Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Part 17

Chapter 173,740 wordsPublic domain

Dit maakte mij hoogst ongerust, schoon ik niet wist hoe er mij uit te redden, noch waar ik zou heengaan. Mijn compagnon, die mij zoo neerslagtig zag, schoon hij in den beginne er het meest verzet van was geweest, trachtte mij een riem onder het hart te steken, en terwijl hij mij de verschillende havens van die kust beschreef, zeide hij mij, dat hij op de kust van Cochinchina of de baai van Tonking zou binnenloopen, en daarna naar Macao gaan, eene stad, die vroeger aan de Portugezen behoorde, en waar nog zeer vele Europeërs woonden; voornamelijk de zendelingen, die gewoonlijk zich daarheen begeven, om vandaar naar China te gaan. Wij besloten daarheen te gaan, en na eene langdurige en moeijelijke reis, terwijl wij slechts schraal van levensmiddelen voorzien waren, kregen wij op eenen vroegen morgen de kust in het gezigt. Toen wij nadachten in welke gevaarlijke omstandigheden wij waren, besloten wij een riviertje op te varen, dat smal maar diep genoeg voor ons was, en te zien of wij, hetzij te land of met de sloep, te weten konden komen, welke schepen er in de havens daaromstreeks lagen. Dit gelukkig besluit was ons behoud, want er lagen in de baai van Tonking wel geene Europesche schepen, maar den volgenden morgen kwamen er twee Hollanders binnen en een derde schip, dat geen vlag voerde, maar dat wij ook voor eenen Hollander aanzagen, voer ons op twee mijlen afstands voorbij, koers zettende naar de Chinesche kust, en des namiddags zagen wij twee Engelschen denzelfden koers houden, en dus zagen wij ons van alle kanten omringd van vijanden. De plaats waar wij lagen was dor en woest, het volk diefachtig; en schoon wij weinig met hen verlangden om te gaan, dan om eenigen leeftogt op te doen, was het echter dikwijls moeijelijk genoeg dat wij allen twist met hen konden vermijden.

Wij lagen op eene kleine rivier, op weinige mijlen afstands van het noordelijk uiteinde van dat land, en met onze boot verkenden wij de kust tot aan het punt van de groote baai van Tonking, en op deze vaart langs de kust ontdekten wij, hoe wij als het ware van vijanden omringd waren. Het volk van dit land was het onbeschaafdste van al de kustbewoners aldaar; het had geenerlei omgang met andere natiën, en handelde alleen in visch en olie en dergelijke. Als een blijk van hunne woestheid, kan ik vermelden, dat zij onder andere gewoonten ook die hebben, dat zoo eenig schip bij ongeluk op hunne kust strandt, zij al het scheepsvolk tot gevangenen, dat wil zeggen tot slaven maken, en wij hadden weldra een blijk van hunne geaardheid bij de volgende gelegenheid.

Ik heb reeds gezegd, dat ons schip op zee een lek had gekregen, dat wij eerst niet hadden kunnen stoppen; echter was het gelukkig digt gemaakt op het oogenblik, dat wij door de Hollandsche en Engelsche schepen bij de baai van Siam zouden genomen worden. Het schip was echter niet zoo digt als het wel behoorde, en dus besloten wij, terwijl wij hier waren, onze zwaarste goederen aan wal te brengen, die gelukkig weinig waren, en het schip te kalfaten en zooveel mogelijk de lekken te stoppen. Na dus het schip verligt te hebben, en onze stukken en wat vervoerbaar was, naar de eene zijde gebragt te hebben, haalden wij het op zijde, om bij den bodem te kunnen komen. De inboorlingen, die nimmer zoo iets gezien hadden, kwamen naar het strand, en toen zij het schip zoo op zijde zagen liggen, en ons volk niet zagen, dat aan de andere zijde op steigers en in booten aan het werk was, begrepen zij, dat het schip op zijde geslagen was en aan den grond zat.

