Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 23
Toen ik bij hem kwam zeide hij, dat ik nog wel weten zou wat er tusschen ons voorgevallen was, en hij hoopte, dat ik daarover niet meer bij hem aandringen zou. Maar dewijl ik hem zulk een edelmoedig aanbod gedaan had, vroeg hij mij of ik zoo welwillend zou zijn om hetzelfde voor een ander persoon te doen, dien hij mij noemen zou, en waarin hij zeer veel belang stelde. Ik antwoordde, dat ik weinig lust had het voor iemand anders dan voor hem te doen, wien ik bijzonder hoogschatte, en dien ik gaarne had willen bevrijden. Zoo hij mij echter den persoon noemen wilde, zou ik hem bepaald antwoorden, in de hoop dat hij, zoo mijn antwoord hem niet beviel, mij dit niet euvel zou duiden. Hij zeide mij, dat hij het voor zijn zoon vroeg, die, ofschoon ik hem niet gezien had, in dezelfde omstandigheden als hij verkeerde, en ongeveer tweehonderd (Eng.) mijlen vandaar aan de overzijde der Oby was, maar dat hij, als ik toestemde, om hem zenden zou.
Zonder te aarzelen zeide ik hem dat ik het doen zou. Ik gaf hem echter daarbij te kennen, dat het alleen om zijnentwil was, en dat, aangezien ik hem niet kon overhalen, ik hem een bewijs mijner achting wilde geven door mijn gedrag jegens zijn zoon, doch het zou vervelend zijn dit alles hier te herhalen. Hij zond den volgenden dag om zijn zoon, en twintig dagen later keerde deze met den bode terug, medebrengende zes of zeven paarden met zeer kostbare pelterijen beladen, die te zamen van groote waarde waren.
Zijne knechts bragten de paarden in de stad, maar lieten den jongen prins op een afstand achter, tot in den nacht, toen hij heimelijk bij ons kwam, en zijn vader hem aan mij voorstelde, en hier overlegden wij hoe wij reizen zouden, en welken weg wij zouden kiezen.
Ik had eene groote menigte sabelvellen, zwarte vossenvellen, fijn hermelijn en ander kostbaar bont gekocht, of liever geruild voor andere goederen, die ik uit China medegebragt had, vooral voor de nagelen en nootmuskaten, die ik meerendeels hier en het overschot in Archangel verkocht, voor een veel hooger prijs dan zij te Londen hadden kunnen gelden; en mijn compagnon, die de winst berekende, en wiens bestemming veel meer dan de mijne het drijven van koophandel was, was magtig in zijn schik met ons vertoeven hier, uithoofde van onzen hier gedreven handel.
In het begin van Junij verliet ik deze afgelegene plaats; eene stad, waarvan men, geloof ik, in de wereld weinig spreekt, en geen wonder daar zij zoo ver buiten alle gewone handelswegen ligt. Wij waren thans tot eene zeer kleine karavaan gesmolten, bestaande in het geheel slechts uit tweeëndertig paarden en kameelen, die allen voor de mijnen doorgingen, schoon er vier aan mijn nieuwen gast toebehoorden. Het was dus zeer natuurlijk, dat ik meer knechts medenam dan vroeger; en de jonge prins ging voor mijn opzigter of intendant door. Voor welk groot heer ik zelf gehouden werd, weet ik niet, ook lustte het mij niet er naar te vragen. Wij moesten hier de ergste en grootste woestijn doortrekken, die wij op de geheele aarde aantroffen; ik noem haar de ergste, omdat de weg er op vele plaatsen zeer gevaarlijk en ongelijk was; het best dat wij er van konden zeggen, was, dat wij geen troepen Tartaren en roovers te duchten hadden, omdat die nimmer, of althans hoogstzelden aan deze zijde van de rivier Oby komen; doch wij ondervonden het anders.
