Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 18
Door tegenwind kwamen wij eerst na vijf dagen aan de andere haven. Wij waren zeer verheugd en ik dankte den hemel hartelijk, toen ik mijne voeten behouden aan wal zette, en besloot, even als mijn compagnon, op iedere andere redelijke wijze met ons goed elders te gaan, liever dan weder een voet op dit heilloos vaartuig te zetten; en waarlijk, onder alle omstandigheden mijns levens heb ik ondervonden, dat niets iemand zoo ongelukkig maakt als voortdurende vrees. Teregt zegt de Heilige Schrift: "De vrees van den mensch brengt hem in eenen strik;" het is een leven des doods, en de geest wordt zoo gedrukt, dat hij tot alle inspanning buiten staat is. In ons geval deed de vrees hare gewone uitwerking, namelijk door elk gevaar te verhoogen; alle Engelsche of Hollandsche kapiteins te beschouwen als menschen, die geene reden verstonden, eerlijke lieden niet van schelmen, noch een geheel verzonnen verhaal van een waarachtig verslag van onze reis en ons oogmerk konden onderscheiden. Ieder verstandig mensch toch hadden wij kunnen overtuigen, dat wij geene zeeroovers waren. De goederen, die wij aan boord hadden, onze koers, de wijze waarop wij ons vertoonden en deze en die havens binnenliepen, onze zwakke bemanning en weinige krijgsbehoeften en leeflogt, alles had iedereen moeten overtuigen, dat wij geene zeeroovers waren. De opium en andere goederen, die wij aan boord hadden, bewezen dat wij van Bengalen kwamen; de Hollander, die, naar men zeide, de namen kende van het volk, dat op het schip was geweest, kon gemakkelijk zien, dat ons volk uit Engelschen, Portugezen en Hindoes bestond, en dat wij slechts twee Hollanders aan boord hadden. Deze en vele andere bijzonderheden hadden een kapitein, als wij in zijne handen gevallen waren, moeten overtuigen, dat wij geene zeeschuimers waren. Maar de vrees, die blinde en nuttelooze hartstogt, verbijsterde ons geheel en al, en spiegelde ons duizend ijselijkheden voor, die misschien nimmer konden gebeuren. Wij onderstelden, dat de Engelschen en Hollanders, vooral de laatsten, zoo woedend waren, dat wij hunne sloepen afgeslagen hadden, dat zij zich met geen onderzoek zouden inlaten, of wij zeeroovers waren of niet, maar ons ter dood brengen, zonder naar onze verdediging te hooren. Wij hielden ons voor, dat werkelijk in vele opzigten de schijn zoo tegen ons was, dat zij aan geen verder onderzoek zouden denken. Vooreerst toch was het schip hetzelfde, gelijk sommige zeelieden wisten, die er aan boord geweest waren; en ten tweede, dat toen wij de tijding kregen, dat hunne sloepen op ons afkwamen, wij deze bevochten en daarop de vlugt kozen, zoodat dit hen ten volle overtuigen moest, dat wij zeeroovers waren; gelijk ik in hun geval niet aarzelen zou, al het scheepsvolk, dat in zulke omstandigheden gevangen genomen werd, daarvoor te houden.
Hoe het ook zij, deze angst kwelde ons; en zoowel mijn compagnon als ik droomden schier elken nacht van galg en strop en gevangenneming, van te dooden of gedood te worden, en op zekeren nacht werd ik in mijnen droom zoo woedend, dat ik meende, dat een Hollandsch schip ons enterde en ik een matroos nedervelde, dat ik met mijne vuist zoo geweldig tegen het beschot van de kajuit, sloeg, dat ik mij geweldig kneusde. De pijn deed mij ontwaken, en ik vreesde eerst, dat ik twee vingers verliezen zou. Nog eene vrees kwelde mij, namelijk die voor eene wreede behandeling. Toen herinnerde ik mij den moord van Amboina, en hoe wreed de Hollanders daar te werk waren gegaan, en hoe zij thans eenige onzer ook ligt door pijnigingen de bekentenis konden afpersen, dat wij zeeroovers waren, en dan zouden zij ons met eenen schijn van regt ter dood brengen; de winst van ons schip en lading was eene groote verzoeking hiertoe, want met elkander was dit wel vier of vijfduizend Pond st. waardig. Dit alles ontrustte mijn compagnon en mij dag en nacht. Wij troostten ons met de gedachte, dat koopvaardijkapiteins het regt niet hebben, om zoo te handelen, en dat, als wij ons aan hen gevangen gaven, zij onzen dood of pijniging zouden moeten verantwoorden in hun land; maar als zij ons zoo behandelden, wat kon het ons baten, dat zij daarvoor ter verantwoording geroepen werden; als wij dood waren, wat baatte het ons of zij daarvoor later gestraft werden.
