Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 15
Gelijk ik hen niet had kunnen overreden om niet te gaan, zoo kon ik mij zelven thans evenmin bedwingen om mede te gaan. De kapitein gelastte dus twee man met de pinnas terug te roeijen, en nog twaalf man van boord te halen, terwijl de groote boot voor anker bleef liggen, en dat als zij terug kwamen zes man op de booten zouden passen en zes ons volgen, zoodat hij slechts zestien man op het schip liet, want de geheele equipaadje bestond uit zesenvijftig man, waarvan twee bij den eersten twist, die al het onheil te weeg bragt, gesneuveld waren.
Eens op weg dachten wij er weinig aan een pad te zoeken, maar gingen regt op de vlammen aan. Had eerst het schieten ons verontrust, thans waren de jammerkreten van het arme volk van een geheel anderen aard, en deden ons bloed verstijven van ijzing. Ik had zeker nimmer het stormenderhand innemen en verbranden van eene stad bijgewoond, maar ik had van Cromwell's wreedheden in Ierland en van Tilly's plundering van Maagdenburg gehoord, maar nimmer vroeger van die zaken eenig besef gehad; ook is het niet mogelijk die te beschrijven of de ontzetting, die het hooren daarvan ons aanjaagt.
Wij gingen echter verder en kwamen eindelijk aan het dorp, schoon de vlammen ons beletten er binnen te gaan. Het eerst wat wij zagen was eene hut in puin of liever in de asch, want het vuur had haar geheel verteerd, en daar voor lagen de lijken van vier mannen en drie vrouwen, en wij meenden nog een of twee in het vuur te zien. Kortom wij troffen zoo veel blijken aan van onmenschelijke woede en wraakzucht, dat wij het onmogelijk hielden, dat ons volk die allen had kunnen bedrijven; of anders hadden allen naar ons gevoelen den gruwelijksten dood verdiend. Doch dit was niet alles; voor ons uit vermeerderden de vlammen en tevens de kreten, zoodat wij volstrekt niet begrepen wat er gaande was. Een weinig verder gekomen zagen wij tot onze verbazing drie naakte gillende vrouwen ons als razenden voorbij vlugten, gevolgd door zestien of zeventien inboorlingen, met drie van onze Engelsche moordenaars achter hen, die, daar zij hen niet konden inhalen, op hen vuurden, en een voor onze oogen doodschoten. Toen de anderen ons zagen hielden zij ons ook voor vijanden, van wie hun een gelijk lot te wachten stond als van de anderen, en zij begonnen allerakeligst te gillen, vooral de vrouwen, en twee hunner vielen neder als of zij reeds werkelijk dood waren.
Mijn bloed verstijfde toen ik dit zag, en ik geloof dat, zoo de drie Engelsche matrozen, die hen vervolgden, bij ons gekomen waren, ik mijn volk op hen zou hebben laten vuren. Wij gaven echter de arme vlugtelingen te kennen, dat wij hun geen kwaad wilden doen, en dadelijk kwamen zij naar ons toe, knielden met opgeheven handen, en hieven een droevig gejammer om bescherming aan, die wij hun door gebaren beloofden, waarop zij zich digt achter ons voegden. Ik liet mijn volk in orde oprukken en gelastte hun niemand kwaad te doen, maar zoo mogelijk eenigen van ons volk te bereiken, en te zien van welken duivel zij bezeten waren, wat zij wilden, en hun te gelasten het moorden te staken en te verzekeren, dat zij met het aanbreken van den dag honderdduizend wilden om hen heen zouden hebben, en ik begaf mij met een paar lieden onder de vlugtelingen, waar ik een jammerlijk schouwspel ontwaarde. Sommigen hadden zich, bij het redden uit de vlammen, vreesselijk gebrand, anderen waren bovendien door de onzen gekwetst, en een man, die een kogel door het lijf had ontvangen, stierf terwijl ik er bij stond.
Ik had gaarne de aanleidende oorzaak van dit alles willen vernemen, maar kon van hunne woorden niets begrijpen, schoon ik uit hunne teekens opmaakte, dat zij er zelf niets van wisten. Ik was zoo verbitterd over dezen onmenschelijken aanval, dat ik het hier niet langer uithouden kon, maar naar mijn volk terug ging. Ik zeide hun mijn voornemen en gelastte hun mij te volgen, toen op dat oogenblik vier onzer matrozen onder aanvoering van de bootsman kwamen aanloopen, over hoopen van door hen vermoorde wilden, geheel met bloed en stof bedekt, alsof zij naar nog meer moorden verlangden. Ons volk riep hen toe zoo luid zij konden, en deden zich eindelijk met veel moeite hooren, zoodat zij ons herkenden en naar ons toekwamen.
