Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 19
Deze uitweiding is de eenigste van dien aard, die ik in het verhaal van al mijne reizen gedaan heb, en zij zal de laatste zijn. Het ligt niet in mijn bestek meer beschrijvingen van landen en volken te geven, maar alleen een verslag te geven van mijne eigene lotgevallen, gedurende een zoo wisselvallig en onrustig leven als men zelden zien zal. Ik zal dus niets zeggen van de vele volkeren, belangrijke plaatsen en eenzame landstreken, die ik nog moet doortrekken, anders dan voor zoo verre het tot regt verstand van mijn verhaal vereischt wordt. Ik was thans, naar mijne beste schatting in het hart van China, ongeveer 30° noordwaarts van de linie, want wij waren naar Nanking teruggekeerd. Ik had wel lust om Peking te zien, daar ik zoo veel van gehoord had, en vader Simon spoorde er mij alle dagen toe aan. Eindelijk was de andere zendeling, die met hem mede moest gaan, van Macao aangekomen, en het werd tijd, dat wij besloten al of niet te gaan. Ik liet het geheel aan mijn compagnon over, die eindelijk besliste, dat wij gaan zouden, en wij maakten ons dus daartoe gereed. Wij ontvingen verlof om in het gevolg van een mandarijn te reizen, een soort van Onderkoning of Gouverneur van eene provincie, die eene groote staatsie houdt, en met groot gevolg reist. Het volk bewijst hun veel eer, schoon zij het dikwijls vrij wat verarmen, want al de gewesten, die zij doortrekken, zijn verpligt hun levensmiddelen voor hen en hun gevolg te verschaffen. Wat ons betrof, als tot het gevolg van den mandarijn behoorende, ontvingen wij levensmiddelen genoeg, zoo voor ons als onze paarden; maar wij waren verpligt alles naar den marktprijs van het gewest te betalen aan des mandarijns hofmeester of opzigter, die dit van ons afeischte; zoodat, schoon het reizen in zijn gevolg voor ons zeer aangenaam was, het echter niet alleen eene gunst van hem, maar ook zeer voordeelig voor hem was, aangezien er nog dertig lieden even als wij in zijn gevolg of onder zijne bescherming reisden. Dit was zeer voordeelig voor hem, want het gewest gaf hem allen leeftogt om niet, en hij nam ons er ons geld voor af.
Wij deden in vijfentwintig dagen de reis naar Peking, door een zeer bevolkt, maar slecht bebouwd land; de akkerbouw en levenswijze waren er even ellendig, hoe breed men ook van de nijverheid van dit volk opgeeft; ik zeg ellendig als wij hunne levenswijze bij de onze vergelijken of zoo moesten leven, maar voor hen, die niet beter weten, is zij dit niet. De hoogmoed van dit volk is geweldig, en wordt alleen door hunne armoede overtroffen, hetgeen hun leven nog ellendiger maakt. De naakte wilden in Amerika leven, dunkt mij, gelukkiger, want schoon deze niets hebben, begeeren zij ook niets, terwijl de Chinezen trotsch en onbeschoft en voor het meerendeel smerige bedelaars zijn. Hunne opgeblazenheid is ongeloofelijk en blijkt hoofdzakelijk in hunne kleeding en gebouwen en in het houden van eene menigte slaven of bedienden, en, wat nog het bespottelijkste is, dat zij alles in de wereld verachten behalve zichzelven. Ik reisde naderhand met veel meer genoegen door de wildernissen en woestijnen van Tartarijë dan hier; schoon de wegen zeer goed bestraat en onderhouden zijn, en zeer gemakkelijk voor reizigers; maar niets hinderde mij meer dan het zien van zulk een opgeblazen trotschheid, te midden van de grootste armoede en domheid. Mijn vriend, vader Simon, en ik lachten zeer dikwijls om de armoede en trotschheid van dit volk. Een blijk hiervan zagen wij bij een landedelman, gelijk vader Simon hem noemde, ongeveer tien mijlen van Nanking, met welke wij een paar mijlen gereden hadden. Hij was een volmaakte Don Quichot, een zamenstel van armoede en grootschheid.
