Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Part 11

Chapter 114,191 wordsPublic domain

De vrouwen begrepen dit gemakkelijk en waren er zeer mede tevreden, gelijk zij ook reden hadden. Den volgenden morgen kwamen zij dus allen in mijn vertrek, waar ook mijn geestelijke zich bevond. Schoon hij noch een Engelsen geestelijke kleeding, noch een Fransch priesterkleed droeg, droeg hij echter een zwart overkleed met een sjerp, hetgeen veel naar de kleeding van een Engelsch geestelijke geleek. Ik diende voor tolk van hetgeen hij zeide. Maar zijne ernstige taal jegens hen, en zijne aarzeling om de vrouwen te trouwen, omdat zij ongedoopt waren en het Christelijk geloof niet beleden, boezemden eerbied voor hem in, en nam allen twijfel weg of hij een geestelijke was. Ik vreesde zelfs in den beginne, dat deze zwarigheid hem zou verhinderd hebben haar in het geheel te trouwen. Al wat ik ook zeide baatte niet, en hij weigerde volstandig het huwelijk te sluiten, alvorens hij met de mannen en ook de vrouwen gesproken had. Schoon ik hier eerst iets tegen had, deed echter zijne welmeenende opregtheid mij daarin toestemmen. Hij zeide hun daarop, dat ik hem hunne omstandigheid en tegenwoordig voornemen had medegedeeld, dat hij gaarne, volgens mijn verlangen, hun huwelijk wilde sluiten, maar eerst eenige woorden tot hen rigten moest. Hij bragt hun daarop onder het oog, dat zij in de oogen van iedereen, en volgens alle maatschappelijke wetten, tot hiertoe in openbare ontucht hadden geleefd; dat dit, wel is waar, thans alleen verholpen kon worden als hij hen trouwde of zij zich van elkander scheidden; maar dat zich bij hen nog eene zwarigheid tegen een Christelijk huwelijk opdeed, die moeijelijk weg te nemen was, namelijk die van een Christen aan eene heidensche, afgodische vrouw te verbinden; terwijl hij echter zag, dat er geen tijd was om de vrouwen vooraf te doopen en tot de leer van Christus over te halen, daar zij ongetwijfeld nimmer iets van gehoord hadden, en zonder welke hij haar niet doopen kon.

Hij zeide het er voor te houden, dat zij zelf slechts weinig van de godsdienst wisten, en derhalve niet verwachten kon, dat zij er hunne vrouwen veel van medegedeeld hadden, maar dat hij hen niet trouwen kon, ten ware zij hem beloofden hun uiterste best te doen om hunne vrouwen over te halen Christenen te worden, en dat zij haar zoo goed zij konden zouden onderrigten nopens hunnen Schepper, en hunnen Verlosser leeren dienen, want hij wilde geene Christenen en heidenen verbinden, hetgeen strijdig was met alle beginselen der Christelijke leer; en door Goddelijke wetten verboden.

Zij hoorden dit alles zeer oplettend aan, gelijk ik het hen, zoo na mogelijk met zijne eigene woorden, mededeelde, terwijl ik er slechts somtijds iets bijvoegde om hen te overtuigen hoe billijk het was, en hoe volkomen naar mijne overtuiging; en ik zorgde steeds goed de woorden van den geestelijke, en hetgeen ik er bijvoegde, te onderscheiden. Zij zeiden, dat alles zeer waar was, dat zij zelve slechts laauwe Christenen waren, en nimmer met hunne vrouwen over de godsdienst hadden gesproken. "En hoe zouden wij haar de godsdienst leeren, mijnheer?" zeide Willem Atkins. "Wij zijn zelf onwetend, en als wij haar spraken van God en Christus, en Hemel en hel, zouden zij ons uitlagchen, en vragen wat wij zelf geloofden. En als wij dan zeiden, dat wij alles zelf geloofden wat wij zeiden, zoo als, dat de brave lieden naar den hemel gaan en de slechten naar den duivel, dan zouden zij ons vragen waar wij zelf wenschten heen te gaan, die dit alles gelooven, en toch zulke groote schelmen zijn. Waarlijk, mijnheer, dat is genoeg om haar al aanstonds tegen de godsdienst in te nemen. Men moet, als men anderen leeren wil, zelf eenige godsdienst hebben."--"Willem Atkins," zeide ik, "ik vrees, dat het maar al te waar is wat gij zegt, maar kunt gij daarom uwe vrouw niet zeggen, dat zij een verkeerd geloof belijdt, dat er een God en een godsdienst is, beter dan de hare, dat hare goden afgoden zijn, die noch spreken, noch hooren kunnen; dat er een opperst Wezen is, die alles geschapen heeft, die de goeden beloont, de kwaden bestraft, en door wien wij eindelijk voor al onze daden geoordeeld zullen worden. Gij zijt zoo onwetend niet, maar uw eigen verstand zal u zeggen, dat dit alles de waarheid is, en ik vertrouw, dat gij dit ook weet en gelooft."

