Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 20
Bij het doortrekken dezer woestijn, die mij zeer akelig toescheen, zagen wij twee of driemalen kleine troepen Tartaren, maar zij schenen niets kwaads tegen ons in den zin te hebben, en daar zij ons niets te zeggen schenen te hebben, zoo hadden wij evenmin er lust toe, en lieten hen stil gaan. Eens echter kwam eene troep ons zoo nabij, dat zij stand hielden, en ons aanstaarden; of het was om te beraadslagen of zij ons al of niet wilden aanvallen weet ik niet; maar toen wij hen voorbij waren, vormden wij eene achterhoede van veertig man, die staan bleef en de karavaan een half uur vooruit liet trekken. Na eene poos trokken zij af, maar zonden ons tot afscheid vijf pijlen toe, waarvan een een paard zoodanig kwetste, dat wij het den volgenden dag op weg moesten achterlaten; dien dag zagen wij niets meer van hen.
Wij hadden bijkans eene maand gereisd, terwijl de wegen, die zoo goed niet meer waren als vroeger, schoon nog op het gebied van den Chineschen keizer, meerendeels door dorpen liepen, die versterkt waren, uithoofde van de invallen der Tartaren. Toen wij aan een dezer dorpen kwamen (ongeveer twee en een halve dagreis van de stad Naum) verlangde ik een kameel te koopen, die men op den weg overal vindt, en paarden ook, zoo als zij dan zijn, omdat daaraan dikwijls behoefte is, dewijl zoovele karavanen hier langs komen. De persoon, dien ik over het koopen van een kameel sprak, wilde er een voor mij gaan halen, maar ik had de dwaze dienstvaardigheid van mede te gaan. De plaats waar zij waren, was ongeveer een half uur buiten het dorp, waar zij, naar het scheen, de kameelen en paarden onder eene wacht lieten weiden.
Ik ging te voet mede met mijnen ouden loods en een Chinees, daar ik zeer naar eenige verscheidenheid verlangde. Aan de plaats komende, zagen wij, dat dit eene lage, moerassige plek was, door eenen muur van los opgestapelde steenen omringd, met eene kleine wacht van Chinesche soldaten aan den ingang. Na een kameel uitgezocht en den koop gesloten te hebben, ging ik heen, en de Chinees, die bij mij was, leidde de kameel, toen plotseling vijf Tartaren kwamen aanrijden; twee hunner grepen den man en ontrukten hem den kameel, terwijl de drie anderen naar mij en mijnen ouden loods toetraden, ziende dat wij genoegzaam ongewapend waren, want ik had niets bij mij dan mijne sabel, waarmede ik mij kwalijk tegen drie ruiters verdedigen kon. De eerste bleef staan, toen hij mij mijne sabel zag trekken (want het zijn groote lafaards), maar een tweede kwam mij op zijde en gaf mij eenen slag op het hoofd, dien ik eerst naderhand voelde, want toen ik weder bijkwam, wist ik niet hoe ik het had noch waar ik was, want ik was op den grond gevallen, maar mijn brave oude loods had door eene bestiering der Voorzienigheid eene pistool in zijnen zak, waarvan ik noch de Tartaren iets wisten, anders zouden zij ons zeker niet aangevallen hebben. Maar lafaards zijn altijd het moedigst als er geen gevaar is.
Toen de oude man mij zag nedervallen, stapte hij moedig op den man aan, die mij nedergeveld had, en hem met de eene hand bij den arm grijpende en een weinig naar zich toehalende, schoot hij hem door het hoofd, dat hij dood nederviel, daarop stapte hij naar den eersten toe, die ons staande gehouden had, en voor deze hem naderen kon (want het geschiedde alles in een oogenblik) deed hij eene houw naar hem met de sabel, die hij altijd droeg. Hij miste hem echter, maar trof zijn paard aan het hoofd, sloeg het een oor af en eene groote lap vel van den kop. Het arme dier, dol van pijn, werd onhandelbaar, schoon de ruiter vast genoeg in den zadel zat, ging het met hem door, en voerde hem buiten bereik van den loods, en toen het een eind ver was, steigerde het, wierp zijn berijder af en viel op hem.
