Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Part 16

Chapter 163,972 wordsPublic domain

Wij hadden gelijk ik zeide, eene voordeelige reis, en door onze eerste onderneming zooveel geld gewonnen, en ik zooveel inzigt in de wijze van handel drijven, dat, ware ik twintig jaren jonger geweest, ik in verzoeking zou gekomen zijn, om daar te blijven en mijne fortuin te maken. Maar waartoe zou dit dienen bij iemand, die boven de zestig jaren oud was, geld genoeg bezat, en meer reisde uit eene onbedwingbare zucht om de wereld te zien, dan uit hebzucht, en waarlijk ik mag die zucht wel onbedwingbaar noemen, want te huis verlangde ik op reis te zijn, en in een vreemd land verlangde ik naar huis. Ik herhaal het, wat baatte mij de winst? Ik was rijk genoeg, en verlangde niet naar schatten; derhalve was het voordeelige van de reis voor mij geene drangreden, om mij tot verdere ondernemingen aan te zetten, en ik achtte zelfs deze reis als zonder gewin voor mij, omdat ik tot de plaats, vanwaar ik vertrokken was, was teruggekeerd, alsof daar mijn vaderland was, terwijl mijn oog, dat, gelijk dat waarvan Salomo spreekt, onverzadigbaar was van zien, maar altijd verlangde om meer te zwerven en te zien. Ik was in een deel der wereld gekomen, waar ik vroeger nimmer geweest was, en van hetwelk ik vooral veel gehoord had, en had besloten, er van te zien zooveel als ik kon, dan meende ik, had ik al het bezienswaardige in de wereld gezien.

Mijn compagnon bezag de zaken uit een ander oogpunt. Ik zeg dit niet, om het mijne te verdedigen, want het zijne was het beste en het meest voor eenen koopman geschikt, die, als hij op avontuur uitgaat, verstandig handelt als hij zich houdt aan hetgeen waarschijnlijk hem het meeste voordeel zal geven. Mijn nieuwe vriend hield zich aan het wezen van de zaak, en zou even als een paard in eenen molen, altijd denzelfden kring hebben willen rondloopen, mits hij er zijne rekening bij vond; aan den anderen kant was mijne denkwijze, hoe oud ik ook was, die van eenen dollen jongen, die als hij eens iets gezien heeft, er dadelijk van verzadigd is.

Maar dit was niet alles. Ik verlangde vurig digter bij mijn vaderland te zijn, en kon volstrekt tot geen besluit komen, welken weg daartoe in te slaan. Terwijl ik hierover nadacht, stelde mijn vriend, die altijd om zijne zaken dacht, mij eene andere onderneming voor, naar de Specerij-eilanden, en om van de Manilla's of dien kant uit, eene lading nagelen mede te brengen. Wel handelen de Hollanders op deze plaatsen, maar zij behooren gedeeltelijk aan de Spanjaarden. Wij gingen echter zoo ver niet, maar naar eenige andere, waar hunne magt niet zoo gevestigd is, als te Batavia, Ceylon enz. De toebereidselen tot deze reis waren spoedig gedaan, de grootste zwarigheid was alleen om er mij toe over te halen. Daar echter niets anders zich voordeed en ik ondervond, dat reizen en handelen met eene zoo groote, en ik mag zeggen, zekere winst, aangenamer en streelender was dan stil zitten, dat vooral voor mij, het rampzaligste leven was, besloot ik ook deze reis mede te doen. Wij volbragten die reis gelukkig, legden te Borneo aan, en op verscheidene eilanden, wier namen mij ontgaan zijn, en kwamen binnen vijf maanden terug. Onze specerijen, die voornamelijk in nagelen en eenige notenmuskaat bestonden, verkochten wij aan Perzische kooplieden, die ze naar de golf voerden, en daar wij vijf malen ons kapitaal terug ontvingen, wonnen wij inderdaad veel geld.

Toen mijn compagnon de rekening opgemaakt had, zeide hij, glimlagchend en als om mijne onverschilligheid te hekelen: "Welnu, is dat nu niet beter dan hier rond te loopen als iemand, die niets te verrigten heeft, en onzen tijd te verkwisten met den onzin en domheid der heidenen aan te gapen?"--"Ik geloof waarlijk van ja, mijn vriend!" antwoordde ik, "en ik begin de leerstellingen der kooplieden te omhelzen; maar ik moet u zeggen," vervolgde ik, "gij weet niet wat ik doen kan, want als ik er lust in krijg en met hart en ziel er deel in neem, zal ik, zoo oud als ik ben, u de wereld doorslepen, tot gij er uw bekomst van hebt, want ik zal het zoo ijverig aanleggen, dat gij geen oogenblik zult stilzitten."

