Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 2
Wij vernamen, dat het een Fransche koopvaarder, op de tehuisreis van Quebec op de rivier van Canada, was. De kapitein verhaalde ons in het breede het ongeluk, dat zijn schip getroffen had, hoe de brand in de stuurmanskamer, door achteloosheid van den stuurman ontstaan was, maar nadat hij hulp geroepen had, geheel gebluscht was geworden, gelijk iedereen gemeend had. Spoedig echter bespeurde men, dat er eenige vonken gevallen waren op eene plaats, waar men zoo moeijelijk bij kon komen, dat men die niet kon blusschen, en de brand naderhand tusschen de inhouten en beschotten geraakt was, vanwaar hij zich in het ruim verspreid en al hunne inspanningen vruchteloos gemaakt had.
Er was niets anders op, dan in de booten te gaan, die tot hun geluk zeer groot waren, bestaande uit de barkas en eene groote boot, benevens nog een sloepje, dat weinig anders hun baten kon, dan om er eenig zoet water en proviand in te laden, nadat zij zich uit den brand gered hadden. Zij hadden inderdaad weinig hoop op hun behoud, toen zij zoo ver van alle land in deze booten gingen, alleenlijk, gelijk zij te regt aanmerkten, waren zij buiten gevaar van den brand, en bestond de mogelijkheid, dat zij op die hoogte een schip ontmoetten, dat hen opnam. Zij hadden zeilen, riemen en een kompas, en waren besloten naar Newfoundland koers te stellen, daar het eene stijve koelte uit het Z.O.t.O. woei. Zij hadden zooveel voorraad en water, dat als zij er niet meer van gebruikten, dan om voor verhongeren bewaard te blijven, zij voor twaalf dagen genoeg hadden, in welken tijd de kapitein zeide, dat hij gehoopt had, buiten slecht weder en tegenwind, de banken van Newfoundland te bereiken, en misschien eenige visschen tot hun voedsel te vangen, totdat zij het land zouden bereiken. Doch in al deze gevallen liepen zij nog veel gevaar, als om door storm omvergeworpen en verbrijzeld te worden, van regen en koude te verstijven en te bevriezen, door tegenwinden opgehouden te worden en van honger te sterven, dat zoo zij aldus gered waren geworden, dit waarlijk wel een wonder had mogen heeten.
De kapitein verhaalde mij met tranen in de oogen, dat te midden hunner beraadslagingen, en toen iedereen alle hoop liet varen en vertwijfelen wilde, zij plotseling verrast werden door het hooren van een schot, door nog vier gevolgd; dit waren de vijf schoten, die ik had laten doen, zoodra wij de vlam zagen. Dit stak hun een riem onder het hart, en verwittigde hen, gelijk mijne bedoeling was, dat er een schip in de nabijheid was, om hen te hulp te komen. Op het hooren van deze schoten hadden zij hunne masten en zeilen gestreken, en daar het geluid voor den wind afkwam, besloten zij te blijven liggen tot het dag werd. Eenigen tijd daarna, niet meer hoorende schieten, hadden zij drie geweerschoten gedaan, die wij echter, daar het in den wind was, niet gehoord hadden.
Eene poos daarna werden zij weder verblijd door onze lichten te zien en ons schieten te hooren, dat ik, gelijk ik zeide, den geheelen nacht door had laten doen; dit deed hun aan de riemen gaan en op ons aanroeijen, ten einde wij hen spoediger zouden kunnen zien, en eindelijk bemerkten zij tot hunne onuitsprekelijke vreugde, dat zij gezien werden.
Het is mij onmogelijk de verschillende gebaren te beschrijven, de verrukking en opgetogenheid, waaraan deze arme geredde lieden zich overgaven, om hunne vreugde over hunne onverwachte redding uit te drukken. Droefenis en vrees zijn gemakkelijk te beschrijven; zuchten en tranen, snikken en eenige weinige bewegingen met hoofd en handen zijn de eenige wijzen, waarop zij uitgedrukt worden; maar een overmaat van vreugde, eene heugelijke verrassing brengt duizend buitensporigheden met zich. Sommigen smolten weg in tranen, anderen schreeuwden en jammerden, alsof zij ten diepste bedroefd waren; sommigen waren volslagen krankzinnig; anderen liepen stampvoetende over het schip; anderen handenwringende; sommigen dansten, anderen zongen, anderen lachten, anderen gilden; sommigen waren van de spraak beroofd en konden geen woord uitbrengen; sommigen waren ziek en misselijk; verscheidene vielen in zwijm; en eenige weinige sloegen een kruis en dankten God.
