Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 22
Maar zulk eene winterreis was voor mij niet voegzaam; ik moest naar Engeland, en niet naar Moskou. Twee wegen lagen thans voor mij: de een was met de karavaan mede te gaan tot Jaroslaw, en dan westwaarts naar Nerva en de Finlandsche golf, en zoo ter zee of te land naar Dantzig, waar ik mijne Chinesche goederen misschien zeer voordeelig zou kunnen afzetten; of ik moest de karavaan aan een stadje aan de Dwina verlaten, vanwaar ik in zes dagen te water naar Archangel kon komen, en daar was ik zeker scheepsgelegenheid te zullen vinden naar Holland, Engeland of Hamburg. Maar het ware niet raadzaam geweest, om een dezer togten in den winter te ondernemen, want bij Dantzig zou de Oostzee bevrozen en dus voor mij ontoegankelijk zijn, en om te land van daar te trekken, zou veel onveiliger zijn, dan onder de Mongoolsche Tartaren; even zoo als ik in October naar Archangel ging, zouden al de schepen van daar vertrokken zijn, en ik zou daar niets te wachten hebben dan veel koude en weinig levensmiddelen, en den geheelen winter in eene eenzame stad moeten doorbrengen. Na alles te hebben overwogen, achtte ik het dus veel beter; de karavaan te laten vertrekken en den winter door te brengen waar ik was, namelijk te Tobolsk in Siberië, op eene breedte van 60°, waar ik verzekerd was van drie dingen, waarmede men een kouden winter kan doorstaan, namelijk overvloed van eten en drinken wat het land oplevert; een warm huis met genoeg brandstof, en uitmuntend gezelschap, gelijk ik nader zal vermelden.
Ik was nu in een klimaat, geheel verschillend van mijn bemind eiland, waar ik nimmer koude gevoelde, dan als ik de koorts had; integendeel, het viel mij daar zuur eenige kleederen te dragen, en waar ik nimmer vuur aanlegde, dan buiten de deur en als ik het noodig had, om eten te koken. Nu liet ik mij drie goede rokken maken, met wijde jassen er over, die tot op de voeten hingen, en tot beneden toe digt toegeknoopt konden worden, en die allen met bont gevoerd en zeer warm waren.
Van een warm huis gesproken, moet ik zeggen, dat ik onze Engelsche manier zeer afkeur, om in elke kamer van het huis in opene schoorsteenen vuur aan te maken, waardoor, als het vuur uit was, de lucht in de kamer even koud wordt als de buitenlucht. Maar na mijn intrek in een goed huis in de stad genomen te hebben, liet ik een schoorsteen bouwen als een oven, in het midden van zes kamers; de pijp, door welke de rook wegtrok, liep naar de eene zijde, en de plaats om er de brandstof in te doen, was aan de andere zijde, en al de kamers werden even warm gehouden, zonder dat men het vuur zag, even als men de badstoven in Engeland heet maakt. Hierdoor was het altijd in alle kamers even warm, en hadden wij steeds eene gelijkmatige warmte, en hoe koud het ook buiten ware, binnen was het altijd warm, echter zagen wij geen vuur, en hadden nimmer eenigen last van den rook.
Het zonderlingste van alles was, dat men hier zulk goed gezelschap aantrof, in een land, zoo woest als de noordelijkste deelen van Europa, nabij de Poolzee, en slechts weinige graden van Nova Zembla. Maar daar dit het land is, waarheen, gelijk ik vroeger zeide, al de staatsgevangenen van Rusland worden gebannen, was het er vol van vorsten, edellieden, generaals, kortom, alle graden van edelen, soldaten en hovelingen van Rusland. Hier was de vermaarde prins Galopkin of Galitzin en zijn zoon, de oude generaal Robodisky en verscheidene andere aanzienlijke personen en eenige vrouwen van rang.