De jonge prins had bij zich een trouwen Russischen knecht, of eigenlijk een Siberiër van geboorte, die het land volkomen kende, en ons langs zijwegen voerde, zoodat wij de voornaamste steden en dorpen aan den grooten weg vermeden; omdat de Russische bezettingen, die daar liggen, zeer nieuwsgierig, en gestreng in hun onderzoek van reizigers zijn, en vooral nasporen of ook eenige ballingen op die wijze trachten te ontkomen. Wij waren dikwijls verpligt in het open veld te liggen, en daar onder onze tenten den nacht door te brengen, terwijl wij in de steden aan den weg zeer goed ons gemak hadden kunnen nemen; hierdoor liep onze geheele reisweg als het ware door eene woestijn. Den jongen prins hinderde dit zoo, dat hij aan verscheidene steden gekomen, niet wilde dat wij in het open veld bleven, maar zelf met zijn knecht den nacht in de bosschen doorbragt, en ons den volgenden dag op eene afgesprokene plaats opwachtte.
Wij hadden juist Europa betreden, na de rivier Kama overgetrokken te zijn, die aldaar de grensscheiding tusschen Europa en Azië uitmaakt, en de eerste stad aan de Europesche zijde heette Soloi-Kamaskoi, dat zoo veel zeggen wil als de groote stad op den oever van de Kama; en hier verwachtten wij eene merkbare verandering te zullen bespeuren in de bewoners, hunne zeden, gewoonten, godsdienst en bedrijf; maar wij hadden misgerekend. Wij hadden nog eene uitgestrekte woestijn door te trekken, die, naar men ons verhaalde, zevenhonderd (Eng.) mijlen op sommige plaatsen lang is, maar niet meer dan tweehonderd mijlen breed, waar wij hem doortrokken. Tot dat wij deze achter den rug hadden, vonden wij zeer weinig verschil tusschen dit land en Tartarijë, en het volk meest heidenen en weinig beschaafder dan de wilden van Amerika; hunne huizen en dorpen vol afgoden, en hunne levenswijze allerbarbaarscht, behalve in de steden, gelijk ik zeide, en de dorpen en derzelver nabijheid, die door Christenen van de Grieksche godsdienst bewoond worden; maar ook de godsdienst van deze is zoo met bijgeloof doormengd, dat die op sommige plaatsen niet van afgoderij te onderscheiden was.
In het doortrekken van deze woestijn, nadat wij alle gevaren zoo wij meenden, reeds achter den rug hadden, dacht ik dat wij nog uitgeplunderd en misschien vermoord zouden worden door eene troep roovers. Ik weet nog niet uit welk land zij waren; hetzij het zwerfbenden waren van de Ostiaken, eene soort van Tartaren, of woest volk van de boorden van de Oby, die tot hier heen gezworven waren, dan wel of het Siberische sabeljagers waren; maar zij waren allen te paard, droegen boog en pijlen, en waren eerst vijfenveertig in getal; zij kwamen tot op ongeveer twee geweerschoten afstands van ons, en zonder ons eenige vragen te doen, reden zij om ons heen en sloegen ons zeer ernstig gade. Eindelijk plaatsten zij zich vlak voor ons, waarop wij ons in een gelid voor onze kameelen schaarden, daar wij nog geen zestien man in het geheel uitmaakten, en zonden den Siberischen knecht naar hen toe om te zien wie zij waren. Zijn meester was te meer geneigd hem te laten gaan, daar hij zeer beducht was dat het een Siberische troep was, die men hem achterna had gezonden. De man reed naar hen toe met eene witte vlag en sprak hen aan; maar schoon hij verscheidene van hunne talen of liever tongvallen gebruikte, kon hij geen woord verstaan van hetgeen zij zeiden. Na eenige teekens die zij hem deden van niet nader te komen als hij zijn leven lief had, en een aanbod om hem dood te schieten als hij naderde, ten minste zoo verstond hij hunne bedoeling, kwam de man terug, even wijs als toen hij ging; echter zeide hij dat hij hen, naar hunne kleeding, voor Tartaren of Kalmukken, of voor eene horde Circassiërs hield, en dat er in de groote woestijn meer van hen moesten zijn, schoon hij nimmer gehoord had, dat er vroeger ooit eenige zoo ver noordwaarts waren doorgedrongen.