Zijn rok was zeer goed geweest voor een hansworst, want hij was vol lappen en gaten. Zijn onderkleed van zijde was zoo smerig, dat Zijn Hoog-Edele een allergrootste smeerpoets moest zijn. Zijn paard was een manke, magere knol, zoo als men in Engeland voor dertig schellingen kan koopen, en twee slaven volgden hem te voet om het beest voort te drijven. Hij had een zweep in de hand, waarmede hij het even hard van voren sloeg als zijne slaven van achteren, en zoo reed hij met ons, gevolgd door tien of twaalf slaven. Wij vernamen, dat hij van de stad naar zijn landverblijf, eene halve mijl verder op, ging. Wij reden langzaam en onze edelman reed ons vooruit, en daar wij een uur in een dorp gebleven waren om te ontbijten, zagen wij hem, toen wij zijn landhuis voorbijkwamen, op een pleintje voor de deur aan den maaltijd zitten; het was een soort van tuin, en wij zagen hem ligtelijk, gelijk men ons ook zeide, dat hoe meer wij naar hem zagen, hoe aangenamer het hem zijn zou.
Hij zat onder eene soort van palmboom, die hem schaduw gaf, echter had hij nog een groot zonnescherm boven zich. Hij zat in een grooten leuningstoel, want hij was zeer zwaarlijvig, en twee slavinnen bragten zijn eten op, terwijl twee anderen bezig waren met eene dienst, waarop, geloof ik, weinig heeren in Europa gesteld zouden zijn; de een namelijk stopte hem het eten in den mond, en de andere hield met de eene hand den schotel, en nam met de andere op hetgeen in zijn baard of op zijn kleed viel.
Wij lieten hem in den waan, dat wij over zijne pracht verrukt waren, terwijl wij die belachten, maar vader Simon wilde weten wat hij op zulk een feestdag at, en hij had, gelijk hij zeide, de eer gehad er van te mogen proeven; het was gekookte rijst met groene peper en eene specerij, die naar muskus riekt en bijkans als mostaard smaakt. Dit alles was met een stukje schapenvleesch door elkander gekookt, en uit dezen enkelen schotel bestond zijn geheele maaltijd. Vier of vijf dienstboden stonden op een afstand, waarschijnlijk op het overschot te wachten.
Wat den mandarijn betreft, met wien wij reisden, deze werd als een vorst geëerd; hij was altijd door zijn stoet zoo omringd en zoo bediend, dat ik hem altijd slechts op een afstand kon zien. Ik heb echter geen enkel paard in zijn gevolg gezien, dat bij een onzer gewone karrenaarden halen kon; maar zij waren allen zoo bedekt met mantels en kleeden, dat men weinig anders dan den kop en de pooten van hen zien kon.
Ik was thans welgemoed; bevrijd van al mijne onrust, reisde ik thans zeer opgeruimd, ook had ik geenerlei wederwaardigheden, dan dat bij het rijden door eene beek mijn paard viel en mij burger maakte, gelijk men zegt; dat wil zeggen, mij er in wierp; het was niet diep, maar ik werd door en door nat. Ik maak hiervan gewag, omdat ik in mijn zakboek verscheidene namen van volken en plaatsen had opgeschreven, en daar ik die bladen niet droogde, verrotten zij, en tot mijn spijt verloor ik zoo de namen van verscheidene plaatsen, die ik doorgetrokken was.