Middelerwijl kwam de arme Chinees aan, die zijn kameel verloren had, doch hij was ongewapend. Toen hij den Tartaar zag vallen en zijn paard op hem, liep hij naar dezen toe en ontnam hem een lomp wapen, hetwelk wel naar eene bijl geleek, dat deze op zijde had, en sloeg er hem de hersenen mede in. De oude loods had echter nog met den derden Tartaar te doen, en ziende dat deze niet, gelijk hij gehoopt had, de vlugt koos, noch gelijk hij vreesde op hem afkwam, maar stil bleef staan, bleef de oude man ook staan en begon zijne pistool weder te laden. Zoodra de Tartaar echter de pistool zag, koos hij het hazenpad en liet den loods meester van het slagveld.
Thans begon ik een weinig bij te komen, maar eerst dacht ik, dat ik uit eenen gerusten slaap ontwaakt was, en wist niet waar ik was, noch hoe ik op den grond kwam; eenige oogenblikken daarna, weder tot bewustheid gekomen, gevoelde ik pijn, schoon ik niet wist waar, ik bragt mijne hand aan mijn hoofd, en haalde die bebloed terug, toen gevoelde ik pijn aan mijn hoofd en weldra keerde ook de herinnering terug van hetgeen er gebeurd was. Ik sprong dadelijk op de been en greep naar mijne sabel, maar er was geen vijand meer te zien. Ik zag een Tartaar dood op den grond liggen, en zijn paard bedaard naast hem staan, en wat verderop zag ik mijn bondgenoot en redder, die gaan zien was wat de Chinees deed, met zijne sabel in de hand terugkeeren. Toen de oude man mij op de been zag, kwam hij naar mij toeloopen, en omhelsde mij met groote vreugde, daar hij eerst gevreesd had, dat ik dood was. Mij bebloed ziende, wilde hij naar mijne wond zien, maar deze beteekende niet veel, en bestond slechts uit een gat in den kop, gelijk men zegt. Ook had ik naderhand geen ongemak van den slag, dan de wond, en die was binnen twee of drie dagen bijkans genezen.
Deze overwinning bragt ons echter weinig voordeel aan; wij verloren een kameel en wij wonnen een paard, doch het verdient opmerking, dat toen wij in het dorp terugkwamen, de man voor den kameel wilde betaald worden. Ik weigerde dit, en de zaak werd voor den Chineschen regter van die plaats gebragt, of gelijk wij zouden zeggen voor den vrederegter. Om hem regt te doen, hij handelde zeer voorzigtig en onpartijdig, en na beide partijen gehoord te hebben, vroeg hij ernstig aan den Chinees, die met mij medegegaan was, om den kameel te koopen, wiens knecht hij was. "Ik ben geen knecht," zeide deze, "maar ik ging met den vreemdeling mede."--"Op wiens verzoek!" vraagde de regter.--"Op des vreemdelings verzoek," was het antwoord.--"Welnu," zeide de regter, "dan waart gij in dienst van den vreemdeling te dier tijd, en daar de kameel aan iemand in zijne dienst is ter hand gesteld, is zij aan hem ter hand gesteld, en hij moet hem betalen."
Ik beken, dat dit zoo duidelijk was, dat ik er niets tegen kon inbrengen; maar bewonderde de juistheid zijner gevolgtrekking en zijne juiste uiteenzetting der zaak, en betaalde dus gewillig den kameel en zond om eenen anderen, maar gij kunt er op aan, dat ik dien niet zelf ging halen. Ik had daarvan mijn bekomst.
De stad Naum is eene grensplaats van het Chinesche rijk, zij noemen het eene vesting, en het is er ook eene voor hun doen, want dat durf ik verzekeren, dat al de Tartaren van Groot-Tartarije, die geloof ik eenige millioenen bedragen, de muren met hunne bogen en pijlen niet plat kunnen schieten, maar om het sterk te noemen, als het met geschut aangevallen werd, daar zou iedereen om lagchen, die er verstand van had. Wij waren nog twee dagreizen van deze stad, toen wij boden ontmoetten, die van alle kanten uitgezonden waren, om alle reizigers en karavanen te verwittigen, dat zij halt moesten houden tot hun eene wacht was toegezonden, want dat een bijzonder groote troep Tartaren, wel tienduizend, in de omstreek gezien was, ongeveer dertig (Eng.) mijlen van de stad.
Dat was kwaad nieuws voor reizigers; echter was het van den gouverneur zeer zorgvuldig gehandeld, en wij vernamen met blijdschap, dat wij een escorte zouden erlangen. Twee dagen later werden ons ook tweehonderd soldaten, uit een Chineesch garnizoen, links van ons, en nog driehonderd uit de stad Naum toegezonden, en met deze trokken wij moedig voort. De driehonderd soldaten van Naum trokken vooruit, de tweehonderd achteraan, en ons volk aan weerszijden van de kameelen, met onze bagaadje en de geheele karavaan in het midden. Op deze wijze en goed ten strijde toegerust, dachten wij het wel met tienduizend Mongoolsche Tartaren te kunnen opnemen, als zij verschenen waren, maar toen zij den volgenden dag kwamen opdagen, zag het er geheel anders uit.