Ik kan niet nalaten hier mijne gedachten te vermelden over mijne omstandigheden, hoe hard ik het achtte, dat ik, die na een veertigjarig leven vol ongemakken, als het ware in de haven gekomen, waarnaar iedereen verlangt, namelijk die van rust en overvloed, vrijwillig door mijne eigene dwaze verkiezing, nieuwe rampen in den mond was geloopen, vooral dat ik, die in mijne jeugd aan zoovele gevaren ontkomen was, nu op mijnen ouden dag, in zulk eene afgelegene plaats opgehangen moest worden, voor eene misdaad, waaraan ik niet eens gedacht, laat staan die begaan had, zonder dat mijne onschuld mij kon beschermen.
Somwijlen bedacht ik, dat ik mij aan alles wat de Voorzienigheid over mij besloten had, moest onderwerpen, en dat, hoezeer ook onschuldig voor de menschen, ik echter niet schuldeloos voor mijnen Schepper was, en dat ik behoorde na te gaan door welken misstap ik mij deze straf op den hals had gehaald, en mij daaraan te onderwerpen, even als aan eene schipbreuk of anderen rampspoed, die het God behagen mogt mij toe te zenden.
Op andere tijden kwam de stoutmoedigheid boven, en dan nam ik het besluit, om mij niet in koelen bloede door onmededoogende lieden te laten mishandelen; beter ware het in de handen der kannibalen te vallen, die mij dooden en verslinden, maar niet onmenschelijk pijnigen zouden. Ik had altijd besloten, mij tegen de wilden tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen, en waarom dan nu niet, daar het mij althans vreeselijker toescheen in de handen der Europeërs te vallen. Als deze gedachten bij mij opkwamen, begon mijn bloed te koken en mijne oogen te fonkelen, en ik besloot, mij zoolang te verdedigen als ik kon, en als dit niet langer mogelijk was, het schip in de lucht te laten springen.
Maar hoe heviger onze bekommering hierover was, des te grooter was onze vreugde toen wij behouden aan wal waren. Mijn compagnon zeide, dat hij gedroomd had, hoe hij met eene zware lading een heuvel moest opstijgen, en dat zijne krachten hem begaven, maar toen kwam de Portugesche loods en nam hem zijne lading af, en zijn weg werd effen. En waarlijk ons allen was een pak van het hart genomen. Ook ik was van eenen last ontheven, dien ik niet langer kon dragen, en wij besloten niet weder met dit schip in zee te gaan. Toen wij aan wal waren, bezorgde de Portugees, dien wij thans als een vriend beschouwden, ons een verblijf voor ons en een pakhuis voor onze goederen; het was een klein huis met een groot huis er aangetrokken, geheel van bamboes gebouwd en rondom met groote bamboezen gepalissadeerd, om de dieven te weren, die daar naar het schijnt in overvloed waren. De overheid stond ons echter bovendien een wacht toe, namelijk een soldaat, die met eene soort van hellebaard voor de deur op schildwacht stond, en dien wij eenige rijst en eenig geld, ter waarde van drie stuivers dagelijks, gaven, zoodat onze goederen veilig waren.
De gewone jaarmarkt was hier reeds voorbij, echter vonden wij eenige jonken op de rivier en twee schepen uit Japan met goederen, die zij in China gekocht hadden, en die nog niet vertrokken waren, omdat de eigenaars zich aan wal bevonden.