Eindelijk kwamen wij te Peking. Ik had niemand bij mij dan den jongeling, dien mijn neef den kapitein, mij tot mijne bediening had achtergelaten, die even trouw als schrander was; en mijn compagnon had slechts een dienstbode, die aan hem verwant was, bij zich. Daar de Portugesche loods ook verlangde het hof te zien, deed hij de reis op onze kosten, en hij diende ons als tolk, want hij sprak de taal van het land en zeer goed Fransch, en een weinig Engelsch. Deze oude man was ons zeer nuttig, want naauwelijks waren wij eene week te Peking of hij kwam lagchende bij mij en zeide: "O, senhor Inglese, ik heb u iets te zeggen, dat u bijzonder verheugen zal."--"Mij verheugen," zeide ik, "ik geloof niet, dat hier te lande mij iets bijzonder verheugen of bedroeven kan."--"Ja, ja," zeide hij, "het zal u blijde en mij bedroefd maken." Dit maakte mij nieuwsgierig. "Waarom zal het u bedroefd maken?"--"Omdat," zeide hij, "gij mij hier, vijfentwintig dagreizen ver, gebragt heb, en ik nu alleen zal moeten terugkeeren, zonder schip, zonder paard, zonder geld."--Kortom hij verhaalde mij, dat eene groote karavaan van Russische en Poolsche kooplieden in de stad was, die over vier of vijf weken te land naar Rusland zouden gaan, en hij achtte het als zeker, dat ik deze gelegenheid te baat zou nemen en hem alleen laten terugkeeren. Ik moet bekennen, dat dit nieuws mij onbeschrijfelijk verraste en mij eene poos sprakeloos maakte, maar eindelijk zeide ik: "Zijt gij daar zeker van? Hoe weet gij dat?"--"Ik heb dezen morgen een Armeniër ontmoet," hernam hij, "die onlangs van Astracan gekomen is, en naar Nanking wilde, waar ik hem vroeger heb leeren kennen; maar deze heeft thans zich bedacht en besloten met de karavaan naar Moscou, en zoo den Wolga af naar Astracan te gaan."--"Kom senhor," zeide ik, "wees niet ongerust over uwe terugreis; als ik langs dezen weg naar Engeland kan terug komen, behoeft gij niet weder naar Macao te gaan als gij niet wilt." Ik raadpleegde daarop mijn compagnon en vroeg hem wat hij er van dacht. Hij zeide, dat hij juist zoo handelen zou als ik, want hij had zijne zaken in Bengalen zoo goed geschikt, en in zulke vertrouwde handen achtergelaten, dat als wij de winst van onze reis in ruwe en gewerkte Chinesche zijde konden steken, hij gaarne naar Engeland wilde gaan, en vandaar met een compagniesschip naar Bengalen terugkeeren.
Na dit bepaald te hebben, besloten wij, dat als onze Portugesche loods wilde mede gaan, wij de reiskosten voor hem tot Moscou of Engeland zouden dragen; en dit was het minste wat wij voor hem konden doen voor de vele diensten, die hij ons bewezen had. Niet alleen was hij onze loods op zee, maar aan den wal onze makelaar geweest, en met ons den Japanschen koopman te brengen, had hij ons honderden guinjes in den zak gebragt. Wij besloten dus hem bovendien eenige staafjes goud te geven, ter waarde ongeveer van 175 Pond St. en de reiskosten voor hem en zijn paard, uitgezonderd alleen den aankoop van een pakpaard voor zijne goederen, te dragen. Wij riepen hem daarop om hem dit te verhalen. Ik zeide, dat hij gevreesd had dat wij hem alleen zouden laten terugkeeren, maar dat wij besloten hadden hem in het geheel niet te laten terugkeeren; dat wij besloten hadden naar Europa met de karavaan terug te keeren, en dat hij zou mede gaan, en nu wenschten wij te weten hoe hij er over dacht. Hij schudde het hoofd, zeide dat het eene lange reis was, en dat hij geen geld had om die te doen, noch om van te leven als hij daar kwam. Wij zeiden dat dit wel zoo was, maar dat wij daarom besloten hadden iets voor hem te doen, ten bewijze hoezeer wij zijne gedane diensten erkenden, en hoe veel wij van hem hielden. Ik zeide hem vervolgens wat wij hem wilden geven, en dat hij even als wij kon besteden, en dat wij hem en zijne goederen, buiten onvoorziene toevallen, in Rusland of Engeland zoude brengen, op onze kosten, behalve alleen het vervoeren van zijn eigen goed.
Hij was hierover verrukt, en zeide, dat hij de geheele wereld met ons wilde doortrekken, en derhalve maakten wij alles gereed tot onze reis. Even als wij hadden de andere kooplieden echter veel te doen, zoodat in plaats van vijf weken het ruim vier maanden duurde, alvorens alles gereed was.
Het was in het begin van Februarij, toen wij Peking verlieten. Mijn compagnon was met den ouden loods naar de haven, die wij eerst waren binnengeloopen, teruggekeerd, om eenige goederen, die daar gebleven waren, te verkoopen, en ik was met een Chineschen koopman, dien ik te Nanking ontmoet had, en die thans naar Peking was gekomen, naar Nanking gegaan, waar ik negentig stukken zware zijde, en nog tweehonderd stukken zeer fraaije zijde, waaronder met goud doorwerkt, kocht, en die tegen dat mijn compagnon terug kwam naar Peking terug bragt. Bovendien kochten wij eene groote menigte ruwe zijde en eenige andere goederen. Onze lading bedroeg alleen hieraan de waarde van drieduizend vijfhonderd Pond St., waarmede wij, met thee en eenige fijne calicots en drie kameelladingen nootmuskaten en nagelen, in het geheel achttien kameelen voor onze rekening belaadden, behalve die waarop wij reden, en twee of drie handpaarden en twee paarden met levensmiddelen, waardoor wij in het geheel zesentwintig kameelen en paarden hadden.