Ik wil hun geen onregt doen; naderhand waren misschien zeer velen dankbaar; maar de eerste aandoening was hun te sterk, en zij konden die niet bedwingen; zij waren in zekere mate verbijsterd van zinnen, en slechts weinigen betoonden zich in hunne vreugde bedaard en gematigd. Misschien ligt hiervan de reden eensdeels in hunnen eigendommelijken landaard, ik bedoel den Franschen, wier geest altijd vlugger, hartstogtelijker en meer geneigd is, om tot uitersten over te slaan, dan die van andere volken. Ik ben geen wijsgeer genoeg, om de oorzaak te bepalen, maar nooit had ik vroeger in mijn leven zoo iets bijgewoond. De verrukking, waaraan zich Vrijdag, mijn trouwe wilde, overgaf, toen hij zijn vader in de boot aantrof, kwam er het naaste bij; en de verbazing van den kapitein en zijne brave medgezellen, die ik redde van de schurken, die hen op het eiland aan wal gezet hadden, zweemde er eenigzins naar; maar noch dat van Vrijdag, noch iets wat ik ooit in mijn leven zag, haalde er eenigzins bij.
Ik moet nog opmerken, dat deze uitsporigheden zich niet alleen bij verschillende personen op zich zelve vertoonden; neen, dezelfde persoon bedreef ze achtervolgens allen, in een kort tijdsverloop. Een man, die het eene oogenblik sprakeloos en geheel bedwelmd en verbijsterd was, danste en schreeuwde het volgende oogenblik als een bezetene; een oogenblik daarna rukte hij zich de haren uit, scheurde zich de kleederen van het lijf, en vertrapte die als een krankzinnige; weinige minuten daarna smolt hij weg in tranen, dan werd hij flaauw en viel in zwijm, en zou, als men hem niet oogenblikkelijk te hulp gekomen was, binnen weinige minuten dood geweest zijn; en zoo ging het niet met een of twee, of tien, of twintig, maar het meerendeel van hen; en als ik wel heb, was onze doktor verpligt er meer dan dertig te aderlaten.
Er bevonden zich twee priesters onder hen, een oud en een jong man, en wat zonderling was, de oude man was het hevigst aangedaan. Zoodra hij aan boord van ons schip was, en zich gered zag, viel hij als dood neder, terwijl er geen teeken van leven in hem te bespeuren was. Onze doctor diende hem dadelijk de noodige middelen toe, en was de eenigste man aan boord, die niet geloofde, dat hij dood was, en eindelijk deed hij hem eene aderlating, na zijn arm eerst gewreven te hebben, om dien te verwarmen. Eerst kwam het bloed bij droppels, en vloeide toen wat ruimer; drie minuten later sloeg de man de oogen op, en een kwartier daarna scheen hij volkomen hersteld. Nadat zijn arm verbonden was, liep hij heen en weêr, zeide, dat hij geheel hersteld was, en nam een drankje in, dat de doctor hem gaf. Een kwartier uurs later kwam men den doctor roepen, die eene in flaauwte liggende Fransche vrouw aderliet, en zeide, dat de priester ijlhoofdig was geworden, gelijk ook werkelijk het geval was. De doctor wilde hem in dien toestand niet aderlaten, maar gaf hem een verdoovend en slaapwekkend middel in, dat na eenigen tijd werkte, en den volgenden morgen ontwaakte de oude man volkomen wel en bij zijn volle verstand.
De jonge priester was zijne hartstogten meer meester, en werkelijk een voorbeeld van een gelaten en bezadigd karakter. Toen hij eerst aan boord bij ons kwam, wierp hij zich plat op den grond neder, om God voor zijne bevrijding te danken, waarin ik hem ongelukkig en ontijdig stoorde, daar ik dacht, dat hij in flaauwte was gevallen; doch hij sprak bedaard, dankte mij, zeide mij, dat hij God gedankt had voor zijne bevrijding, en smeekte mij hem nog eenige oogenblikken ongestoord te laten, en dat hij na zijnen Schepper ook mij wilde dank zeggen.