Zoodra de bootsman ons zag riep hij hoezee, omdat hij dacht hulpbenden te zien, en zonder te wachten dat ik iets zeide, riep hij: "Kapitein, ik ben blijde dat gij gekomen zijt, wij hebben nog niet half gedaan. Die honden, die helsche schurken! Ik zal er zoo veel doodslaan als de arme Tomas haren op het hoofd had. Wij hebben gezworen geen hunner te sparen, wij willen hunne geheele natie van den aardbodem verdelgen!" en zoo ging hij voort, hijgende van drift, zonder dat ik er een woord tusschen kon voegen.
Eindelijk verhief ik mijne stem om hem te overschreeuwen. "Barbaarsche schelm, wat doet gij?" zeide ik. "Ik verbied u, op doodstraffe, nog een van het leven te berooven. Blijf hier en houd uwe handen voor u, als gij uw leven lief hebt, dat gelast ik u, of gij zijt zelf in twee minuten een lijk."
"Wel mijnheer," zeide hij, "weet gij wel wat gij doet of wat zij gedaan hebben. Wilt gij de reden weten van onze handelingen, kom hier," en daarmede bragt hij mij bij den armen kerel, die met afgesneden strot aan een boom hing.
Ik moet bekennen, dat ik toen zelf warm genoeg werd en op een anderen tijd misschien de voorste onder hen zou geweest zijn; maar ik begreep dat zij hunne wraak te ver hadden getrokken, en dacht aan de woorden van Jacob tot zijne zonen Simeon en Levi: "vervloekt zij hunnen toorn, want hij is heftig, en hunne verbolgenheid, want zij is hard!" Maar mijne taak vermeerderde thans, want toen het volk, dat ik medegebragt had, even als ik dit schouwspel zag, had ik om hen terug te houden even veel moeite als aan de anderen, ja mijn neef zelf trok hunne partij, en zeide mij, zoodat zij het hooren konden, dat hij alleen bang was dat zij eene groote overmagt zouden vinden; maar dat de wilden allen den dood verdiend hadden, om het vermoorden van den armen man, en dat zij als moordenaars behoorden behandeld te worden. Dit hoorende, liepen acht van mijn volk den bootsman na om hem in zijn bloedig werk te helpen, en daar ik zag, dat ik volstrekt buiten staat was hen tegen te houden, ging ik bitter bedroefd heen, want ik kon het gezigt, laat staan het jammerlijk gegil en geschreeuw der ongelukkigen, die in hunne handen vielen, niet uitstaan.
Ik kon niemand mede krijgen dan den supercargo en twee matrozen, en met deze keerde ik naar de booten terug. Het was, dat beken ik, zeer dwaas van mij, mij zoo alleen terug te wagen, want daar het nu reeds bijkans dag begon te worden, en de geheele omstreek in rep en roer scheen gebragt, stonden er bij het gehucht, waarvan ik vroeger sprak, ongeveer veertig man met lansen en bogen gewapend; maar toevallig liep ik hen mis, en kwam aan het strand toen het reeds klaar dag was. Dadelijk ging ik met de pinnas aan boord, en zond haar daarop terug voor het volk. Toen ik de boot bereikte, waren de vlammen bijkans uit, en het geraas was veel verminderd, maar geen halfuur was ik aan boord, of ik hoorde een geregeld geweervuur, en zag een grooten rook opgaan. Later vernam ik, dat ons volk toen die veertig man, die, gelijk ik zeide, bij dat gehucht stonden, hadden aangevallen, en er zestien of zeventien van gedood, waarna zij de hutten in brand staken, doch de vrouwen en kinderen lieten zij hier ongemoeid.
Toen de pinnas weder aan het strand kwam, begon ons volk te voorschijn te komen, niet in twee afdeelingen, en in geregelde orde, gelijk zij opgetrokken waren, maar bij kleine troepjes, die hier en daar rondzwierven, zoodat eenige weinige moedige mannen hen gemakkelijk hadden kunnen in de pan hakken. Maar de vrees voor hen was door de geheele omstreek verspreid; en honderd wilden zouden geloof ik voor vijf matrozen gevlugt zijn. Bij deze geheele slagting had zich niemand ernstig verdedigd; zij waren zoo verrast door den schrik van de vlammen en de overrompeling der onzen in den nacht, dat zij niet wisten waar zij zich heen wenden zouden; want overal liepen zij den dood in den mond. Geen der matrozen had ook eenig letsel, behalve een, die zijn voet verstuikt had en een wiens handen zwaar gebrand waren.
