Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Part 14

Chapter 144,135 wordsPublic domain

Deze geheele bezending kwam behouden over, en was den inwoners zeer aangenaam, die nu met de nieuw aangekomenen, een getal van tusschen de zestig en zeventig personen uitmaakten, eene menigte kleine kinderen niet medegerekend. Bij mijne terugkomst te Londen vond ik brieven van hen, die over Lissabon gekomen waren, en door hen met de naar Brazilië teruggekeerde sloep medegegeven waren, en waarover ik later spreken zal.

Ik stap thans geheel van mijn eiland af om er niet weer op terug te komen, en die het verdere mijner gedenkschriften lezen, moeten hunne gedachten daarvan aftrekken, en zullen in de volgende bladzijden niets anders vinden dan de dwaasheden van een oud man, die noch door zijne eigene ongelukken, noch door die van anderen zich liet afhouden om die telkens weder te begaan; wien bijkans veertig jaren vol jammer en teleurstellingen geene bezadigdheid, noch ongedachte voorspoed tevredenheid konden verschaffen, noch ongehoorde rampspoeden en nood behoedzaamheid inprenten.

Ik had even weinig noodig naar Oost-Indië te gaan, als iemand, die vrij en onschuldig is, zich naar de gevangenis behoeft te begeven, om zich achter slot te laten zetten en van ellende te vergaan. Had ik in Engeland een klein scheepje genomen, daarmede regt naar mijn eiland gestevend, had ik het, gelijk het andere schip, beladen met allerlei noodwendigheden voor het eiland en voor mijn volk, en een patent van de regering gevraagd, om het als een aan de Engelsche kroon onderworpen eiland in bezit te gaan nemen, dat ik zeker had kunnen verkrijgen; had ik geschut en wapens, bedienden en landlieden medegenomen, en er in naam van Engeland bezit van genomen en het versterkt en bevolkt, gelijk ik gemakkelijk had kunnen doen; had ik mij daar gevestigd, en het scheepje, met rijst geladen, terug gezonden, gelijk ik ook had kunnen doen in zes maanden, en het daarop weder in Engeland laten uitrusten; had ik dit gedaan en ware ik er zelf gebleven, dan hadde ik althans als een verstandig mensch gehandeld. Maar ik was bezeten met een zucht tot zwerven, die alle voordeel in den wind sloeg; ik schepte er vermaak in de beschermer van de lieden te zijn, die ik daar geplaatst had, en hen op eene aartsvaderlijke wijze wel te doen, door hen te behandelen als ware ik hun vader. Ik had geen de minste gedachte om in den naam van eenige regering het te bezitten, of de bevolking onderdanen van eenig rijk te noemen; zelfs dacht ik er niet aan het eiland een naam te geven, maar ik liet het zoo als ik het vond, als niemands eigendom, en het volk onder geenerlei oppermagt of wetten dan de mijne, die, schoon mijn invloed op hen die van een vader en weldoener was, geen ander regt hadden op hunne gehoorzaamheid, dan die uit hunne vrijwillige toestemming ontsproot. Dit zou echter voldoende geweest zijn als ik daar gebleven was, maar daar ik hun verliet en niet terugkwam, behelsden de laatste berigten, die mijn compagnon mij van hen deed toekomen, nadat hij hun nog een tweede sloep derwaarts gezonden had, hoewel ik den brief eerst vijf jaren ontving nadat hij geschreven was, dat de zaken daar niet vooruit gingen, en zij over hun lang verblijf aldaar misnoegd waren; dat Willem Atkins dood en vijf van de Spanjaarden vertrokken waren, en dat, schoon de wilden hen weinig lastig vielen, zij echter eenige schermutselingen met hen gehad hadden, dat zij hem smeekten mij mijne belofte te herinneren van hen weg te halen, opdat zij voor hunnen dood hun vaderland mogten terug zien.

Maar ik volgde steeds allerlei hersenschimmen, en die meer van mijn leven willen hooren, moeten mij volgen door eene reeks van nieuwe dwaasheden, moeijelijkheden en wilde avonturen, waaruit 's Hemels regtvaardigheid duidelijk uitblonk, en men zien kan hoe gemakkelijk de Hemel onze geliefdste wenschen tot de bron onzer rampspoeden kan maken, en ons straffen door de vervulling van datgene, wat wij het vurigste verlangden. Doch ik keer tot de geschiedenis van mijne reis terug.

