Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Part 12
V. Wat, hebt gij een groote God in uw land, en kent Hem niet! Zegt niet o tegen Hem? Doet niets goeds voor Hem? Dat is niet mogelijk.
A. Het is toch maar al te waar. Wij leven alsof er geen God in den Hemel was en als had Hij geene magt op aarde.
V. Waarom laat God u dat doen? Waarom laat Hij u niet goed leven?
A. Dat is onze eigene schuld.
V. Maar gij zegt, Hij is groot, zeer groot, heeft zeer groote magt; kan u dooden als Hij wil. Waarom slaat Hij u niet dood als gij Hem niet dient, hem niet aanroept, geene goede dingen doet?
A. Dat is waar, Hij kon mij dooden en ik mogt het verwachten; maar God is genadig en straft ons niet naar verdiensten.
V. Maar zegt gij uwen God daarvoor dan niet dank?
A. Neen, ik heb God niet gedankt voor zijne genade, evenmin als ik Hem gevreesd heb om zijne magt.
V. Dan is uw God geen God. Ik geloof niet dat Hij zoo groot, zoo sterk, zoo magtig is, als Hij u niet doodslaat als gij Hem beleedigt.
A. Hoe, zou mijn slecht leven u verhinderen in God te gelooven. Ellendige, die ik ben! Welk eene droevige waarheid, dat het slechte leven der Christenen de bekeering der Heidenen belet!
V. Hoe kan ik denken, dat gij zulk een grooten God dáár hebt (naar den Hemel wijzende) als gij geene goede dingen doet. Kan Hij spreken? Zeker weet Hij niet wat gij doet?
A. Ja wel, Hij weet en ziet alles; Hij hoort ons spreken, ziet wat wij doen, weet, wat wij denken, al spreken wij niet.
V. Wat? Hoort Hij u vloeken, zweren, anderen verdoemen?
A. Ja, ja, Hij hoort dat alles.
V. Waar is dan zijn zoo sterke, groote magt?
A. Hij is genadig, dat is al wat wij er van kunnen zeggen, en dat bewijst dat Hij de ware God is; Hij is God en geen mensch en daarom worden wij gespaard.
Atkins zeide, dat hij hier zelf ijsde van de gedachte, dat hij zijne vrouw zoo duidelijk kon zeggen dat God alles ziet en hoort en de geheimste gedachten des harten kent; en dat hij toch al zijne euveldaden had durven verrigten.
V. Genadig; wat meent gij daarmede?
A. Hij is onze Vader en Schepper, en Hij heeft ons lief en spaart ons.
V. Dan doodt Hij nimmer, wordt nimmer boos als gij kwaad doet, dan is Hij ook zelf niet goed en niet magtig.
A. Ja wel, ja wel; Hij is oneindig goed en oneindig magtig om te straffen. Somwijlen geeft Hij blijken van zijnen toorn jegens zondaren. Menigeen wordt te midden zijner boosheden verdelgd.
V. Maar Hij heeft u niet gedood; dan hebt gij misschien een verdrag met hem gemaakt, dat gij kwaad zoudt doen en Hij niet boos op u worden als Hij het op anderen is.
A. Neen waarlijk niet; al mijne zonden zijn zoo veel tergingen zijner langmoedigheid, en met regtvaardigheid kon Hij mij verdelgen als andere zondaren.
V. Zoo, en toch maakt Hij u niet dood? Wat zegt gij daarvoor tegen hem? Zegt gij hem geen dank daarvoor?
A. Ik ben een ondankbaar voorwerp, dat is waar.
V. Waarom maakt Hij u niet veel beter? Gij zegt, dat Hij u gemaakt heeft.
A. Hij heeft mij gemaakt, zoo wel als de geheele wereld; ik ben het, die mij zelven verlaagd en zijne goedheid misbruikt heb.
V. Ik wenschte, dat God mij leerde kennen; ik zou hem niet boos maken, ik zou geen kwade slechte dingen doen.
Hier zeide Atkins dacht hij van schaamte te vergaan, dat een dom onwetend schepsel naar de kennisse Gods verlangde; en dat hij zulk een snoodaard was, dat hij haar omtrent God geen woord schier zeggen kon, wat niet door zijn eigen gedrag haar schier ongeloofelijk moest voorkomen; ja, dat zij reeds niet in God kon gelooven, omdat een zoo slecht schepsel als hij niet verdelgd was geworden.