"Dat is waar, mijnheer," zeide Atkins, "maar hoe zal ik mijne vrouw daar iets van zeggen, als zij mij dadelijk zal tegenwerpen, dat dit niet waar zijn kan?"--"Waarom zou zij dat zeggen?" vroeg ik.--"Wel, mijnheer," zeide hij, "zij zal zeggen, het is niet waar, dat die God regtvaardig is of straft en beloont, daar een kerel als ik, die zich zoo slecht jegens haar en iedereen gedragen heeft, niet gestraft en naar de hel gezonden is geworden; en dat mij het leven gelaten is, terwijl ik altijd het tegendeel gedaan heb van hetgeen ik haar zeggen moet, dat goed is, of wat ik behoorde gedaan te hebben."--"Ik vrees, dat hetgeen gij zegt maar al te waar is, Atkins," zeide ik, en deelde daarop het gesprokene aan den geestelijke mede. "O," zeide deze, "zeg hem, dat ééne zaak hem tot den besten leermeester zijner vrouw zal maken, en dat is berouw. Opregt berouw leert hem het best zijne misstappen kennen, en zoo hij dit slechts gevoelt, is hij volkomen geschikt zijne vrouw te onderrigten; hij zal haar dan zeggen, dat God niet alleen een regtvaardig vergelder van goed en kwaad is, maar ook de hoogste Genade, die met eindelooze goedheid en langmoedigheid de straf des zondaars ophoudt, en niet den dood des zondaars wil, maar dat hij leve en zich bekeere; dat Hij dikwijls de slechten langen tijd laat voortgaan, en zelfs spaart tot den dag des oordeels; dat dit een duidelijk bewijs van Gods bestaan en van een toekomstigen staat is, dat de regtvaardige zijn loon en de slechte zijne straf niet ontvangt op deze wereld. Dit zal hem aanleiding geven zijne vrouw de leer der opstanding en van het laatste oordeel mede te deelen. Laat hem slechts opregt berouw gevoelen."

Ik zeide dit alles tot Atkins, die het met een zeer ernstig gelaat en blijkbare ontroering aanhoorde, tot hij, toen ik nauwelijks uitgesproken had, in drift uitriep: "Ik weet dat alles, mijnheer, en meer dan dat; maar ik ben niet zoo schaamteloos van er tegen mijne vrouw over te spreken, terwijl het God en mijn eigen geweten bekend is, en mijne vrouw ook getuigen kan, dat ik altijd geleefd heb alsof ik nooit iets van God en een toekomstig leven gehoord had. En wat berouw betreft, helaas! (hier loosde hij een diepen zucht, en ik zag de tranen in zijne oogen) daar is voor mij geen denken meer aan."--"Geen denken meer aan," zeide ik, "hoe meent gij dat?"--"Ik weet wel wat ik zeg," hervatte hij, "ik meen, dat het te laat is, en dat is maar al te waar."