Ik moet hier echter echter nog vermelden, dat de brave en waarlijk godvruchtige priester mij hier verliet; daar er een schip naar Lissabon zeilree lag, verzocht hij mij hem daarop te laten overgaan, daar het toch, gelijk hij zeide, zijne bestemming scheen, nimmer eene reis te volbrengen, die hij begon. Hoe gelukkig ware het geweest zoo ik met hem gegaan was. Doch dit was nu te laat, en al wat de Hemel beschikt, is tot ons bestwil. Ware ik met hem gegaan, ik had nimmer zoo veel reden tot dankbaarheid aan God gehad, en de lezer zou nimmer het tweede deel van de Lotgevallen van Robinson Crusoe ontvangen hebben. Ik zal dus alle vruchtelooze klagten over mij zelven sparen en mijn verhaal vervolgen.

Van Brazilië stevenden wij regt naar de Kaap de Goede Hoop, en hadden wel nu en dan eens storm of tegenwind, maar over het geheel eene gunstige reis. Mijne tegenspoeden op zee waren nu ten einde, maar andere ongevallen en rampen wachtten mij op het land, ten blijke, dat dit even zoo wel als de zee, een middel kan zijn om ons te tuchtigen.

Wij hadden een supercarga aan boord, die na onze komst aan de Kaap over alles het bestier had, alleen was hij door den vrachtbrief verbonden tot een bepaald getal legdagen in elke haven, die wij aandeden. Ik had hier mij niet mede te bemoeijen, en al wat schip en lading betrof, werd door mijn neef den kapitein en den supercarga beide bestierd naar hun goedvinden.

Ik zal den lezer niet vervelen met beschrijvingen van plaatsen, stukken uit het journaal, of met wijzingen van het compas, breedten, lengten en afstanden, passaatwinden, enz., die alleen nuttig zijn voor hen, die ook derwaarts willen gaan. Wij deden eerst Madagascar aan, waar, schoon de inboorlingen er stout en verraderlijk en zeer goed met bogen en lansen gewapend zijn, waarmede zij zeer behendig weten om te gaan; wij eene poos zeer goed met hen omgingen; zij behandelden ons zeer goed, en voor eenige kramerijen als messen, scharen, enz., die wij hun gaven, bragten zij ons elf goede vette ossen, niet groot maar goed gevoed, die wij slagtten en gedeeltelijk voor scheepsgebruik inzoutten.

Na voorraad ingenomen te hebben, moesten wij hier eenige dagen blijven, en ik, die altijd nieuwsgierig was om elken hoek van de wereld te zien, ging zoo dikwijls aan den wal als ik kon. Op een avond ging ik aan de oostzijde aan wal, en eene talrijke menigte inboorlingen drong om ons heen en bekeek ons, schoon zij op eenigen afstand bleven. Daar wij met hen handel gedreven, en vriendelijk bejegend waren, duchtten wij geen gevaar, maar toen wij al het volk zagen, kapten wij drie takken van een boom, en staken die op eenigen afstand van ons in den grond, hetwelk, naar het schijnt, aldaar niet alleen een blijk van vrede en vriendschap is, maar als men van de andere zijde ook drie takken steekt, geeft dit te kennen, dat men den vrede of wapenstilstand aanneemt. Maar het is eene bekende voorwaarde, dat men hen niet verder dan tot aan hunne drie takken naderen mag, en zij niet verder komen dan die van u. Men is dus binnen die takken volkomen veilig, en die ruimte is als het ware de markt, waarop handel gedreven wordt. Daar binnenkomende, moet men geene wapens medebrengen, en zij steken aan hunne zijde hunne spietsen en lansen bij de eerste takken, en naderen ongewapend, maar zoo jegens hun eenig geweld gebruikt, en de wapenstilstand daardoor verbroken wordt, loopen zij naar de takken, vatten de wapens op, en de wapenstilstand is geëindigd.

Op een avond, dat wij aan wal gegaan waren, kwam er veel meer volk dan gewoonlijk naar het strand, doch allen waren beleefd en minzaam. Zij bragten ons verscheidene eetwaren, die wij hun met eenige kramerijen betaalden; de vrouwen bragten ons ook melk en groenten, en alles was rustig. Wij sloegen van takken een hutje op, en bleven dien nacht op het strand. Ik had echter een tegenzin, schoon ik er geen reden voor had, om als de overigen op het strand te slapen, en daar onze sloep op een steenworp afstands voor anker lag met twee matrozen er in, liet ik er een van aan wal komen en eenige takken in de sloep brengen, waarna ik het zeil op den bodem der sloep uitspreidde, en daarop mij ter rust begaf.