Vroeg in den morgen, toen wij Van een klein, welgelegen dorp, Changu geheeten, opbraken, moesten wij eene rivier overtrekken, waar wij moesten overvaren, en zoo de Tartaren op kondschap uitgegaan waren, hadden zij ons hier moeten overvallen, toen de karavaan overgetrokken en de achterhoede nog aan de andere zijde was, maar zij lieten zich daar niet zien. Eerst drie uren later, toen wij op eene woeste vlakte van ongeveer vijftien of zestien mijlen gekomen waren, zagen wij aan eene opstijgende stofwolk, dat de vijand nabij was, en dit was ook zoo, want zij kwamen naar ons toerijden.
De Chinezen, onze voorhoede, die den vorigen dag zoo gesnoefd hadden, begonnen te deinzen, en de soldaten zagen dikwijls om, hetgeen bij een soldaat een zeker teeken is, dat hij op het punt staat van te vlugten. Mijn oude loods dacht er ook zoo over, want bij mij komende zeide hij: "Senhor Inglese! deze lieden moeten aangemoedigd worden of het is met ons gedaan, want als de Tartaren nader komen, zullen zij geen stand houden."--"Ik geloof het ook," zeide ik, "maar wat zullen wij doen?"--"Wel," zeide hij, "laat vijftig man van ons volk vooruittrekken, en hen de beide vleugels dekken en aanmoedigen, en dan zullen zij als dappere kerels met dappere bondgenooten strijden, maar zonder dit zal iedereen het hazenpad kiezen." Ik reed dadelijk naar onzen aanvoerder, wien ik dit mededeelde. Hij gaf mij volkomen gelijk en dus dekten vijftig onzer hunne vleugels en de overigen maakten eene reserve uit; zoo trokken wij voort en lieten de laatste tweehonderd man als eene afzonderlijke afdeeling, om de kameelen te bewaken, met afspraak, dat zij, als het noodig ware, ons honderd man tot versterking zouden zenden.
In een woord, de Tartaren kwamen in ontelbare menigte, hoe veel konden wij niet zeggen, maar wij geloofden op zijn minst tienduizend. Eerst kwam eene troep van hen ons verkennen, die dwars voorbij onze linie reed, en daar zij binnen het bereik van onze geweren kwamen, liet onze aanvoerder de twee vleugels vooruitrukken, en hen met kogels van beide vleugels begroeten. Zij trokken af en gingen denkelijk verhalen, welke ontvangst hen hier bereid werd. Dit scheen de anderen weinig te smaken, want zij hielden stil, stonden zich eene poos te bedenken, en linksaf zwenkende verlieten zij ons, hetgeen ons niet onaangenaam was, daar wij niet zeer verlangden naar een gevecht met zulk eene overmagt.
Twee dagen daarna kwamen wij in de stad Naum. Wij bedankten den gouverneur voor zijne zorgen jegens ons, en bragten ongeveer een honderd kroonen bijeen, die wij aan de soldaten gaven, die ons begeleid hadden, en wij hielden hier een dag rust. Dit is eene vesting, waarin negenhonderd soldaten lagen, maar de reden hiervan is, dat vroeger de Russische grenzen hier digterbij waren dan thans, daar de Russen het deel des lands, dat zich ongeveer 200 (Eng.) mijlen westwaarts van deze stad uitstrekt, hebben verlaten, als woest en nergens toe geschikt, en vooral omdat het zoo ver af was en moeijelijk er troepen heen te zenden, want wij moesten nog tweeduizend mijlen afleggen, eer wij aan het eigenlijke Rusland kwamen.
Hierna trokken wij over verscheidene groote rivieren en door verscheidene woestijnen, waarmede wij zestien dagen bezig waren, en die onder geen bepaald gebied behoorden. Den 12 April kwamen wij aan de grenzen van het Russische gebied. Ik meen, dat de eerste stad aldaar Arguna heette, aan de westzijde van de rivier Argun.
