Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 21
Hij luisterde zeer oplettend naar mijn verhaal, maar toen ik sprak van dit dorp even zoo te behandelen, zeide hij: "Gij hebt groot ongelijk; het was dit dorp niet, het was bijkans honderd mijlen van hier, maar het was dezelfde afgod, want dien voeren zij in processie het land rond."--"Welnu," zeide ik, "dan zal dit beeld er voor gestraft worden, en dit zal dezen nacht gebeuren, als ik dien beleef."
Toen hij zag, dat ik bij mijn voornemen bleef, keurde hij hetzelve goed, en zeide, dat ik niet alleen, maar dat hij met mij zou gaan; maar eerst zou hij een zijner landslieden gaan halen, een zeer ondernemend man, en zoo vol ijver als iemand tegen zulke werken des duivels als deze. Hij bragt daarop zijn makker bij mij, een Schot, dien hij kapitein Richardson noemde, en dezen verhaalde ik alles wat ik gezien en gehoord had, en hij zeide, dat hij zou medegaan, al zou het hem het leven kosten. Zoo besloten wij dan met ons drieën te gaan. Ik had het ook aan mijnen compagnon voorgesteld, maar deze weigerde er deel aan te nemen. Hij zeide, mij overal en ten allen tijde tot mijne verdediging te willen bijstaan, maar dit was eene zaak, waarmede ik niets te maken had. Wij besloten dus, met ons drieën en mijn knecht dien nacht, tegen middernacht, het stuk zoo bedekt mogelijk te bestaan.
Bij nadere overweging besloten wij het nog een dag uit te stellen, omdat de karavaan den volgenden morgen vertrekken zou, en wij begrepen, dat de gouverneur hun dan geene voldoening ten onzen koste zou kunnen geven, als wij eens buiten zijn bereik waren. De Schotsche koopman, die even standvastig als moedig was in wat hij ondernam, bragt mij een Tartaarschen rok van schapenvachten en eene Tartaarsche muts, en boog en pijlen, hetwelk hij ook voor zich en zijnen landgenoot had aangeschaft, opdat als men ons zien mogt, men niet zou weten, wie wij waren.
Den geheelen avond bragten wij door met het gereedmaken van brandstoffen, door voorloop, kruid en wat wij bekomen konden ondereen te mengen, en na ons nog van een pot vol teer meester gemaakt te hebben, gingen wij ongeveer een uur na zonsondergang op onze onderneming uit. Tegen elf ure kwamen wij op de plaats, en vonden dat het volk geen zweem van vrees voor hunnen afgod koesterde. De lucht was bewolkt, maar de maan gaf ons toch licht genoeg, om te zien, dat het afgodsbeeld juist in dezelfde houding en op dezelfde plaats stond als vroeger. Al het volk scheen te slapen, behalve degenen, die in de groote hut of tent waren, waar wij de drie priesters gezien hadden, die wij voor slagers hadden aangezien; en digt bij de deur komende, hoorden wij de stemmen van wel vijf of zes personen. Wij begrepen nu, dat als wij rondom het afgodsbeeld een vuurtje maakten, deze mannen dadelijk zouden toeschieten, om hunnen afgod uit het vuur te redden, en wij wisten niet hoe wij tegen hen zouden te werk gaan; eerst dachten wij het afgodsbeeld mede te nemen, en op eenen afstand van daar het in brand te steken; maar toen wij het aanpakten, bemerkten wij, dat het voor ons te zwaar was, om te vervoeren, dus waren wij weder ten einde raad. De tweede Schot sloeg voor, de hut of tent in brand te steken, en de lieden, die er uitkwamen, neder te vellen, maar daarin wilde ik niet toestemmen, want ik wilde hen niet dooden, als het bij mogelijkheid kon vermeden worden. "Welnu, dan zal ik u zeggen, wat er gedaan moet worden," zeide de Schotsche koopman, "wij moeten trachten hen gevangen te nemen, hen handen en voeten binden, en hen de vernieling van hunnen afgod laten aanzien."
Toevallig hadden wij genoeg bindtouw of koord bij ons, daar wij onze brandstoffen mede bijeengebonden hadden, en dus besloten wij eerst deze lieden, met zoo weinig gerucht als mogelijk, te overvallen. Het eerst, wat wij deden, was, aan de deur te kloppen; toen een der priesters dezelve opende, grepen wij hem dadelijk aan, stopten hem den mond toe, knevelden hem en bragten hem tot voor het afgodsbeeld, waar wij hem aan handen en voeten gebonden, op den grond nederlegden.
