Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Part 13

Chapter 134,127 wordsPublic domain

Wij spraken eenige oogenblikken en ik zag niet, dat zij eenig boek hadden, doch ik vroeg daar niet naar, maar haalde mijn Bijbel uit den zak. "Hier," zeide ik tot Atkins, "hebt gij een onderwijzer, die u misschien ontbrak." Hij was zoo verbijsterd, dat hij in het eerst niet spreken kon, maar zich vervolgens herstellende, nam hij het boek met beide handen aan en zeide tegen zijne vronw: "Heb ik u niet gezegd dat God, schoon in den Hemel, hooren kan wat wij zeggen? Hier is het boek waarom ik gebeden heb. God heeft ons gebed verhoord en het ons gezonden." Hij weende als een kind van vreugde en dankbaarheid. Zijne vrouw was uiterst vatbaar, en schier in eene dwaling vervallen, die wij eerst later bemerkten; zij geloofde, dat God dit boek, op haar mans gebed had gezonden. Het is waar, dat dit ook door de Voorzienigheid zoo beschikt was, maar zij was geloof ik, geneigd te gelooven, dat er een bode uit den Hemel gekomen was, om haar dat boek te brengen. De zaak was te ernstig, om hier eenige misleiding te gedoogen, dus verzocht ik aan de jonge vrouw onze nieuwbekeerde te verklaren, hoe onze gebeden verhoord kunnen worden door den gewonen loop der zaken, en zonder dat daarbij een wonder behoeft te geschieden. De jonge vrouw deed dit later, zoodat hier geen vroom bedrog plaats greep, hetgeen ik voor onverantwoordelijk zou gehouden hebben. De vreugde van Atkins echter was onbeschrijfelijk. Nimmer gevoelde iemand meer dankbaarheid dan hij voor zijn Bijbel, en niemand verheugde zich ooit over het bezit eens Bijbels om beter redenen, en hoewel hij een zeer woest, kwaadaardig en losbandig mensch was geweest, bewijst hij echter door zijn voorbeeld aan alle ouders, dat zij nimmer het onderrigt hunner kinderen moeten staken, of aan het goed gevolg hunner pogingen daartoe wanhopen, al zijn de kinderen ook schijnbaar nog zoo halsstarrig en ongevoelig, want zoo zij immer tot een waar inzigt hunner zonden geraken, komen deze vroegere indrukken, die zoo lang geslapen hadden, weder levendig en weldadig voor den geest. Zoo was het ook hier; het weinige onderrigt in de Godsdienst, dat hij genoten had, kwam dezen armen man thans van pas, daar hij met nog onwetender dan hij te doen had.

Vooral herinnerde hij zich, wat zijn vader hem zoo dikwijls van de hooge waarde des Bijbels gezegd had, welk een voorregt deze voor geheele volkeren, huisgezinnen en personen was, maar nimmer had hij dit naar waarde beseft, dan nu hij de behoefte daaraan tot onderrigting van heidenen en barbaren gevoelde. De jonge vrouw was er ook zeer blijde mede, hoe wel zij en de jongeling onder hunne goederen, die nog aan boord waren, er ieder een hadden. Na zooveel van deze brave vrouw gezegd te hebben, kan ik niet nalaten er iets bij te voegen.

Ik heb verhaald welk gebrek zij geleden had, hoe hare meesteres van honger gestorven was op dat ongelukkige schip, terwijl zij door het scheepsvolk eerst onmeedoogend behandeld en vervolgens geheel aan hun lot overgelaten waren. Eens hierover met haar sprekende, vroeg ik haar of zij, na hetgeen zij had uitgestaan, mij beschrijven kon wat het is van honger te sterven. Zij zeide, dat zij geloofde van ja, en deed mij het volgende verhaal:

"Eerst," zeide zij, "hadden wij verscheidene dagen het zeer hard en leden geweldigen honger, tot wij eindelijk niets geen voedsel meer hadden dan een weinig suiker en wat wijn met water. Den eersten dag, nadat ik geheel geen voedsel gehad had, gevoelde ik mij tegen den avond flaauw en misselijk en zeer geneigd tot geeuwen en slapen. Ik ging op eene bank in de groote kajuit liggen, en sliep bijkans drie uren, waarna ik eenigzins verkwikt ontwaakte, daar ik, voor ik slapen ging, een glas wijn gedronken had. Na drie uren wakker geweest te zijn, werd ik weder misselijk, ik ging weder liggen, maar kon niet slapen, terwijl ik duizelig was en dan weder neiging tot braken had, en dit ging zoo den geheelen volgenden dag. Dien avond moest ik te rust gaan, zonder iets dan eene teug water genuttigd te hebben; ik droomde toen dat ik te Barbados op de markt was, die vol met levensmiddelen was, dat ik eenige voor mijne meesteres kocht, en een goed middagmaal deed; maar bij mijn ontwaken was ik zeer neerslagtig van denzelfden honger te gevoelen. Ik dronk het laatste glas wijn dat ik had, met wat suiker tot voedsel; maar door de zwakte van mijne maag, werkte de wijn onaangenaam op mijne hersenen, en naar men mij zeide, lag ik eenigen tijd bedwelmd en als iemand die dronken is.