Door middel van mijne Schotsche kooplieden, waarvan eenige mij echter hier verlieten, geraakte ik met verscheidene van deze heeren in kennis, waaronder eenige van den hoogsten rang, waarmede ik in de lange winteravonden, die ik hier doorbragt, eenen zeer aangenamen omgang had. Ik sprak op een avond met eenen zekeren prins, een der gebannen ministers van den Moscovischen Czaar, toen het gesprek op mijne lotgevallen viel. Hij had mij veel fraais verhaald van de grootheid en luister, van het gebied en de onbeperkte magt van zijnen vorst. Ik viel hem in de rede, en zeide, dat ik een veel grooter en magtiger vorst was, dan de Russische keizer, schoon mijn gebied zoo groot niet was, noch mijne onderdanen zoo talrijk waren als de zijne. De Russische prins zette groote oogen op, terwijl hij mij strak aanzag, en begreep niet, wat ik wilde te kennen geven. Ik zeide hem, dat zijne verwondering zou ophouden, als ik hem alles verklaard had. Eerst zeide ik hem, dat ik onbeperkte magt over het leven en de bezittingen mijner onderdanen had, dat niettegenstaande mijne onbeperkte magt, niet een hunner eenig misnoegen had tegen mijne regering of mijnen persoon, op geheel mijn gebied. Hij schudde het hoofd, en zeide, dat ik in dat geval meer kon zeggen dan de czaar. Ik voegde er bij, dat al de landerijen in mijn rijk mijn eigendom waren, en al mijne onderdanen slechts mijne pachters, en dat wel vrijwillig waren, dat zij allen hunnen laatsten bloeddroppel voor mij zouden willen storten, en dat nimmer een willekeurig heerscher, want dit bekende ik te zijn, ooit zoo algemeen bemind en toch zoo ontzettend gevreesd was geworden van zijne onderdanen.
Na hem eenigen tijd met deze raadsels te hebben bezig gehouden, gaf ik hem de oplossing en verhaalde hem breedvoerig hoe ik op het eiland gekomen was, en hoe ik daar huishield, zoowel als de bevolking onder mij, gelijk ik hiervoren uitvoerig verhaald heb. Zij waren er allen zeer mede ingenomen, inzonderheid de prins, die mij met een zucht zeide, dat de ware grootheid bestond in heerschappij over zichzelven te voeren, dat hij eene levenswijze als de mijne niet voor die van czaar van Moscovië zou willen ruilen, en dat hij meer geluk vond in de afzondering, waarin hij hier gebannen scheen, dan vroeger ooit in de hoogste magt, die hij aan het hof van zijnen meester, den czaar, genoten had; dat het toppunt van menschelijke wijsheid bestond in onzen geest naar de omstandigheden te voegen, en rust en stilte van binnen te bewaren, terwijl buiten de geweldigste stormen loeiden. Toen hij eerst hier kwam, zeide hij, had hij zich de haren uit het hoofd en de kleederen van het lijf gescheurd, gelijk anderen voor hem gedaan hadden; maar eenig tijdverloop en nadenken hadden hem geleerd, een blik in zichzelven, zoowel als op de voorwerpen buiten hem te slaan; hij had bevonden, dat zoo 's menschen geest slechts eerst ernstig nadenkt over den staat van ons leven in het algemeen; en hoe weinig men voor zijn waar geluk in deze wereld noodig heeft, men volkomen in staat is, om voor zichzelven een geluk te bereiden, dat volkomen genoegzaam is, en met onze beste verlangens en bestemming strookt, en waartoe de wereld slechts weinig behoeft bij te dragen; dat lucht, om in te ademen, voedsel, om te leven, kleederen, om de koude af te weren, en gelegenheid tot ligchaamsbeweging, om zijne gezondheid te onderhouden, naar zijne meening alles waren, wat de wereld ons kon opleveren. Schoon de grootheid, magt, rijkdommen en het gezag, die sommigen in de wereld bezitten, en waarvan hij zijn deel meer dan hem lief was had gehad, in vele opzigten aangenaam voor ons waren, moest hij echter opmerken, dat al deze dingen grootendeels strekken, om onze minder edele hartstogten te voldoen, als onze hoogmoed, ijdelheid, eerzucht, gierigheid of ligtgeraaktheid, welke alle inderdaad op zichzelve misdadig zijn, en in zich de zaden van alle misdaden bevatten; terwijl zij op geenerlei wijze in betrekking staan tot die eigenschappen, die de wijsheid ons leert, of tot die deugd, die ons Christenen onderscheidt. Thans, vervolgde bij, beroofd van al het gewaande geluk, dat hij in de uitoefening van al deze ondeugden vond, had hij ruimschoots gelegenheid, om deze van de keerzijde te beschouwen, waarop hij allerlei soort van verkeerdheden vond, en thans was hij overtuigd, dat de deugd alleen iemand rijk, groot en magtig maakt, en hem op den weg houdt, die tot hooger geluk in eene andere wereld voert, en in dit opzigt, zeide hij, waren zij in hunne verbanning gelukkiger, dan al hunne vijanden, die in het volle genot waren van al die weelde en magt, die zij (de bannelingen) hadden moeten achterlaten.