Het speet mij bitter, dat ik hem gestoord had, en ik liet hem niet alleen ongemoeid, maar zorgde ook, dat anderen dit deden. Hij bleef ongeveer drie minuten in dezelfde houding, kwam toen naar mij toe, gelijk hij gezegd had, en dankte mij met de opregtste hartelijkheid, en met tranen in de oogen, dat ik, naast God, hem en zoo vele andere ongelukkigen, het leven had gered. Ik zeide hem, dat ik hem niet behoefde aan te sporen, God veeleer dan mij te danken, daar ik gezien had, dat hij dit reeds had gedaan. Maar ik voegde er bij, dat dit slechts een bevel was, dat aan alle menschen door de rede en menschlievendheid voorgeschreven werd, en dat wij even veel reden als zij hadden om God te danken, dat deze ons de genade had bewezen, ons tot werktuigen zijner barmhartigheid te maken.
Daarna keerde de jonge priester zich tot zijne landgenooten, trachtte hen tot bedaren te brengen, en vermaande en smeekte hen, zich aan geene buitensporigheden over te geven. Bij eenigen gelukte dit, doch de meesten hadden geenerlei magt over zichzelven. Ik heb dit vermeld, om dat het nuttig kan zijn voor degenen, in wier handen dit verhaal valt, dat zij zich voor alle uitsporige vervoering van aandoeningen wachten; want zoo overmaat van vreugde den mensch reeds zoo zeer buiten het bestier zijner rede vervoert, waartoe zal dan de overmaat van nijd, haat of toorn ons niet brengen? Waarlijk, ik zag hier hoe wij steeds over alle driften de wacht moeten houden, zoo wel bij vreugde en genoegen als bij droefheid en leed.
Deze uitsporigheden onzer nieuwe gasten veroorzaakten den eersten dag eene tamelijke verwarring, maar toen zij zich naar bed hadden begeven, zoo goed wij hun dit in ons schip konden geven, en gerust geslapen hadden, gelijk de meesten hunner van afmatting deden, waren zij den volgenden dag geheel andere menschen.
Zij lieten niet na, ons alle beleefdheid en dankbaarheid voor de hun bewezene diensten te betuigen; want men weet, dat de Franschen over het algemeen beleefd genoeg zijn. De kapitein en een der priesters kwamen den volgenden dag bij mij, en verzochten mij en mijnen neef, onzen kapitein, te spreken, en met ons te beraadslagen, hoedanig wij met hen zouden handelen. Eerstelijk zeiden zij, dat daar wij hun het leven gered hadden, al wat zij in de wereld bezaten te weinig was, om ons deze dienst te vergelden. De kapitein zeide, dat hij eenig geld en eenige zaken van waarde nog in der haast uit de vlammen had weten te redden, en dat, zoo wij het wilden aannemen, zij volmagt hadden, ons het aan te bieden; zij verzochten alleen hier of daar aan wal gezet te worden, vanwaar zij zoo mogelijk als passagiers naar Frankrijk zouden gaan. Mijn neef wilde eerst hun geld aannemen en dan beraadslagen wat met hen aan te vangen; maar ik bragt hem daaraf; want ik wist wat het te zeggen is, in een vreemd land aan wal gezet te worden, en als de Portugesche kapitein, die mij op zee opnam, mij zoo behandeld en voor mijne bevrijding mij alles afgenomen had, had ik van honger moeten sterven, of in Brazilië even goed slaaf zijn als in Barbarije, behalve dat ik dan aan geen Turk zou behooren; maar misschien is een Portugees al geen beter meester dan een Moor, zoo niet in sommige gevallen veel erger.