"Den derden dag, na een nacht dien ik vol verwarde droomen, meer dommelend dan slapend had doorgebragt, ontwaakte ik woedende van honger, en zoo mijne rede niet teruggekeerd was, weet ik niet of, zoo ik moeder ware geweest, mijn kind wel veilig bij mij zou geweest zijn. Dit duurde ongeveer drie uren, gedurende welke ik, gelijk mijn jonge meester mij gezegd heeft, ik in volslagen razernij verkeerde. In een der vlagen van verbijstering, struikelde ik en viel met mijn gelaat tegen den kant van een rustbed, waarop mijne mevrouw lag, zoodat mijn neus aan bloed sprong. De kajuitjongen reikte mij eene kom toe, ik ging zitten en verloor veel bloed, en naar gelang dat ik dit verloor, bedaarde de hevigheid van de koorts en tevens de knagingen van den honger. Vervolgens werd ik gekweld door neiging tot braken. Na eenigen tijd viel ik van bloedverlies flaauw, en allen hielden mij voor dood, doch spoedig kwam ik weder bij, en had toen de vreeselijkste maagpijn, die men zich denken kan, niet als een kolijk, maar als een knagende, woedende trek tot honger, die tegen den avond overging in een allerhevigst verlangen naar voedsel, misschien gelijk zwangere vrouwen wel ondervinden. Ik nam nog een glas water met suiker, doch mijn maag walgde van de suiker en gaf die weder terug. Toen nam ik eene teug zuiver water, en hield dat er in, waarna ik liggen ging en God allervurigst bad, dat Hij mij van de wereld mogt wegnemen. De hoop hierop deed mij wat bedaren, ik sluimerde eenigen tijd en toen ik ontwaakte, dacht ik dat ik lag te zieltogen, want mijne zwakke en ledige maag verbijsterde mij het brein. Ik beval mijne ziel aan God en verlangde hartelijk, dat iemand mij in zee wierp.

"Al dien tijd lag mijne mevrouw bij mij als eene stervende, maar zij verdroeg het geduldiger dan ik, en gaf haar laatste stukje brood aan haren zoon, die het niet nemen wilde, maar zij dwong hem het te eten, en ik geloof dat hij zijn leven hieraan te danken heeft.

"Tegen den morgen viel ik weder in slaap, en eerst toen ik ontwaakte barstte ik in tranen uit, en daarna had ik weder eene geweldige vlaag van honger, zoodat ik half razend werd. Ware mijne meesteres dood geweest, ik zou geloof ik een stuk van haar vleesch gegeten hebben, zoo onverschillig en met zoo veel smaak, als ik ooit vroeger eenig voedsel voor ons bestemd, genuttigd had, en eens of tweemaal beet ik mij zelve in den arm. Eindelijk zag ik de kom waarin het bloed was, dat ik den vorigen dag verloren had, ik liep er heen, en verzwolg het zoo haastig en gretig, alsof ik vreesde, dat men het mij zou afnemen. Schoon ik naderhand walgde van hetgeen ik gedaan had, was echter mijn honger gestild; ik nam eene teug water en bragt eenige uren zeer kalm door. Dit was de vierde dag en dezen bragt ik zoo door tot des nachts, toen ik drie uren lang dezelfde reeks van gewaarwordingen weder had; namelijk misselijk, slaperig, uiterst hongerig, pijn in de maag, dan weder als razende, dan weder misselijk, dan ijlhoofdig, dan gillende, dan weder krankzinnig, en zoo ieder kwartier. Ik werd zeer zwak, en des nachts sliep ik in, alleen hopende, dat ik voor den morgen dood zou zijn.