Ik was zeer boos op mijn neef den kapitein, zoo wel als op al het volk, maar op hem in het bijzonder, zoo wel omdat hij zijn pligt als gezagvoerder van een schip vergeten, en het gelukken der geheele reis in de waagschaal gesteld had, als omdat hij de woede van zijn volk in hunne onmenschelijke wraak eer aangevuurd dan gestild had. Hij zeide mij, ofschoon zeer eerbiedig, dat toen hij het lijk van den matroos zag, dien zij zoo wreedaardig vermoord hadden, hij zijne drift niet had kunnen bedwingen. Hij erkende, dat hij als gezagvoerder van een schip verkeerd gehandeld had, maar dat hij een mensch was, en bij dit gezigt geen meester van zichzelven had kunnen blijven. Over het overige volk had ik niets te zeggen, gelijk zij zeer goed wisten, en zij stoorden zich dus aan mijn misnoegen in het geheel niet, en op den dag gingen wij onder zeil.
Onze matrozen verschilden van meening omtrent het getal der gedooden, doch naar de beste berekening waren er wel honderdvijftig mannen, vrouwen en kinderen gevallen, en was er in het dorp geen hut overgebleven. Daar de arme Tom Jeffries dood was, zou het weinig gebaat hebben hem mede te voeren, dus lieten zij hem waar zij hem vonden, alleen namen zij hem van den boom af waaraan hij hing.
Hoe regtvaardig ons volk ook meende gehandeld te hebben, ik was van een ander gevoelen, en zeide hun telkens, dat zij op hunne reis niet op Gods zegen konden hopen; want ik beschouwde hunne daden als zoo vele moorden. Het was wel waar, dat zij Tomas Jeffries vermoord hadden, maar het was ook waar dat Jeffries de aanvaller was geweest, dat hij den wapenstilstand verbroken en een jong meisje, dat in het vertrouwen daarop in ons kamp kwam, geweld had aangedaan. De bootsman sprak dit tegen toen wij later aan boord waren. Het was wel schijnbaar dat wij den wapenstilstand gebroken hadden, maar eigenlijk hadden de inboorlingen dit zelf gedaan, door een van ons volk te dooden, zoodat, daar wij regt hadden hen te bevechten, wij evenzeer regt hadden ons zelven regt te verschaffen; en ofschoon de arme man wat ruw tegen een meisje was geweest, had men hem daarvoor zoo schandelijk niet mogen vermoorden; en zij hadden niets gedaan dan hetgeen regtmatig was, en hetgeen volgens goddelijke wetten hun tegen moordenaars vrij stond.
Men zou denken, dat dit ons had moeten waarschuwen van niet weder onder heidenen en barbaren aan wal te gaan, maar de menschen willen niet anders dan door hunne schade leeren; en hoe duurder de ondervinding hun te staan komt, des te meer indruk schijnt zij op hen te maken.
Onze bestemming was thans naar de Perzische golf, en vandaar naar de kust van Coromandel, terwijl wij Suratte zouden aandoen; maar hoofdzakelijk was onze supercargo naar de baai van Bengalen voornemens, en als hij op de uitreis niet slaagde naar zijn genoegen, zou hij naar China stevenen, op de thuisreis daar weder de kust aandoen.
Ons eerste ongeval trof ons in de Perzische golf, waar vijf man, die het aan de Arabische zijde waagden landwaarts in te gaan, door de Arabieren afgesneden en gedood of in slavernij gevoerd werden; het overige bootsvolk kon hen niet ontzetten, maar had naauwelijks tijd het met de sloep te ontkomen. Ik bragt hen onder het oog, dat dit eene verdiende straf des Hemels was; maar de bootsman zeide mij driftig, dat ik verder ging, dan waartoe de Heilige Schrift mij regt gaf, en verwees mij op het gezegde des Heilands, dat de mannen, op wie de toren van Silo viel, geen zondaars waren geweest boven de anderen. Hetgeen mij echter hier den mond stopte was dat van de vijf man, die wij hier verloren, geen bij den moord van Madagascar was geweest, gelijk ik het altijd noemde, schoon het volk dit kwalijk verduwen kon.