In deze meening kwamen zij allen, een paar uren later, met tien of twaalf groote booten, waarin acht tot tien man waren, op ons af, ongetwijfeld met oogmerk, om het schip te plunderen, en als zij ons vonden, als slaven weg te voeren naar hunnen koning of opperhoofd, want hoe zij geregeerd worden weet ik niet. Toen zij het schip genaderd waren, en er rondom roeiden, zagen zij ons allen hard aan het werk aan de buitenzijde van het schip, wasschende en schrapende en stoppende, gelijk ieder zeeman weet hoe. Zij stonden eene poos naar ons te zien, en wij, die eenigzins verrast waren, konden ons niet verbeelden wat hun oogmerk was; maar om zeker te gaan, lieten wij eenigen in het schip gaan, om aan de anderen, die aan het werk waren, wapens en kruid en lood toe te reiken, om zich mede te verdedigen, als het noodig was. Het was spoedig noodig, want na een kwartier uurs beraadslaagd te hebben, schenen zij begrepen te hebben, dat wij werkelijk gestrand waren, en nu allen bezig waren, om het schip vlot te krijgen of ons met de sloepen te redden, en toen wij wapens in de booten lieten, begrepen zij, dat wij eenige goederen trachtten te bergen. Zij begrepen, dat thans van zelve sprak, dat alles hun toekwam, en dus voeren zij in slagorde regt op ons aan.

Ons volk werd verschrikt door hun aantal, want wij waren in eene ongunstige positie om te vechten, en zij riepen ons toe, dat zij niet wisten, wat zij doen zouden. Ik gelastte dadelijk het volk dat op den steiger werkte, om er af te komen, en hen, die in de booten waren, dat zij het schip omroeijen zouden en aan boord komen, terwijl de weinigen, die met ons aan boord waren, alle krachten inspanden, om het schip overeind te halen. Maar eer het volk op den steiger en dat in de booten konden doen wat hun gelast was, hadden de Cochinchinezen hen ingehaald, en twee hunner booten kwamen onze sloep op zijde, en begonnen het volk aan te pakken als hunne gevangenen.

De eerste, dien zij aangrepen, was een Engelsche matroos, een kloeke sterke kerel, die een geweer in de hand had, maar, in plaats van vuur te geven, het in de boot nederlegde, zeer onverstandig naar mij dacht. Maar hij wist zeer goed wat hij deed, want hij greep den barbaar aan, en rukte hem uit zijne boot in de onze, waar hij hem bij de ooren greep en zijn hoofd zoo geweldig tegen het boord van de sloep stiet, dat de man onder zijne handen dood bleef. Een Hollander, die naast hem stond, nam terwijl het geweer op, en sloeg met de kolf zoo om zich heen, dat hij vier of vijf, die in de sloep wilden komen, nedervelde; maar dit hielp weinig tegen veertig of vijftig man, die onbevreesd, omdat zij hun gevaar niet kenden, in de andere sloep sprongen, waarin slechts vijf man waren. Een toeval verschafte echter ons volk eene volkomene overwinning en bovendien vrij wat stof tot lagchen.

Onze timmerman was namelijk bezig, de buitenzijde van het schip te breeuwen en de naden te vullen, waar hij die gekalfaat had, om de lekken te stoppen, en had juist twee ketels in de boot gelaten, de een met kokende pik en de andere met harpuis, olie en smeer, gelijk de scheepsbreeuwers gebruiken, en de man, die bij hem was, had een grooten ijzeren lepel in de hand, waarmede hij de lieden, die met dat kokende goed werkten, er van voorzag. Twee vijanden stapten voor in de boot, waar die man stond; hij bedeelde hen terstond met een lepel vol van zijn brouwsel, dat hen zoo zengde en brandde, daar zij bijkans naakt waren, dat zij brullende als stieren in zee sprongen. De timmerman zag het en riep: "Goed gedaan; Jaap! geef ze nog wat!" en terwijl hij zelf voorop stond, nam hij een van de dwijlen, en doopte die in de harpuispot, en hij en zijne maats besproeiden hen zoo rijkelijk, dat van al het volk in de drie booten er niet een was, zonder duchtig gebrand en verschroeid te zijn; en zulk een gehuil en getier hieven zij aan, als ik nimmer gehoord had. Ik mag hier wel opmerken, dat hoewel natuurlijk pijn iedereen schreeuwen doet, echter ieder volk eene bijzondere wijze van schreeuwen heeft, dat evenveel van elkander verschilt als hunne spraak. Ik kan het geluid van deze kerels niet gepaster noemen dan gehuil, want nimmer hoorde ik iets, dat zoo naar wolvengehuil geleek, hetwelk ik op de grenzen van Languedoc gehoord had, gelijk ik verhaald heb.