"Den geheelen nacht sliep ik niet, de honger was door ziekte vervangen, en ik had zware kolijkpijnen; en zoo lag ik tot den morgen, toen ik een weinig verrast werd door het gejammer van mijn jongen heer, die mij toeriep dat zijn moeder dood was. Ik hief mij een weinig op, want ik had geen kracht om op te staan, en zag dat zij niet dood was, schoon zij slechts weinig teekens van leven geven kon.

"Toen gevoelde ik zulk eene snijdende pijn in de maag, en zulke knagingen van den honger, dat niets dan de kwellingen des doods die kunnen evenaren. In dezen toestand hoorde ik de matrozen roepen: "Een zeil! Een zeil!" en boven mij schreeuwen en rondspringen als razenden. Ik was zoo zwak, dat ik niet opstaan kon en mijne mevrouw nog minder; en mijn jonge meester was zoo ziek, dat ik dacht dat hij zieltoogde. Dus konden wij de kajuitdeur niet openen, om de reden van dit rumoer te hooren. Sedert twee dagen hadden wij niemand van het scheepsvolk gezien; zij hadden ons gezegd, dat zij zelve niets te eten hadden, en later vernamen wij, dat zij ons reeds gestorven waanden. In dezen jammerlijken toestand waren wij, toen de Hemel u zond om ons het leven te redden."

Dit was haar verhaal, en naar het mij toescheen een zoo duidelijk verslag van den hongerdood, als ik nimmer hoorde. Ik houd het voor volkomen waar, omdat de jongeling mij verscheidene omstandigheden even zoo verhaald had, schoon niet zoo juist en treffend als zijne dienstmaagd; welligt omdat zijne moeder hem nog, ten koste van haar leven, gevoed had. De arme meid echter, schoon sterker dan hare reeds bejaarde en zwakke meesteres, was er welligt het hardste aan toe geweest, daar hare mevrouw misschien nog iets langer wat bewaard, en dit alleen aan haren zoon gegeven had. Ongetwijfeld zouden allen van honger binnen weinige dagen gestorven zijn, zoo zij niet ons schip of een ander ontmoet hadden, ten ware zij elkander verslonden hadden, en dit zou hun nog weinig gebaat hebben, op vijfhonderd mijlen van alle land en zonder uitzigt op andere hulp, dan hun thans te beurt was gevallen. Doch dit in het voorbijgaan. Ik keer tot mijne schikkingen in de kolonie terug.

Om verscheidene redenen zeide ik aan niemand iets van de sloep, die ik medegenomen en bij hen gedacht had in elkander te zetten, want de zaden van tweedragt, die ik bij mijne komst bespeurde, deden mij vreezen, dat zij bij eenige nieuwe oneenigheid, het eiland verlaten zouden of misschien op zeeroof uitgaan, en mijn eiland hierdoor een dievenschuilhoek worden zou, in plaats van eene vestiging van brave en godsdienstige lieden. Hierom behield ik ook de twee koperen stukken, die ik aan boord had. Ik achtte hen genoegzaam in staat, om zich tegen elke overval te verdedigen, maar wilde hun geen gelegenheid geven tot een aanvallenden oorlog of strooptogten, die eindelijk op hun verderf moesten uitloopen. Ik behield derhalve de sloep en de kanonnen, om hen daarmede op eene andere wijs van dienst te zijn, gelijk men later zien zal.

Ik heb thans met het eiland afgedaan. Ik verliet het in een bloeijenden staat en ging aan boord den 6 Mei, na een verblijf van vijfentwintig dagen, en daar allen besloten hadden er te blijven tot ik hen kwam afhalen, beloofde ik hun nog eenigen onderstand van Brazilië te zullen zenden, als ik er gelegenheid toe vinden kon, vooral nog eenig rundvee, daar wij datgene, wat ik in Engeland gekocht had, uit gebrek aan voeder hadden moeten slagten. Den volgenden dag groette ik met een saluut van vijf schoten en ging onder zeil, en kwam na tweeëntwintig dagen reis in de Allerheiligen baai in Brazilië aan, zonder iets merkwaardigs ontmoet te hebben, dan dat wij een paar malen door de sterke strooming ten N. en N. O. uit onzen koers gedreven werden, en eens of tweemaal werd er "land ten Westen!" geroepen, doch of het een eiland of het vaste land was, weet ik niet.