Met groote vreugde zag ik mij thans in een Christelijk land, althans in een land, dat door Christenen geregeerd wordt. Ieder die zooveel door de wereld gereisd had als ik, en eenige nagedachten had, zou gewis bedenken, welk een zegen het is in een land te komen, waar de naam van God en den Verlosser bekend is en vereerd wordt; en waar niet het volk den duivel aanbidt, of zich voor houten of steenen monsters nederbuigt. Nog geene stad of dorp waren wij tot hiertoe doorgetrokken, waar het volk niet zijne afgoden en tempels had, en het werk zijner eigene handen vereerde en aanbad. Nu echter kwamen wij op plaatsen, waar de knieën voor onzen Heer gebogen werden en de naam van den eenigen waren God aangeroepen werd, en dit denkbeeld verheugde mij tot in het binnenste der ziel. Ik deelde den Schotschen koopman mijne gewaarwordingen mede en hem bij de hand nemende, zeide ik: "God dank, dat wij thans weder onder Christenen zijn." Hij glimlachte en zeide: "Verheug u niet te vroeg, landsman! de lieden hier zijn een vreemd slag van Christenen, en gij zult in de eerste maanden van onze reis daar niet veel anders dan den naam van zien."--"Dat is toch altijd beter dan het heidendom en duivelaanbidding," zeide ik.--"Ja," zeide hij, "maar behalve de hier in garnizoen liggende Russische soldaten en eenige bewoners der steden, wordt het land nog duizend (Eng.) mijlen verder door de onwetendste heidenen bewoond." En de waarheid van het gezegde bleek ons later.
Wij bevonden ons thans, naar ik geloof, op het grootste gedeelte vastland, dat er, naar ik meen, op den ganschen aardbol te vinden is. Wij waren oostwaarts ten minste twaalfhonderd (Eng.) mijlen van de zee, westwaarts ten minste tweeduizend van de Oostzee, en bijkans drieduizend van het Engelsch kanaal verwijderd; zuidwaarts vijfduizend mijlen van de Indische of Perzische zee, en ongeveer achthonderd mijlen noordwaarts van de Poolzee. Zelfs als men sommigen gelooven wilde, zou er noordoostwaarts in het geheel geene zee zijn, voor men om de pool noordwestelijk was; en dus een vastland tot in Amerika hebben, niemand weet waar, schoon ik wel eenige reden voor het tegendeel zou kunnen aanvoeren.
Toen wij op het Russische gebied kwamen, lang voordat wij eene stad van eenig belang bereikten, vonden wij niets opmerkelijks, dan alleen dat alle rivieren oostelijk liepen. Naar de kaarten te zien, die sommigen onzer bij zich hadden, was het duidelijk, dat al deze stroomen in de groote rivier Jamoer of Gamoer uitliepen. Door zijnen natuurlijken loop moet deze rivier in de Chinesche zee vloeijen. Het verhaal dat men doet, dat de mond van deze rivier opgestopt is met biezen van ontzettende grootte, namelijk van drie voet dik en twintig tot dertig voet hoog, geloof ik, dat onwaar is. Maar daar derzelver bevaarbaarheid van geen nut is, dewijl er dien kant uit geen handel is, en de Tartaren, aan wie dezelve behoort, alleen in vee handelen, zoo is niemand ooit, voor zoover ik gehoord heb, zoo nieuwsgierig geweest, van naar den mond in booten op te varen, of die in schepen af te varen, maar dit is zeker, dat deze rivier op 60° breedte vlak oost loopt, en eene menigte rivieren in zich opneemt, en zich op die breedte in eene zee ontlast, die daar zeker aan te treffen is.
Eenige mijlen noordwaarts van die rivier zijn verscheidene groote stroomen, die even vlak noordelijk loopen, als de Jamoer oost, en al deze ontlasten zich in de groote rivier Tartarus, zoo genoemd naar de noordelijkste stammen der Mongoolsche Tartaren, die, naar de Chinezen zeggen, de oudste Tartaren der wereld zijn, en welke sommige zeggen, dat de Gog en Magog der Heilige Schrift zijn.
Wij trokken thans met kleine dagreizen van de rivier Arguna, en waren den Czaar van Rusland zeer verpligt voor zijne moeite, dat hij op zoovele plaatsen als mogelijk dorpen en steden had aangelegd, niet ongelijk aan de vestigingen, die de Romeinen in de afgelegenste streken van hun gebied aanlegden, ter beveiliging van den handel en opname van reizigers. Dit was ook hier het geval, want waar wij kwamen, waren wel de gouverneur en de bezetting Russen en Chinezen, maar de bewoners van het land waren heidenen, die afgoden dienden, en de zon, de maan en sterren aanbaden, en dat niet alleen, maar van al de heidenen, die ik ooit aantrof, waren dit de onbeschaafdste, behalve dat zij niet, gelijk de wilden van Amerika deden, menschenvleesch aten.