De karavaan was zeer groot en bestond naar ik meen uit ongeveer drie- of vierhonderd paarden en kameelen en honderdtwintig man, allen goed gewapend en uitgerust, want even als de karavanen in het Oosten dikwijls door Arabieren worden aangevallen, zoo worden deze door Tartaren, schoon deze niet zoo gevaarlijk zijn als de Arabieren, noch zoo barbaarsch na de overwinning. De karavaan bestond uit personen van verschillende natiën, voornamelijk Russen, want er waren meer dan zestig kooplieden uit Moscou, waarvan eenige echter Lijflanders waren, en tot ons genoegen waren er vijf Schotten, die lieden van veel ervaring en moed schenen te zijn.
Na een dag reizens riepen de gidsen, die vijf in getal waren, al de passagiers, behalve de dienstboden, tot een grooten raad bijeen, zoo als zij het noemden. Iedereen gaf daarbij eenig geld tot eene algemeene kas, om onder weg voeder te koopen, de gidsen te betalen, paarden te huren en dergelijke. En wijders werd hier de orde van de reis geregeld, namelijk er werden officieren benoemd, om ingeval van een aanval het bevel te voeren, en ieder had op zijne beurt het bevel. Dit was ook een maatregel die zeer noodig was, gelijk in het vervolg blijken zal.
Wij vonden hier het land overal zeer bevolkt, en vol pottebakkers en lieden, die de aarde voor het porselein mengden; en eens kwam onze Portugesche loods, die altijd op eene grap uit was, met een lagchend gezigt bij mij, en zeide, dat hij mij de grootste merkwaardigheid des lands zou laten zien, en dat ik na al het kwaad, dat ik al van China gezegd had, zou moeten bekennen, dat ik iets gezien had, welks wederga in de wereld niet te vinden was. Ik was zeer nieuwsgierig wat het was, en eindelijk zeide hij het was een huis van porselein.--"Zoo," zeide ik, "dat is mogelijk. Hoe groot is het? Kunnen wij het in een kist op een kameel pakken? Dan wil ik het koopen."--"Op een kameel laden!" riep de oude man, de handen ineenslaande, "er leeft een huisgezin van dertig zielen in."
Ik werd toen nog veel nieuwsgieriger, maar toen ik er bij kwam, was het niets dan een gewoon houten huis of wel van latten en leem gebouwd, doch met echt porselein gepleisterd, of liever met de klei waarvan het porselein gemaakt wordt. De buitenzijde, waarop de zon brandde, was verglaasd en zag er zeer goed en helder wit uit en was met blaauwe figuren beschilderd, gelijk men op het groote porselein ziet. Van binnen waren geen beschotten van hout, maar de muren waren met geschilderde platte tegels belegd, gelijk onze vierkante muurtegels, allen van het fijnst porselein en zeer fraai beschilderd, met allerlei kleuren, met goud doormengd; verscheidene steentjes vormden slechts eene figuur, maar zij waren zoo kunstig met cement van dezelfde klei vereenigd, dat men de voegen moeijelijk ontdekken kon. In de kamers was de vloer even zoo, en volmaakt effen en hard, maar niet verglaasd en geschilderd, behalve in eenige kamertjes of kabinetjes, die geheel in het rond op gelijke wijze gepleisterd waren, en ook het dak was met soortgelijke, maar donkerzwarte tegels belegd.
Dit mogt inderdaad een porseleinen pakhuis heeten, en zoo ik niet verder had moeten trekken, zou ik eenige dagen met de bezigtiging hebben kunnen besteden. Men zeide mij dat er in den tuin fonteinen en vijvers waren, waarvan de bodem en de zijden even zoo geplaatst waren, terwijl de paden bezet waren met beelden van dezelfde porseleinaarde gevormd en in hun geheel gebakken. Daar dit een der merkwaardigheden van hun land is, mogen zij er zeker wel op roemen, maar zij overdrijven geweldig, want zij verhaalden mij zulke ongelooflijke dingen van hetgeen zij van porselein konden maken, dat ik zeker weet, dat niet waar kon zijn. Een onder anderen, vertelde mij van een werkman die een schip gemaakt had, met al zijn want, masten en zeilen, groot genoeg om vijftig man te voeren. Zoo hij mij niet verhaald had, dat hij het te water had gebragt en er eene reis mede naar Japan gedaan had, had ik er iets van kunnen gelooven, maar nu wist ik, dat de geheele zaak eenvoudig een leugen was. Ik lachte daarom en zeide er niets van.