"En mijnheer!" zeide hij, "het is niet door den drang der omstandigheden, die sommigen ongelukkig noemen, dat ik uit staatkunde dit aan mijnen geest zoek op te dringen. Zoo ik mijzelven eenigzins ken, zou ik thans niet terugkeeren, neen, zelfs niet, al zou mijn meester, de czaar, mij terugroepen, met aanbieding van mij in al mijne vorige grootheid te herstellen, ik zou, ik herhaal het, evenmin derwaarts terugkeeren, als ik vertrouw, dat mijne ziel, na eenmaal van de banden des ligchaams ontslagen te zijn en eenen voorsmaak gehad te hebben van eenen hemelschen staat na dit leven, zou willen terugkeeren in zijne gevangenis van vleesch en bloed, waarin zij thans is besloten, en den hemel verlaten, om in het slijk der aarde rond te zwerven."
Hij zeide dit met zooveel vuur, en op zijn gelaat blonk zulk eenen ernst, dat dit blijkbaar de ware meening zijner ziel was, en waarlijk er was geene reden, om zijne opregtheid in twijfel te trekken.
Ik zeide hem, dat ik eenmaal in mijnen voormaligen toestand, waarvan ik hem verhaald had, mijzelven eene soort van monarch gedacht had, maar dat ik hem thans niet alleen als eenen monarch, maar als een groot veroveraar beschouwde, want dat hij zijne eigene hooggaande begeerten onder het juk had gebragt, en eene volstrekte heerschappij over zichzelven voerde; en hij, wiens rede al zijne daden bestuurt, is zeker grooter dan hij, die eene stad inneemt. "Maar mag ik zoo vrij zijn van u eene vraag te doen, mijnheer?" zeide ik.--"Met al mijn hart," antwoordde hij.--"Bijaldien de deur voor de vrijheid u werd opengesteld," zeide ik, "zoudt gij die dan niet aangrijpen, om u uit deze ballingschap te bevrijden?"--"Uwe vraag is dubbelzinnig," zeide hij, "en heeft eenige juiste onderscheidingen noodig, om er een opregt antwoord op te kunnen geven, en die zal ik u uit grond van mijn hart geven. Niets ter wereld zou mij aandrijven, om mij uit dezen staat van ballingschap te verwijderen, dan twee beweegredenen; eerstelijk het verlangen, om mijne bloedverwanten weder te zien, en tweedens een warmer luchtgestel. Maar dit verzeker ik u, om terug te keeren naar den luister van het hof, den roem, de magt, de bezigheden van eenen minister, de rijkdommen, de genoegens en vermaken, dat wil zeggen dwaasheden, van eenen hoveling; als mijn meester mij op dit oogenblik liet weten, dat hij mij in het bezit herstelde van alles, wat hij mij ontnomen heeft, dan verzeker ik u, dat ik, als ik eenigzins mijzelven ken, deze woestijnen, wildernissen en ijsvelden niet voor de paleizen van Moskou zou willen verlaten."--"Maar prins!" vervolgde ik, "misschien zijt gij niet alleen verbannen van de vermaken van het hof en van de magt, het gezag en de schatten, die vroeger uw deel waren, maar gij kunt ook van eenige gemakken des levens verstoken zijn; uwe bezittingen zijn misschien verbeurd verklaard, en wat men u hier toestaat, is welligt niet voldoende, om in uwe gewone behoeften te voorzien."--"Ja," zeide hij, "dat is ook zoo, als gij mij beschouwt als een edelman, een prins, gelijk ik ook ben; maar gij moet mij thans alleen beschouwen, als een mensch, een menschelijk wezen, dat zich van geen zijner medemenschen onderscheidt, en dan kan ik geen gebrek lijden, tenzij ik met ziekte of kwalen mogt bezocht worden. Om echter deze vraag op te lossen: gij ziet onze levenswijze, wij zijn hier met ons vijven, personen van hoogen rang, wij leven zoo stil, als in eenen staat van ballingschap. Van onze fortuin hebben wij uit de schipbreuk een klein gedeelte gered, hetgeen ons van de verpligting ontslaat, om met jagen den kost te verdienen, maar de arme soldaten, die hier zijn, en die hulp niet hebben, leven even ruim als wij. Zij gaan in de bosschen en vangen sabels en vossen; eene maand hieraan besteed, verschaft hun levensonderhoud voor een jaar, en daar de levenswijze hier niet kostbaar is, is het gemakkelijk het noodige te verwerven; dus is deze tegenwerping vervallen."