Nimmer baarde eene overwinning mij meer genoegen dan deze, niet alleen omdat wij zoo verrassend uit een waarlijk groot gevaar gered waren, maar vooral omdat wij haar zonder bloedvergieten bevochten hadden, behalve van den man, dien de Engelschman met zijne handen doodgeslagen had, en dit was mij zeer aangenaam, want ik had eenen grooten weerzin in het dooden van zulke arme wilden, schoon het ook uit zelfverdediging ontstond. Ik wist, dat zij hunne handelingen als geoorloofd beschouwden, daar zij niet beter wisten, en schoon wij misschien regt hadden, omdat het noodzakelijk was (want in de natuur is niets, wat onregt is, noodzakelijk), echter achtte ik het droevig, tot ons zelfbehoud zoovele onzer medemenschen te moeten dooden; en ik zou tegenwoordig liever al vrij wat leed willen ondergaan, dan zelfs den slechtsten mensch die mij kwaad deed, het leven te benemen. Ik geloof, dat ieder redelijk denkend mensch, die de waarde des levens beseft, bij eenig nadenken, mij hierin zal toestemmen.

Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Terwijl dit gebeurde, hadden mijn compagnon en ik met het overige volk aan boord het schip weder overeind gehaald, en de stukken weder op zijne plaats gebragt. De konstapel verzocht mij, de booten terug te roepen, want dat hij vuren wilde. Ik riep hem toe, geen vuur te geven, want de timmerman zou dat wel voor hem klaren, maar gelastte hem nog een ketel met harpuis te vuur te zetten, waarvoor onze kok zorgde. De vijand was echter van de eerste ontvangst zoo voldaan, dat zij niet terugkwamen, en toen degenen, die het verst af waren, het schip vlot zagen, schenen zij het raadzaam te achten, die onderneming op te geven. Hiermede eindigde dit koddig gevecht, en daar wij twee dagen te voren wat rijst en groenten en brood en zestien goede varkens aan boord hadden gekregen, besloten wij dadelijk te vertrekken, wat er ook van komen mogt, want wij begrepen, dat wij den volgenden morgen meer roovers om ons heen zouden zien, dan onze harpuisketel mogelijk kon verjagen. Derhalve bragten wij dien avond alles aan boord in orde, en waren den volgenden morgen zeilree. Nu wij op eenigen afstand van den wal voor anker lagen, waren wij niet zoo ongerust, daar wij gereed waren om te vechten of te vlugten, al naar het noodig was. Den volgenden morgen gingen wij onder zeil, en vonden dat ons schip thans geheel digt was. Wij wilden de baai van Tonking inloopen, want wij wenschten te weten wat daar bekend was omtrent de Hollandsche schepen, die daar geweest waren, maar omdat wij verscheidene schepen derwaarts hadden zien stevenen, durfden wij er niet binnenloopen. Wij hielden dus N. Oostwaarts naar het eiland Formosa, evenzeer vreezende, een Engelsen of Hollandsch schip te zien, als een Engelsch of Hollandsch koopvaarder in de Middellandsche zee vreest een Algerijnschen kaper te zien.