A. Gij verlangt, mijn lieve, dat ik u God leer kennen, maar God kent u reeds en elke gedachte van uw hart.
V. Zoo, als Hij weet wat ik nu tegen u zeg, dan weet Hij, dat ik Hem verlang te kennen. Hoe zal ik weten wie mij gemaakt heeft?
A. Arm schepsel, God moet u leeren, ik kan het niet. Ik zal Hem bidden, dat Hij zich aan u leert kennen, en mij vergiffenis schenkt, dat ik onwaardig ben u te onderrigten.
De arme man was zoo beangst, toen zij verlangde, dat hij haar God zou leeren kennen, dat hij voor haar op de knieën viel, en God bad haar te willen verlichten door de zaligmakende kennis aan Jezus Christus, en hem zijne zonden vergeven en het werktuig worden, om haar de beginselen der godsdienst mede te deelen. Vervolgens ging hij weder naast haar zitten, en het gesprek ging voort. Het was toen dat wij hem zagen nederknielen en de handen opheffen.
V. Waarom knielt gij? waarom heft gij de handen omhoog? Tegen wien spreekt gij? Wat zegt gij? Wat beteekent dat alles?
A. Mijn lieve, ik boog mijne knieën met onderdanigheid aan mijnen Schepper. Ik zeide "O" tegen Hem, gelijk gij het noemt, en zoo als uwe oude lieden tegen uwen afgod Benamoekie doen, dat wil zeggen ik aanbad Hem.
V. Waarom zeide gij O tegen Hem?
A. Ik smeekte Hem uwe oogen en verstand te openen; ten einde Hij zich aan u leerde kennen, en Hij zich uwer aannam.
V. Kan Hij dat doen?
A. Ja. Hij kan alles doen.
V. Maar hoort Hij wat gij zegt?
A. Ja, Hij heeft ons gelast tot Hem te bidden, en beloofd ons te zullen verhooren.
V. U dat gelast? wanneer? en hoe? Hebt gij Hem hooren spreken?
A. Neen, wij hooren Hem niet spreken, maar Hij heeft zich op verschillende wijzen aan ons geopenbaard.
Hier wist hij niet hoe hij haar zou doen begrijpen, dat God zich aan ons in zijn Woord heeft geopenbaard, en wat zijn woord was: maar eindelijk zeide hij haar het volgende:
A. God heeft in vroegere dagen tot eenige goede menschen gesproken, uit den Hemel, in duidelijke woorden, en God heeft eenige goede menschen met zijn geest vervuld en deze hebben al zijne wetten in een boek geschreven.
V. Dat begrijp ik niet. Waar is dat boek?
A. Ik heb helaas dat boek niet, maar ik hoop het den een of anderen tijd te bekomen en u daarin te leeren lezen.
Hier omhelsde hij haar met veel aandoening, maar zeer bedroefd, dat hij geen Bijbel had.
V. Maar hoe zult gij mij leeren, dat God hun geleerd heeft, dat boek te schrijven?
A. Op dezelfde wijze, als waarop wij weten, dat Hij God is.
V. Hoe weet gij dat?
A. Omdat hij niet leert of beveelt dan wat goed, regtvaardig en heilig is, en ons zoowel volmaakt goed als volmaakt gelukkig tracht te maken, en omdat Hij ons gelast alles te vermijden wat slecht is, wat boos van aard of boos in de gevolgen is.
V. Dat zou ik wel begrijpen, dat zou ik wel willen zien; als Hij alle goede dingen beloont, alle slechte dingen bestraft; alle goede dingen leert, alle kwade verbiedt, als Hij alles maakt, alles geeft, als Hij mij hoort als ik O tegen Hem zeg, als Hij mij goed maakt als ik goed wil zijn; mij spaarde, mij niet dood maakt als ik niet goed ben. Dat alles zegt gij, dat Hij doet; ja, Hij is een groote God, ik denk, ik geloof, dat Hij de groote God is; ik zal tot Hem "O" zeggen met u.
Hier kon de arme man zich niet langer bedwingen, maar opstaande, deed hij haar nederknielen, en bad God met luider stemme haar door den H. Geest in de kennisse Gods te onderrigten; en dat hij te eeniger tijd den Bijbel mogt bekomen, ten einde zij Gods woord mogt hooren en door hetzelve Hem leeren kennen.
