Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Part 10

Chapter 103,884 wordsPublic domain

Ik was door dit laatste eenigzins verrast, en zeide levendig: "Hoe, mijnheer, denkt gij dat Gods zegen niet op ons rust, na zulken bijstand en wonderbare redding, als ik u gisteren breedvoerig verhaald heb?"--"Zoo gij de goedheid gehad hadt, mijnheer, mij te laten uitspreken," zeide hij zeer zachtaardig en toch zeer levendig, "zoudt gij niet misnoegd op mij geweest zijn, althans mij niet verdacht hebben, dat ik niet geloofde, dat God u beschermd had. Ik vertrouw ook, dat Gods zegen op u rust; want uwe oogmerken zijn nuttig en heilzaam. Maar," vervolgde hij, "al waren zij dit nog meer dan u zelfs mogelijk is, zoo kunnen er toch eenigen onder u zijn, die niet even regtvaardig handelen, en gij weet uit de geschiedenis der kinderen Israëls, dat de zonde van Achan de goddelijke straf op zesendertig anderen deed nederdalen, en Gods toorn tegen hen verwekte."

Ik werd hierdoor zeer getroffen, en zeide hem, dat zijne bedoelingen mij zoo welgemeend toeschenen, dat het mij speet, dat ik hem gestoord had, en hem verzocht voort te gaan. Tevens zeide ik hem, dat ik naar de plantaadje der Engelschen wilde gaan, en verzocht hem mede te wandelen, en mij onder weg mede te deelen wat hij te zeggen had. Hij zeide mij, dat hij mij gaarne wilde vergezellen, omdat hij mij juist over dezen wilde spreken. Dus wandelden wij voort, en ik verzocht hem rondborstig en openhartig met mij te spreken.

"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "laat mij u eerst eenige grondstellingen openleggen, als beginselen, waarop hetgeen berust, wat ik u zeggen wilde, ten einde daaromtrent geen verschil te hebben, schoon vrij in de beoefening van sommige bijzonderheden mogten verschillen. Eerstelijk, mijnheer, schoon vrij in sommige punten van godsdienst verschillen, en dit vooral in dit geval, gelijk ik u nader aantoonen zal, zeer ongelukkig is, zijn er echter eenige punten waaromtrent wij overeenstemmen. In de eerste plaats gelooven wij beide, dat er een God is, en dat deze ons eenige vaste regelen, om hem te dienen en te gehoorzamen, gegeven heeft, en dat wij die niet opzettelijk mogen overtreden, hetzij door zijne geboden te veronachtzamen of te doen wat deze verbieden. En hoedanig ook ons geloof moge zijn, gereedelijk erkennen wij allen, dat Gods zegen gewoonlijk niet volgt op eene opzettelijke overtreding zijner geboden, en ieder goed Christen zal ijverig trachten anderen te beletten, die onder zijne hoede zijn, dat zij God en zijne geboden geheel veronachtzamen. Dat uwe landslieden Protestanten zijn, ontslaat mij niet van de bezorgdheid voor hunne ziel, en van mijn pligt, om te trachten, als het mij mogelijk is, dat zij hunnen Schepper zoo min beleedigen als mogelijk; vooral als gij mij toestaat mij in deze zaken te mengen."

Ik begreep zijne bedoeling nog niet, maar stemde alles toe wat hij gezegd had, en dankte hem voor zijne zorg voor ons welzijn, en verzocht hem mij zijne meening nader uiteen te zetten.