Het bezien van dit huis had mij twee uren achter de karavaan doen blijven, waarvoor de aanvoerder mij voor drie schellingen ongeveer beboette, en mij zeide, dat zoo ik drie dagreizens buiten den muur geweest was, even als thans drie dagreizens er binnen, hij mij vier malen zoo hoog had moeten beboeten, en op den volgenden raadsdag om verschooning doen vragen. Ik beloofde in het vervolg beter te zullen oppassen, en vond naderhand dat de bevelen, om allen bijeen te blijven, hoogst noodzakelijk waren.
Twee dagen later passeerden wij den grooten muur van China, die tot eene versterking tegen de Tartaren strekt. Het is een ontzettend werkstuk, dat eindeloos ver over heuvelen en bergen loopt, tot waar de rotsen onbeklimbaar en de afgronden niet over te trekken zijn. Men zeide mij, dat hij bijkans duizend Engelsche mijlen lang is, maar dat de uitgestrektheid van het landschap, dat hij omgeeft, in eene regte lijn slechts vijfhonderd is; hij is vier vademen hoog en op vele plaatsen even zoo dik.
Een uur of daaromstreeks besteedde ik om dien zoo ver ik kon te bezien, zonder de orders te overtreden, want zoo lang had de karavaan werk om hem door te trekken; en onze gids, die dit wereldwonder reeds dikwijls geroemd had, verlangde zeer te vernemen hoe ik er over dacht. Ik zeide, dat het een uitmuntend werkstuk was om de Tartaren af te weren, hetgeen hij anders opvatte dan ik het meende, en het voor eene loftuiting hield, maar de oude loods lachte en zeide: "O, senhor Inglese, gij spreekt verbloemd."--"Hoe zoo?" zeide ik. "Wel," hernam hij, "wat gij zegt is aan de eene zijde wit, aan den anderen kant zwart; gij zegt dat hij goed is om Tartaren af te weren, daarmede wilt gij zeggen, dat hij alleen Tartaren kan buiten houden. Ik begrijp u wel, senhor, maar senhor Chinees begrijpt u op zijne wijze."
"Wel," zeide ik, "denkt gij dat deze muur zou bestand zijn tegen een leger van onze landslieden met een goed deel geschut, of onze ingenieurs met een paar kompagniën mineurs? Zouden zij er niet in tien dagen een bres in maken, daar een geheel leger in slagorde zou kunnen doortrekken, of hem in de lucht laten springen, dat er geen spoor van overblijft?"--"Ja, ja," zeide hij, "dat weet ik." De Chinees wilde gaarne weten wat ik er van gezegd had, en ik gaf hem eenige dagen later verlof het te vertellen, want wij waren toen bijkans uit hun land, en hij zou ons kort daarop verlaten; maar toen hij vernomen had wat ik gezegd had, sprak hij verder geen woord meer, en wij hoorden niets meer van zijn gezwets over de magt en de grootheid van China, zoolang hij bij ons was.
Na dit geweldige niets, dezen vermaarden muur, doorgetrokken te zijn, vonden wij het land schaars bevolkt, en het volk meer in versterkte dorpen en steden, daar zij hier meer blootstonden voor de strooptogten en invallen der Tartaren, die altijd in groot aantal komen, en dan door de bewoners van een open land niet kunnen afgeslagen worden. Ik zag hier hoe noodzakelijk het was, ons bijeen te houden, want verscheidene hoopen Tartaren kwamen om ons heen zwerven; maar toen ik hen meer van nabij zag, kon ik niet begrijpen, hoe het Chinesche rijk door zulk een hoop onbeschaafd volk had kunnen verwonnen worden, want het is een hoop wilden, die noch van krijgstucht, noch van krijgskunde iets weten.