Het eerste wat onze loods deed, was, dat hij ons in kennis bragt met drie Roomsche zendelingen, die eenigen tijd in de stad geweest waren, om de inboorlingen te bekeeren. Ik geloof, dat zij weinig bekeerlingen maakten, doch dit ging ons niet aan. Een hunner was een Franschman, vader Simon genaamd, een hupsch, opgeruimd man, en van geen zoo ernstig en statig voorkomen als de twee anderen, een Genuees en een Portugees. Vader Simon was beleefd en vrolijk in gezelschap; de anderen waren terughoudender en schenen ijverig in hunne zaak, namelijk om met de inboorlingen om te gaan en met hen te spreken. Wij aten dikwijls met hen, maar ik moet bekennen, dat schoon hunne bekeeringen zich meestal bepaalden met den naam van Christus te leeren uitspreken, eenige gebeden tot de H. Maagd en Christus te doen, in eene taal, die zij niet verstonden, deze zendelingen echter vast vertrouwen, dat dit tot het eeuwig heil van hunne bekeerlingen strekt. In dit vertrouwen verduren zij niet alleen de moeijelijkheden der reis en de gevaren aan hun verblijf alhier verknocht, maar zij ondergaan soms welgemoed den dood en de akeligste folteringen. Hoe wij ook over hunnen arbeid denken, wij moeten altijd eerbied hebben voor hunnen ijver, die hen zoovele gevaren doet trotseren, zonder eenig uitzigt op wereldlijk voordeel.
Doch om tot mijn verhaal terug te keeren. Vader Simon was, naar het schijnt, door den superior der zending gelast, om naar Peking, het verblijf van den keizer, te gaan, en daar een ander priester af te wachten, die van Macao derwaarts zou gaan; en dan met dezen verder te trekken. Wij spraken hem bijkans nimmer of hij drong bij ons aan, om met hem die reis te doen, zeggende, dat hij mij alle merkwaardigheden van dit magtige rijk, en onder anderen de grootste stad der wereld zou laten zien; "eene stad," zeide hij, "veel grooter dan Londen en Parijs te zamen." Hier meende hij Peking mede, dat zeker zeer groot en ontzettend bevolkt is, maar daar ik de zaken niet zoo als alle menschen beschouw, zal ik mijn gevoelen in het vervolg mijner reis daarover zeggen.
Om tot mijnen zendeling weder te keeren. Op zekeren dag, dat wij zamen vrolijk aan tafel zaten, toonde ik eenigen flaauwen lust, om met hem mede te gaan, en hij drong er bij mij en mijnen compagnon op nieuw sterk op aan. "Maar vader Simon!" zeide mijn compagnon, "hoe verlangt gij zoo naar ons gezelschap? Gij weet, dat wij ketters zijn, die gij niet liefhebben kunt, noch met genoegen er mede in gezelschap zijn."--"O," antwoordde hij, "misschien wordt gij met den tijd nog goede katholijken; mijne taak is hier de heidenen te bekeeren, wie weet of ik u ook nog niet bekeer?"--"Mooi, vader!" zeide ik, "dan zult gij ons den geheelen weg over voorprediken?"--"Ik zal u niet tot last zijn," zeide hij. "Onze godsdienst belet ons niet welvoegelijk te zijn; bovendien zijn wij hier, als het ware, landslieden, en schoon gij een protestant zijt en ik een katholijk ben, zijn wij toch beide Christenen, en in allen geval beide beschaafde lieden, en dus kunnen wij met elkander omgaan, zonder elkander tot last te zijn." Dit antwoord beviel mij zeer, en deed mij denken aan den jongen priester, dien ik in Brazilië achtergelaten had; doch bij wiens karakter dat van vader Simon niet halen kon, want schoon men hem geene laakbare ligtgeloovigheid kon te last leggen, bezat hij echter niet dien Christelijken ijver en die opregte godsvrucht en vroomheid van dien waardigen geestelijke.