Dit was eene slechte troost voor ons. Er viel echter niet aan te doen. Aan de linkerzijde, op ongeveer een vierde uurs was een groepje boomen, die digt bijeen en vlak bij den weg stonden. Ik besloot dadelijk ons daarheen te begeven en ons, zoo goed wij konden, te verschansen; want ik begreep dat vooreerst deze boomen ons grootendeels voor hunne pijlen zouden beschutten, en in de tweede plaats, dat zij ons dan niet in massa op het lijf konden vallen. Eigenlijk was het mijn oude Portugeesche loods die het voorstelde, en die deze uitmuntende eigenschap had, dat hij altijd in de oogenblikken van het grootste gevaar het geschiktste was om ons te leiden en aan te moedigen. Wij trokken met den meest mogelijken spoed daarheen en bereikten dat boschje, terwijl de Tartaren of dieven, wat zij dan ook waren, stand hielden, en ons geen hindernis in den weg legden. Daar gekomen, bevonden wij tot onze groote vreugd, dat het eene vochtige, moerassige plek gronds was, met aan de eene zijde eene groote bron, die in een klein beekje uitliep, dat een eind weegs nader zich met een ander van gelijke grootte vereenigde, en dat eigenlijk de oorsprong of bron van eene groote rivier was, die hooger op de Wertska heette. Er stonden om die bron niet boven de tweehonderd boomen, maar zij waren zeer groot en stonden digt opeen; zoodat, zoodra wij daar waren, wij ons volkomen voor den vijand beschut zagen, ten ware zij afstegen en ons te voet aanvielen.
Om dit echter moeijelijk te maken, kapte onze Portugees met onvermoeiden ijver takken van de boomen, en liet die hangen en niet geheel van den stam gescheiden, van den eenen boom naar den anderen; zoodat hij eene onafgebroken verschansing om ons heen vormde.
Wij bleven hier eenige uren de bewegingen des vijands gadeslaan, die echter geen lust tot eenige beweging scheen te hebben. Een paar uren voor den avond kwamen zij echter op ons aanrukken, en schoon wij het niet bemerkt hadden, zagen wij nu dat er zich nog eenigen bij hen gevoegd hadden, zoodat er thans tachtig ruiters waren, waaronder echter, naar onze meening, eenige vrouwen. Wij lieten hen tot op een half geweerschot afstands van onze legerplaats komen, waarna wij met los kruid op hen schoten, en hen in het Russisch toeriepen wat zij van ons hebben wilden, en hen gelastten zich te verwijderen. Daar zij ons echter niet verstonden, drongen zij met verdubbelde woede op ons boschje aan, zich verbeeldende, dat wij niet zoo verschanst waren of zij zouden er wel kunnen doorbreken. Onze oude loods was onze bevelhebber, gelijk hij vroeger onze ingenieur geweest was, en gelastte ons niet te vuren, voor zij op een pistoolschot afstands gekomen waren; en alsdan vooral goed op hen te mikken. Wij zeiden, dat wij op zijn bevel zouden wachten, waarmede hij zoo lang draalde tot sommigen nog slechts eenige schreden van ons af waren.
Wij mikten zoo goed, of de hemel bestierde ons vuur zoo, dat wij bij de eerste losbranding er veertien doodden, en nog verscheidenen benevens eenige paarden kwetsten, want wij hadden allen onze geweren met ten minste twee of drie kogels geladen.
Dit bragt hen geheel in verwarring, en zij trokken dadelijk wel honderd roeden terug, in welken tijd wij onze geweren weder laadden, en ziende, dat zij op dien afstand bleven, deden wij een uitval, en vermeesterden vier of vijf paarden, wier ruiters waarschijnlijk gedood waren. Bij de gesneuvelden komende, zagen wij duidelijk dat het Tartaren waren, schoon wij niet wisten uit welke streek, noch hoe het kwam dat zij een zoo buitengewoon verren togt hadden ondernomen.
Een dag daarna maakten zij eene beweging om ons op nieuw aan te vallen, en reden ons boschje rond om te zien of zij ook ergens konden doorbreken; maar ons steeds gereed vindende hun het hoofd te bieden, verlieten zij ons weder, en wij besloten dien nacht niet van de plaats te gaan.
Wij sliepen weinig, gelijk men wel denken kan, maar bragten het meerendeel van den nacht door met ons leger te versterken, en de toegangen te verschansen, en eene scherpe wacht te houden, in afwachting, dat het zou beginnen te dagen. Toen de dag doorkwam bragt hij ons eene onaangename ontdekking; want de vijand, dien wij gehoopt hadden dat door de geledene ontvangst afgeschrikt zou zijn geworden, was thans tot op zijn minst driehonderd aangegroeid, en had elf of twaalf hutten of tenten opgeslagen, alsof hij besloten had ons te belegeren. Zij hadden hun kamp opgeslagen op eene opene vlakte, ongeveer drie kwartieruurs van ons verwijderd.