Twee onzer waren aan de deur blijven staan wachten, of niet een ander naar den eerste zou komen uitzien, maar wij stonden er nog, toen de derde man bij ons terugkwam, en toen er nog niemand kwam, klopten wij weder zachtjes aan, daarop kwamen er nog twee uit, die wij even als den eerste behandelden, maar wij waren verpligt allen mede te gaan, en hen op eenigen afstand van elkander bij den afgod neder te leggen, waarna wij terugkeerden en er twee voor de deur zagen staan uitzien, terwijl de derde achter hen binnen de hut stond. Wij grepen de twee aan en bonden hen dadelijk; waarop de derde terugtrad en begon te schreeuwen. De Schotsche koopman volgde hem na, en haalde een mengsel voor den dag, dat hij gemaakt had, en hetwelk alleen rook en stank veroorzaakte, dat hij daarop in brand stak en in de hut wierp. Middelerwijl hadden de Schotsche koopman en mijn bediende de twee reeds gebonden, mannen aangegrepen, en legden hen voor hun afgodsbeeld neder, waar zij konden zien, of dit hen ook kon helpen, en keerden daarop zoo spoedig mogelijk naar ons terug.
Toen het mengsel, dat wij in de hut hadden geworpen, die tot stikkens toe met rook had opgevuld, wierpen wij een ander lederen zakje er in, dat met eene heldere vlam opbrandde, en traden die daarop binnen. Wij vonden er nog slechts vier personen in, twee mannen en twee vrouwen, die, naar het scheen, een hunner duivelsfeesten daar gevierd hadden. Zij schenen allen doodelijk verschrikt; althans zij zaten ineengehurkt en als verbijsterd, zonder dat zij eenig geluid konden geven van wege den rook. Wij grepen hen aan en bonden hen even gelijk de overigen, zonder eenig gedruisch te maken. Wij hadden hen echter eerst buiten de hut gebragt, want wij zelve konden het, evenmin als zij, in den rook uithouden. Toen dit geschied was, bragten wij hen allen naar het afgodsbeeld. Daarna gingen wij te werk met den afgod; eerst beteerden wij hem van boven tot onderen, en bestreken hem daarop met een mengsel van talk en zwavel, daarna stopten wij zijne oogen, ooren en mond vol met buskruid, vervolgens stopten wij een zak met vet in zijne muts, en behingen hem toen met al de brandstoffen, die wij hadden medegebragt. Daarna zagen wij rond naar alles, wat den brand nog kon helpen, en het viel mijnen knecht in, dat hij bij de hut of tent, waar die menschen geweest waren, een hoop droog stroo of biezen had zien liggen. Hij en een der Schotten liepen derwaarts en kwamen ieder met een arm vol terug. Dit gedaan zijnde, namen wij onze gevangenen de stoppers uit den mond, plaatsten hen voor hunnen afgod, en staken er daarop den brand in.
Wij bleven er ongeveer een kwartieruurs bij, tot het kruid in de oogen, mond en ooren van het beeld vlam vatte, en het geheel geen fatsoen meer had, maar niets dan een blok hout was; en daarop er het stroo voor stapelende, zagen wij, dat hij spoedig zou verbrand zijn; dus begonnen wij aan ons vertrek te denken. Een der Schotsche kooplieden echter zeide: "Neen, wij moeten niet heengaan, want deze arme onwetende schepsels zouden zich allen in het vuur storten en zich met hunnen afgod laten verbranden." Wij besloten dus te blijven, totdat alles tot asch verbrand was, en toen maakten wij dat wij wegkwamen.
Des morgens kwamen wij onder onze reisgenooten, druk bezig met onze toebereidselen voor de reis, en niemand vermoedde, dat wij ergens anders dan in ons bed waren geweest, gelijk men ook niet anders van reizigers verwachten zou, om zich tot de vermoeijenissen van de dagreis in staat te stellen.