Tegen twee uren in den morgen hoorden wij een vreesselijk rumoer aan den wal, en een van ons volk riep ons toe, om Gods wil aan wal te komen met de sloep om hen te helpen, want dat zij allen waarschijnlijk vermoord zouden worden; tevens hoorde ik hen al hun schietgeweer lossen, dat uit vier of vijf snaphanen bestond, en dit tot driemaal toe, want het scheen, dat de inboorlingen hier niet zoo bang voor schietgeweer waren, als de Indianen, met welke ik te doen had gehad. Zonder te begrijpen wat er gaande was, maar door het rumoer dadelijk opgewekt, liet ik de sloep dadelijk naar land gaan, en besloot met drie geweren, die wij aan boord hadden, aan land te gaan, om ons volk bij te staan. Wij bereikten spoedig het strand, maar ons volk sprong te water, om er te spoediger in te komen, daar zij door drie- of vierhonderd man vervolgd werden. De onzen waren slechts negen in getal, en slechts vier of vijf hunner hadden geweren; de overigen hadden wel pistolen en sabels, maar daarmede konden zij weinig uitrigten.

Wij namen zeven matrozen in de boot, en dit ging moeijelijk genoeg, daar drie hunner zwaar gewond waren; en het ergste was, dat terwijl wij in de boot stonden om ons volk er in te helpen, wij evenveel gevaar uitstonden als zij op het strand gehad hadden, want zij beschoten ons zoo hevig met hunne pijlen, dat wij genoodzaakt waren ons te verschansen met de doften, en twee of drie losse planken, die bij toeval, of liever door 's Hemels beschikking in de boot lagen. Ware het echter dag geweest, dan zouden zij ons zeker allen gedood hebben, zoo zij slechts iets van ons ligchaam hadden kunnen zien, zulke goede schutters zijn zij. Bij het maanlicht zagen wij echter een glimp van hen, terwijl zij ons op het strand spietsen en pijlen stonden toe te werpen, en na onze geweren geladen te hebben, gaven wij hun de laag, en konden aan de kreten van sommigen hooren, dat wij verscheidenen gewond hadden. Zij bleven echter tot het aanbreken van den dag in slagorde op het strand geschaard, waarschijnlijk om ons dan te wisser te treffen.

Terwijl wij zoo lagen, wisten wij niet hoe wij ons anker ligten of ons zeil bijzetten zouden, omdat wij dan in de boot moesten gaan staan, en zij dan ons zoo zeker zouden treffen als wij een zittenden vogel met hagel. Wij maakten noodseinen tegen het schip, dat eene mijl in zee lag, doch mijn neef de kapitein hoorde ons vuur, en door zijne kijkers ziende hoe wij lagen, begreep hij dadelijk wat er gaande was, en ten spoedigste het anker ligtende, naderde hij den wal zoo nabij als hij durfde, en zond ons eene andere sloep met tien man te hulp, maar wij riepen hun toe niet te nabij te komen, en hoe de zaken stonden. Niet ver van ons bleven zij liggen, en een van het volk zwom naar ons toe met het eind van eene lijn in de hand, terwijl hij onze boot tusschen zich en den vijand hield, zoo dat men hem van het strand niet goed zien kon, en maakte dit aan ons vast, waarop wij ons ankertouw lieten glippen, en ons anker achter lieten, terwijl zij ons buiten bereik hunner pijlen boegseerden, en wij ons achter de opgeslagen verschansing verborgen hielden. Zoodra wij niet meer tusschen het schip en den wal lagen, zonden wij hen van boord eene volle laag met schroot en kogels toe, hetwelk eene schrikkelijke verwoesting onder hen aanrigtte.