"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "ik zal van uw verlof gebruik maken, en er zijn drie dingen, die, als ik wel heb, Gods zegen op uwe pogingen moeten beletten, en die ik om uwent en hunnent wil gaarne uit den weg geruimd zou zien. En ik vertrouw, dat gij met mij zult instemmen als ik ze u opnoem, vooral als ik u aantoon, dat zij gemakkelijk en naar uw genoegen hersteld kunnen worden. Eerstelijk hebt gij hier vier Engelschen, die onder de wilden vrouwen genomen hebben, en ieder verscheidene kinderen hebben, zonder aan haar gehuwd te zijn, op eenigerlei wijze, gelijk Goddelijke en menschelijke wetten vereischen, en die derhalve voor beide in overspel leven. Gij zult hiertegen aanvoeren, dat er geenerlei geestelijke was om de plegtigheid te volbrengen, noch zelfs pen, inkt of papier, om eene trouwbelofte of huwelijkscontract aan te gaan of te teekenen. En ik weet ook wat u de Spaansche gouverneur verhaald heeft, namelijk van de verbindtenis tusschen hen, dat ieder zijne eigene vrouw zou houden. Dit is echter geheel geen huwelijk, geen overeenkomst tusschen hen en hunne vrouwen, maar alleen eene onderlinge verbindtenis om twisten te voorkomen. Maar de hoofdzaak van het huwelijk bestaat niet alleen in de onderlinge toestemming van beide partijen, om elkander tot man en vrouw te nemen, maar in de plegtige en wettige verbindtenis, die man en vrouw verpligt elkander te allen tijde als zoodanig te erkennen, de mannen verbiedt met eenige andere vrouw eene verbindtenis aan te gaan, zoo lang deze leeft, en gelast bij alle gelegenheid voor haar en hare kinderen te zorgen; en de vrouwen dezelfde of soortgelijke pligten oplegt."

"Maar nu, mijnheer, kunnen deze mannen, als zij goedvinden, of de gelegenheid zich opdoet, deze vrouwen verlaten, hunne kinderen verzaken, aan het gebrek ten prooi geven, en andere vrouwen ten huwelijk nemen, terwijl deze nog leven." En met eenige warmte vervolgde hij: "Hoe, mijnheer, wordt God door deze ongeoorloofde losbandigheid geëerd? En hoe zal zijn zegen op uwe ondernemingen alhier nederdalen, hoe goed die op zich zelve, en hoe welgemeend uwe oogmerken zijn, terwijl deze lieden, die thans uwe onderdanen zijn, en onder uwe volstrekte heerschappij staan, met uw goedvinden, in openlijk overspel leven?"

Ik moet bekennen, dat de zaak zelf mij trof, maar nog veel meer de krachtige redenen, die hij bijbragt; want het was waar, dat, hoewel er geen geestelijke aanwezig was, een plegtig contract, voor getuigen opgemaakt en bevestigd door een of ander teeken, al ware het slechts door het breken van een stok, waardoor deze lieden zich verpligtten deze vrouwen te allen tijde voor hunne echtgenooten te erkennen, en haar noch hare kinderen ooit te verlaten; en de vrouwen desgelijks van haren kant, een wettig huwelijk voor God zou geweest zijn, en dat het zeer te laken was, dat het niet geschied was.

Ik dacht den jongen priester tevreden te stellen door de opmerking, dat dit geschied was, terwijl ik niet hier was, en dat zij nu zoo vele jaren zoo geleefd hadden, dat, al ware het overspel, dit toch thans niet meer te herstellen was, en er thans niets aan te doen viel.

"Gij hebt in zoo verre gelijk, mijnheer," zeide hij, "dat het u niet tot verwijt kan strekken, daar het in uwe afwezigheid geschied is. Maar ik smeek u, denk niet, dat gij daarom thans niet verpligt zoudt zijn dit te doen ophouden. Hoe kunt gij anders denken, dan dat voor het toekomende al het misdadige daarvan ten uwen laste zal komen, al zijt gij aan het verledene onschuldig, daar het thans in uwe magt staat het te doen ophouden, en in niemands magt anders."

Ik begreep hem nog niet geheel, maar verbeeldde mij, dat hij bedoelde, door een eind er aan te maken, dat ik hen van elkander zou scheiden, en niet toelaten, dat zij langer met elkander leefden; en ik zeide hem, dat ik dit volstrekt niet doen kon, want dat het geheele eiland hierdoor in verwarring zou geraken. Hij scheen verwonderd, dat ik hem zoo verkeerd kon begrijpen. "Neen mijnheer," zeide hij, "ik bedoel niet, dat gij hen zoudt scheiden, maar hen wettig laten huwen. En daar mijne wijze van een huwelijk in te zegenen hen misschien niet zou aanstaan, schoon dit zelfs naar uwe landswetten verbindend zou zijn, zoo kunt gij dit even goed voor God en even wettig voor de menschen doen; ik meen door eene schriftelijke verbindtenis, onder getuigen, die bij alle regtbanken in Europa geldig zal geacht worden."