Doch om voort te gaan. Eene poos daarna kwam een Hollandsen schip van Batavia binnen; het was geschikt voor reizen langs de kust en niet naar Europa, en van ongeveer tweehonderd ton. Het volk gaf voor, dat zij zooveel aan ziekte geleden hadden, dat de kapitein geen volk genoeg had, om weder naar zee te gaan, en daarom binnengeloopen was, en hetzij dat hij geld genoeg had of om andere redenen naar Europa verlangde, hij maakte openlijk bekend, dat hij zijn schip wilde verkoopen. Dit kwam mij vroeger ter oore dan mijn compagnon, en ik kreeg lust het te koopen. Ik ging dus naar hem toe en sprak er hem over. Hij dacht eene poos er over na, want hij overijlde zich nooit, en zeide eindelijk: "Het is wel wat groot; maar wij zullen het nemen." Diensvolgens kochten wij het schip, betaalden het, en namen er bezit van. Toen dit afgeloopen was, besloten wij, om aan het volk te vragen, of zij met onze matrozen bij ons dienst wilden nemen, maar plotseling waren zij allen verdwenen, nadat zij, gelijk wij later vernamen, niet alleen hunne gagie, maar ook hun aandeel van den koopprijs hadden ontvangen. Wij deden veel navraag naar hen, en eindelijk zeide men ons, dat zij allen over land naar Agra, waar de groote mogol zijn verblijf hield, waren gegaan, en van daar naar Suratte, en zoo te scheep naar de Perzische golf trokken.

Niets speet mij eenen geruimen tijd zoo zeer, dan dat ik de gelegenheid van met hen te gaan, had verzuimd, want zulk eene reis, in een gezelschap, dat mij zoowel tot bescherming als tot genoegen verstrekt zou hebben, zou juist met mijne wenschen gestrookt hebben. Ik zou dan de wereld gezien hebben, en tevens huiswaarts gekeerd zijn. Maar eenige dagen later dacht ik er anders over, toen ik vernam, wat het voor knapen waren, want de man, dien zij kapitein noemden, was slechts de konstapel. Zij waren op eene reis door eenige Maleijers aangevallen, die den kapitein en drie van zijn volk gedood hadden. Nadat deze gesneuveld waren, besloten de overigen aan boord, elf in getal, met het schip door te gaan, gelijk zij deden, en het in de baai van Bengalen bragten, terwijl zij den stuurman met vijf man aan den wal achterlieten, van welke wij later meer zullen hooren.

Doch hoe zij ook aan het schip kwamen, wij geraakten er op eene eerlijke wijze aan, naar wij meenden, schoon wij misschien dat wat scherper hadden moeten onderzoeken, want zoo wij de matrozen ondervraagd hadden, zouden zij elkander zeker tegengesproken en ons grond tot achterdocht gegeven hebben; maar de kapitein toonde ons eene overdragt van het schip op zekeren Emanuel Kloosterhoven (waarschijnlijk alles valsch) en gaf voor, dat hij zoo heette. Wij konden hem niet tegenspreken, en daar wij wat onvoorzigtig waren, of liever in het geheel geen kwaad vermoeden hadden, sloten wij den koop.

Wij namen vervolgens nog eenige Engelsche en Hollandsche matrozen aan, en besloten nu tot eene tweede reis, om specerijen naar de Philippijnsche en Moluksche eilanden; en om den lezer niet met beuzelingen te vermoeijen, ik bragt in het geheel in dit werelddeel zes jaren door met van de eene haven naar de andere te varen, en ging nu in het laatste jaar met mijnen compagnon op reis naar China, doch eerst zouden wij Siam aandoen om rijst in te koopen. Tegenwinden noodzaakten ons hier eenen langen tijd in de engte van de Molucco's en tusschen de andere eilanden te kruisen, doch naauwelijks waren wij uit dit moeijelijke vaarwater of wij vonden dat het schip lek was, zonder dat wij bij mogelijkheid konden vinden, waar dit lek zat. Hierdoor waren wij verpligt, om eene haven op te zoeken, en mijn compagnon, die hier beter dan ik bekend was, gelastte den kapitein de rivier Cambodia op te varen, want ik had een Engelschen stuurman, zekeren Thomson, kapitein gemaakt, omdat ik geen lust had, om zelf het gezag te voeren. De rivier ligt noordwaarts van de golf of baai die tot Siam zich uitstrekt.