Het zou mij te ver voeren, als ik een volledig verslag wilde geven van het aangename onderhoud, dat ik met dezen waarlijk grooten man had; gedurende hetwelk hij bewees, dat zijn geest zoo vervuld was met een diep inzigt in alle zaken; zoo gesterkt werd door godsdienst, zoowel als door de uitgebreidste kennis; dat zijne versmading van de wereld werkelijk was, zoo als hij verklaarde, en dat hij zichzelven steeds gelijk bleef, gelijk in het vervolg van dit verhaal zal blijken.
Ik bragt hier acht maanden in eenen donkeren, treurigen winter door; de koude was zoo streng, dat ik mijn neus niet buiten de deur kon steken, zonder in bont gewikkeld te zijn, en een masker voor het gelaat te dragen, of liever een digte sluijer, met een gat, om te ademen, en twee, om te zien. Het korte daglicht, dat wij hadden, was ongeveer drie maanden lang niet meer dan vijf uren daags, zes op zijn hoogst, schoon het nimmer zeer donker was, daar de sneeuw voortdurend liggen bleef en het weder helder was. Onze paarden stonden in eenen kelder te verkwijnen, en onze dienstboden (want wij huurden die, om ons en onze paarden op te passen) waren telkens de handen en voeten bevroren.
Echter zaten wij binnenshuis warm, de huizen waren digt, de muren dik, de vensters klein en allen met dubbele glazen. Ons eten bestond hoofdzakelijk in gedroogd wild, goed brood, als beschuit gebakken, verschillende soorten van gedroogden visch, en eenig schapen- en buffelvleesch, dat zeer goed is. Alle levensmiddelen voor den winter worden in den zomer ingelegd. Onze drank was water, met brandewijn vermengd, en meede in plaats van wijn, voor een traktement, die zij echter zeer goed hebben. De jagers, die in elk weder uitgaan, bragten ons dikwijls zeer goed en vet wild, en somtijds beerenvleesch, doch om het laatste gaven wij niet veel. Wij hadden een goeden voorraad thee, waarop wij onze vrienden onthaalden; met een woord, wij leidden over het geheel een zeer goed leven.
Het was nu Maart; de dagen begonnen vrij wat langer en het weder althans dragelijker te worden; derhalve begonnen de andere reizigers sleden gereed te maken, om hen over de sneeuw te brengen; maar ik had besloten, gelijk ik gezegd heb, naar Archangel, en niet naar Rusland of de Oostzee te gaan, en ik bleef dus waar ik was, want ik wist zeer goed, dat de schepen uit het zuiden daar niet voor Mei of Junij heengaan, en dat, als ik in het begin van Augustus daar kwam, ik er vroeg genoeg zou zijn, om met een der eerst vertrekkende schepen mede te gaan, en derhalve maakte ik geen haast om te vertrekken, zoo als de anderen, en zag dus ook eene groote menigte volks, ja, eindelijk alle reizigers voor mij vertrekken. Het schijnt, dat zij van Moskou alle jaren herwaarts trekken, om te handelen, namelijk om pelterijen te brengen, en andere noodwendigheden te halen voor hunne winkels; en deze gaan met hetzelfde, oogmerk naar Archangel, maar deze allen, die ongeveer achthonderd mijlen terug moesten, vertrokken voor mij.
Tegen het laatst van Mei begon ik mij ook tot mijn vertrek gereed te maken, en terwijl ik dit deed, schoot mij te binnen, terwijl ik al deze lieden zag, die de czaar naar Siberië gebannen had, en die toch als zij hier gekomen waren, vrijheid hadden om te gaan waarheen zij wilden, waarom zij niet heengingen naar eenig deel der wereld, waar zij goedvonden, en ik begon na te gaan wat hen belette zulks te ondernemen.