Den derden dag echter tegen den avond zagen wij bij stil weder en eene effene zee, in de verte de zee met iets zwarts bedekt, doch konden niet zien wat het was. De opperstuurman echter, die met een kijker het groot want inging, riep dat het een leger was. Ik begreep niet wat hij meende met een leger, en riep wat te overijld, dat hij stapelgek was, of iets dergelijks. "Word niet driftig, mijnheer," zeide hij, "het is een leger en eene vloot ook; er zijn geloof ik wel duizend kanoes, vol volk, die naar ons toe komen pagaaijen." Ik stond een weinig verzet en mijn neef, de kapitein, ook, die verschrikkelijke dingen van de wilden op het eiland gehoord had, en nimmer te voren in deze zeeën geweest was. Hij wist niet wat hiervan te denken en herhaalde twee of drie maal: "Wij zullen allen verslonden worden!" Ik moet bekennen, dat ik ook het kwaad inzag, daar het doodstil was, en de stroom ons sterk naar het land dreef. Ik ried hem echter niet bang te zijn, maar te ankeren, zoodra zij zoo digt bij waren, dat het gevecht onvermijdelijk was.

Het weder bleef stil en zij kwamen steeds nader, dus gelastte ik te ankeren en de zeilen in te nemen. Van de wilden had men, zeide ik, niets te vreezen, dan dat zij brand verwekten, en hiertoe was het noodig de sloepen uit te zetten, en die wel bemand, voor en achter het schip te leggen, ten einde het volk daarin met putsen den brand kon blusschen, als de wilden dien verwekten. Aldus wachtten wij hen af, en kort daarop kwamen zij nader; ik geloof niet, dat ooit Christenen ontzettender schouwspel zagen. De stuurman had zich echter in het getal van duizend kanoes vergist; naar onze telling waren er niet meer dan honderd vijfentwintig, doch zwaar bemand; sommigen voerden zestien en zeventien man en meer, en de minsten zeven of acht.

Toen zij naderbij kwamen, schenen zij geheel ontzet van een gezigt, welks wederga zij waarschijnlijk nimmer te voren gezien hadden, en eerst schenen zij niet te weten wat van ons te maken. Zij naderden echter steeds meer en meer, en schenen ons te willen omsingelen, doch wij riepen het volk in de sloepen toe hen niet te laten naderen. Tegen onze begeerte bragt dit een gevecht te weeg, want vijf of zes hunner grootste kanoes, kwamen zoo digt bij onze groote boot, dat ons volk hen met de handen toewenkte om achteruit te gaan, hetgeen zij zeer goed begrepen en opvolgden, doch tevens schoten zij een vijftig pijlen op hen af, en een matroos werd zwaar gewond. Ik riep hen echter toe niet te vuren, en wij reikten hun eenige planken toe, waarvan de timmerman eene soort van waring opzette, om hen voor de pijlen te bedekken, als de wilden weder mogten schieten.

Een half uur daarna kwamen zij allen te gelijk naar den achtersteven, zoo digt bij, dat wij hen zeer goed konden onderscheiden, maar niet bevroeden wat hun oogmerk was. Ik zag dadelijk, dat het mijne oude kennissen waren, de wilden, waarmede ik zoo veel te doen had gehad; daarop roeiden zij wat terug en kwamen ons toen zoo digt op zijde, dat wij hen beroepen konden. Ik gelastte al het volk zich bedekt te houden, als zij soms weder mogten schieten, doch liet Vrijdag op het dek gaan om hen toe te spreken en te vernemen wat zij wilden. Of zij hem verstonden weet ik niet, maar zoodra hij hen aangeroepen had, wendden zes hunner, die de voorsten waren, hunne kanoe, en toonden (met verlof) hun naakt achterste. Of dit eene uitdaging of beschimping was, weet ik niet, maar onmiddellijk daarop riep Vrijdag, dat zij gingen schieten, en ongelukkig voor den armen jongen, schoten zij wel driehonderd pijlen af, en doodden tot mijne onuitsprekelijke droefheid, den armen Vrijdag, den eenigsten man dien zij zagen. De arme jongen was van drie pijlen getroffen, en drie vielen vlak bij hem, zulke goede schutters waren zij.

Ik was zoo woedend over het verlies van mijn trouwen knecht, den medgezel van mijne eenzaamheid, dat ik dadelijk vijf stukken met schroot en vier met kogels geladen, liet afvuren, en hun eene laag toezond, zoo als zij zeker nimmer in hun leven gehoord hadden. Zij waren zoo nabij en onze konstapels mikten zoo goed, dat een enkele kogel drie of vier hunner kanoes verbrijzelde.