Mijne gedurige berispingen hierover hadden echter rampzaliger gevolgen dan ik vermoed had, en de bootsman, die hen destijds aangevoerd had, kwam eens bij mij en zeide dat ik die zaak gestadig op het tapijt bragt, en al het volk en hem in het bijzonder er ten sterkste over gelaakt had, hetgeen zij, daar ik slechts een passagier was, die niets op het schip te bevelen had en wien de reis niets aanging, van mij niet langer verdragen wilden; dat zij vreesden, dat ik eenig kwaad opzet brouwde, en hen misschien bij onze terugkomst in Engeland zou aanklagen; en dat, zoo ik er niet mede ophield, en mij nog verder met hem of wat hij gedaan had bemoeide, hij het schip zoude verlaten, want hij achtte het dan niet veilig als ik met hen aan boord bleef.
Ik hoorde hem vrij geduldig aan, tot hij gedaan had, en zeide toen, dat ik zeker altijd den moord van Madagascar, gelijk ik dien altijd noemen zou, veroordeelde, en dat ik dit bij alle gelegenheden ronduit had te kennen gegeven, schoon niet meer tegen hem dan tegen een ander. Het was waar, dat ik op het schip niets te bevelen had, maar ik matigde mij ook niets geen gezag aan, maar nam alleen de vrijheid om over zaken, die ons allen betroffen, ronduit te zeggen wat ik dacht; dat, welk belang ik bij de reis had, hem volstrekt niet aanging, dat ik een der reeders van het schip was, en als zoodanig begreep het regt te hebben van te spreken, en meer te zeggen nog dan ik gedaan had, en noch hem, noch iemand daarvan eenige verantwoording schuldig was; en ik begon hierop warm te worden. Hij antwoordde weinig of niets, en ik dacht dat de zaak hiermede afgeloopen was. Wij waren toen op de reede van Bengalen, en daar ik de plaats gaarne wilde zien, ging ik met den supercargo met de sloep aan wal. Tegen den avond wilde ik weder naar boord gaan, toen een van het volk naar mij toekwam, en mij zeide, dat ik mij geene moeite moest geven om naar het strand te gaan, want dat zij orders hadden mij niet naar boord te brengen. Op deze onbeschaamde boodschap stond ik niet weinig verbaasd, en vroeg den man wie hem daarmede belast had. Hij zeide de bootsman. Ik maakte hierop geene aanmerkingen, maar gelastte hem te zeggen, dat hij mij zijne boodschap gedaan en ik er niet op geantwoord had.
Ik zocht dadelijk den supercargo op, en zeide hem wat er gebeurd was en wat ik er van dacht, namelijk, dat er zeker muiterij aan boord zou komen, en verzocht hem dadelijk in eene inlandsche boot naar boord te gaan, en er den kapitein van te verwittigen. Ik had die moeite kunnen sparen, want voor ik hem gesproken had, was het aan boord reeds geschied. De bootsman, de konstapel, de timmerman, en in een woord al de onderofficiers, waren, zoodra ik vertrokken was, naar achteren gekomen en hadden verzocht den kapitein te spreken, en daarop had de bootsman eene lange aanspraak gedaan (want de man was zeer goed ter taal) en na eerst alles herhaald te hebben wat hij mij gezegd had, zeide hij den kapitein, dat daar ik nu vreedzaam aan wal was gegaan, zij geen geweld jegens mij gebruiken wilden, hetwelk zij anders zouden hebben moeten doen om mij van boord te krijgen. Zij achtten zich dus genoodzaakt te verklaren, dat zij, die scheep gegaan waren onder zijn bevel, zich getrouw van hunnen pligt zouden kwijten; maar dat, als ik niet van boord wilde gaan, noch de kapitein er mij toe dwingen, zij allen het schip zouden verlaten en niet verder met hem zeilen. Op het woord _allen_ keerde hij zich om, hetwelk, naar het schijnt, een vooraf beraamd sein was, waarop al de matrozen, die bijeen stonden, riepen: "Ja, allen; allen, iedereen!"
Mijn neef de kapitein bezat zoo wel moed als tegenwoordigheid van geest, en schoon het voorgevallene hem zeer trof, zeide hij zeer bedaard dat hij er over denken zou, maar dat hij niets kon doen zonder mij eerst gesproken te hebben. Hij trachtte hun daarop het onbillijke en onregtvaardige van hunnen eisch onder het oog te brengen, maar niets baatte. Zij zwoeren en gaven elkander in zijn bijzijn er de hand op, dat, zoo hij hun zijn woord niet gaf, zij mij niet zouden toelaten weder aan boord te komen.