Maar mijne verwondering hield op, toen ik hierover sprak, met den prins, van wien ik hiervoren gewag gemaakt heb, en die mij het volgende ten antwoord gaf: "In de eerste plaats, mijnheer! moet gij bedenken, waar wij zijn; ten tweede den toestand waarin wij zijn, en bijzonder den toestand van het volk, dat hier gebannen is. Wij zijn hier omgeven door sterkere sluitingen dan muren en grendels; aan de noordzijde is eene onbevaarbare oceaan, waarop nimmer een schip gezeild heeft, noch eene boot gevaren, en al bezaten wij beide, wij zouden niet weten waarheen er mede te gaan. Langs elken anderen weg," vervolgde hij, "moeten wij ongeveer duizend (Eng.) mijlen het gebied van den czaar doortrekken, langs wegen die ontoegankelijk zijn, behalve die welke de regering gemaakt heeft, en door steden, waarin zij bezetting heeft liggen, zoodat wij nimmer dien weg kunnen volgen, zonder ontdekt te worden, noch op eene andere wijze levensmiddelen erlangen; alle pogingen daartoe zijn derhalve vergeefs."
Dit bragt mij tot zwijgen, en ik zag in, dat zij inderdaad in eene gevangenis waren opgesloten, zoo zeker, alsof zij in het kasteel van Moskou achter de grendels zaten. Het denkbeeld kwam echter bij mij op, dat ik wel het werktuig kon zijn, om een zoo uitmuntend persoon te doen ontsnappen, en dat het voor mij zeer gemakkelijk was, hem mede te voeren, daar er geene wacht hier te lande over hem gehouden werd. En daar ik niet naar Moskou ging, maar wel naar Archangel, en op de wijze van eene karavaan voorttrok, waardoor ik niet verpligt was de vestigingen in de woeste streken te betrekken, maar mijne nachten kon doorbrengen waar ik wilde, konden wij gemakkelijk zonder verhindering Archangel bereiken, waar ik hem dadelijk aan boord van een Engelsch of Hollandsch schip zou brengen. Wat zijn onderhoud en andere kleinigheden betrof, hiervoor zou ik zorgen, totdat hij daarin zelf kon voorzien.
Hij hoorde mij zeer oplettend aan, terwijl ik hem dit voorstelde, en zag mij al den tijd dat ik sprak strak aan, ja, ik kon op zijn gelaat zien, dat hetgeen ik zeide zijn gemoed hevig in beweging bragt; hij veranderde dikwerf van kleur, zijne oogen vonkelden, en men kon ligt bespeuren, dat hij weifelde. Hij was eerst niet in staat om mij te antwoorden, toen ik had uitgesproken, en ik, als het ware, wachtte wat hij er van zou zeggen. Na eenigen tijd gezwegen te hebben, omhelsde hij mij en zeide: "Hoe ongelukkig zijn wij, feilbare menschen toch, dat zelfs onze beste daden van vriendschap ons tot een strik worden, en dat wij elkander in verzoeking brengen! Mijn beste vriend," vervolgde hij, "uwe aanbieding is zoo opregt, zoo goedhartig, zoo belangeloos, en zoo mijn voordeel beoogende; dat ik slechts weinig wereldkennis zou bezitten als ik er mij niet zeer over verwonderde, en de verpligting niet erkende, die ik daarvoor jegens u heb. Maar geloofde gij aan mijne opregtheid, in hetgeen ik zoo dikwijls u gezegd heb, dat ik de wereld verachtte? Geloofde gij, dat ik uit grond van mijn hart sprak, en dat ik hier werkelijk dien graad van geluk bereikt had, die mij verheft boven alles wat de wereld mij kon verschaffen of voor mij kon doen? Geloofde gij dat ik opregt was, toen ik u zeide dat ik niet zou willen terugkeeren, al zou ik teruggeroepen worden om alles te worden wat ik eenmaal was aan het hof en in het bezit van de gunst van mijn meester, den czaar? Gelooft gij, mijn vriend, dat ik een eerlijk man ben, of houdt gij mij voor een snoevenden huichelaar?" Hier zweeg hij stil, alsof hij op mijn antwoord wachtte, maar ik bespeurde spoedig dat hij eigenlijk ophield, omdat zijn gemoed geschokt en heen en weder geslingerd werd, en dat hij niet spreken kon. Ik beken dat ik verbaasd stond, zoo wel over hetgeen ik hoorde, als over den man zelven. Ik voerde eenige redenen aan, om hem over te halen de vrijheid te kiezen; dat hij beschouwen moest, dat door den Hemel eene deur ter zijner bevrijding werd opengesteld, en dat het een wenk was van de Voorzienigheid, die alle dingen bestiert, om zichzelven wel te doen, en nuttig voor anderen te worden.