Eenige blijken hiervan vonden wij in het land tusschen Angura, waar wij het Russische gebied betraden, en eene door de Russen en Tartaren bezeten wordende stad, Nortzinskoi genaamd, welke tusschenruimte uit eene aanhoudende woestijn bestond, die ons twintig dagen kostte, om door te trekken. In een dorp nabij de laatste plaats, dreef de nieuwsgierigheid mij, om hunne leefwijze te bezien, die alleronbeschaafdst is. Zij hadden dien dag eene groote offerande, denk ik, want op een ouden boomstronk stond een houten afgod, zoo leelijk als de duivel, althans zoo leelijk als iets wat den duivel voorstellen moet, wezen kan; zijn hoofd geleek naar niets wat ooit iemand zag, zijne ooren waren zoo groot en dik, als bokkenhorens, zijne oogen zoo groot als een driegulden, een neus als een gekromde ramshoorn, en een muil met vier hoeken als die van eenen leeuw, met leelijke tanden, zoo hoekig als de sneb van een papegaai. Hij was zoo leelijk gekleed als men denken kan, zijn bovenkleed was van schapenhuiden met de wol buitenwaarts, en hij had eene groote Tartaarsche muts op het hoofd met twee hoorns er doorkomende. Het was ongeveer acht voet hoog, maar had geene beenen, noch eenige andere ligchaamsdeelen.
Deze moolik stond aan de buitenzijde van het dorp, en er bijkomende zag ik zestien of zeventien personen, mannen of vrouwen, dit kon ik niet zien, want zij zijn allen volkomen eveneens gekleed, rondom dit wanschapen beeld uitgestrekt op den grond liggen. Zij waren even bewegingloos, als hun houten afgod. Eerst dacht ik, dat zij ook van hout waren, maar toen ik naderbijkwam, sprongen zij op de been, met een krijschend gehuil, als zoovele huilende honden, en trokken terug, alsof zij misnoegd waren, dat zij gestoord waren. Een eind weegs van dit monster, aan de deur van een van gedroogde koeijen- en schapenhuiden gemaakte tent, stonden drie slagers, alshans daarvoor hield ik hen, want zij hadden lange messen in de hand, en in het midden van de tent stonden drie schapen en een jonge stier. Het waren, naar het schijnt, offers voor dat gedrochtelijk stuk hout, en deze drie mannen priesters van hetzelve, en de zeventien op den grond liggende wezens waren lieden, die de offers aanbragten, en daarbij hunne gebeden deden.
Ik beken, dat hunne domheid in deze vereering van den moolik mij meer ergerde, dan iets wat ik ooit aanschouwd had; om Gods edelste schepsel, aan wien bij de schepping zoo vele voorregten boven al het geschapene zijn toegestaan, dat begaafd is met eene redelijke ziel, en met eigenschappen om zijnen Schepper te eeren; hem zoo diep gezonken te zien, dat hij zich voor een leelijk schrikbeeld, een ingebeeld iets, nederwerpt, dat hij zelf gevormd en schrikinboezemend gemaakt en met vuile lappen bekleed had, dit achtte ik een gewrocht des duivels, die den Schepper de aanbidding zijner schepselen benijdde, en hen verleid had tot zulke walgelijke en verderfelijke dingen, als men tegen de natuur zou denken te strijden.
Maar wat baatten alle deze overwegingen? Ik zag het daar voor mijne oogen en kon dus niet denken, dat het onmogelijk was. Ik werd woedend en reed naar het beeld of monster, hoe men het noemen wil, en deed met mijne sabel een houw op de muts, die het droeg, zoodat die aan zijne horens bleef hangen, en een van mijne geleiders trok de schapenhuid er af, die het bekleedde, toen er eensklaps, onder een geweldig geschreeuw, wel twee of driehonderd man kwamen aanloopen, zoodat ik blijde was de vlugt te kunnen kiezen, want wij zagen eenige bogen en pijlen; maar ik besloot toch, het beeld nog een bezoek te geven.