Eenmaal in volle zee zijnde hielden wij het N. Oostwaarts, alsof wij naar Manilla of de Philippijnsche eilanden wilden stevenen, ten einde buiten het vaarwater der Europesche schepen te blijven, en toen weder Noordelijk tot op eene breedte van 22° 20', op welke wijze wij Formosa bereikten, waar wij ankerden, om water en levensmiddelen in te nemen. Wij vonden de bewoners hier zeer beleefd en zij behandelden ons zeer eerlijk en volkomen volgens overeenkomst, wat men niet altijd in alle landen ondervindt, en hetgeen hier misschien ontsproot uit overblijfsel van het Christendom, dat hier eenmaal door Hollandsche zendelingen verkondigd is. Dit bewijst wat ik overal gezien heb, dat de Christelijke godsdienst altijd beschaving en betere zeden bewerkt, behalve hetgeen zij tot hun eeuwig welzijn bijdraagt.

Wij zeilden vervolgens Noordwaarts en hielden het op eenen afstand van de Chinesche kust, tot wij wisten, dat wij alle havens van China voorbij waren, die gewoonlijk door Europeërs bezocht worden, daar wij zoo mogelijk niet in hunne handen wilden vallen, hetgeen ons vooral in dit land geheel of gedeeltelijk in het verderf zou gestort hebben. Ik in het bijzonder was zoo bevreesd, van in hunne magt te geraken, dat ik liever in die der Spaansche inquisitie had willen zijn. Op 30° gekomen, besloten wij de eerste haven, die zich opdeed, binnen te loopen, en toen wij op twee mijlen afstands van de kust waren, kwam een oude Portugesche loods bij ons aan boord, om zijne dienst aan te bieden, die wij aannamen. Zonder te vragen waar wij heen wilden, zond hij daarop zijne boot weg, waarmede hij gekomen was. Daar ik begreep, dat wij ons thans door den ouden man konden laten brengen, waar wij wilden, begon ik met hem te spreken, om ons naar de golf van Nanking, het noordelijkste punt van de kust van China, te voeren. De oude man zeide, dat hij daar zeer goed bekend was, maar vroeg wat wij daar doen wilden. Ik zeide: er onze lading verkoopen en er calicots, thee, ruwe en gewerkte zijde enz. voor nemen, en zoo denzelfden weg terugkeeren. Hij antwoordde, dat de geschiktste haven daartoe Macao geweest was, waar wij eene goede gelegenheid voor onzen opium zouden gevonden hebben, en voor ons geld even goede Chinesche produkten konden inkoopen als te Nanking. Ik kon den ouden man van dit denkbeeld niet afbrengen, en zeide dus, dat wij niet alleen om handel te drijven reisden, maar ook om de wereld te zien, en dat wij de groote stad Peking en het vermaarde hof van den Chineschen keizer verlangden te zien. "Wel, dan moest gij naar Ningpo gaan," zeide de oude man, "waar de rivier, die daar in zee valt, u binnen vijf mijlen in het groote kanaal brengt. Dit kanaal is een bevaarbaar gemaakte stroom, die het geheele Chinesche rijk doorloopt, al de rivieren doorkruist, met behulp van sluizen over verscheidene groote heuvels geleid is, en tot Peking loopt, zijnde 270 mijlen lang."

"Goed," zeide ik, "maar dit is thans ons zoeken niet; de vraag is: of gij ons naar Nanking kunt brengen, vanwaar wij later naar Peking kunnen gaan?" Hij antwoordde van ja, en dat kort geleden nog een Hollandsch schip derwaarts gegaan was. Dit deed mij schrikken, want wij waren thans banger voor een Hollandsch schip dan voor den duivel. Wij waren niet in staat het te bevechten, want hunne schepen, die daarop varen, zijn veel grooter en sterker bemand dan het onze. De oude man zag mijne onrust en zeide: "Gij behoeft voor de Hollanders niet te vreezen, mijnheer! want ik geloof niet, dat zij thans met uw volk in oorlog zijn,"--"Neen," zeide ik, "maar wie weet wat zij doen, als zij buiten het bereik der wetten van hun land zijn."--"Wel," zeide hij, "gij zijt geene zeeroovers, waarvoor zoudt gij bang zijn? Zij zullen een vreedzaam koopvaarder wel ongemoeid laten." Zoo al mijn bloed niet naar mijn gelaat vloog bij deze woorden, was het zeker, dat het in mijne aderen verstijfde. Ik geraakte in de grootste verwarring en de oude man bespeurde dit dadelijk.