Dit was eene harde voorwaarde voor iemand, die zoo veel aan mij te danken had, en niet wist hoe ik het op zou nemen; dus sprak hij hun ernstig toe, zeide, dat ik de voornaamste reeder van het schip was, en dat men mij niet kon beletten bij mijn eigendom te blijven; dat dit bijkans even zoo gehandeld zou zijn als die zeeroover deed, die den kapitein op een woest eiland zette en met het schip doorging; dat dit hen bitter zou opbreken als zij ooit weder in Engeland kwamen, dat het schip mij toebehoorde en hij er mij niet kon afjagen, en dat hij liever het schip en de reis in de steek zou laten, dan mij zoo slecht te behandelen. Echter wilde hij aan den wal gaan en er met mij over spreken, en hij noodigde den bootsman met hem mede te gaan, ten einde te zien de zaak te schikken.
Zij weigerden dit echter eenstemmig en zeiden, dat zij niets meer met mij te doen wilden hebben, noch aan boord, noch aan den wal, en dat, als ik op het schip kwam, zij allen het zouden verlaten. "Nu," zeide de kapitein, "als dat uw voornemen is, zal ik aan den wal gaan en er met hem over spreken." Kort nadat de bootsman mij het berigt had gebragt, kwam hij dan ook bij mij.
Ik was zeer verheugd mijn neef te zien, want ik was bang dat zij hem met geweld zouden aan boord houden, zeil bijzetten en met het schip vertrekken, en dan had ik naakt en bloot in een vreemd land moeten achterblijven. In dat geval ware ik er erger aan toe geweest, dan toen ik alleen op het eiland was.
Gelukkig waren zij zoo ver niet gegaan, en toen mijn neef mij verhaalde wat zij hem gezegd en hoe zij gezworen hadden, tot den laatsten man het schip te zullen verlaten als ik aan boord kwam, zeide ik, dat hij zich om mij niet bekommeren moest, want dat ik aan den wal zou blijven. Ik verzocht hem alleen, dat hij zorgen zou mij al wat ik noodig had aan den wal te zenden, en mij genoeg geld te laten, en dat ik dan, zoo goed ik kon, zou zien hoe ik naar Engeland kwam. Dit was mijn neef niet zeer aangenaam, maar er was niet anders te doen; hij ging dus aan boord en zeide het volk, dat zijn oom aan hun onbescheiden verlangen had toegegeven en zijne goederen van boord liet halen. Hiermede was de zaak afgeloopen, het volk keerde tot zijnen pligt terug, en ik begon te overwegen welken weg ik thans moest inslaan.
Ik was nu alleen aan het einde der wereld, gelijk ik wel zeggen mag, want ik was ter zee drieduizend mijlen verder van Engeland dan toen ik op mijn eiland was; het is waar, ik kon van hier te land reizen, door het land van den grooten Mogol naar Suratte, vandaar naar Bassora te water, de Perzische golf op, en zoo den reisweg der karavanen op, door de Arabische woestijn naar Aleppo, en vandaar naar Italiƫ en zoo over land naar Frankrijk, en dit zou te zamen gerekend, zeker meer dan de helft van den diameter des aardbols bedragen.
Een ander middel was er nog, namelijk te wachten op Engelsche schepen, die van Sumatra naar Bengalen kwamen, en daarmede naar Engeland terug te gaan. Maar ik was hier gekomen zonder eenige betrekking tot de Oost-Indische compagnie, zoodat het moeijelijk zijn zou zonder haar verlof te vertrekken, tenzij door bijzondere gunst van de kapiteins of kooplieden van de compagnie, en bij dezen was ik geheel onbekend.