Ik herhaalde den geestelijke woord voor woord wat hij zeide. De ijverige, liefderijke priester (die, wat ook zijn geloof was, zeer voor het eeuwig heil van anderen bezorgd was) kon zijne tranen niet bedwingen, maar zeide daarop tegen mij: "Doe hem slechts eene vraag. Is hij tevreden, dat het te laat is, of doet het hem leed en wenschte hij, dat het anders ware?" Ik zeide dit aan Atkins, die met drift antwoordde: hoe iemand tevreden zou zijn in een staat, die noodwendig tot zijn eeuwig verderf moet uitloopen, dat hij alles behalve gerust was, maar integendeel er den een of anderen dag een eind aan zou moeten maken.--"Wat meent gij daarmede?" vroeg ik. Hij antwoordde, dat hij geloofde, dat hij den een of anderen tijd zich zelf van kant zou maken, om aan zijne ellende en angst een einde te maken.

De priester schudde zeer ontroerd het hoofd, toen ik hem dit mededeelde, maar zeide daarop: "Als dat het geval is, kunt gij hem verzekeren, dat het niet te laat is: Christus zal hem berouw schenken. Verklaar hem, bid ik u, dat daar alle menschen door Christus behouden zijn, en door zijn lijden de Goddelijke genade verwerven, hoe kan het voor iemand te laat zijn om de genade te ontvangen? Denkt hij, dat hij zich buiten het bereik kan stellen der Goddelijke barmhartigheid? Zeg hem, dat het nimmer voor iemand te laat is, om vergiffenis van zonden af te smeeken; en dat alle dienaren der godsdienst gelast zijn te allen tijde vergiffenis te verkondigen aan hen, die opregt berouw gevoelen; en dat het daartoe nimmer te laat is."

Ik deelde dit alles aan Atkins mede, die het zeer ernstig aanhoorde, maar daarop het gesprek scheen te willen afbreken, want hij zeide, dat hij thans zijne vrouw eens moest spreken. Hij vertrok dus, en wij spraken tot de overigen. Deze waren allen even onkundig in het stuk van godsdienst als ik, toen ik mijne ouders ontliep. Echter luisterden zij gretig naar hetgeen wij zeiden, en beloofden er met hunne vrouwen over te spreken, en te zullen trachten haar tot het Christendom over te halen.

De geestelijke glimlachte, toen ik hem dit mededeelde, schudde het hoofd, en zeide: "Wij dienaars van Christus kunnen niets doen dan vermanen en onderrigten, en als men ons aanhoort en belooft te doen wat wij verlangen, moeten wij met hunne beloften ons vergenoegen. Maar geloof mij, mijnheer, hoe ook het gedrag van dien Willem Atkins geweest is, ik geloof, dat hij alleen opregt bekeerd is. Ik wil aan de anderen niet wanhopen, maar die man heeft blijkbaar een juist besef en berouw van zijn vroeger leven, en zoo hij tot zijne vrouw over de godsdienst spreekt, zal hij zichzelven tevens bekeeren; want de beste wijze om zelf te leeren is somtijds, anderen te onderwijzen. Ik heb iemand gekend, die weinig met de godsdienst ophad, en een overgegeven booswicht was, maar geheel van zijn slechten weg teruggebragt is, door zijne pogingen, om een Jood te bekeeren. Zoo Atkins tot zijne vrouw over den Heiland zal spreken, zal hij zelf zich daardoor tot Hem leeren wenden."