Wij achtten ons juist niet zeer beleedigd doordien zij ons hun achterste gewezen hadden, en daar ik niet wist of deze verregaande lompheid bij ons, bij hen hetzelfde beteekende, had ik besloten vier of vijf schoten met los kruid te laten doen, dat hen genoeg schrik aangejaagd zou hebben. Maar toen zij zoo woedend op ons schoten, maar vooral toen zij mijn armen Vrijdag doodden, dien ik zoo hoog schatte en lief had, gelijk hij verdiende, achtte ik mijne handelwijze niet alleen geregtvaardigd voor God en de menschen, maar zou ik gaarne iedere kanoe overzeild en ieder hunner hebben laten verdrinken. Ik weet niet hoe velen er gekwetst of gedood werden, maar nimmer zag men onder eene groote menigte zulk een schrik, dertien of veertien hunner kanoes waren verbrijzeld of omgeslagen, en al het volk aan het zwemmen; de overigen roeiden zoo hard weg als zij konden, zonder zich te bekreunen aan hen, wier kanoes gezonken waren. Veel hunner zijn, denk ik, verongelukt. Ons volk nam een uur later, een armen kerel in, die het nog zwemmende gehouden had. Ons schroot had zeker velen gedood, maar wij vernamen er niets van, want binnen een uur of drie hadden wij hen geheel uit het gezigt verloren, op drie of vier kanoes na, die niet spoedig voort konden, en daar dienzelfden avond eene koelte opkwam, gingen wij onder zeil.

De gevangene die wij hadden was zoo woest, dat hij eten noch spreken wilde, en wij dachten, dat hij zich wilde laten doodhongeren. Maar ik wist hem wel te temmen, want ik liet hem in de sloep werpen, en hield mij alsof wij hem in zee wilden smijten, als hij niet spreken wilde. Het hielp echter niet, dus werd hij in zee gegooid, maar hij zwom de sloep na, en riep hen toe, schoon zij er niets van verslaan konden. Eindelijk namen zij hem weder in, en nu was hij wat handelbaarder; hetgeen ik alleen gewild had, want ik zou hem niet hebben laten verdrinken.

Ik was bitter ter neder geslagen door het verlies van mijn Vrijdag, en had gaarne naar het eiland willen terugkeeren, om vandaar een anderen knecht te halen, maar dit ging niet, dus vervolgden wij onze reis. Het duurde lang eer wij onzen gevangene iets konden doen begrijpen, maar met der tijd leerden de matrozen hem wat Engelsch, en werd hij wat handelbaarder. Wij vroegen van welk land hij kwam, maar konden er niets van begrijpen, zulk een zonderling keelgeluid maakte hij bij het spreken, daar zijne taal alleen uit scheen te bestaan, en hij de tong, lippen of tanden niet scheen te gebruiken bij het spreken. Later, toen de matrozen hem wat Engelsch geleerd hadden, zeide hij, dat zij met hunne koningen uitgegaan waren om te vechten. Wij vroegen hem hoe veel, en hij zeide vijf, die met hun allen tegen twee volken gingen vechten. Op onze vraag waarom zij naar ons toe gekomen waren, zeide hij, om het groot wonder te zien. Wij konden hem nimmer leeren het meervoudig even als wij aan te duiden, en bij zijn uitspraak voegde hij altijd een _e_ achter ieder woord gelijk ook alle Afrikanen doen als zij Engelsch leeren, en dat ik niet dan met de uiterste moeite Vrijdag had kunnen afleeren.

En nu ik dezen armen jongen nogmaals noem, moet ik voor altijd afscheid van hem nemen. Arme brave Vrijdag! Wij begroeven hem zoo welvoegelijk en plegtig als ons mogelijk was. Het lijk werd in eene kist over boord gezet, waarbij ik elf schoten liet doen. Dit was het einde van den trouwsten, eerlijksten en genegensten dienaar dien ooit iemand had.

Wij zetten nu met een gunstigen wind koers naar Brazilië, en ongeveer twaalf dagen later zagen wij land op 5° Z.B., zijnde het Noordoostelijkste van dat gedeelte van Amerika. Vier dagen liepen wij Zuidoostwaars, in het gezigt van het land, toen wij kaap Augustijn zagen, en drie later lieten wij het anker vallen in de Allerheiligenbaai, de plaats mijner redding, vanwaar mijn goed en kwaad lot begonnen is.