Toen wij aan boord teruggekeerd en buiten gevaar waren, konden wij naar de oorzaak van deze onlusten onderzoek doen, waarop onze supercarga, die hier meermalen geweest was, aandrong, want hij zeide, dat de inwoners ons, na het aangaan van een wapenstilstand, nimmer eenig leed zouden gedaan hebben, als wij hen niet door het een of ander daartoe getergd hadden. Eindelijk kwam het uit, dat eene vrouw, die ons eenige melk was komen verkoopen, een jong meisje had medegebragt, die eenige groenten had gebragt, en terwijl de oude vrouw (of het hare moeder was wisten zij niet) hare melk verkocht, had een van ons volk zich ruw gedragen jegens het meisje, waarop de oude vrouw een groot misbaar maakte. De matroos wilde echter zijne prooi niet laten varen, maar sleepte haar buiten het gezigt der oude, onder de takken, daar het thans genoegzaam duister was. De oude vrouw moest zonder haar vertrekken, en bragt, naar het scheen, den stam, vanwaar zij gekomen was, in opschudding, die daarop binnen drie of vier uren dit geheele leger tegen ons op de been bragt; en het was groot wonder, dat wij niet allen omgebragt waren.

Een van ons volk was bij het begin van den aanval door een werpspies gedood, zoo als hij uit de tent, die wij gemaakt hadden, te voorschijn kwam; de overigen bragten er het leven af, behalve de kerel, die het geheele onheil veroorzaakt had, en zijn lust duur genoeg boette, want wij hoorden niets van hem. Wij bleven, schoon de wind gunstig was, twee geheele dagen liggen, en deden seinen voor hem, en lieten onze booten het strand verscheidene mijlen ver op en neder zeilen, maar alles vergeefs. Dus moesten wij het opgeven, en zoo hij er alleen voor geleden had, ware het verlies zoo groot niet geweest.

Ik had echter geen rust voor ik nogmaals aan den wal beproefd had iets van zijn lot te vernemen. Den derden nacht na het gevecht verlangde ik volstrekt te weten wat kwaad wij hen gedaan hadden, en hoe de zaken bij de Indianen stonden. Ik zorgde het in den nacht te doen, ten einde wij geen gevaar van een nieuwen aanval liepen, maar ik had mij ook moeten verzekeren, dat ik volkomen gezag had over het volk, dat ik medenam, alvorens ik mij op een togt waagde, die zoo gevaarlijk was, en zoo heilloos afliep, als zonder mijn weten of wensch gebeurde.

De supercarga en ik namen twintig van de moedigste matrozen mede, en wij landden twee uren voor middernacht op dezelfde plaats, waar de Indianen tijdens het gevecht gestaan hadden. Ik landde juist hier, omdat ik hoofdzakelijk verlangde te zien of zij het veld geruimd en eenige teekens hadden achtergelaten van het door ons gestichte onheil; en ik hoopte, dat zoo wij soms een of twee hunner gevangen konden maken, wij deze misschien voor onzen matroos zouden kunnen uitwisselen. Wij landden in de diepste stilte, en verdeelden het volk in twee hoopen; de een onder mijn bevel, de andere onder dat van den bootsman. Wij zagen noch hoorden een spoor van eenig menschelijk wezen, dus trokken wij op eenigen afstand van elkander tot naar de plaats van het gevecht. In den beginne belette de duisternis ons iets te zien, maar verder op struikelde de bootsman, die vooruit ging, een paar malen over een lijk. Hierdoor wetende, dat dit de plek was waar de Indianen gestaan hadden, hielden zij halt en wachtten mij af. Wij besloten te wachten tot de maan opkwam, hetgeen binnen een uur zou geschieden, en toen zagen wij duidelijk de door ons aangerigte vernieling. Wij telden tweeëndertig lijken op het slagveld, waaronder twee die nog niet geheel dood waren. Sommigen waren een arm, anderen een been, en een het hoofd geheel afgeschoten. De gewonden schenen zij medegevoerd te hebben.

Na alles ontdekt te hebben, wat ik begreep te kunnen ontdekken, wilde ik naar boord keeren, maar de bootsman en zijn volk lieten mij zeggen, dat zij besloten hadden het dorp op te zoeken, waar die schelmen, gelijk zij hen noemden, woonden, en verzocht mij mede te gaan; want vonden zij al hen niet, dan vonden zij toch zeker een rijken buit, en misschien wel Tom Jeffries, zoo als de man heette dien wij verloren hadden.