Na dit gesprek en op de belofte, dat zij hunne vrouwen tot het Christendom zouden trachten over te halen, trouwde hij de drie andere paren, maar Willem Atkins en zijne vrouw waren nog niet terug. Na eene poos wachtens werd de geestelijke nieuwsgierig te weten, waar Atkins gebleven was, en verzocht mij met hem uit het doolhof te gaan, zeggende, dat hij vast vertrouwde dien armen man hier of daar te zullen vinden, waar hij zijne vrouw de beginselen der godsdienst leert. Ik dacht hetzelfde en geleidde hem door een weg, dien ik alleen kende, en waar het geboomte zoo digt was, dat men er naauwelijks door kon zien. Aan den rand van het bosch gekomen, zag ik Atkins en zijne vrouw, in de schaduw zeer ijverig zitten praten. Ik wachtte tot de geestelijke bij mij was, en toen bleven wij hen eene poos gadeslaan. Wij bemerkten, dat hij zeer ernstig met haar sprak, haar naar de zon en de lucht, dan naar de aarde, dan naar de zee, dan op haar en zich zelven, dan naar de boomen wees. "Gij ziet, dat ik gelijk had," zeide de geestelijke, "thans onderrigt hij zijne vrouw. Hij leert haar, dat God de aarde, de lucht, de zon, de zee, hen zelven gemaakt heeft."--"Ik geloof het ook," zeide ik.--Atkins stond thans op, knielde neder en vouwde de handen. Wij waren te ver af om te hooren of hij iets zeide. Daarop ging hij weder naast zijne vrouw zitten en tegen haar spreken. Zij scheen zeer oplettend, doch wij konden niet opmerken of zij iets zeide of niet. Toen hij nederknielde, zag ik den geestelijke de tranen over de wangen loopen, en ook ik kon de mijne moeijelijk bedwingen. Het speet ons, dat wij niet konden hooren wat zij zeiden, doch wij durfden niet naderbij komen, om hen niet te storen; ook gaven hunne gebaren genoeg den aard van hun onderhoud te kennen. Atkins zat naast zijne vrouw, en sprak haar met zigtbare ontroering toe; twee of drie malen omhelsde hij haar hartelijk, daarop zagen wij, dat hij hare oogen afwischte en haar met buitengewone vervoering kuste, eindelijk nam hij haar bij de hand, sprong op, en een paar stappen voorttredende, knielden beide neder.

Mijn vriend kon zich niet langer bedwingen, maar riep luidkeels uit: "Heilige Paulus, zie, hij bidt!" Ik vreesde, dat Atkins hem hooren zou, en verzocht hem dus zich te bedwingen, om het verdere te zien van dit tooneel, het treffendste en streelendste, dat ik ooit zag. De jonge priester bedwong zich met moeite, want het denkbeeld, dat deze afgodische vrouw eene Christin werd, bragt hem in vervoering. Hij weende, kruiste zich en dankte God bij zichzelven in het Latijn en Fransch, waarbij de vreugdetranen soms zijne woorden verstikten. Ik smeekte hem zich te matigen en het verdere van dit tooneel gade te slaan. Na opgestaan te zijn, hervatten de man en zijne vrouw hun gesprek, en hare gebaren gaven de grootste aandacht en ernst te kennen. Dit duurde ongeveer een half kwartieruurs, waarna zij vertrokken. Ik trad thans met den geestelijke in gesprek, en betuigde hem mijne vreugde over hetgeen wij gezien hadden, dat, schoon ik niet veel geloof sloeg aan die spoedige bekeeringen, ik deze echter als opregt beschouwde, zoowel bij den man als bij zijne vrouw, hoe onwetend deze ook nog was. "En wie weet," voegde ik er bij, "of niet deze twee, in vervolg van tijd, door voorbeeld en onderrigt, weldadig op sommigen der overigen zullen werken."--"Op sommigen!" herhaalde hij, "neen, op allen, daar kunt gij staat op maken, en zoo deze twee wilden (want hij schijnt volgens u weinig beter dan een wilde) het Christendom omhelzen, zullen zij het ook onvermoeid aan de anderen mededeelen. Een waar Christen zal nimmer een heiden bij zijn geloof laten als hij hem daaraan ontrukken kan." Ik stemde toe, dat dit een waar Christelijk beginsel was, en een blijk van zijn opregten ijver en edel karakter. "Maar mijn vriend," zeide ik, "sta mij toe u hier eene vraag te doen. Ik kan niets inbrengen tegen uwen ijver om deze arme lieden van heidenen tot Christenen te bekeeren. Maar hoe kan u dit voldoen, daar deze lieden buiten den schoot der Roomsche kerk blijven, waar binnen, volgens u, alleen de zaligheid te vinden is; dus moet gij dezen nog als ketters beschouwen, en evenzeer verdoemd als de heidenen zelve."