Maar daarmede was de zaak niet geëindigd. Den volgenden morgen kwam eene ontzettende menigte landvolk, niet alleen uit het dorp, maar ik geloof nog wel uit honderd andere, voor de stadspoorten, en eischten, op de onbeschaamdste wijze, voldoening van den gouverneur, voor het beschimpen van hunne priesters, en het verbranden van hunnen grooten Cham-Chi-Thangu, zulk eenen wanluidenden naam gaven zij aan het monsterachtig schepsel, dat zij vereerden. De inwoners van Nortzinskoy waren in den beginne zeer ontrust, want men zeide, dat er niet minder dan dertigduizend Tartaren waren, en dat zij binnen weinige dagen wel tot honderdduizend man zouden aangroeijen.
De Russische gouverneur zond afgezanten naar hen toe, en gaf hen alle goede woorden, die hij bedenken kon. Hij verzekerde hen, dat hij er niets van wist, en dat van de bezetting geen man de stad had verlaten; dat het niet door iemand uit de stad kon bedreven zijn, en dat, zoo zij hem te kennen gaven, wie het gedaan had, de daders streng gestraft zouden worden. Zij antwoordden op hoogen toon, dat een ieder den grooten Cham-Chi-Thangu vereerde, die in de zon woonde, en dat geen sterveling tegen zijn beeld geweld zou hebben durven plegen, dan eenige Christelijke booswichten, gelijk zij hen noemden; en dus dreigden zij hem en al de Russen, die allen euveldaders en Christenen waren, met oorlog.
De gouverneur, die ongezind was, om eene vredebreuk te bewerken, en niet wilde, dat men, bij het uitbreken van eenen oorlog, op hem de schuld daarvan zou leggen, daar de czaar hem strengelijk gelast had, de veroverde landstreek met inschikkelijkheid en goedheid te behandelen, gaf hun nog steeds goede woorden; eindelijk zeide hij hun, dat er dien morgen eene karavaan naar Rusland vertrokken was, en dat welligt iemand daarbij behoorende, hun deze beleediging had aangedaan, en dat hij, als zij hiermede tevreden waren, deze iemand achterop zou zenden, om er naar te onderzoeken. Dit scheen hen een weinig tot bedaren te brengen, en diensvolgens zond de gouverneur ons iemand achterop, die ons alles, wat er voorgevallen was, mededeelde, en ten dringendste ried, dat zoo iemand in onze karavaan het gedaan had, deze zich uit de voeten moest maken; maar dat, of dit het geval ware of niet, wij alle mogelijke haast zouden maken, en dat hij hen middelerwijl, zoo lang hij kon, op den tuil zou houden.
Dit was zeer vriendelijk van den gouverneur. Toen zijn zendeling echter bij de karavaan kwam, was er niemand, die er iets van wist, en op ons, die het gedaan hadden, viel in het geheel geene verdenking; niemand vroeg er ons zelfs naar. Echter volgde de tegenwoordige aanvoerder van de karavaan den raad van den gouverneur, en wij trokken twee dagen en twee nachten achter elkander voort, zonder van belang te rusten, dan in een dorpje, Plothus genaamd, en ook daar bleven wij niet lang, maar haastten ons naar Jarawena, eene andere Russische stichting, waar wij vertrouwden, veilig te zullen zijn. Maar om daar te komen, begaven wij ons in eene uitgestrekte woestijn, waarover ik nader zal spreken, en waarin wij, zoo wij er midden in geweest waren, waarschijnlijk allen ons graf zouden gevonden hebben. Het was de tweede dag na ons vertrek van Plothus, dat eenigen onzer, aan de groote stofwolken, die op verren afstand achter ons oprezen, begonnen te vermoeden, dat wij vervolgd werden. Wij waren de woestijn ingetrokken, en hadden een groot meer, Schaks-Oser genaamd, op zijde van ons laten liggen, toen wij aan de andere zijde van hetzelve noordwaarts van ons, een groote troep paardenvolk zagen verschijnen, terwijl wij westwaarts trokken. Wij bemerkten, dat zij, even als wij, westwaarts trokken, maar in de meening waren geweest, dat wij langs de overzijde van het meer zouden zijn getrokken, terwijl wij gelukkig de zuidzijde gekozen hadden, en twee dagen later zagen wij niets meer van hen, want daar zij geloofden, dat wij hen nog steeds vooruit waren, trokken zij verder, tot zij aan de rivier Udda kwamen; deze is hooger noordwaarts een zeer groote stroom, doch waar wij er bijkwamen, was zij smal en konden wij haar doorwaden.