Hunne paarden zijn schraal, zwak, verhongerd en nergens goed voor; dit ondervonden wij den eersten dag, dat wij hen zagen, hetwelk was, nadat wij in het woestere deel des lands waren gekomen. Onze aanvoerder van dien dag gaf zestien onzer verlof op de jagt te gaan, gelijk zij het noemden, namelijk op de schapenjagt! Het mogt echter wel zoo heeten, want het waren de wildste en vlugste schapen, die ik ooit zag, doch zij loopen niet lang, en gij zijt zeker van hen, als gij de jagt begint, want zij zwerven bij kudden van dertig of veertig stuks, en blijven altijd bijeen als zij vlugten.
Terwijl wij op dit wild joegen, ontmoetten wij een troep van ongeveer veertig Tartaren, die ook op schapen of eene andere prooi uitgingen, dit weet ik niet. Zoodra zij ons zagen, blies een hunner op eene soort van hoorn, en bragt een zeer wanluidend geluid voort, als ik nimmer hoorde, en ook nimmer verlang weder te hooren. Wij begrepen, dat dit was, om hunne makkers bijeen te roepen, en zoo was het ook, want binnen een half kwartieruurs zagen wij nog een veertig- of vijftigtal op een kwartieruur afstands opdagen, doch voor dien tijd was de zaak reeds tusschen ons afgedaan.
Een van de Schotsche kooplieden uit Moscou was bij ons, en zoodra wij den hoorn hoorden, zeide hij, dat wij niets beter konden doen, dan hen dadelijk zonder eenig dralen aan te vallen, en ons in gelid plaatsende, vroeg hij of wij gereed waren. Wij antwoordden ja, en reden daarop op hen aan. Zij stonden in eenen verwarden hoop ons aan te gapen, zonder eenigen schijn van orde, maar zoodra zij ons zagen naderen, schoten zij hunne pijlen op ons af, waarvan geen ons echter trof. Het scheen, dat zij wel goed gemikt hadden, maar dat de afstand te ver was, want hunne pijlen vielen zoo digt voor ons neder, dat zoo wij tien roeden verder geweest waren, zeker verscheidene onzer gedood of gewond zouden zijn geweest.
Wij hielden dadelijk stil, en schoon de afstand nog groot was, gaven wij vuur en zonden hun voor hunne houten pijlen looden kogels toe, waarna wij in vollen galop op hen toe reden, om hen met de sabel in de vuist aan te tasten, gelijk onze moedige Schot ons gelast had. Hij was een koopman, maar hij gedroeg zich bij deze gelegenheid zoo dapper en tevens met zulk eenen bedaarden moed, dat ik nimmer iemand zag, die beter geschikt was, om een gevecht te besturen. Zoodra wij vlak bij hen waren, vuurden wij onze pistolen af, en trokken toen de sabel, maar zij sloegen in de grootste wanorde op de vlugt. Slechts drie hunner hielden aan onze regterzijde een oogenblik stand, en deden de anderen teekens dat zij zouden terugkeeren. Onze dappere aanvoerder galoppeerde naar hen toe, zonder iemand te gelasten hem te volgen, en sloeg met zijn geweer een hunner van het paard af en doodde den tweede met een pistoolschot, de derde nam de vlugt, en hiermede eindigde ons gevecht. Wij hadden er echter dit ongeval bij, dat daardoor onze jagt op niets uitliep. Niemand onzer was gedood of gewond, maar van de Tartaren waren er vier of vijf gesneuveld, en ik weet niet hoeveel gewond. De andere troep was zoo verschrikt, van ons vuur, dat zij de vlugt koos en ons ongemoeid liet.
Wij waren thans nog op Chineesch grondgebied; en derhalve waren de Tartaren niet zoo vermetel als naderhand, maar vijf dagen later bereikten wij eene groote woestijn, welker doortrekking ons drie nachten en drie dagen bezig hield, en wij waren verpligt het drinkwater in groote lederen zakken mede te nemen en den nacht in het open veld door te brengen, even als ik van de woestijn van Arabië gehoord heb. Ik vroeg mijne gidsen, wien dit land behoorde. Zij antwoordden, dat dit eene soort van grensscheiding was, die men wel Niemandsland mogt noemen; dat het een deel was van Groot-Tartarije, maar echter tot China gerekend werd, waar men echter niet zorgde, om het voor invallen van roovers te beschermen, en het derhalve de gevaarlijkste weg van den geheelen togt was, schoon wij nog grootere woestijnen moesten doortrekken.