Met veel opregtheid antwoordde hij: "Mijnheer, ik ben Roomsch Katholijk, een priester, monnik van de Benediktijner orde, en gehecht aan al de leerstellingen van het Roomsche geloof. Echter, en geloof mij, dat ik niet spreek uit beleefdheid jegens u, of om de verpligtingen, die ik aan u heb, beschouw ik u, Protestanten, niet liefdeloos en als van de Goddelijke genade uitgesloten. Ik wil geenszins de verdiensten van Christus in zoo verre beperken van te denken, dat Hij u niet in zijne kerk kan opnemen, op eene wijze, die voor ons verborgen is, en ik hoop, dat gij eveneens over ons denkt. Dagelijks bid ik God, dat hij u allen tot de kerk van Christus brenge, op de wijze, die de hoogste Wijsheid goedvindt. Middelerwijl zult gij het in een Katholijk niet vreemd vinden, dat hij een groot onderscheid maakt tusschen een Protestant en een heiden; tusschen iemand, die Jezus Christus aanroept, schoon dan op eene wijze, die naar mijne denkwijze niet met het ware geloof strookt, en een heiden, die noch van God, noch van den Verlosser iets weet; en zoo gij niet binnen den schoot der Katholijke kerk zijt, hopen wij, dat gij er naderbij zijt dan diegenen, die nooit van den Heiland en zijne eerdienst hebben gehoord. Het verheugt mij dus, dat ik dezen man, die gelijk gij zegt, een deugniet en bijkans een doodslager geweest is, zie nederknielen en tot Christus bidden, gelijk wij meenen, dat hij deed, schoon hij dan nog niet tot het volle licht gekomen is; geloovende, dat God, van wien alle goede werken komen, hem te zijner tijd verdere kennis der waarheid zal schenken, en als door Gods invloed deze man zijne heidensche vrouw onderrigt en bekeert, kan ik niet gelooven, dat hij zelf zou verloren gaan. En zou ik mij dan niet verheugen als zij nader bij de kennis van Christus gebragt zijn, schoon zij dan juist niet op het oogenblik, dat ik zulks wenschte, in den schoot der Katholijke kerk zijn gekomen, en laten het aan 's Heilands wijsheid over zijn werk te zijner tijd te voltooijen? Zeker zou ik mij verheugen als al de wilden van Amerika zoo ver waren, dat zij even als deze arme vrouw tot God baden, al werden zij ook in den beginne Protestanten, liever dan dat zij heidenen bleven; want ik zou vast gelooven, dat Hij hun het eerste licht geschonken had, een straal der Hemelsche genade op hen zou laten nederdalen, en als Hij goedvond, in den schoot zijner kerk brengen."

Ik was verbaasd over de opregtheid en gematigdheid van dezen vromen Katholijk, en weggesleept door de kracht zijner redenering, en thans bedacht ik, dat als alle menschen zoo gematigd dachten, wij allen Katholijke Christenen konden zijn, tot welke kerk of sekte wij ook behoorden; dat een geest van liefde ons alsdan weldra tot de waarheid zou brengen. Ik zeide hem, dat als alle leden zijner kerk zoo gematigd dachten, zij spoedig allen Protestantsch zouden zijn; en hierbij lieten wij het berusten. want wij kwamen nooit tot redetwisten.

Ik viel hem echter op eene andere wijze aan, en zeide, hem bij de hand vattende: "Mijn waarde vriend, ik deel volkomen in uw gevoelen, maar als gij in Spanje of Italië zulke leerstellingen verkondigt, zal de Inquisitie u spoedig beet pakken!"--"Het kan zijn," zeide hij, "ik weet niet wat men in Spanje of Italië zou doen, maar deze gestrengheid zou hen geen beter Christenen maken, want overmaat van liefde is geen ketterij." Daar Atkins en zijne vrouw weg waren, hadden wij hier niets meer te verrigten en keerden huiswaarts, en daar vonden wij hen op ons wachten. Ik vroeg den priester of wij hen zeggen zouden dat wij hen gezien hadden, maar hij zeide liever eerst te willen hooren wat hij ons te zeggen had. Daar er niemand anders bij was, begon ik met hem te vragen: "Willem Atkins, welke opvoeding hebt gij wel gehad? Wie was uw vader?"