Ik zeide derhalve den Franschen kapitein, dat wij hen, wel is waar, in zijnen nood hadden opgenomen; maar dat dit alleen onze pligt jegens onzen evenmensen was, en gelijk wij in denzelfden of soortgelijken toestand zouden verlangen gered te worden; dat wij niets voor hen gedaan hadden, dan hetgeen wij vertrouwden, dat zij voor ons zouden hebben gedaan, als wij in hun geval en zij in het onze waren geweest; dat wij hen opgenomen hadden om hen te redden, maar niet om hen te plunderen; en dat het onmenschelijk zou zijn, hun het weinige, dat zij uit den brand gered hadden, te ontnemen en hen dan aan wal te zetten en aan hun lot over te laten; dat zou zijn hen eerst van den dood te redden, om hen naderhand daaraan ten prooi te geven; hen uit het water te redden om hen aan den honger prijs te geven; en derhalve verlangde ik, dat hun niets het minste zou ontnomen worden. Hen aan wal te zetten, was inderdaad voor ons eene moeijelijke zaak, gelijk ik hun mededeelde, want ons schip was naar Oost-Indië bestemd, en schoon wij zeer ver westwaarts heen waren geslagen, hetgeen welligt de Hemel tot hun behoud aldus beschikt had, was het ons toch ondoenlijk, om hunnentwil onze reis te veranderen, en mijn neef, de kapitein, kon het niet aan de reeders verantwoorden, jegens welke hij verpligt was, om zijne reis naar Brazilië te vervolgen. Al wat ik voor hen doen kon was, ons zooveel mogelijk in het vaarwater te houden van naar huis gaande West-Indievaarders, en zoo mogelijk hun een overtogt naar Engeland of Frankrijk te verschaffen.
Het eerste deel van mijn voorstel was zoo edelmoedig en welgemeend, dat zij er niet dan zeer dankbaar voor konden zijn, doch zij waren zeer ongerust, vooral de passagiers, vooral bij het vooruitzigt van misschien mede naar Oost-Indië te moeten gaan. Zij smeekten mij, dat, aangezien ik, voordat ik hen aantrof, zoo ver westelijk geslagen was, ik althans tot de banken van Newfoundland dienzelfden koers zou houden, waar ik waarschijnlijk wel een scheepje zou aantreffen, dat zij konden huren, om hen naar Canada terug te brengen.
Ik beschouwde dit als een zeer billijk verzoek, en wilde dit hun gaarne toestemmen, want ik begreep dat al dit volk naar Oost-Indië mede te nemen, voor henzelven niet alleen eene onondragelijke hardigheid zijn zou, maar ook onze reis bemoeijelijken, door het verteren van onze proviand; zoodat ik het voor geene inbreuk op den vrachtbrief aanzag, dat een geheel onvoorzien toeval ons hiertoe dwong, en waarin wij niet te laken waren; want zoowel Goddelijke als menschelijke wetten eischten van ons, dat wij twee booten vol volk in zulk eenen ongelukkigen toestand niet weigerden op te nemen, en zoowel hun als onze toestand vereischte, dat wij hen te hunner bevrijding hier of daar aan wal zetten. Dus beloofde ik hen naar Newfoundland te brengen, als wind en weder het toelieten, en zoo niet, dat ik hen dan naar Martinique zou brengen.
De oostenwind bleef lang aanhouden, doch met goed weder, en daar er reeds lang oostelijke winden geheerscht hadden, misten wij verscheidene gelegenheden hen naar Frankrijk te zenden, want wij praaiden verscheidene naar Europa bestemde schepen, waaronder twee Fransche, die van St. Kitts kwamen, maar zij hadden zoo lang tegen den wind moeten opwerken, dat zij geene passagiers durfden innemen, uit vrees van levensmiddelen te kort te komen voor hen en hunne passagiers. Het was omstreeks eene week daarna, dat wij de banken van Newfoundland bereikten, waar wij al onze Franschen aan boord van een bark lieten overgaan, die zij op zee huurden, om hen naar wal en vandaar naar Frankrijk te brengen, als zij aan wal genoeg levensmiddelen konden bekomen. Ik moet echter vermelden, dat de jonge Fransche priester, van wien ik gesproken heb, hoorende dat wij naar Oost-Indië gingen, ons verzocht aan boord te blijven, om op de kust van Coromandel aan wal gezet te worden. Ik gaf hiertoe gereedelijk mijne toestemming, want ik hield veel van den man, en niet zonder reden, gelijk in het vervolg blijken zal. Ook vier matrozen namen bij ons dienst, waarvan wij veel nut hadden.
Vandaar zetten wij koers naar de West-Indiën en hielden omstreeks twintig dagen Z.Z.O. aan, somtijds met weinig of geen wind; toen wij nieuwe voorwerpen van menschlievendheid aantroffen, bijkans even jammerlijk als de vorige.