Terwijl wij hier lagen en dikwijls om ververschingen naar den wal gingen, ontmoette ik daar eens een Engelschman, naar het scheen, konstapelsmaat op eenen Engelschen Oost-Indiƫvaarder, die op dezelfde rivier digt bij Cambodia ten anker lag. Hij kwam naar mij toe, en sprak mij in het Engelsch aan, zeggende: "Mijnheer! wij zijn onbekend, maar ik heb u iets te zeggen, dat van veel belang voor u is." Ik zag hem strak aan, en dacht eerst, dat ik hem kende, maar dat was zoo niet. "Zoo het iets van belang voor mij en niet voor u is," zeide ik, "wat beweegt u dan, om het mij te zeggen?"--"Het groot gevaar, waarin gij u bevindt, en dat gij, naar ik meen te zien, geheel niet vermoedt, treft mij," hernam hij.--"Ik weet niet in welk gevaar ik mij bevinden zou," zeide ik, "behalve dat mijn schip een lek heeft, dat ik niet vinden kan, maar ik denk het morgen op zijde te halen, en te zien of ik het vinden kan."--"Lek of niet, gij zult wel wijzer doen, dan uw schip morgen hier te laten, als gij gehoord hebt, wat ik u zeggen zal," hernam hij. "Weet gij wel, dat de stad Cambodia slechts vijftien mijlen van hier ligt, en dat er vijf mijlen aan deze zijde twee groote Engelsche en drie Hollandsche schepen liggen?"--"Wel, wat gaat mij dat aan?" hernam ik.--"Waarlijk, mijnheer!" antwoordde hij, "iemand, die op zulke avonturen uitgaat als gij, is het niet geraden, om eene haven binnen te loopen, zonder eerst te onderzoeken welke schepen daar zijn, en of hij in staat is, om ze het hoofd te bieden. Ik geloof niet, dat gij tegen hen opgewassen zijt." Ik lachte over deze woorden, die mij geene zorg baarden, want ik kon niet vatten wat hij meende, dus zeide ik eenigzins scherp: "Ik wenschte wel, dat gij duidelijker spraakt, mijn vriend! waarom zou ik bang zijn voor eenig kompagnies of Hollandsen schip; ik ben geen smokkelaar. Wat kunnen zij tegen mij hebben?"

Hij zette een misnoegd gelaat; doch zeide na eene poos zwijgens, met eenen glimlach: "Welnu, mijnheer! als gij u veilig acht, moogt gij afwachten wat er komen zal. Het spijt mij, dat gij blind zijt voor goeden raad, maar wees verzekerd, dat zoo gij niet dadelijk in zee steekt, gij met het volgende getij door vijf groote booten vol volks zult aangevallen worden; en als gij misschien genomen mogt worden, zal men u als een zeeroover ophangen en daarna uw proces opmaken. Ik had gedacht," vervolgde hij, "dat gij een berigt van zulk eene belangrijke zaak anders zoudt hebben opgenomen."--"Ik ben nimmer ondankbaar," antwoordde ik, "voor eenige dienst, noch jegens iemand, die mij eene dienst doet, maar ik begrijp niet, hoe zij zulk een oogmerk tegen mij kunnen hebben. Daar gij echter zegt, dat er geen tijd te verliezen is, en dat er een schelmsch voornemen bestaat, zal ik dadelijk aan boord gaan en in zee steken, als mijn volk het lek kan stoppen of wij zonder dat zee kunnen bouwen. Maar," vervolgde ik, "ik zou gaarne de reden hiervan weten. Kunt gij mij hieromtrent geene opheldering geven?"