Atkins. Een aanzienlijker man dan ik ooit worden zal; hij was een geestelijke.

Robinson Crusoe. En uwe opvoeding?

A. Hij wilde mij goed onderwijzen, mijnheer, maar ik had een afschuw van alle onderrigt, vermaning en berisping, als een wild dier.

R. C. Ja, Salomo zegt reeds, dat hij, die berisping veracht, naar een beest gelijkt.

A. Ja, mijnheer, ik leefde als een beest. Ik heb mijn vader den dood aangedaan; om Gods wil, mijnheer, spreek er niet meer over, ik heb mijn armen vader den dood aangedaan!

Terwijl ik dit alles den priester vertolkte, werd hij bleek, sprong op bij de laatste woorden en riep uit: "Hemel! een moordenaar!"

R. C. Neen, neen, mijnheer, gij begrijpt hem verkeerd. Atkins, gij hebt uwen vader niet met eigen hand vermoord?

A. Neen, mijnheer, maar ik heb hem het hart gebroken en het verdriet over mij heeft zijne dagen verkort, doordien ik op de ondankbaarste, onnatuurlijkste wijze de liefderijkste en teederste zorgen beantwoordde.

R. C. Ik bedoelde niet u deze belijdenis af te persen, ik bid God dat Hij er u berouw over schenke, en u deze en uwe overige zonden vergeve; maar ik vroeg u dit, omdat ik zie dat gij, ofschoon niet geleerd, toch niet zoo onwetend zijt in het goede, en dat gij meer van de godsdienst wist, dan gij in uw gedrag aan den dag legde.

A. Gij hebt mij die belijdenis niet afgeperst, maar mijn geweten heeft het gedaan. Als wij op onze levensbaan terugzien zijn de zonden, jegens onze liefderijke ouders gepleegd, zeker de eersten die zich opdoen; die wonden zijn het diepst en van alle zonden drukken deze ons het zwaarste.

R. C. Hetgeen gij zegt treft mij te sterk, Atkins, ik kan het niet aanhooren.

A. Gij mijnheer? Deze wroegingen zullen u toch wel niet bekend zijn.

R. C. Ja, Atkins, ieder strand, iedere heuvel, ja ik mag wel zeggen elke boom van dit eiland is getuige van mijne wroegingen over mijne ondankbaarheid en mijne slechte handelwijze jegens mijn vader; een vader zoo als ook de uwe was, Atkins, maar ik geloof toch dat mijn berouw op verre na zoo groot niet is als het uwe.

Mijne aandoeningen beletten mij meer te zeggen, maar ik achtte 's mans berouw zoo veel sterker dan het mijne, dat ik op het punt stond het gesprek te staken en mij te verwijderen, want ik begreep, dat in plaats van hem te leeren en te onderrigten, ik in hem zeer onverwachts, een treffend leeraar en onderwijzer gevonden had. Ik deelde dit alles aan den geestelijke mede, die er zeer door getroffen was, en mij zeide: "Heb ik u niet gezegd, mijnheer, dat zoo deze man bekeerd was, hij ons allen onderrigten zou? Men heeft mij hier niet noodig, hij zal alles op het eiland tot Christenen maken."

Na mij eenigzins hersteld te hebben, hervatte ik mijn gesprek met Atkins. "Maar, Atkins," zeide ik, "hoe komt gij juist nu zoo tot inzigt in deze zaak?"

A. Mijnheer, gij hebt mij een werk opgedragen, dat mij als een zwaard het hart doorboort. Ik heb mijne vrouw over God en de godsdienst gesproken, gelijk gij mij gelastte, om haar tot het Christendom over te halen, en zij heeft mij eene predikatie gehouden, die ik nimmer zal vergeten.