"Mijnheer!" zeide hij, "het schijnt, dat mijne woorden u eenigzins verontrusten, zeg slechts welken weg gij gaan wilt, en ik zal u van dienst zijn, wat ik kan."--"Het is waar," hernam ik, "ik ben besluiteloos, waar ik heen wil gaan, en vooral na hetgeen gij van zeeroovers zegt. Ik hoop, dat er hier geene zwerven, want ik zou slecht tegen hen bestand zijn; gij ziet dat wij niet sterk gewapend en slechts zwak bemand zijn."--"Vrees niet," antwoordde hij, "ik weet niet, dat er in de laatste vijftien jaren hier zeeroovers geweest zijn, behalve dat er een, naar ik gehoord heb, eene maand geleden in de baai van Siam gezien is, en die is stellig Zuidwaarts gegaan; ook was het geen schip, dat zeer sterk of geschikt daartoe was. Het was niet voor een kaper gebouwd, maar eenige schurken daar aan boord waren er mede doorgegaan, nadat de kapitein en eenigen van het volk op of bij het eiland Sumatra vermoord waren."

"Wat!" zeide ik, mij houdende alsof ik van niets wist, "hebben zij den kapitein vermoord?"--"Neen," zeide hij, "dat zeg ik niet, maar daar zij naderhand met het schip doorgingen, gelooft men algemeen, dat zij hem aan de Maleijers verraden hebben, die hem, misschien op hun aanstoken, vermoord hebben."--"Dan verdienen zij evenzeer den dood, alsof zij het zelf gedaan hadden," zeide ik.--"Zeker verdienen zij dien," hervatte de oude man, "en zij zullen dien ook ondergaan, als zij een Engelsch of Hollandsch schip ontmoeten, want allen hebben besloten, die schurken geen kwartier te geven, als zij hen aantreffen."

"Maar," zeide ik, "gij zegt, dat de zeeroover deze zeeën heeft verlaten; hoe kunnen zij hem dan aantreffen?"--"Het is waar, dat men dit zegt," hernam hij, "maar zoo als ik zeide, werd hij in de baai van Siam, op de rivier Cambodia ontdekt door eenige Hollanders, die daar aan boord geweest en achtergebleven waren, toen men met het schip doorging, en daar eenige Engelsche en Hollandsche koopvaarders op de rivier lagen, was hij bijkans genomen. Zoo slechts de voorste booten door de achterste goed ondersteund waren geworden, dan hadden zij hem zeker genomen; maar hij vuurde op hen, en koos toen de ruimte, voordat de andere opkwamen. Zij hebben het schip echter zoo goed beschreven, dat het dadelijk herkend moet worden, en zij hebben gezworen, den kapitein en de matrozen geen kwartier te geven, maar aan de nok van de groote ra op te hangen,"--"Zoo," zeide ik, "zal men hen straffen, schuldig of onschuldig; eerst hen ophangen en dan hun proces opmaken?"--"Och!" zeide de oude loods, "met zulke schurken behoeft zooveel omslag niet gemaakt; laat men hen rug aan rug binden en dan de voeten spoelen; zulke schurken verdienen niet beter."

Ik wist, dat ik den ouden man vast aan boord had, en hij mij geen kwaad kon doen, dus zeide ik driftig: "Welnu, senhor! juist daarom wil ik, dat gij ons naar Nanking en niet naar Macao of ergens waar Hollandsche en Engelsche schepen komen, brengt; want laat mij u zeggen, dat die Engelsche en Hollandsche kapiteins een troep laatdunkende schoften zijn, die volstrekt niet weten wat de regtvaardigheid, noch wat goddelijke en menschelijke wetten eischen, maar die, trotsch op hun gezag, hunne magt te buiten gaan, en als moordenaars willen handelen, om zeeroovers te straffen, en menschen, die ten onregte beschuldigd zijn, kwaad zouden doen en hen zonder onderzoek schuldig verklaren; en misschien zal ik nog eens eenigen ter verantwoording roepen, waar zij leeren kunnen, hoe de geregtigheid gehandhaafd moet worden, en dat men niemand veroordeelen mag, zonder bewijs van de misdaad en dat hij die bedreven heeft."