Dit was het oogenblik, waarop wij hem haar bij de hand zagen vatten en nederknielen, gelijk ik vroeger gezegd heb.
Naar het schijnt wisselden zij nog vele woorden, te veel om hier mede te deelen, en in het bijzonder deed zij hem beloven, daar, volgens zijne eigene bekentenis, zijn leven eene reeks van schandelijke overtredingen van Gods geboden was geweest, dat hij zich zou beteren, en God niet langer tergen, opdat Hij hem niet dood maakte, gelijk zij zeide, en dan zou zij verlaten zijn, en nimmer God leeren kennen, en hij zou rampzalig zijn, gelijk hij haar verhaald had, dat slechte lieden na hunnen dood waren.
Dit verhaal trof ons beide, maar vooral den jongen geestelijke, wien het echter bitter speet, dat hij niet tot haar spreken kon, daar hij geen Engelsch en zij het zeer gebrekkig sprak. Hij zeide tot mij, dat hij geloofde, dat bij deze vrouw nog iets anders te doen was dan haar te trouwen. Ik begreep hem eerst niet, maar hij gaf mij zijne meening te kennen, dat zij gedoopt moest worden. Ik stemde dit volmondig toe, en wilde er dadelijk toe overgaan. "Neen, neen, mijnheer," zeide hij, "schoon ik haar in allen geval wilde doopen, moet ik u doen opmerken, dat Willem Atkins haar op eene wonderbaarlijke wijze den lust tot een godsdienstig leven heeft bijgebragt, en haar zeer juiste denkbeelden van het wezen van God, van zijne magt, regtvaardigheid en genade, gegeven; maar ik wenschte wel van hem te weten of hij haar iets gezegd heeft van Jezus Christus en van de behoudenis der zondaren, van den aard van het geloof in Hem en der verlossing door Hem, van den Heiligen Geest, de opstanding, het laatste oordeel, en een toekomstigen staat."
Ik riep Willem Atkins terug en vroeg hem dit, maar de arme kerel barstte dadelijk in tranen uit, en zeide, dat hij haar over dat alles gesproken had, maar dat hij zelf zoo slecht was, en zijn eigen geweten hem over zijn goddeloos leven knaagde, dat de vrees hem deed beven, dat hare bekendheid met hem haar belangstelling hierin zou verhinderen, en haar de godsdienst eer doen verachten dan beminnen. Maar hij was, zeide hij, zoo verzekerd; dat haar geest voor alle goede indrukken geopend was, dat zoo ik slechts met haar wilde spreken, het spoedig blijken zou, dat mijne moeite bij haar niet vruchteloos zou blijven.
Ik riep haar dus binnen en plaatste mij als tolk tusschen den priester en de vrouw, en verzocht hem met haar te beginnen; maar waarlijk nimmer werd een tweede predikatie als deze, in de laatste eeuwen, door een Roomsch priester gehouden. Hij had, gelijk mij voorkwam, al de opregtheid van een Christen, zonder de dwalingen der Roomsch-Katholijken, en ik hield hem voor een geestelijke, gelijk de eerste bisschoppen der Christelijke kerk ongetwijfeld geweest zijn. Om kort te gaan, hij bragt de arme vrouw zoo ver, dat zij de kennis van Christus en van de verlossing door Hem aannam, niet alleen met verwondering en verbazing, gelijk zij de eerste begrippen van Gods wezen ontving, maar met vertrouwen en vreugde, met aandoening, en met eene treffende bevatting, die men zich naauwelijks verbeelden, laat staan beschrijven kan, en op haar eigen verzoek werd zij gedoopt. Toen de geestelijke hiertoe aanstalten maakte, verzocht ik hem hierbij voorzigtig te zijn, opdat zoo mogelijk, de man niet bemerkte, dat hij Roomsch-Katholijk was. Hij zeide mij, dat daar hij geene gewijde kapel, noch eenige dingen, tot den doop geschikt, had, hij het op eene wijze doen zou, dat ik, zoo ik het niet wist, niet zeggen zou, dat het door een Roomsch-Katholijk geschiedde. Zoo deed hij ook, want na eenige woorden in het Latijn bij zichzelven gezegd te hebben, stortte hij eene schaal vol water over het hoofd der vrouw, daarbij in het Fransch zeggende: "Maria," zoo als haar man mij verzocht had, dat zij heeten zou, want ik was haar peet, "ik doop u in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes!" zoodat niemand daaraan kon hooren van welk geloof hij was. Daarop sprak hij den zegen uit in het Latijn, maar Willem Atkins wist niet beter of het was Fransch, of sloeg er geen acht op.