Hij had thans zijne bedaardheid herkregen. "Hoe weet gij, mijnheer," zeide hij, "dat dit in plaats van een wenk des Hemels, geen aanloksel is van een anderen kant, dat mij in de verleidelijkste kleuren het geluk eener bevrijding voorspiegelt, terwijl het inderdaad een valstrik kan zijn; waardoor ik mijn eigen verderf te gemoet ga? Ik ben hier bevrijd van alle verzoeking, om mijne voormalige rampzalige grootheid weder te bereiken; ginds ben ik niet verzekerd of al de zaden van hoogmoed, eer- en hebzucht en weelde, die ik weet dat nog in mijn aard liggen, niet zullen herleven en wortel schieten, en met een woord, zich weder meester van mij maken; en dan zal de gelukkige gevangene, dien gij thans als meester van zichzelven ziet, de rampzalige slaaf zijner hartstogten zijn, bij het genot van alle mogelijke persoonlijke vrijheid. Waarde vriend, laat mij in deze gelukkige hechtenis, verbannen van de misdaden des levens, liever dan een zweem van vrijheid te koopen, ten koste van de vrijheid mijner rede, en van mijn toekomstig heil, dat ik thans te gemoet zie; maar dat ik alsdan, vrees ik, spoedig uit het oog zou verliezen, want ik ben slechts een mensch, heb vleesch en bloed, driften en hartstogten, die mij zoo waarschijnlijk als een ander zullen overmeesteren en wegslepen. O, wees niet mijn vriend en tegelijk mijn verleider!"
Stond ik vroeger verbaasd, thans was ik geheel tot zwijgen gebragt, en stond hem aan te staren en te bewonderen. De tweestrijd, waarin ik hem gebragt had, was zoo groot, dat, ofschoon het geweldig koud was, het zweet hem uitgebroken was, en daar ik zag dat hij zijn gemoed wilde ontlasten, zeide ik met een paar woorden, dat hij er nog eens over moest nadenken en ik hem weder zou opzoeken, en begaf mij daarop naar mijne kamer.
Een paar uren daarna hoorde ik iemand aan of bij mijne kamerdeur, en ik stond op om die te openen, toen de prins dit zelf deed en binnen kwam. "Mijn waarde vriend," zeide hij, "gij zoudt mij bijkans overgehaald hebben, doch thans ben ik weder tot mijzelven gekomen. Duid het mij niet ten kwade, dat ik uw aanbod niet aanneem. Ik verzeker u, het is niet omdat ik niet gevoel hoe vriendschappelijk het van u is, en ik kwam er u mijne hartelijke dankbaarheid voor betuigen; maar ik hoop thans mijzelven overwonnen te hebben."
"Prins," zeide ik, "ik hoop dat gij ten volle overtuigd zijt, dat gij u niet tegen eenen wenk der Voorzienigheid verzet."--"Ware het eene stem des Hemels geweest," zeide hij, "dan zou diezelfde magt mij aangedreven hebben het voorstel aan te nemen; maar ik acht mij ten volle overtuigd dat het 's Hemels wil is dat ik het afwijs, en als wij scheiden zal het mij eene streelende gedachte zijn, dat gij mij achterlaat als een braaf man, schoon dan ook een gevangen man."
Mij schoot niets over dan hierin te berusten, en hem te verzekeren, dat mijne eenigste bedoeling geweest was hem van dienst te zijn. Hij omhelsde mij met vuur en verzekerde mij dat hij hiervan overtuigd was, en altijd dit zou erkennen; en daarbij bood hij mij een fraai geschenk van sabelvellen; inderdaad voor mij te groot om aan te nemen, van iemand in zijne omstandigheden; en ik wilde het ontwijken, maar hij liet het zich niet afslaan.
Den volgenden morgen zond ik mijn knecht naar hem toe, met een klein geschenk van thee, twee stukken Chinesche lijnwaad, en vier stukjes Japansch goud, die te zamen nog geen zes oncen wogen; hetwelk echter niet haalde bij de waarde der sabelvellen, die ik bij mijne komst in Engeland vernam dat omtrent twee honderd Pond St. waard waren. Hij nam de thee en een stuk lijnwaad aan, en een van de Japansche goudstukjes, daar een fraaije stempel opstond, hetwelk ik begreep, dat hij om de zeldzaamheid aannam; doch meer wilde hij niet aannemen, en hij liet mij door mijn knecht zeggen, dat hij mij gaarne wilde spreken.