Thans had ik het hartzeer het schip te zien vertrekken zonder mij; eene behandeling, die iemand, geloof ik, nimmer wedervaren is, dan van zeeroovers, die het schip afliepen, en hen, die niet wilden mededoen, hier of daar op de kust zetten. Mijn geval verschilde hiervan niet veel. Echter liet mijn neef mij twee bedienden, of liever lotgenooten, achter, de een was de onderschrijver, dien hij overreed had, om bij mij te blijven, en de andere was zijn eigen knecht. Ik nam mijnen intrek in het huis van eene Engelsche vrouw, waar verscheidene kooplieden logeerden, doch slechts een Engelschman. Hier had ik het zeer goed, en ten einde niets overijld te doen, bleef ik hier negen maanden, alvorens ik tot een besluit kwam, wat ik doen en hoe ik verder trekken zou. Ik had eenige Engelsche goederen van groote waarde en vrij wat geld bij mij, daar mijn neef mij duizend stukken van achten en een kredietbrief voor meer achtergelaten had, ten einde ik in geen geval geldgebrek zou hebben.
Ik ontdeed mij spoedig en zeer voordeelig van al mijne goederen, en gelijk ik altijd voornemens was geweest, kocht ik er eenige fraaije diamanten voor, dat in mijne omstandigheden het best was, omdat ik dan altijd mijne bezittingen kon medevoeren.
Na lang hier gebleven te zijn, zonder dat het mij gelukte, eene gelegenheid naar Engeland te vinden, die mij aanstond, kwam op eenen morgen de Engelsche koopman bij mij, die in hetzelfde huis logeerde, en met wien ik bevriend was geraakt. "Landsman!" zeide hij, "ik heb u eenen voorslag te doen, welke ik vertrouw, dat u even goed zal aanstaan, als hij mij doet, nadat gij er goed over nagedacht zult hebben. Hier zijn wij geposteerd, gij bij toeval en ik uit eigene verkiezing, in een deel der wereld, dat zeer ver van ons vaderland verwijderd is, maar waar door ons, die verstand van zaken hebben, vrij wat geld te verdienen is. Als gij duizend pond wilt toeleggen, even als ik, zullen wij het eerste het beste schip huren, dat wij krijgen kunnen; gij zult kapitein en ik koopman zijn, en wij zullen een reisje naar China doen. Waarom zouden wij stilzitten? De wereld en alle schepselen Gods, die er op zijn, de hemelligchamen zelfs, zijn allen vol beweging en leven. Waarom zouden wij alleen werkeloos zijn? Er zijn op Gods aardbodem geene andere luiaards dan menschen. Waarom zouden wij ons daaronder scharen?"
Deze voorslag smaakte mij zeer, vooral omdat hij op eene zoo goedhartige en minzame wijze gedaan werd. Ik zal niet zeggen, dat mijne omstandigheden mij te geschikter voor eenen handelstogt maakten, want de koophandel was eigenlijk mijn element niet. Maar was deze mijn element niet, het zwerven wel, en dus moest iedere voorslag, om eenig deel der wereld te zien, dat mij nog onbekend was, mij smaken. Het duurde echter eenigen tijd, voordat wij een schip naar ons genoegen konden vinden, en toen wij dit hadden, was het niet gemakkelijk, om zooveel Engelsche matrozen te verkrijgen, als noodig waren, om de reis te kunnen doen en de overige matrozen, die wij hier en daar opraapten, in bedwang te houden. Na eene poos kregen wij een stuurman, een bootsman en een konstapel, alle drie Engelschen; een Hollandsche timmerman en drie Portugezen voor eerste matrozen; met deze meenden wij het wel te kunnen doen, daar wij overigens Hindoes namen, om de verdere bemanning uit te maken.
Zooveel reizigers hebben hunne togten en lotgevallen beschreven, dat het weinigen smaken zou, hier een breed verhaal van de plaatsen, die wij bezochten, en derzelver bewoners te ontvangen. Ik laat het aan anderen over, naar wier werken ik mijne lezers verwijs. Alleen zal ik zeggen, dat wij eerst Achim op het eiland Sumatra aandeden, en vandaar naar Siam gingen, waar wij eenige onzer goederen voor opium en arak verruilden; daar het eerste bij de Chinezen zeer duur betaald wordt en toen juist zeer schaars was. Om kort te gaan, wij gingen naar Susam, deden eene zeer groote reis, bleven acht maanden uit, en keerden naar Bengalen terug, zeer tevreden over onze reis. In Engeland verwondert men zich dikwijls, hoe de beambten en kooplieden der Oost-Indische compagnie, in zoo goeden doen geraken en dikwijls met zeventig, ja honderdduizend pond Sterl. huiswaarts keeren. Maar dit is gemakkelijk te begrijpen, als men nagaat, dat op al die plaatsen en markten, waar Engelsche schepen komen, gestadig vraag is naar de voortbrengselen van andere landen, zoowel als retourgoederen voor de tehuisreis.