Onmiddellijk hierop trouwde hij hen, en zoodra het huwelijk gesloten was, wendde hij zich tot Atkins, en vermaande hem op eene treffende wijze, niet alleen in zijne goede voornemens te volharden, maar door eene verbetering van zijn leven zijn geloof te bewijzen. Hij zeide, dat zijn berouw niets baatte, zoo hij geen afstand deed van het kwaad; hield hem voor hoe God hem tot het werktuig had gekozen om zijne vrouw tot het Christendom te bekeeren, en dat hij zorgen moest Gods genade niet te verwaarloozen, want dat anders de bekeerde heiden een beter Christen zou zijn dan hij. Hij voegde daarbij nog vele goede lessen en gaf hun daarop in korte woorden den zegen, terwijl ik al wat hij zeide in het Engelsch overbragt. Hiermede eindigde deze plegtigheid. Steeds heb ik dezen dag voor de aangenaamste mijns levens gehouden.
Maar mijn geestelijke hield zijne taak nog niet voor volbragt; zijn hart hing aan de bekeering der zevenendertig wilden, en gaarne wilde hij daartoe op het eiland blijven; maar ik overtuigde hem, dat deze onderneming op zichzelve zeer bezwaarlijk was, en ten tweede, dat deze misschien in zijne afwezigheid kon geschieden, waarover straks nader.
Na de zaken aldus op het eiland geschikt te hebben, maakte ik toebereidselen tot mijn vertrek, toen de jongeling, die ik van de uitgehongerde equipage had medegenomen, bij mij kwam, zeggende, dat hij vernomen had, dat ik een geestelijke bij mij had, en de Engelschen met hunne vrouwen had doen trouwen; dat hij ook een huwelijk gesloten wenschte tusschen twee Christenen, hetgeen hij hoopte, dat mij niet onaangenaam zou zijn.
Dit, wist ik, moest de jonge dienstmaagd zijner moeder zijn, want er was geene andere Christenvrouw op het eiland; ik vermaande hem dus hierin geen overijlden stap te doen, of omdat hij zich in deze eenzaamheid bevond. Ik hield hem voor, dat hij, gelijk ik van hem en ook van de dienstmaagd gehoord had, eenige bezittingen en goede vrienden in de wereld had, dat het meisje niet alleen arm, en eene dienstbode was, maar ook niet met hem gelijk stond, daar zij zes- of zevenentwintig, en hij zeventien of achttien jaar oud was; dat hij met mijne hulp waarschijnlijk van hier en weder in zijn land zou komen, en dat het duizend tegen een was, dat zijne keus hem later zou berouwen, en dat beider leven alsdan even onaangenaam zou zijn. Ik wilde hier nog veel bijvoegen, toen hij mij glimlagchend zeide, dat ik mij vergiste, dat hij daar volstrekt niet aan dacht, daar zijn tegenwoordig lot treurig genoeg was; dat hij met vreugde hoorde, dat ik op middelen bedacht was, hem naar hun vaderland terug te voeren, en dat niets hem zou overhalen hier te blijven, dan dat mijne voorgenomen reis zoo uiterst lang en gevaarlijk was, en hen zoo ver van al zijne vrienden zou voeren, dat hij niets van mij verlangde, dan dat ik hem op het eiland een stuk land gaf met eenige noodwendigheden, en een paar dienstboden, en dat hij dan als een planter leven zou, in afwachting, dat ik hem zou vandaar helpen als ik in Engeland terugkwam; in welk geval hij hoopte, dat ik hem niet zou vergeten; dat hij mij eenige brieven aan zijne familie in Londen zou medegeven, met vermelding hoe goed ik jegens hem geweest was, en hoe en waar ik hem gelaten had; en dat als hij vandaar kwam, de plantaadje, hoeveel die ook dan waard mogt zijn, geheel mijn eigendom zou zijn.