Den derden dag bespeurden zij hunnen misslag, of hadden zij tijding van ons ontvangen, want in de schemering van den avond kwamen zij op ons af. Wij waren zeer in onzen schik, dat wij juist voor ons nachtleger eene zeer geschikte plaats hadden uitgekozen, want daar wij aan den zoom van eene woestijn waren, die ongeveer vijfhonderd (Eng.) mijlen groot was, zoo hadden wij geene steden te wachten, noch verwachtten wij ook geene aan te treffen, buiten Jarawena, dat nog twee dagreizen van ons af lag. Aan deze zijde waren echter eenige boschaadjes en beekjes, die allen in de groote rivier Udda uitliepen. In eenen engen pas tusschen twee digte boschjes sloegen wij ons nachtleger op, in de verwachting van in den nacht aangevallen te zullen worden.
Niemand dan wij wisten, waarom wij eigenlijk vervolgd werden, maar daar de Mongoolsche Tartaren gewoon zijn, bij troepen in deze woestijn rond te zwerven, verschansen de karavanen zich iederen nacht tegen hen, als tegen rooverbenden, en dus was het niets vreemds, dat wij achtervolgd werden. Maar van al onze nachtlegers hadden wij dezen nacht eene allerbijzonderst gunstige legerplaats, want wij lagen tusschen twee boschjes, met een beekje vlak van voren, zoodat wij niet omsingeld, noch anders dan van voren en achteren aangetast konden worden. Wij zorgden derhalve ons front zooveel te versterken, als wij konden, door onze pakken en kameelen en paarden, allen in eene lijn aan deze zijde van het riviertje te plaatsen, en achter ons maakten wij eene verhakking van eenige boomen.
In deze stelling sloegen wij ons veldleger op, maar voordat onze toerustingen voltooid waren, hadden wij reeds den vijand bij ons. Zij overvielen ons niet, zoo als wij verwacht hadden, gelijk roovers, maar zonden ons drie lieden toe, om ons af te vragen de uitlevering van degenen, die hunne priesters mishandeld en hunnen afgod Cham-Chi-Thangu verbrand hadden, ten einde deze met vuur te verbranden. In dat geval, zeiden zij, zouden zij ons geen leed doen, maar aftrekken; doch zoo niet, dan zouden zij ons allen met vuur verbranden. De onzen zagen bij deze boodschap vrij onthutst, en gaapten elkander aan, om uit elkanders gelaat te lezen, wie er schuldig was; maar niemand had het gedaan, niemand wist er iets van. De aanvoerder van de karavaan gaf ten antwoord, dat hij verzekerd was, dat niemand uit ons kamp het gedaan kon hebben, dat wij vreedzame kooplieden waren, die zich alleen met hunnen handel bemoeiden, dat wij noch hen noch iemand anders kwaad hadden gedaan, en dat zij derhalve elders moesten zoeken naar de vijanden, die hen beleedigd hadden, want dat wij het niet waren; dus verzocht hij hun, om ons geen kwaad te doen, want dat wij geweld met geweld zouden vergelden.
Wel verre van met dit antwoord tevreden te zijn, kwam den volgenden morgen met het krieken van den dag eene groote troep van hen ons kamp opzoeken; maar toen zij ons in zulk eene voordeelige stelling zagen, durfden zij niet verder komen, dan de beek voor ons, waar zij staan bleven, en aan ons eene menigte vertoonden, zoo talrijk, dat wij er inderdaad van ontzetteden; want naar de geringste schatting waren er wel tienduizend. Zij bleven daar eene poos ons staan opnemen, en toen zonden zij, onder een geweldig geschreeuw ons eene wolk van pijlen toe, maar daartegen waren wij zeer goed beschut, want wij zochten eene schuilplaats achter onze pakken, en ik herinner mij niet, dat iemand onzer eene kwetsuur ontving.