Het was op 27° 5' N.B., den 18 Maart 1694, dat wij een zeil zagen, dat in onzen koers Z.Z.O. lag. Spoedig zagen wij, dat het een groot schip was, dat op ons aanhield, maar wisten eerst niet wat er van te denken. Wat naderkomende zagen wij, dat het zijne groote steng, fokkemast en boegspriet verloren had, en hoorden het een noodschot doen. Het weder was zeer goed, het woei eene bramzeilskoelte uit het N.N.W., en spoedig konden wij het praaijen.
Wij vernamen, dat het een schip van Bristol was, op de tehuisreis, doch dat het weinige dagen voordat het zeilree was, door eenen vreesselijken storm van de reede van Barbados was weggeslagen, terwijl de kapitein en opperstuurman beide aan wal gegaan waren, zoodat, behalve het gevaar van den storm, zij slecht in staat waren het schip naar huis te brengen. Zij waren reeds negen weken op zee, en hadden na den orkaan nog een vreesselijken storm moeten doorstaan, die hen westwaarts, geheel buiten hun bestek, had geslagen, en waarbij zij hunne masten verloren hadden. Zij verhaalden ons, dat zij verwachtten de Bahamas te zien, maar toen weder door een zwaren N.N.W. wind, dezelfde die thans woei, naar het Z.O. waren geslagen, en daar zij niet anders dan de onderzeilen en eene soort van razeil op een noodfokkemast, dien zij opgerigt hadden, konden bijzetten, konden zij niet digt bij den wind liggen, maar trachtten de Kanarische eilanden te bereiken.
Het ergste echter was, dat zij bijkans van honger gestorven waren, uit gebrek aan leeftogt, behalve de vermoeijenissen, die zij uitstonden; hun brood en vleesch was geheel op, en geen lood er meer van overig. Zij hadden sedert elf dagen niets genuttigd dan zoet water en een half vaatje meel; ook hadden zij suiker genoeg; in den beginne hadden zij eenige confituren gehad, doch deze waren ook op, en zij hadden nog zeven vaatjes rum.
Aan boord waren een jongeling en zijne moeder met een dienstmeisje als passagiers; deze waren, denkende dat het schip reeds gereed was onder zeil te gaan, ongelukkig den avond voor den orkaan aan boord gegaan, en daar zij geen leeftogt van zichzelven meer hadden, waren zij in nog jammerlijker toestand dan de overigen; want de matrozen, die zelf zooveel gebrek leden, hadden geen medelijden met de arme passagiers, en deze bevonden zich in eenen toestand, wiens ellende onbeschrijfelijk is.
Ik zou dit welligt niet vernomen hebben, indien de nieuwsgierigheid mij niet, toen de wind bedaard was, aan boord aldaar had doen gaan. De tweede stuurman, die thans het bevel op het schip had, was bij ons aan boord geweest, en vertelde mij, dat zij in de kajuit drie passagiers hadden, die in eenen allerjammerlijksten toestand waren. "Ik geloof zelfs, dat zij dood zijn," zeide hij, "want ik heb sedert twee dagen niets van hen gehoord, en vreesde naar hen te vernemen, want," vervolgde hij, "ik had niets waarmede ik hen kon laven."--Wij zochten onmiddellijk zooveel leeftogt voor hen bijeen, als wij missen konden, en ik had met mijnen neef reeds afgesproken, dat ik hen provianderen zou, al zouden wij ook naar Virginië of eenig deel van de Amerikaansche kust gaan, om voor onszelven levensmiddelen in te nemen; doch dit was niet noodzakelijk.
Zij bevonden zich echter thans in een nieuw gevaar, namelijk dat van te veel te eten, zelfs van het weinige, dat wij hun gaven. De stuurman, die thans bevelhebber was, bragt zes man in de boot mede, maar deze arme lieden zagen er uit als schimmen, en waren zoo zwak, dat zij naauwelijks op de riemen konden zitten. De stuurman zelf was zeer ziek en half verhongerd, want hij verklaarde, dat hij niets boven het volk vooruit had gehad, en van alles gelijk aandeel met hen genomen. Ik waarschuwde hem, weinig te eten, maar zette hem dadelijk vleesch voor; maar bij den derden mond vol werd hij ongesteld en kon niet meer slikken. Onze doktor maakte daarop eene soep voor hem gereed, dat voedsel en geneesmiddel, volgens zijn zeggen, te gelijk was, en na die genuttigd te hebben, werd hij beter. Middelerwijl vergat ik de matrozen niet. Ik gelastte hun eten voor te zetten, dat de arme lieden meer verslonden dan aten; zij waren zoo hongerig, dat zij half waanzinnig waren en zich niet bedwingen konden; en twee hunner aten zoo gulzig, dat zij den volgenden morgen in levensgevaar waren.