Dit was voor een zoo jeugdig mensch zeer verstandig gesproken, en mij te meer aangenaam, omdat hij mij stellig zeide, dat het voorgenomen huwelijk hem niet aanging. Ik beloofde hem, dat zoo ik behouden in Engeland terugkwam, ik zijne brieven verzenden zou, en hij er staat op maken kon, dat ik nimmer zou vergeten in welke omstandigheden ik hem verlaten had. Op mijn verlangen om te weten wie er trouwen wilden, noemde hij mijn duizendkunstenaar, en Suzanna, zijne dienstmaagd. Dit beviel mij uitstekend, want ik hield hen voor een zeer geschikt paar. Het karakter van den man heb ik reeds geschetst, en het meisje was zeer braaf, zedig, godsdienstig en ingetogen; zij wist zich zeer wellevend en van pas uit te drukken, en schroomde niet zich te laten hooren als het noodig was, zonder dat zij, waar het onnoodig was, zich onbescheiden op den voorgrond stelde; zij was zeer handig en huishoudelijk in haar gedrag, en zeer goed tot het huisbestier geschikt, ja zij had het geheele eiland wel kunnen bestieren. Zij had zeer goed den slag van met alle menschen om te gaan, ook met aanzienlijker dan zij hier aantrof.
Wij trouwden het paar nog dienzelfden dag, en daar ik de bruid als vader naar het altaar geleidde, gaf ik haar ook een bruidschat; want ik schonk aan haar man en haar eene fraaije uitgestrekte plek gronds, voor eene plantaadje. Dit huwelijk en het verzoek van den jongeling hem een stuk grond af te staan, gaf aanleiding, dat ik de landerijen onder hen verdeelde, opdat er naderhand geen twist over zou ontstaan.
Deze land verdeeling droeg ik aan Willem Atkins op, die nu een zeer ingetogen, bezadigd, ernsthaftig man, geheel veranderd en zeer vroom en godsdienstig was geworden; en voor zoo verre men in zulk een geval stellig spreken kan, en naar ik geloof, zich opregt bekeerd had. Hij deed deze verdeeling zoo regtvaardig en naar ieders genoegen, dat zij alleen eene algemeene door mij geteekende acte voor zich allen verzochten, die ik deed opstellen en teekende, waarbij de ligging en grenzen van iedere plantaadje bepaald werden, met bepaling, dat ik het regt op het geheele bezit en beschikking der verschillende plantaadjen met derzelver aanhoorigheden, aan hen en hunne erfgenamen afstond terwijl ik mij het overige des eilands als mijn bijzonder eigendom voorbehield, met eene zekere rente of erfpacht, na verloop van elf jaren, als ik, of iemand van mijnentwege met een echt afschrift van deze acte kwam, om die te vragen.
Aangaande het bestier en wetten onder hen, zeide ik hun, dat ik hun geen beter voorschriften geven kon dan zij zichzelven konden geven; doch ik nam hun de belofte af met elkander in liefde te leven en goede buurschap te onderhouden. En vervolgens maakte ik mij gereed tot mijn vertrek.
Ik moet echter nog eene zaak vermelden, dat is, dat daar zij thans eene soort van gemeenebest uitmaakten, en volop werk hadden, het ongerijmd was, dat zevenendertig Indianen, onafhankelijk, en zonder iets te verrigten, in een hoek van het eiland woonden; want deze hadden niets te doen dan zich voedsel te verschaffen, dat hun soms moeijelijk genoeg viel, maar anders hadden zij niets te verrigten. Ik stelde derhalve voor, dat de Spaansche gouverneur naar hen toe zou gaan, met Vrijdags vader, en hun voorstellen of voor zich zelven te bouwen, of bij hen als dienstboden ingedeeld te worden, om voor hunnen arbeid onderhoud te erlangen, maar zonder eigenlijke slaven te zijn, want daartoe wilde ik hen noch door geweld, noch door eenige middelen gemaakt hebben, omdat zij zich als het ware bij een verdrag hadden overgegeven, en dit niet behoorde geschonden te worden. Zij namen verheugd het voorstel aan, en gingen welgemoed met hem mede. Wij gaven hun dus landerijen, die drie of vier aannamen, maar de overigen wilden liever als dienstboden bij de verschillende huisgezinnen gaan. Dus was mijne kolonie nu op de volgende wijze zamengesteld. De Spanjaarden bezaten mijne oude woning, die de hoofdstad uitmaakte, en hunne plantaadje strekte zich uit langs den inham, die de zoo dikwijls door mij beschrevene kreek vormde, tot aan mijne buitenplaats, terwijl zij hunne ontginningen steeds oostwaarts uitbreidden. De Engelschen woonden aan de noordoost zijde, waar Atkins en zijne makkers begon, en zij zich zuid- en zuidwestwaarts uitbreidden. Ieder plantaadje had eene menigte woeste gronden, om als er gelegenheid toe was, er bij aan te trekken, zoo dat zij niet uit gebrek aan ruimte oneens behoefden te worden. Het geheele westeinde van het eiland was woest gelaten, ten einde als de wilden daar alleen aan wal kwamen, om hunne gewone barbaarsche feestmalen te houden, zij ongehinderd gaan en komen konden, en zoo zij niemand deerden, zou niemand hun deren, en ongetwijfeld kwamen zij dikwijls aan land en vertrokken, schoon de planters niet door hen verontrust werden.