Eene poos daarna zagen wij hen regtsaf zwenken, en wij verwachtten van achteren aangevallen te zullen worden; toen een doorslepen knaap, een kozak van Jarawena, die in Russische dienst was, naar den aanvoerder van de karavaan ging, en hem zeide: "Ik zal al het volk naar Siheilka terugzenden." Dit was eene stad, zeker vier of vijf dagreizen zuidwaarts en eenigzins achter ons. Daarop nam hij zijn boog en pijlen, steeg te paard en reed als het ware achterwaarts, alsof hij regt naar Nortzinskoy wilde terugkeeren; daarna nam hij eenen verren omweg en kwam zoo bij het Tartaarsche leger, alsof hij naar hen afgezonden was, en deed hen daarop een lang verhaal, dat het volk, hetwelk hunnen Cham-Chi-Thangu verbrand had, met eene troep boosdoeners, gelijk hij zeide, dat wil zeggen Christenen, naar Siheilka was gegaan; en dat zij besloten hadden, om den afgod Schal-Isar, die aan de Tunguzen behoorde, ook te verbranden.
Daar deze knaap een volkomen Tartaar was en hunne taal volmaakt sprak, speelde hij zijne rol zoo goed, dat zij hem in alles geloofden, en dat zij zich zoo haastig mogelijk naar Siheilka spoedden, dat, naar het scheen, bijkans vijf dagreizen zuidwaarts van ons lag. Binnen drie uren waren zij allen uit ons gezigt, en nimmer hoorden wij iets meer van hen, noch kwamen te weten, of zij naar Siheilka waren gegaan of niet. Wij trokken thans in veiligheid naar Jarawena, waar een Russisch garnizoen lag, en hier bleven wij vijf dagen, doordien de laatste dagreis en het gemis der nachtrust de karavaan uiterst vermoeid had.
Van deze stad hadden wij eene akelige woestijn, die ons drieëntwintig dagen ophield. Wij voorzagen ons hier van eenige tenten, ten einde het des nachts gemakkelijker te hebben, en de aanvoerder voorzag hier de karavaan van zestien wagens, om water en levensmiddelen mede te voeren; en deze wagens strekten tot verschansing van ons kamp gedurende den nacht, zoodat, als de Tartaren weder verschenen waren, zij ons weinig afbreuk hadden kunnen doen, ten ware zij in overgroot getal kwamen.
Ligt zal men begrijpen, dat wij na eene zoo lange reis rust behoefden, want in deze woestijn zagen wij huizen noch boomen, naauwelijks nu en dan wat heesters. Wij zagen echter eene menigte sabeljagers, gelijk men hen noemt; dat waren allen Tartaren uit Mongoolsch Tartarije, waarvan dit land een gedeelte uitmaakt, en dikwijls tasten zij kleine karavanen aan; maar wij zagen geene talrijke troepen van hen bijeen. Ik verlangde eenige sabelvellen van hen te zien, maar ik kon niet met hen in gesprek komen, want zij durfden ons zoo digt niet te naderen, en wij durfden ons gezelschap niet verlaten, om hen te naderen. Na deze woestijn doorgetrokken te zijn, kwamen wij in eene vrij bevolkte landstreek, dat wil zeggen wij vonden dorpen en kasteelen, door den czaar van Rusland gesticht, om de karavanen te beschermen en het land tegen de Tartaren te verdedigen, die anders het reizen allergevaarlijkst zouden maken, en zijne majesteit heeft zulke strikte bevelen gegeven omtrent het beschermen der karavanen en kooplieden, dat, als men verneemt, dat er zich in de landstreek Tartaren ophouden, er altijd afdeelingen van de bezettingen afgezonden worden, om de reizigers veilig van station tot station te geleiden. Zoo bood de gouverneur van Adinskoy, dien ik gelegenheid had een bezoek te geven, door middel van den Schotschen koopman, die hem kende, ons eene wacht van vijftig man aan, tot aan het naaste station, als wij dachten, dat er gevaar was.
Reeds lang te voren had ik gedacht, dat, daar wij nu nader bij Europa kwamen, wij het land meer bevolkt, en het volk meer beschaafd zouden vinden; maar in beide opzigten vond ik mij bedrogen; want wij moesten nog het land der Tunguzen doortrekken, waar wij dezelfde of nog ergere blijken van heidendom en barbaarschheid te zien kregen, als te voren; daar echter het land door de Russen veroverd en geheel onder hunne heerschappij gebragt is, zijn zij niet zoo gevaarlijk; doch in onbeschaafdheid, afgoderij en veelgodendom doen zij voor geen volk ter wereld onder. Zij gaan allen in beestenvellen gekleed, waarvan ook hunne huizen gebouwd zijn. Men kan geene mannen of vrouwen van elkander onderscheiden, noch aan hun ruw gelaat, noch aan hunne kleeding, en des winters als de grond met sneeuw bedekt is, leven zij onder den grond, in eene soort van gewelven, die kelders of holen hebben, die in elkander loopen.