"Slechts gedeeltelijk, mijnheer!" zeide hij, "maar ik heb een Hollandsen zeeman bij mij, en ik geloof, dat hij u wel alles zal willen verhalen, maar er is naauwelijks tijd toe. De hoofdzaak echter is deze, waarvan het begin u wel bekend zal zijn, namelijk dat gij met dit schip te Sumatra geweest zijt, dat daar uw kapitein met drie of vier man door de Maleijers vermoord is geworden, en dat gij, of eenigen die met u daar aan boord waren, met het schip doorgingen, en sedert zeeroof gepleegd hebben. Dit is de hoofdinhoud der zaak; en gij zult allen als zeeroovers opgepakt en zonder vele pligtplegingen opgehangen worden, want gij weet, dat koopvaarders den zeeroovers een kort proces aandoen, als die in hunne handen vallen."

"Nu spreekt gij rond en duidelijk," zeide ik, "en ik bedank u, en schoon ik weet, dat wij niets van dit alles bedreven hebben, maar op eene eerlijke wijze aan dit schip gekomen zijn, zal ik echter op mijne hoede zijn als er zoo iets gebeurt, en daar gij het eerlijk schijnt te meenen."--"Spreek niet van op uwe hoede te zijn, mijnheer!" zeide hij, "uwe beste handelwijze is het gevaar te ontwijken. Zoo gij op uw leven en op dat van uw volk eenigen prijs stelt, zoo kies de ruimte, zoodra het hoogwater is, en daar gij een geheel getij voor u hebt, zult gij al ver in zee zijn, voordat zij bij u kunnen komen, en daar zij twintig (Eng.) mijlen moeten afleggen, wint gij bovendien twee uren door het verschil van het getij, en daar zij slechts met sloepen afkomen, zullen zij u niet te ver in zee kunnen volgen, vooral als het wat waait."--"Ik heb waarlijk veel verpligting aan u," zeide ik, "hoe zal ik u dit vergelden?"--"Spreek daarvan niet, mijnheer!" zeide hij, "zoolang gij niet weet, of het waarheid is wat ik u gezegd heb. Ik zal u iets voorstellen. Ik heb negentien maanden gagie te goed op het schip, waarmede ik uit Engeland ben gekomen, en de Hollander, die bij mij is, zeven maanden. Zoo gij ons deze geven wilt, zullen wij met u gaan, en zoo gij overtuigd wordt, dat wij uw leven en dat van uw volk en de lading gered hebben, laten wij de meerdere belooning aan u over."

Ik stemde dadelijk hierin toe en ging onmiddellijk met hen naar boord. Zoodra ik op zijde kwam, riep mijn compagnon, die op het dek stond, mij verheugd toe: "Wij hebben het lek gevonden en al gestopt ook."--"Goddank, dat ik het hoor," zeide ik, "maar ligt dadelijk het anker."--"Dadelijk ankerligten?" herhaalde hij, "waarom, wat is er gaande?"--"Vraag niet," zeide ik, "maar roep alle mannen aan het werk, en laat het anker ligten, zonder een oogenblik te verliezen." Hij zag vreemd op, maar riep dadelijk den kapitein, en gaf hem orders, en schoon de eb nog niet doorgekomen was, dreef een koeltje van het land ons echter naar zee. Daarop riep ik hem in de kajuit en verhaalde hem wat er gaande was, en riep toen de twee mannen binnen, en zij verhaalden ons het overige; maar daar hiermede vrij wat tijd verliep, hadden zij nog niet gedaan, toen reeds een matroos aan de kajuitdeur kwam, om ons te zeggen, dat de kapitein ons liet weten, dat er jagt op ons gemaakt werd.--"Jagt, door wie?" vroeg ik.--"Door vijf sloepen met volk," zeide de man.--"Het is goed," zeide ik. "Dan is er waarschijnlijk wat aan." Ik liet daarop al het volk achterop komen, en verhaalde hun, dat men voornemens was, om het schip prijs te verklaren en ons als zeeroovers te behandelen, en vroeg hun, of zij ons trouw wilden bijstaan. Zij antwoordden welgemoed, dat zij ons tot in den dood zouden getrouw blijven. Toen vroeg ik den kapitein, hoe wij hen het best zouden afslaan, want dat ik mij tot den laatsten droppel bloeds wilde verdedigen. Hij zeide, dat het best ware, hen met onze stukken zoo lang mogelijk op eenen afstand te houden, en daarna hen met ons handgeweer te beletten, dat zij ons enterden, maar als dat alles vergeefs was, dat wij ons dan omlaag moesten begeven, in de hoop, dat zij geene gereedschappen mogten hebben, om onze beschotten open te breken.