Deze ontdekking was eene onaangename verrassing voor ons; en hier moet ik bekennen, achtte ik mij verloren en al wat ik had. Het verlies mijner goederen ging mij zoo veel niet aan het hart (schoon zij van veel waarde waren), als wel de gedachte van in de handen van zulke barbaren te moeten vallen, op het laatst van mijne reis, na het doorstaan van zoo vele gevaren en moeijelijkheden, en als het ware in het gezigt van de haven, waar wij veiligheid en behoud verwachtten. Mijn compagnon was woedend; hij zeide, dat het verlies zijner goederen hem in den grond zou boren, en dat hij liever wilde sterven dan tot den bedelstaf geraken, en hij wilde vechten tot den laatsten droppel bloed.
De jonge prins, een man zoo dapper als iemand, stemde ook voor het gevecht, en mijn oude loods was van meening, dat wij in onze stelling hen allen konden weerstaan. Wij bragten zoo den dag door in beraadslagingen wat wij doen wilden, doch tegen den avond bespeurden wij dat het getal onzer vijanden nog vermeerderd was. Misschien hadden zij in verschillende afdeelingen rond gezworven om buit op te sporen, en hadden de eerste verspieders uitgezonden om hen te hulp te roepen, en met den buit bekend te maken. Wij wisten niet of niet hun getal den volgenden morgen nog meer aangegroeid zou zijn, en dus vroeg ik aan de lieden, die wij van Tobolsk hadden medegenomen, of er geene andere, geene zijwegen waren, waardoor wij misschien een of ander dorp of stad konden bereiken, of wel het einde der woestijn.
De Siberische knecht van den jongen prins zeide ons, dat als wij hen wilden uit den weg gaan en niet bevechten, hij zich sterk maakte ons in den nacht op een weg te brengen, die noordwaarts liep, naar de rivier Petras, waardoor hij zich verzekerd hield, dat wij den aftogt zouden kunnen blazen, zonder dat de Tartaren wisten waar wij zouden gebleven zijn, maar hij zeide, dat zijn heer hem gezegd had niet te willen vlugten, maar liever te vechten. Ik zeide, dat hij zijn heer niet goed begrepen had, dat deze te verstandig was om gaarne te vechten zonder eenig doel; dat zijn heer reeds blijken genoeg had gegeven, dat hij onversaagd was, maar dat zijn heer zelf wel wist, dat zeventien of achttien man niet tegen vijfhonderd konden vechten, ten ware eene onvermijdelijke noodzakelijkheid hen er toe dwong, en dat als hij het mogelijk achtte in den nacht te ontkomen, wij dit volstrekt moesten beproeven. Hij antwoordde, dat als zijn heer hem dit gebood, hij zijn leven te pand zette dat hij het doen zou. Wij haalden weldra zijn heer over, doch in het geheim, om hem dit bevel te geven, en maakten ons dadelijk gereed om het uit te voeren.
In de eerste plaats legden wij, zoodra het duister werd, een vuur aan in onze legerplaats, en maakten het zoo, dat het den geheelen nacht zou kunnen doorbranden, opdat de Tartaren mogten begrijpen dat wij er nog waren; maar zoodra het duister werd, dat wil zeggen, zoodra wij de sterren konden zien (want eer wilde onze gids niet op weg gaan) volgden wij onzen nieuwen geleider, daar wij de paarden en kameelen reeds vooraf beladen hadden. Ik zag weldra, dat hij zijn weg naar de poolster rigtte, daar het land een groot eind geheel effen was.