Nu bedacht ik, dat ik mijn vriend, den geestelijke gezegd had, dat de bekeering der wilden, misschien in zijne afwezigheid, naar zijn genoegen kon verrigt worden, en ik zeide hem, dat ik nu een goed vooruitzigt daarop meende te hebben, daar de wilden thans onder de Christenen verdeeld waren, en zoo ieder zich nu slechts moeite gaf op degenen, die onder zijne handen waren, hoopte ik, dat dit zeer goed afloopen zou.
Hij stemde daarin toe, _bijaldien_ ieder zich moeite gaf, "maar," zeide hij, "hoe zullen wij dat van hen gedaan krijgen?" Ik zeide hen bijeen te willen roepen, en het hun allen op het hart te drukken, of wel hen een voor een te gaan spreken, wat hij het best oordeelde. Wij verdeelden het zoo, dat hij tot de Spanjaarden spreken zou, die allen Roomsch Katholijk waren, en ik tot de Engelschen, die Protestanten waren, en wij bevolen hen aan en deden hen beloven, dat zij nimmer eenig onderscheid tusschen Roomsch en Protestantsch zouden maken in hunne vermaningen aan de wilden, maar hun de algemeene grondstellingen van den eenigen waren God en den Heiland leeren; en zij beloofden ons ook, dat zij nimmer onder elkander over de Godsdienst zouden twisten.
Toen ik aan het huis van Willem Atkins kwam (dat ik wel zoo noemen mag, want zulk een huis of stuk mandewerk zag men geloof ik nooit ergens ter wereld) vond ik, dat de jonge vrouw, waarvan ik hiervoor gesproken heb, en de vrouw van Atkins boezemvriendinnen waren geworden, en deze verstandige, godsdienstige vrouw had het werk, dat Atkins begonnen had, voltooid, en schoon het verhaalde eerst vier dagen geleden was, was deze pas gedoopte Indiaansche vrouw zulk eene Christin, waarvan ik de wederga in al mijne ontmoetingen in de wereld zelden aangetroffen heb.
Den morgen voor ik naar hen toeging bedacht ik, dat ik bij al de noodwendigheden, die ik voor hen achterliet, geen Bijbel gevoegd had; waarin ik mij minder bezorgd voor hen betoonde, dan de goede weduwe voor mij was, toen zij mij de lading van honderd Pond St. van Lissabon zond, waarbij zij drie Bijbels en een gebedeboek voegde. Deze liefderijkheid van de goede vrouw had nuttiger gevolgen dan zij voorzien kon, want zij werden gespaard tot stichting en onderrigt van hen, die er veel beter gebruik van maakten dan ik gedaan had. Ik stak een der Bijbels in mijn zak, en toen ik bij Willem Atkins tent of huis kwam, vernam ik, dat de jonge vrouw en die van Atkins over de Godsdienst hadden gesproken, hetgeen Atkins mij met veel vreugde verhaalde. Hoorende, dat zij nog bij elkander waren, ging ik binnen en zij met mij, en vond haar beide ernstig in gesprek. "O, mijnheer," zeide Atkins, "als God zondaars met zich verzoenen wil, en verlorenen terug brengen, heeft Hij altijd boden. Mijne vrouw heeft eene nieuwe leermeesteres. Ik weet, dat ik onwaardig was tot dat werk; die jonge vrouw is door den Hemel hierheen gezonden; zij is in staat een geheel eiland vol wilden te bekeeren." De jonge vrouw stond blozende op en wilde heengaan, doch ik verzocht haar te blijven, zeide, dat zij een goed werk verrigtte, waarin ik hoopte, dat Gods zegen met haar zijn mogt.