Terwijl de Tartaren hunnen Cham-Chi-Thangu hadden voor een geheel dorp of landschap, bezaten deze een afgod in ieder huis en in ieder hol; bovendien vereeren zij de zon, de sterren, het water, de sneeuw, kortom, alles wat boven hun begrip is, en zij begrijpen slechts zeer weinig, zoodat bijkans alles, wat buitengewoon is, door hen vereerd wordt.
Maar ik zal verder geene volken of landstreken meer beschrijven, dan voor zoover het met mijne eigene lotgevallen in verband staat. Niets bijzonders gebeurde ons in deze geheele landstreek, die van de woestijn af, waarvan ik het laatst sprak, naar mijne gissing ten minste vierhonderd (Eng.) mijlen groot was, en waarbij wij eene andere groote woestijn aantroffen, die ons twaalf dagreizen kostte, waar wij noch huis, noch boom, noch struik zagen, maar levensmiddelen, zoowel brood als water, moesten medevoeren. Uit deze woestijn kwamen wij, na twee dagen reizens, te Janezay, eene Russische stad of sterkte aan de rivier Janezay. Deze rivier, verhaalde men ons, scheidt Europa van Azië, doch ik geloof niet, dat onze kaartenmakers dit zullen toestemmen. Zeker is het de oostelijke grens van het oude Siberië, dat nu slechts een wingewest van het Russische rijk is, maar zoo groot op zichzelf als geheel Duitschland.
En zelfs hier bespeurde ik nog overal onwetendheid en heidendom, behalve in de Russische garnizoenen; het geheele land tusschen de rivier Obij en de Janezay, is zoo geheel heidensch en het volk zoo onbeschaafd, als de verst afgelegene Tartaren, ja, zelfs als eenig volk, dat ik weet, in Azië of Amerika. Ik vond ook, gelijk ik de Russische gouverneurs, welke ik van tijd tot tijd sprak, deed opmerken, dat de heidenen noch verstandiger, noch nader bij het Christendom zijn, omdat zij onder de Russische heerschappij woonden, hetwelk zij erkennen moesten, dat maar al te waar was, maar zij zeiden, dat hen dit niet aanging; maar als de czaar goedvond, zijne Siberische, Tungusische of Tartaarsche onderdanen te bekeeren, dan moest hij het doen door priesters tot hen te zenden, maar geene soldaten; en zij voegden er met meer opregtheid dan ik verwacht had, bij, dat zij ondervonden, dat hun monarch er minder op gesteld was, om hen tot Christenen, dan wel tot zijne onderdanen te maken.
Van hier tot aan de groote rivier Oby trokken wij door een woest, onbebouwd land; het land is wel niet onvruchtbaar, maar het heeft gebrek aan bevolking, anders is het op zichzelf een zeer aangenaam, vruchtbaar en bevallig land. Al de inwoners, die wij aantroffen, waren heidenen, behalve zulken, die uit Rusland derwaarts gezonden waren; want in deze landstreek, namelijk aan de beide kanten van de rivier Oby, worden de Russische misdadigers, die niet ter dood veroordeeld worden, gebannen, en het is genoegzaam onmogelijk, dat zij hier ooit kunnen ontvlugten. Mijzelven wedervoer niets bijzonders, totdat ik te Tobolsk, de hoofdstad van Siberië, kwam, waar de volgende reden mij eenigen tijd deed vertoeven.
Wij waren thans bijkans zeven maanden op reis geweest, en de winter naderde met snelle schreden, weshalve mijn compagnon en ik over onze zaken beraadslaagden, dewijl wij het noodig achtten, te overleggen hoe wij verder zouden handelen, omdat onze bestemming naar Engeland, en niet naar Moskou, was. Men sprak ons van sleden en rendieren, om ons in den winter over de sneeuw te vervoeren; en inderdaad door dit middel is het, dat de Russen beter in den winter dan in den zomer reizen kunnen, omdat zij in deze sleden nacht en dag doorrijden, daar de natuur hun door de thans bevrozen sneeuw eene effene baan verschaft, en de hoogten en laagten, rivieren en meren allen effen en zoo hard als steen zijn, en zij glijden over de oppervlakte, zonder zich te bekreunen wat er onder is.