Na twee uren zeer snel voortgetrokken te zijn, begon het nog lichter te worden; want ofschoon de nacht reeds helder was geweest, kwam nu de maan op, zoodat het eigenlijk lichter was dan wij verlangden; doch den volgenden morgen te zes ure hadden wij bijkans veertig (Eng.) mijlen afgelegd; waarmede wij onze paarden dan ook schier dood gereden hadden. Hier vonden wij een Russisch dorp, Kirmazinskoi genaamd, waar wij rust hielden en dien dag niets van de Kalmuksche Tartaren vernamen. Twee uren voor den avond trokken wij weder op weg en reisden tot den volgenden morgen te acht ure, schoon niet zoo haastig als vroeger; en tegen zeven ure trokken wij een riviertje over, genaamd Kirtza, en kwamen aan eene goede, groote en zeer bevolkte stad, door Russen bewoond, genaamd Ozomoys. Hier hoorden wij, dat er in de woestijn verscheidene troepen of horden Kalmukken rondzwierven, maar dat wij thans buiten alle gevaar voor hen waren, hetgeen, gelijk men denken kan, zeer naar ons genoegen was. Hier waren wij verpligt andere paarden aan te schaffen, en daar wij rust hoog noodig hadden, bleven wij hier vijf dagen; en mijn compagnon en ik besloten den eerlijken Siberiër, die ons hierheen geleid had, de waarde van tien pistolen te geven voor zijn geleide.
Binnen vijf dagen kwamen wij te Venessima aan de rivier Witzogda, die in de Dwina uitloopt, en dus gelukkig nabij het einde van onze reis te land, daar die rivier tot Archangel bevaarbaar is. Vandaar kwamen wij den derden nabij de Lawrenskoi, waar deze rivieren zich vereenigen, en namen daar twee vrachtscheepjes en eene bark voor ons aan. Wij gingen den zevenden scheep en kwamen behouden te Archangel den achttienden, na een jaar, vijf maanden en drie dagen op reis te zijn geweest, daaronder begrepen ons verblijf van acht maanden te Tobolsk.
Wij waren verpligt hier zes weken op de aankomst van schepen te wachten, en zouden nog langer hebben moeten wachten, zoo niet een Hamburger eene maand vroeger dan eenig Engelsen schip binnengekomen was; na overwogen te hebben, dat Hamburg misschien eene even goede markt voor onze goederen als Londen zou opleveren, bevrachtten wij alleen hem, en na onze goederen aan boord gebragt te hebben, was het zeer natuurlijk, dat ik er mijn opzigter liet blijven om er het oog op te houden. Hierdoor had de jonge prins eene voldoende gelegenheid om zich verborgen te houden, terwijl hij zoo lang wij hier bleven niet aan wal kwam, daar hij vreesde in de stad gezien te worden door eenige kooplieden van Moscou, die hem zeker herkend zoude hebben.
Wij zeilden van Archangel den 2den Augustus, en liepen zonder eenig merkwaardig wedervaren den 13den September de Elbe op. Hier vonden mijn compagnon zoo wel als ik, eene zeer goede gelegenheid om onze goederen te verkoopen, zoowel die uit China als de pelterijen van Siberië, en na het bedrag van den verkoop gedeeld te hebben, beliep mijn aandeel drieduizend vierhonderd vijfenzeventig pond Sterling, zeventien schellingen, niettegenstaande de vele verliezen die wij geleden, en onkosten die wij hadden gemaakt. Ik moet echter aanmerken, dat hieronder begrepen was de waarde van ongeveer zeshonderd Pond St. aan diamanten, die ik te Bengalen gekocht had.
Hier nam de jonge prins afscheid van ons, en ging de Elbe op, om zich naar het hof van Weenen te begeven, waar hij besloot bescherming te zoeken, en vanwaar hij briefwisseling kon houden met de vrienden zijns vaders, die nog leefden. Hij scheidde niet van mij, zonder herhaalde betuigingen van zijne dankbaarheid voor de hem bewezen dienst, en voor de genegenheid, die ik zijn vader toedroeg.
Ten besluite. Nadat ik bijkans vier maanden in Hamburg vertoefd had, reisde ik vandaar te land naar den Haag, en stak vervolgens met de pakketboot over naar Engeland, en kwam te Londen den 10 Januarij 1705, na tien jaren en negen maanden van Engeland afwezig te zijn geweest.
En hier heb ik besloten mij niet meer af te slooven; maar mij voor te bereiden voor een langduriger reize dan deze allen; daar ik thans tweeënzeventig jaren oud ben geworden, in een leven vol eindelooze afwisseling, en thans voldoende de waarde van rust heb leeren waarderen, en den zegen van zijne dagen in vrede te besluiten.