De konstapel ontving middelerwijl order om twee stukken voor en achter te plaatsen, zoodat zij het dek bestreken, en die te laden met geweerkogels, oud ijzer en wat hij maar vond. Terwijl wij ons zoo gereed maakten om te vechten, hielden wij het echter zeewaarts met eene tamelijke koelte en konden de sloepen op eenigen afstand zien, zijnde vijf groote barkassen, die ons vervolgden met zooveel zeil als zij slechts konden bijzetten. Twee daarvan, die wij door onze kijkers konden zien, dat Engelschen waren, waren de anderen bijkans twee mijlen vooruit, zoodat wij zagen, dat zij ons zouden inhalen. Hierop deden wij een schot met los kruid, tot een sein dat zij zouden bijleggen, en heschen eene witte vlag, tot teeken dat wij onderhandelen wilden, maar zij hielden vol totdat zij binnen het bereik van ons geschut kwamen. Hierop streken wij de witte vlag, daar zij er niet op geantwoord hadden, heschen de roode en vuurden op hen met scherp. Desniettemin hielden zij vol, totdat zij zoo digt genaderd waren, dat wij hen met eenen roeper konden praaijen; dus riepen wij hun toe om af te houden, als zij hun leven liefhadden.

Het baatte alles niets; zij bleven ons volgen en trachtten onder onzen spiegel te komen, om ons zoo te enteren; waarop ik, ziende dat wij alles van hen te vreezen hadden en dat zij op de andere booten, die hen volgden, rekenden, gelastte het schip te wenden, zoodat zij ons op zijde kwamen, waarop wij dadelijk vijf stukken op hen afvuurden. Een schot trof zoo goed, dat het den achtersteven van eene boot wegsloeg, waardoor het volk de zeilen moest innemen en allen voorop loopen, om de boot niet te doen zinken; deze was dus buiten gevecht gesteld, maar daar de andere boot nog volhield, besloten wij op deze alleen te vuren.

Terwijl dit geschiedde had een van de drie achterste booten, die de andere twee vooruitgeraakt was, de door ons gehavende boot bereikt, en wij zagen naderhand, dat zij er het volk uit had overgenomen. Wij riepen de voorste boot weder aan, en boden eenen wapenstilstand aan, om te onderhandelen en te weten wat zij van ons wilden hebben, maar ontvingen geen antwoord, terwijl zij nader onder onzen spiegel schoot. Hierop haalde onze konstapel, die een vlugge knaap was, zijne twee jagers uit en gaf vuur op haar, zonder te treffen. Het volk in de boot juichte en wuifde met hunne mutsen; maar de konstapel had spoedig weder geladen, en een schot trof het volk, schoon het de boot miste, en deed veel kwaad onder hen, gelijk wij duidelijk zagen. Maar wij stoorden ons hieraan niet, maar wendden weder, en deden nog drie schoten, waarmede wij de boot bijkans verbrijzelden, vooral was het roer en een deel van den steven geheel weggeschoten; zij streken dus ijlings het zeil en waren geheel in wanorde. Maar om hun ongeluk te voltooijen, gaf de konstapel nog tweemaal vuur op hen. Waar hij hen trof weet ik niet, maar de boot begon te zinken en eenigen lagen reeds in het water. Dadelijk bemande ik hierop onze pinnas, die wij op zijde hadden liggen, met last om eenigen van het volk, zoo het mogelijk was, te redden en dadelijk met hen aan boord te komen, omdat de andere booten ook opkwamen. Ons volk vischte drie man op, waarvan een reeds half verdronken was, die wij eerst na veel moeite weder bijbragten. Zoo als zij aan boord waren, zetten wij zooveel zeil bij als wij konden en hielden zeewaarts, en toen de andere drie booten bij de twee voorste gekomen waren, zagen wij, dat zij de jagt opgaven.

Aldus van een gevaar bevrijd, dat veel grooter scheen, dan ik verwachtte, schoon ik er nog de reden niet van begreep, zorgde ik, dat wij onzen koers veranderden, zoodat niemand wist waar wij heengingen. Wij legden dus eerst oostwaarts aan, geheel buiten het vaarwater van alle Europesche schepen, hetzij naar China of naar eenige andere handelplaats. Toen wij op zee waren begonnen wij de beide zeelieden te ondervragen naar de reden van dit alles. De Hollander helderde ons nu het geheim op, zeggende, dat de kerel, die ons het schip verkocht had, niet anders dan een dief was, die met het schip was doorgegaan. Hij verhaalde vervolgens hoe de kapitein, dien hij mij noemde, doch wiens naam mij ontgaan is, op de kust van Malacca, met drie van zijn volk, vermoord was geworden; en dat hij met nog vier anderen in het bosch gevlugt was, waar zij eenen geruimen tijd hadden rondgezworven, tot hij in het bijzonder zich gered had op een Hollandsen schip, dat daar eene boot aan wal gezonden had, om zoet water in te nemen.