Wij zullen hem een oogenblik daarlaten, schoon hij nimmer ophield met aandringen, dat ik met hem zou gaan; maar wij hadden thans andere zorgen; want ons schip en onze lading lag ons nog op den hals, en wij wisten niet wat wij er mede doen zouden, want op deze plaats was weinig handel, en eens stond ik op het punt om naar Nanking te zeilen; doch de Voorzienigheid scheen thans zigtbaar voor ons te waken, en ik begon te hopen eenmaal mijn vaderland te zullen wederzien, schoon ik nog niet wist op welke wijze. In de eerste plaats bragt onze oude Portugesche loods een Japanschen koopman bij ons, die ons vroeg, welke goederen wij hadden. Hij kocht ons dadelijk al onzen opium af tot een zeer goeden prijs, en betaalde ons in goud, bij het gewigt, gedeeltelijk in Japansche muntstukjes, en gedeeltelijk aan staafjes van tien of twaalf oncen. Terwijl wij met hem over den opium handelden, kwam het bij mij op, dat hij het schip misschien ook wel koopen wilde, en ik zeide den tolk, om hem dit voor te slaan. Hij haalde bij het eerste voorstel de schouders op; maar hij kwam eenige dagen daarna terug met een van de zendelingen, om hem tot tolk te dienen, en zeide, dat hij mij eenen voorslag te doen had. Hij had namelijk eene menigte goederen van ons gekocht, zonder eenige gedachten te hebben, dat hem het schip te koop zou geboden worden; en hij had er dus nu geen geld voor; maar als wij hetzelfde volk daar aan boord wilden laten, wilde hij het schip huren, om naar Japan te gaan, en het vandaar met eene andere lading, waarvan hij de vracht betalen zou, naar de Philippijnsche eilanden zenden, en als het terugkwam zou hij het schip koopen. Ik had hier wel ooren naar, en zoo zat het zwerven mij nog in het hoofd, dat ik lust kreeg, om mede te gaan, en van de Philippijnsche eilanden naar de Zuidzee te gaan, en dus vroeg ik aan den Japanees, of hij ons niet huren wilde tot aan de Philippijnsche eilanden en ons daar ontslaan. Hij zeide neen, want dan kon hij geene retour voor zijne lading krijgen, maar hij wilde ons in Japan, als het schip terugkwam, wel ontslaan. Ik stond op het punt, om hierin toe te stemmen, maar mijn compagnon, die verstandiger was dan ik, bragt er mij van af, en hield mij de gevaren voor, zoowel van deze zeeën als van de Japanezen, die een wreed, arglistig volk zijn, en van de Spanjaarden op de Philippijnsche eilanden, die nog veel wreeder, arglistiger en verraderlijker zijn.
Om dit verhaal van onze zaken te bekorten, moet ik vermelden, dat wij eerstelijk den kapitein en het volk vroegen of zij genegen waren, om naar Japan te gaan, en terwijl dit gebeurde, kwam de jonge man, dien mijn neef, gelijk ik verhaald heb, bij mij achtergelaten had, bij mij en zeide, dat hij deze reis als zeer voordeelig zullende zijn beschouwde, en dat hij gaarne zou zien, dat ik medeging, maar als ik dit niet wilde, maar hem verlof geven, dat hij dan als koopman mede zou gaan, of zoo als ik zou goedvinden, om hem aan te stellen, dat zoo hij in Engeland terugkwam en mij daar in leven vond, hij mij getrouwe rekening zou afleggen, en dat ik hem dan kon afstaan wat ik wilde. Ik had weinig lust, om van hem te scheiden, maar als ik de voordeelige vooruitzigten overwoog, en dat hij een jongman was, op wien men rekenen kon, besloot ik er toe, maar zeide, dat ik eerst mijn compagnon wilde spreken, en hem den volgenden dag zou antwoorden. Mijn compagnon deed mij een zeer edelmoedig voorstel. "Gij weet," zeide hij, "dat dit een ongelukkig schip is, en dat wij er niet weder mede in zee willen steken; als uw hofmeester (zoo noemde hij hem) het wagen wil, zal ik mijn aandeel in het schip aan hem overlaten, en als wij elkander in Engeland aantreffen, en het is hem wel gegaan, zal hij ons de helft van de lading verantwoorden en de andere helft zal voor hem zijn."