Onze karavaan bleef drie dagen in het dorp, dat een uur verder lag, om zich eenige paarden aan te schaffen, die wij noodig hadden, daar door de slechte wegen verscheidene paarden kreupel waren geworden. Dus had ik gelegenheid, hier mijn oogmerk uit te voeren. Ik deelde mijn voornemen mede aan den Schotschen koopman van Moscou, van wiens moed ik de duidelijkste blijken had gezien. Ik zeide hem, wat ik gezien had, en hoe dit mijne verontwaardiging had opgewekt, en dat ik besloten had, als ik slechts vier of vijf goed gewapende lieden mede kon krijgen, dat afschuwelijke afgodsbeeld te gaan vernielen, om hun te laten zien, dat het geene de minste magt bezat, en dus geen voorwerp van vereering zijn kon. Hij begon te lagchen en zeide: "Uw ijver is misschien goed, maar wat hebt gij u eigenlijk er bij voorgesteld?"--"Wat," zeide ik, "wel om Gods eer te wreken, die door deze duivelaanbidding beleedigd wordt."--"Maar hoe zal dit geschieden," vervolgde hij, "als het volk niet weet wat gij daarmede bedoelt, ten zij gij met hen kondt spreken en het hen zeggen? En in dit geval beloof ik u, dat zij u zouden bevechten, en vooral ter verdediging van hunnen afgod zouden zij als wanhopigen vechten."--"Kunnen wij het niet des nachts doen," vroeg ik, "en hen dan schriftelijk in hunne taal er de redenen van achterlaten?"--"Schriftelijk?" herhaalde hij, "wel in al hunne vijf natiën is er niet één, die eene letter lezen kan, zelfs niet in zijne moedertaal."--"Welk eene grove onwetendheid!" zeide ik. "Maar toch heb ik mij voorgenomen het te doen; misschien zullen zij er door tot het besluit komen, dat hunne vereering van zulke plompe dingen beneden den mensch is."--"Hoor eens, mijnheer!" zeide hij, "als uw ijver er u toe aandrijft, moet gij het doen, maar vooreerst moet gij bedenken, dat deze woeste volkeren met geweld onder de heerschappij van den Russischen Czaar gebragt zijn; en als gij het doet, is het tien tegen een, dat zij bij duizenden naar den gouverneur van Nortzinskoy zullen komen, om zich te beklagen en voldoening te eischen, en als hij hun die niet geven kan, is het tien tegen een, dat zij zullen opstaan, en dit zal eenen nieuwen oorlog met al de Tartaren in het geheele land geven."
Dit moet ik bekennen, bragt mij eene poos op andere gedachten, maar ik bleef er toch mijne zinnen op zetten, en den geheelen dag verlangde ik mijn oogmerk te kunnen volvoeren. Tegen den avond ontmoette ik toevallig den Schotschen koopman op eene wandeling buiten de stad, en hij sprak mij aan. "Ik geloof, dat ik u van uw goed voornemen heb afgebragt," zeide hij, "en dat spijt mij eenigzins, want ik verfoei de afgoderij evenzeer als gij."--"Gij hebt mij zekerlijk overgehaald, de uitvoering nog uit te stellen," antwoordde ik, "maar mij er nog niet geheel van afgebragt, en ik geloof, dat ik het stuk nog bestaan zal, voordat wij deze plaats verlaten, al zou men mij ook, om hen te voldoen, aan hen uitleveren."--"Neen, neen," hernam hij, "voor de uitlevering aan zulk een hoop monsters moge de Hemel u bewaren; dat zal men niet doen, dat zou uw zekere dood zijn."--"Hoe zouden zij mij dan behandelen?" vroeg ik.--"Ik zal u zeggen," hernam hij, "hoe zij een ongelukkigen Rus behandeld hebben, die hen, zoo als gij wilt, in hunne godsdienst beleedigd had. Nadat zij hem verminkt hadden, dat hij niet kon wegloopen, ontkleedden zij hem, en zetteden hem boven op het afgodsbeeld, en allen gingen om hem staan, en schoten zoovele pijlen in zijn ligchaam, als zij konden, en verbrandden hem daarop ter eere van hunnen afgod."--"En was dat dezelfde afgod?" vroeg ik.--"Dezelfde," zeide hij.--"Nu, dan zal ik u ook iets verhalen," zeide ik. Daarop verhaalde ik hem het gebeurde te Madagascar, hoe ons volk daar het geheele dorp in brand gestoken en al de bewoners omgebragt had, omdat zij een man van ons hadden vermoord, gelijk ik vroeger verhaald heb, en toen ik geëindigd had, voegde ik er bij, dat mijns bedunkens met dit dorp even zoo moest gehandeld worden.