Nimmer liep hier een schip binnen, dat minder er te verrigten had dan ik, en toch konden wij slechts met de grootste moeite verlof bekomen, om eenige gemeenschap met den wal te hebben. Noch mijn compagnon, die nog leefde en een zeer aanzienlijk man was geworden, noch mijne twee gemagtigden, noch het gerucht van mijn wonderbaarlijk behoud op het eiland, konden mij deze gunst doen verkrijgen. Mijn compagnon, die zich herinnerde, dat ik vijfhonderd gouden moidores aan den prioor der Augustijnen, en driehonderd tweeënzeventig aan de armen had gegeven, haalde den tegenwoordigen prioor over, voor mij van den gouverneur verlof te vragen, om met den kapitein en een ander, benevens acht matrozen aan wal te komen. Dit ontving ik onder uitdrukkelijke voorwaarde van geene goederen zonder verlof aan land te brengen, noch iemand van daar mede te nemen. Zij waren zoo streng, dat ik de grootste moeite had om drie balen Engelsche goederen aan land te mogen brengen, die ik tot presenten voor mijn compagnon medegebragt had.

Deze was een braaf, onbekrompen man, schoon hij, even als ik, gering begonnen was. Hij wist niet dat ik hem iets present wilde geven, maar zond mij versch vleesch, confituren en wijn present, dat met eenigen tabak en drie of vier fraaije gouden medailles, wel dertig gouden moidores waard was. Maar ik deed voor hem niet onder in mijne geschenken, die uit fijn laken, linnen en kant bestonden. Bovendien zond ik hem aan dezelfde goederen eene waarde van 100 Pond St. tot een ander einde, en verzocht hem de sloep, die ik voor mijne kolonie uit Engeland had mede gebragt, in elkander te laten zetten, om daarmede den voorgenomen onderstand naar mijn eiland te zenden. Binnen weinige dagen was de sloep gereed, en ik gaf den schipper zulke inlichtingen, dat hij het eiland niet missen kon, waar hij ook, gelijk ik later van mijn compagnon vernam, gelukkig aanlandde. Een der matrozen, die met mij aan wal geweest was, verzocht mij mede te mogen gaan en zich daar neder te zetten, als ik hem een brief aan den Spaansche gouverneur mede gaf, dat deze hem een stuk land zou geven, en ik hem eenige kleederen en gereedschap mede gaf, om dat te bebouwen, waarvan hij verstand had, daar hij in Maryland een planter geweest was, en een boekanier ook. Ik gaf hem wat hij vroeg, en tevens den gevangen wilde als slaaf mede.

Terwijl ik aan zijne uitrusting bezig was, zeide mijn oude compagnon, dat een Brazilisch planter, dien hij kende, een zeer braaf man, zich het ongenoegen der kerk op den hals gehaald had. "Wat eigenlijk van de zaak is," zeide hij, "weet ik niet, maar ik geloof, dat hij in zijn hart een ketter is; en hij is genoodzaakt zich voor de Inquisitie schuil te houden. Zulk eene gelegenheid, om met zijne vrouw en twee dochters te ontkomen, zou hem zeer welkom zijn, vooral als gij hem op een eiland een stuk gronds wilde afstaan, want al zijn goederen hier zijn in beslag genomen, en hij bezit niets dan eenig huisraad en twee slaven. En," voegde hij er bij, "schoon ik zijne stellingen verfoei, wilde ik hem toch niet in handen der geestelijke regtbank zien, want dan zou hij zeker levend verbrand worden."

Ik stond hem zijn verzoek toe, en wij hielden den man met zijn gezin aan boord verborgen, tot de sloep in zee stak, en toen deze buiten de baai was, bragten wij hem daar aan boord, waar zijne goederen kort te voren gekomen waren. Onze matroos was met zijn reisgenoot zeer in zijn schik, en zij waren beide even rijk, namelijk in gereedschappen, en de belofte van een stuk land. Het beste echter was eenig suikerriet, dat hij medevoerde om daar te planten, en welks bouwing en bewerking de ketter, de Portugees namelijk, in den grond verstond.

Onder den voorraad bevond zich voor mijn eiland drie koeijen en vijf kalven, tweeëntwintig varkens, waaronder drie zeugen, die biggen moesten, twee merriën en een hengst. Ik haalde ook drie Portugesche vrouwen over zich derwaarts te begeven, en schreef aan de Spanjaards, dat zij haar goed behandelen moesten, en als zij wilden met haar trouwen. Ik had er wel meer kunnen overzenden, maar ik herinnerde mij, dat slechts vijf Spanjaarden ongehuwd waren, terwijl de overige vrouwen in hun eigen land hadden, en dat de Portugesche vlugteling twee dochters bij zich had.