Toen mijn compagnon, voor wien de jonge man een vreemdeling was, zulk een voorstel deed, kon ik niet wel minder doen, en daar al het scheepsvolk de reis wilde doen, droegen wij de helft van het schip aan hem in eigendom over, en ik liet hem eene verbindtenis teekenen voor de andere helft, en daarop vertrok hij naar Japan. De Japansche koopman was een zeer braaf, eerlijk man; hij beschermde hem te Japan en bezorgde hem eene vergunning om aan den wal te komen, hetgeen voor eenen Europeër zeer moeijelijk gaat. Hij betaalde prompt de vracht, en zond hem toen naar de Philippijnsche eilanden met Japansche en Chinesche goederen, waarvoor hij van de Spanjaarden Europesche goederen en eene menigte nagelen en specerijen inhandelde; en toen hij te Japan teruggekomen was en eene zeer goede vracht ontving, en hij geen lust had om het schip te verkoopen, bezorgde de koopman hem goederen voor zijne eigene rekening, waarmede hij weder naar Manilla ging. Hier wist hij zijn schip vrij te krijgen en de gouverneur huurde het, om naar Acapulco op de kust van Mexico te gaan; en gaf hem eene vergunning, om aldaar te landen, naar Mexico te gaan, en op een Spaansch schip met al zijn volk naar Europa te gaan. Hij kwam gelukkig te Acapulco en verkocht daar zijn schip, en ontving verlof om te land naar Porto Bello te gaan, vanwaar hij kans zag, om naar Jamaica te komen, en acht jaren later kwam hij als een schatrijk man in Engeland. Doch ik keer tot onze zaken terug.
Nu wij het schip en scheepsvolk verlieten, moesten wij natuurlijk denken, hoe wij de twee mannen beloonen zouden, die ons zoo van pas gewaarschuwd hadden, voor het gevaar, dat wij op de rivier Cambodia liepen. Het was waar, dat zij ons eene groote dienst gedaan en wij hun veel schuldig waren; schoon het toch een paar groote schurken waren, want daar zij geloofden dat wij zeeroovers en werkelijk met het schip doorgegaan waren, kwamen zij ons niet alleen waarschuwen voor hetgeen men tegen ons voornemens was, maar om met ons als zeeroovers in zee te steken; en een hunner liet zich naderhand eens ontvallen, dat alleen de hoop om op zeeroof uit te gaan hem daartoe had overgehaald. Dit verminderde echter de dienst niet, die zij ons bewezen hadden, en daar ik beloofd had hun dankbaar te zullen zijn, gelastte ik hun eerst de gaadje te betalen, die zij zeiden, dat zij op hun vorig schip te goed hadden gehad, dat wil zeggen den Engelschman negentien en den Hollander zeven maanden gaadje; en bovendien gaf ik hun eenig goud, waarmede zij zeer tevreden waren, en maakte den Engelschman konstapel aan boord, daar de konstapel thans tweede stuurman en schrijver was geworden, en den Hollander maakte ik bootsman. Zoo waren zij beide zeer in hun schik en tevens van veel dienst, want het waren bekwame zeelieden en moedige kerels.
Wij waren thans in China aan wal. Zoo ik in Bengalen mij ver van mijn vaderland had geacht, waar ik op verschillende wijzen voor mijn geld naar huis kon keeren, wat moest ik dan nu denken, nu ik er ongeveer duizend mijlen verder af was, en zonder eenig vooruitzigt om derwaarts te kunnen gaan. Het eenigste was dat er op de plaats waar wij waren, over vier maanden weder eene markt zou gehouden worden, waarop wij allerlei goederen konden inslaan, en welligt een of andere Chinesche jonk koopen, om ons te brengen waar wij wilden. Ik besloot dus hierop te wachten, en misschien, daar wij voor onze personen niets te vreezen hadden, konden wij, als een Hollandsen of Engelsen schip hier kwam, onze goederen daarin laden en er mede hier of daar in Indië komen, waar wij altijd digter bij huis waren. In afwachting daarvan deden wij tot ons vermaak twee of drie reizen landwaarts in. Eerstelijk deden wij een reis van tien dagen naar Nanking om dat te zien, eene stad die het wel verdient. Men Zegt, dat het een millioen bewoners heeft, wat ik echter niet geloof; de stad is regelmatig gebouwd, met regte straten, die elkander regthoekig doorsnijden, hetgeen zeer goed staat.