R.C. Neen, neen, uwe vrouw heeft die niet gehouden, maar uw geweten, dat uwe bewijzen tegen u zelven heeft aangevoerd.

A. Ja, mijnheer en met onweerstaanbare kracht.

R.C. Verhaal mij, als gij wilt, wat er tusschen u en uwe vrouw is voorgevallen; ik weet er reeds iets van.

A. Mijnheer, u daarvan een volledig verslag te geven is mij onmogelijk; ik ben er vol van en kan het toch niet uitspreken; maar wat zij ook moge gezegd hebben, dit kan ik u verzekeren, dat ik besloten heb boete te doen en mijn leven te verbeteren.

R.C. Maar verhaal er ons iets van. Hoe zijt gij aangevangen. Dit is waarlijk buitengewoon; zij heeft u inderdaad eene boetpreek gehouden als zij dat bewerkt heeft.

A. Welnu dan, ik verhaalde haar eerst van den aard onzer wetten op het huwelijk, en waarom mannen en vrouwen verpligt waren zulk eene onverbreekbare verbindtenis aan te gaan; dat anders de orde en geregtigheid niet gehandhaafd konden worden, en de mannen hunne vrouwen en kinderen zouden verlaten, geen bloedverwantschap zou gekend blijven, en geen opvolging of erfdeel wettig kunnen genoten worden.

R.C. Gij spreekt als een advokaat, Atkins. Kondt gij haar doen begrijpen wat gij door erfenissen en door bloedverwantschap meende? Bij de wilden kennen zij dat niet, maar trouwen naar ik gehoord heb, zonder op maagschap acht te geven, broeder en zuster, zelfs vader en dochter.

A. Ik geloof mijnheer, dat gij dwaalt. Mijne vrouw verzekert het tegendeel en zegt, dat zij bloedschande verfoeijen zoo wel als wij, maar misschien zijn zij omtrent verdere verwantschap niet zoo naauwgezet als wij.

R.C. En wat zeide zij op uwe voorstellingen?

A. Dat dit haar zeer goed beviel, en beter was dan in haar land.

R.C. Maar zeide gij haar wat het huwelijk was?

A. Ja, daarmede begon ons gesprek. Ik vroeg haar of zij op onze wijze met mij wilde trouwen. Zij vroeg wat dat was. Ik zeide haar, dat het eene Goddelijke instelling was, en hierop hebben wij het zonderlingste gesprek gehad, dat ooit man en vrouw te zamen voerden.

Dit gesprek tusschen Atkins en zijne vrouw heb ik dadelijk opgeschreven, nadat hij het mij verhaald had. Hier volgt het:

De vrouw. Door uw God ingesteld. Hebt gij dan een God in uw land?

Atkins. Ja, mijne lieve, God is overal.

V. Neen, uw God is in mijn land niet. In mijn land is de groote oude Benamoekie God.

A. Kind, ik ben weinig in staat u den aard van God te leeren. God is in den Hemel, en heeft den hemel en de aarde en de zee en al wat er in is gemaakt.

V. Neen, uw God heeft de geheele aarde niet gemaakt, mijn land niet.

Atkins lachte over deze uitdrukking.

V. Waarom lacht gij? niet lagchen. Dit is geen ding om mede te lagchen.

Hij gevoelde hoe regtmatig zij hem berispte, want zij was in den beginne ernstiger dan hij.

A. Gij hebt gelijk; ik zal niet meer lagchen.

V. Gij zegt dus, dat uw God alles gemaakt heeft?

A. Ja kind, onze God heeft de geheele wereld en u en mij en alle dingen gemaakt, want Hij is de eenige ware God; er is geen God buiten hem. Hij leeft eeuwig in den Hemel.

V. Waarom hebt gij mij dat niet al lang gezegd?

A. Gij hebt gelijk, maar ik was een deugniet, die niet alleen vergat u met iets van dien aard bekend te maken, maar zelf buiten God leefde.