Hierop verhaalde ik hem, dat juist dit schip aangevallen was, en alles wat er met de sloepen bij hunnen aanval gebeurd was, hoe wij aan het vaartuig gekomen waren, en hoe de Hollander ons gewaarschuwd had. Ik zeide hem, dat ik geloofde, dat de kapitein door de Maleijers vermoord was geworden, en ook dat de matrozen met het schip doorgegaan waren; maar dat de zeerooverij een bloot verzinsel van hen was, en van de waarheid daarvan hadden zij zeker moeten zijn, eer zij ons zoo verraderlijk overvielen, en ik voegde er bij, dat het bloed, dat wij in onze regtmatige verdediging vergoten hadden, ter hunner verantwoording kwam.

De oude man stond zeer verbaasd, en gaf ons volkomen gelijk, dat wij Noordwaarts gehouden hadden, maar raadde ons om het schip in China te verkoopen, dat zeer goed gaan zou, en daar een ander te koopen of te laten bouwen. "Al is het dan ook zoo goed niet," zeide hij, "dan zal het u en uwe goederen toch naar Bengalen of elders kunnen brengen." Ik zeide, dat ik hierover denken zou, als ik in eene haven kwam, waar ik een kooper voor dit schip of een ander vaartuig voor mij vinden kon. Hij zeide, dat ik te Nanking koopers genoeg zou vinden, en met eene Chinesche jonk kon ik de thuisreis wel doen, en hij zou mij beide wel verschaffen.--"Maar," zeide ik, "daar het schip, gelijk gij zegt, zoo goed bekend is, zal ik, als ik uw raad volg, misschien eenige onschuldige menschen in groot gevaar brengen, en welligt oorzaak zijn, dat zij in koelen bloede vermoord worden; want alleen om het schip zullen zij hen als schuldig houden."--"Dat is zoo," hernam de oude man, "maar ik weet een middel om dat te beletten; ik ken al de kapiteins zeer goed en zal hen allen opzoeken, als zij voorbijgaan, en hen de zaak ophelderen, en zij zullen mij zeker in zoo verre althans gelooven, dat zij in het vervolg voorzigtiger zullen te werk gaan."

Wij bleven middelerwijl koers zetten naar Nanking, en na dertien dagen zeilens ankerden wij aan de Z.W. punt van Nanking, waar ik toevallig vernam, dat de twee groote Hollandsche schepen mij voorgegaan waren en ik onfeilbaar in hunne handen vallen zou. Ik raadpleegde mijnen compagnon, die even zoo verlegen was als ik, en gaarne overal behouden aan wal had willen zijn. Ik vroeg den ouden loods, of er geene kreek of haven hier omstreeks was, waarin ik zonder gevaar met de Chinezen handelen kon. Hij zeide mij, dat ongeveer tweeënveertig mijlen Zuidwaarts eene haven, Quinchang, was, waar de paters zendelingen gewoonlijk van Macao landden, als zij het Christendom in China gingen verkondigen, en waar nimmer Europesche schepen binnenkwamen, en als ik daar was, kon ik zien hoedanig ik verder handelen wilde. Het was echter geene geschikte plaats om handel te drijven, behalve dat er somtijds eene soort van jaarmarkt gehouden werd, waarop de kooplieden van Japan kwamen om Chinesche waren te koopen. Wij besloten naar die haven te gaan, wier naam ik misschien niet juist opgeef, daar ik dien met eenige anderen in een zakboekje opgeschreven had, dat bij toeval in het water viel; maar ik herinner mij, dat de Chinesche en Japansche kooplieden het anders noemden, dan onze Portugesche loods, ongeveer als ik zeide: Quinchang. Den volgenden dag gingen wij onder zeil, na slechts tweemaal aan wal geweest te zijn, om zoet water in te nemen, en beide keeren waren de inboorlingen zeer beleefd, en bragten ons eene menigte goederen als groenten, thee, rijst en eenig gevogelte, maar zij gaven niets zonder geld.