Toen ik echter de jammerlijke bewoners met onze landgenooten vergeleek, hunne fabrieken, hunne levenswijs, hunne regering, hunne godsdienst, hun rijkdom en pracht (gelijk men die somtijds noemt), dan moet ik bekennen, dat die geene melding verdient, en evenmin waardig is beschreven als gelezen te worden. Het is opmerkelijk, dat wij ons altijd zoo verwonderd hebben over de grootheid, rijkdom, luister, ceremoniën, regering, manufacturen, handel en zeden van dit volk; niet omdat dit alles zoo bewonderenswaardig is, maar omdat wij aldaar niet die onbeschaafdheid en domheid vinden, die wij algemeen in dit werelddeel verwachten. Maar anders, wat zijn hunne gebouwen bij de paleizen en vorstelijke gestichten van Europa? Wat is hun handel bij dien van Engeland, Holland, Frankrijk en Spanje? Wat zijn hunne steden bij de onze, ten aanzien van rijkdom, sterkte, vrolijk voorkomen, rijke meubelen en verscheidenheid? Wat zijn hunne havens, waarin eenige jonken en sloepen liggen, bij onze zeevaart? Londen alleen drijft meer handel dan geheel het Chinesche rijk. Een Engelsch, Hollandsch of Fransch oorlogschip van 80 stukken zou heel de Chinesche zeemagt vernielen. Maar hun rijkdom, handel, krachtige regering en sterk leger wekt onze verbazing, omdat wij gewoon zijn hen als onbeschaafde Heidenen, weinig beter dan wilden te beschouwen, en dus niets van dien aard bij hen verwachten. Uit dit oogpunt heeft men al hunne grootheid en magt beschouwd. Met hun leger is het even als met hunne zeemagt gesteld; al hunne strijdkrachten, al bragten zij ook twee millioen op de been, zou niets uitrigten dan het land vernielen en uithongeren. Als zij eene sterke vesting of een goed gedisciplineerd leger moesten bevechten, zou een gelid zware ruiterij al de Chinesche ruiterij over hoop werpen; een milloen van hun voetvolk zou geen stand houden tegen een troep van ons voetvolk, als dit niet omsingeld kon worden, al waren zij een tegen twintig. Ik snoef niet als ik zeg, dat dertigduizend man voetvolk en tienduizend ruiters al de legers van China zouden verslaan. Even ver gaan wij hen in vestingbouwkunde te boven; geen vesting in China zou het eene maand tegen een Europeesch leger uithouden, en al de magt van China zou Duinkerken niet kunnen innemen, in geen tien jaren zelfs, ten ware door het uit te hongeren. Zij hebben zeker geweren, maar het zijn lompe, slecht gemaakte stukken, en hun kruid draagt niet ver. Hunne soldaten zijn zonder tucht, ongeoefend, even onbekwaam tot aanval als tot verdediging. Ik verwonderde mij derhalve niet weinig, toen ik te huis gekomen zoo veel fraais hoorde van de magt, luister en rijkdom der Chinezen, daar ik wist dat het een verachtelijke troep slaven was, onder eene regering alleen in staat zulk een volk te regeren. Ware China niet zoo ver van Rusland, en ware dit land zelf niet nog zoo onbeschaafd, dan kon de Czaar van Rusland hen allen met gemak in een veldtogt uit hun land drijven en dit veroveren. Zoo Czaar Peter I dezen kant uit oorlog gevoerd had, in plaats van zich met de krijgshafte Zweden in te laten, zou hij thans Keizer van China kunnen zijn, in stede van door den Koning van Zweden te Nerva geslagen te zijn met eene zes maal mindere magt. Even als hunne kracht en grootheid zoo is ook hun handel, zeevaart en landbouw zeer gebrekkig, bij die van Europa vergeleken; even zoo is het met hunne wetenschappelijke kennis; zij bezitten aard- en hemelglobes en weten iets van de wiskunde, maar hoe onwetend vindt men al hunne geleerden bij nader onderzoek. Van de beweging der hemelligchamen weten zij niets, en zij zijn zoo dom, dat zij bij eene zonsverduistering zich verbeelden, dat eene groote draak met de zon vecht, en daarom slaat iedereen op trommen en ketels om het monster te verjagen, even als wij doen om een bijenzwerm bijeen te houden.