Hadden zij mij om verlof gevraagd, dan had ik hun dadelijk bevolen naar boord te keeren, wetende, dat het ons niet betaamde dit gevaar te loopen, aan wie een schip en zijne lading toevertrouwd waren, en die eene reis te doen hadden, waartoe het leven van het volk van het hoogste belang was; maar daar zij mij lieten weten dat zij gaan wilden, en mij en mijn volk alleen verzochten mede te gaan, weigerde ik dit ronduit, en stond op, want ik zat op den grond, om naar de boot te gaan. Een of twee van mijn volk vielen mij lastig om hen mede te laten gaan, en toen ik dit ook weigerde, begonnen zij te morren, zeiden, dat zij niet onder mijn bevel stonden, en dat zij toch zouden gaan. "Ik ten minsten ga," zeide een hunner, "kom Jack, gaat gij mede?"--Jack zeide ja, en toen volgde een ander en toen nog een, en om kort te gaan, allen verlieten mij op een na, dien ik, en dat nog met veel moeite, overreedde te blijven, waarop ik met hem en den supercarga naar de sloep ging, waar ik de anderen gezegd had, dat ik op hen wachten zou, en trachten zou zooveel van hen in te nemen als heelhuids terug kwamen; want ik hield hen voor dat zij eene dwaasheid begingen, en naar het scheen hetzelfde lot als Tom Jeffries wilden ondergaan.

Als echte matrozen zeiden zij, dat alles zeker goed afloopen zou, dat zij daarvoor instonden, dat zij zeer voorzigtig zouden zijn, enz., en daarmede gingen zij heen. Ik smeekte hen om het schip en de reis te denken, en dat deze eenigermate aan hen toevertrouwd was; dat zoo hun een ongeluk overkwam, het schip uit gebrek aan volk kon verongelukken, en dat zij dit voor God noch menschen konden verantwoorden. Ik voegde er nog veel bij, maar had even goed tegen den grooten mast kunnen spreken; zij waren als verzot op den togt, doch gaven mij goede woorden, beloofden dat zij uiterst voorzigtig en zeker binnen een uur terug zouden zijn, want het dorp lag volgens hun zeggen, geen half uur vandaar; schoon zij later ondervonden, dat het twee mijlen ver was. Zij vertrokken dan op deze dolzinnige onderneming, en om hun regt te laten wedervaren, even voorzigtig als moedig. Zij waren zekerlijk goed gewapend, ieder had een geweer, een bajonet en een pistool; sommigen hadden sabels en anderen enterbijlen, en bovendien hadden zij twaalf of dertien handgranaten. Nimmer gingen moediger kerels op slechter onderneming uit. Hun hoofddoel was plunderen, en zij hoopten er veel goud te vinden; doch een onvoorzien toeval maakte hunne wraakzucht gaande, en hen tot baarlijke duivels.

Aan de plaats gekomen, waar zij het dorp dachten te vinden, en die geen half uur ver was, zagen zij zich teleurgesteld door slechts eenige weinige hutten te vinden, en nu wisten zij niet waar en hoe groot het dorp was. Zij beraadslaagden eenigen tijd of zij dit gehucht zouden overrompelen. In dat geval moesten zij al de inwoners van kant maken, en het was tien tegen een dat er een ontsnapte, die hun weldra uit het naaste dorp een geheel leger op den hals kon zenden. Zoo zij aan den anderen kant verder gingen, en de Indianen hier lieten slapen, wisten zij niet hoe het dorp te vinden. Eindelijk besloten zij er toch toe en gingen wat verder, tot zij eene koe aan een boom gebonden vonden. Deze besloten zij hun tot gids te laten dienen, want, zeiden zij, de koe behoort in het dorp voor ons of achter ons te huis; als wij haar los maken en zij gaat terug, laten wij haar gaan, maar gaat zij verder dan volgen wij haar. Zij sneden dus de koord van gevlochten takken los, en de koe ging voorwaarts, en bragten hen zoo regt naar het dorp, dat volgens hen uit tweehonderd huizen of hutten bestond, in sommige waarvan verscheidene huisgezinnen woonden.

Alles was daar even gerust in slaap, en zij hielden op nieuw krijgsraad, en besloten eindelijk zich in drie hoopen te verdeelen, en drie huizen, op drie verschillende plaatsen in brand te steken, en als het volk naar buiten kwam, hen te grijpen en te binden, en zoo zij zich verweerden wist ieder wat hem te doen stond; en dan zouden zij de overige huizen plunderen. Zij besloten echter eerst in stilte het dorp door te trekken, om te zien hoe groot het was, en of zij ook beter zouden doen met af te trekken. Dit deden zij, en besloten daarop tot den aanval; maar terwijl zij nog bijeen stonden, waren drie wat vooruitgetrokken en riepen thans, dat zij Thomas Jeffries gevonden hadden. Zij liepen allen derwaarts en het was ook zoo, want zij vonden den rampzalige naakt uitgeschud, met afgesneden hals, aan een arm hangende. Digt daarbij was een hut, waarin zestien of zeventien Indianen zaten, waaronder twee of drie, die door onze kogels getroffen waren geworden, en zij hoorden deze tot elkander spreken.