De ellende van deze lieden trof mij zeer, en deed mij herdenken aan het verschrikkelijk vooruitzigt, toen ik het eerst op het eiland kwam, waar ik geen mondvol eten had, en geenerlei verwachting het te zullen bekomen; zonder te spreken van de vrees, om door verscheurende dieren verslonden te worden. Maar terwijl de stuurman mij aldus den jammerlijken toestand van het scheepsvolk verhaalde, kon ik niet uit mijne gedachten zetten wat hij mij van de drie arme schepsels in de groote kajuit verhaald had, van de moeder, den zoon en het dienstmeisje namelijk, waarvan hij sedert twee of drie dagen niets gehoord had, en die hij, naar zijne woorden te oordeelen, scheen te bekennen, geheel verwaarloosd te hebben, omdat hun eigen nood zoo groot was. Ik begreep hieruit, dat zij hun in het geheel geen eten gegeven hadden, en dat zij derhalve gestorven zouden zijn, en misschien dood op den grond van de kajuit liggen.
Terwijl ik dus den stuurman met zijn volk aan boord hield, om hen te verkwikken, vergat ik het uitgehongerd volk niet, dat aan boord gebleven was, maar liet mijn eigen boot uitzetten, en zond den stuurman en twaalf man daarheen, om hun een zak beschuit en vier of vijf stukken ossenvleesch, om te koken, te brengen. Onze doktor waarschuwde hen, het vleesch te laten koken terwijl zij er bij waren, en in de kombuis de wacht te houden, ten einde het niet raauw gegeten of voor het gaar was door de matrozen uit den ketel gehaald werd, en ieder man slechts een klein stukje te gelijk te geven. Deze voorzorgen waren het behoud van het volk, want anders zouden zij zich dood gegeten hebben aan hetgeen hun tot behoud van hun leven gegeven werd.
Tevens gelastte ik den stuurman in de groote kajuit te gaan en te zien in welken toestand de arme personen waren; en zoo zij nog leefden, hen te vertroosten en zoodanige verkwikkingen te geven als zij behoefden; en de doktor gaf hem een pot met eenige soep, gelijk hij voor den stuurman had gereed gemaakt, en die hij niet twijfelde, dat hen van lieverlede op de been zou brengen.
Ik was hiermede nog niet tevreden, maar daar ik, gelijk ik zeide, verlangde, het tafereel van ellende, dat ik wist, dat dit schip zou opleveren, met eigene oogen te zien, nam ik den stuurman of kapitein, gelijk wij hem thans noemden, mede en begaf mij kort daarop zelf aan boord. Ik vond de matrozen bijkans in oproer, om het vleesch uit den ketel te halen eer het gaar was. Mijn stuurman handhaafde de orde, en deed goede wacht aan de kombuis houden. Het volk, dat daar de wacht hield, was genoodzaakt, na op alle mogelijke wijzen het volk vermaand te hebben geduldig te zijn, het met geweld er af te houden. Hij liet echter eenige beschuit in het vleeschnat doopen, en gaf iedereen daarvan een stuk, om hunne maag tevreden te stellen, en zeide, dat hij tot hun eigen bestwil genoodzaakt was, hun slechts weinig te gelijk te geven. Doch niets baatte; en als niet ik met hun eigen bevelhebber gekomen was, en hun goede woorden gegeven en ook gedreigd had, hun niets meer te geven, zouden zij, geloof ik, met geweld in de kombuis gedrongen zijn, en het vleesch er uitgehaald hebben, want woorden zijn een flaauw voedsel voor eene hongerige maag. Echter bragten wij hen tot rede, en gaven hun de eerste maal slechts weinig, en langzamerhand wat meer, tot wij hen eindelijk verzadigden, en niemand nadeel hierbij leed.