrijdags vader, beschikten alle werkzaamheden. De Engelschen deden niets anders dan het eiland rondzwerven, papegaaijen schieten en schildpadden vangen, en als zij des avonds te huis kwamen, hadden de Spanjaarden het eten voor hen gereed gemaakt.
Hierin zouden de Spanjaards genoegen hebben genomen, als de anderen hen slechts ongemoeid hadden gelaten, maar dit konden zij niet van zich verkrijgen, en even als de hond in de fabel wilden zij noch zelf eten, noch het anderen laten doen. Wel waren hunne geschillen in het eerst beuzelachtig en niet meldenswaard, maar eindelijk barstten zij in openbaren oorlog uit, en deze begon met alle denkelijke woestheid en ruwheid, zonder oogmerk, zonder aanleiding, en inderdaad strijdig met alle gezond verstand, en ofschoon het eerste verhaal er van mij door de Spanjaarden, als het ware de aanklagers, gedaan werd, konden de kerels, toen ik hen daarover ondervroeg, er geen woord van ontkennen.