Vervolgens verhaalde hij, hoe hij, op Batavia gekomen, twee matrozen van het geroofde schip had ontmoet, die de overigen op reis verlaten hadden, en hoe deze hem gezegd hadden, dat de kerel, die met het schip doorgegaan was, het in Bengalen aan een hoop zeeroovers verkocht had, die er mede waren gaan kruisen, en dat zij reeds een Engelsch en twee Hollandsche schepen genomen hadden, alle rijk geladen. Dit laatste gedeelte sloeg op ons, en schoon wij wisten dat het valsch was, echter, gelijk mijn compagnon aanmerkte, het ware vruchteloos geweest ons te verdedigen of lijfsbehoud van hen te verwachten, als wij in hunne handen waren gevallen, terwijl zij zulk eene meening van ons koesterden, en te meer, daar onze beschuldigers tevens onze regters waren en alleen naar hunne blinde driften te werk gingen. Hij sloeg derhalve voor, om regtstreeks naar Bengalen, vanwaar wij kwamen, terug te keeren, zonder eenige haven aan te doen, omdat wij daar konden bewijzen, hoe wij aan het schip gekomen waren. In alle gevallen, als wij genoodzaakt waren tot de regtbank ons te wenden, konden wij ten minste verwachten, volgens regten behandeld te worden, en niet eerst gehangen en dan ons proces opgemaakt te worden.

Eenigen tijd dacht ik er ook zoo over, maar na rijp overleg zeide ik hem, dat ik het zeer gevaarlijk achtte, om naar Bengalen te willen terugkeeren, want daar wij tusschen de Moluccos waren, konden wij verwachten overal door de Hollanders en Engelschen aangevallen te worden, en als wij genomen werden, terwijl wij als het ware vlugtten, zouden wij ons eigen vonnis uitspreken, en men zou geen verder bewijs tegen ons noodig achten. Ik vroeg den Engelschen zeeman naar zijn gevoelen, die mij gelijk gaf, en het zeker achtte, dat wij genomen zouden worden. Dit gevaar smaakte mijn compagnon en het scheepsvolk weinig, en wij besloten naar de kust van Tonking en zoo naar China te stevenen, en daar op eene of andere wijze ons schip trachten te verkoopen, en met een vaartuig van het land, dat wij bekomen konden, terug te keeren. Dit werd goedgekeurd, en dus stevenden wij N. N. Oostwaarts, en hielden ons ongeveer vijftig mijlen ten Oosten van het gewone vaarwater.

Dit had echter dat ongemak, dat wij gestadig tegenwind hadden, daar de passaat bijkans altijd uit het O. en O. N. O. blies, zoodat wij eene lange reis hadden, terwijl wij slecht van levensmiddelen voorzien waren, en wat nog erger was, er was eenige kans, dat die schepen, wier booten ons vervolgd hadden, waarvan sommigen dien kant heen moesten, daar voor ons waren aangekomen, of aan eenen anderen Chinavaarder tijding van ons gegeven hadden, en dat die ons even fel vervolgden. Ik moet bekennen, dat ik vrij ongerust was, en mij in den gevaarlijksten toestand achtte, waarin ik mij nog ooit bevonden had. Want in welke hagchelijke omstandigheden ik ook geweest was, nimmer te voren was ik als een dief vervolgd, noch had ik ooit iets gedaan wat oneerlijk, ongeoorloofd, laat staan diefachtig was. Ik was voornamelijk mijn eigen vijand geweest of liever niemand vijandig dan mijzelven. Maar nu was ik er zoo slim aan toe als mogelijk was, want schoon volmaakt onschuldig, zag ik geene kans, om die onschuld te doen blijken, en als ik genomen mogt worden, zou dit zijn, omdat men mij hield voor eenen misdadiger van de ergste soort, althans naar de schatting van die lieden, met welke ik te doen zou hebben.