Het gezigt van hunnen ongelukkigen, mishandelden makker, maakte hen zoo verwoed, dat zij zwoeren hem te zullen wreken, en geen Indiaan, die in hunne handen viel, kwartier te geven. Zij gingen echter niet zoo onbesuisd te werk als men van hunne razende woede zou verwacht hebben. Eerst zochten zij een en ander bijeen, dat spoedig vuur vatten kon, maar zij vonden dat dit niet noodig was, daar de meeste huizen zeer laag en met biezen en dorre takken bedekt waren, derhalve maakten zij van eenig vochtig kruid een loop, en binnen een kwartier uurs stond het dorp op vier of vijf plaatsen in brand, vooral het huis waar de Indianen hadden zitten praten. Zoodra de vlammen uitsloegen, wilden de verschrikte wilden naar buiten vlugten, maar vonden den dood aan den ingang, waar de bootsman zelf twee hunner met zijne bijl velde. Daar het huis groot en er veel volk in was, wilde hij er niet ingaan, maar wierp er een handgranaat in, die bij de uitbarsting bijkans allen doodde die daar binnen waren, behalve twee of drie, die aan de deur gekomen met de bajonet afgemaakt werden. Er was een ander vertrek daar, waarin hun koning of vorst zich met verscheidene anderen bevond, en deze hielden zij met geweld binnen, tot dat het brandende dak instortte, en zij in de vlammen omkwamen.

Zij hadden middelerwijl nog geen schot gedaan, omdat zij het volk niet spoediger wilden wakker maken, dan zij hen konden vermeesteren, maar de snel voortgaande vlam deed hen spoedig genoeg ontwaken, en was zoo hevig, dat zij naauwelijks op den grond konden loopen, echter waren zij genoodzaakt den loop des vuurs te volgen. Zoodra dus de vlammen de bewoners uit hunne huizen dreven, stonden de onzen gereed om hen af te maken, terwijl zij elkander aanhoudend toeriepen: "Denk om Tom Jeffries!"

Ik was, terwijl dit gebeurde, in de grootste ongerustheid, en vooral toen ik de vlammen zag opstijgen; die in de duisternis vlak bij ons schenen te zijn. Mijn neef de kapitein, dien men bij het zien der vlammen gewekt had, was ook niet weinig ongerust, daar hij niet wist hoe de zaken stonden of in welk gevaar ik mij bevond, vooral toen hij ook hoorde schieten, want zij begonnen nu ook hunne geweren te gebruiken. Hij stond duizend angsten uit, wat er van mij en den supercarga geworden was. Eindelijk, niet wetende in wat nood wij waren, liet hij, schoon hij al zijn volk hoog noodig had, dertien man in eene andere sloep gaan, en ging zelf met hen naar den wal.

Hij zag vreemd op, toen hij mij met den supercarga en slechts twee matrozen in de boot vond, maar verlangde even hard als ik te weten wat er omging, want het getier hield aan en de vlammen werden steeds heviger. In zulk een geval is het bijkans onmogelijk het verlangen te wederstaan, om te weten wat er gebeurt en zijn volk te hulp te komen, en de kapitein zeide mij, dat hij, het kostte wat het wilde, zijn volk bijstand wilde bieden. Ik hield hem, even als vroeger het volk, het behoud van het schip, het gevaar dat hij liep en het belang der reeders, voor; en zeide, dat ik met de twee mannen op verkenning wilde uitgaan en hem berigt brengen. Maar ik had even goed spreken tegen mijn neef als vroeger tegen het volk. Hij wilde gaan, zeide hij, en hij wenschte dat hij slechts tien man aan boord gelaten had; want hij wilde zijn volk niet uit gebrek aan hulp laten omkomen; liever, zeide hij, het schip, de reis en zijn eigen leven er bij in te schieten, en daarmede vertrok hij.