Ik was getroffen door zooveel echte godsvrucht, en zoo opregten ijver aan te treffen, bij zulke treffende onpartijdigheid omtrent zijne kerk, en zulke vurige belangstelling, om lieden, die hij niet kende of eenige betrekking op had, voor overtreding van Gods wetten te bewaren; welks gelijken ik nimmer ontmoet had. Doch toen ik overwoog wat hij van een schriftelijk contract gezegd had, antwoordde ik, dat ik alles wat hij gezegd had toestemde, als zeer regtvaardig en zeer liefderijk van hem, en dat ik er met de mannen over spreken zou. Ik zag geene reden waarom zij door hem zich niet zouden laten trouwen, hetwelk in Engeland even geldig zou geacht worden, alsof een Engelsch geestelijke het gedaan had. Later zal ik verhalen hoe wij dit schikten.

Vervolgens vroeg ik hem naar de tweede reden tot klagten; terwijl ik mijne verpligting voor de eerste jegens hem erkende, en er hem hartelijk voor dank zeide. Hij zeide even rondborstig en vrij met mij daarover te zullen spreken; het was dat, niettegenstaande deze mijne Engelsche onderdanen, gelijk hij ze noemde, nu bijkans zeven jaren met deze vrouwen geleefd hadden, en haar Engelsch hadden leeren spreken, en zelfs lezen, en zij, naar hij opgemerkt had, vrij bevattelijke en verstandige vrouwen waren, dat zij nog tot op dit oogenblik haar niets van de Christelijke godsdienst geleerd hadden, zelfs niet zooveel, dat er een God was, of eene eerdienst, of hoe God gediend worden moet, of dat hare eigene afgoderij en aanbidding van zij wisten zelf niet wat, valsch en ongerijmd was. Bat was, zeide hij, eene onverschoonbare achteloosheid, die zij voor God zouden moeten verantwoorden. Hij vervolgde met veel vuur: "Ik ben overtuigd, dat zoo deze lieden in het land woonden, vanwaar hunne vrouwen gekomen zijn, de wilden meer moeite zouden gedaan hebben om hen tot afgodendienaars en duivelaanbidders te maken, dan een hunner, zoo ver ik zien kan, gedaan heeft, om de kennis van den eenigen waren God te verspreiden. En ofschoon, mijnheer, uw geloof en het mijne verschillend zijn, zouden wij echter beide gaarne aan dienaren van het rijk des duivels de algemeene beginselen van de Christelijke leer zien ingeprent; opdat zij ten minste van eenen God, van den Verlosser, van de opstanding en van een toekomstigen staat hoorden; zaken, waarin wij allen gelooven; dan zouden zij althans de ware kerk veel meer genaderd zijn dan thans in de openbare belijdenis der afgoderij en aanbidding des duivels."

Ik kon mij niet langer bedwingen; ik sloot hem in mijne armen en drukte hem met vervoering aan mijn hart. "Hoe ver ben ik verwijderd van de kennis van eens Christens grootsten pligt, namelijk van de liefde voor Christus kerk en voor het geestelijk welzijn van anderen!" riep ik uit. "Ik weet naauwelijks wat een Christen betaamt!"--"O, zeg dat niet, mijnheer," zeide hij, "deze zaak is uwe schuld niet."--"Neen, neen," hernam ik, "maar waarom nam ik ze niet zoo wel als gij ter harte?"--"Het is nog niet te laat," antwoordde hij, "veroordeel u zelven niet te overijld."--"Wat thans echter te doen?" hernam ik, "gij ziet, ik sta op mijn vertrek."--"Wilt gij mij toestaan er met deze arme lieden over te spreken?" vroeg hij.--"Met al mijn hart," antwoordde ik, "en ik zal zorgen, dat zij op uwe woorden acht geven."--Hij hernam: "Dat moeten wij aan de genade van Christus overlaten, maar het is onze pligt hen behulpzaam te zijn, aan te moedigen en te onderrigten, en zoo gij het mij toestaat en God zijnen zegen geeft, twijfel ik niet of de arme onwetende zielen zullen tot het rijk van Christus gebragt worden, tot het geloof, dat wij allen belijden, en dat nog terwijl gij hier zijt."--"Ik zal u niet alleen verlof, maar ook den hartelijksten dank daarvoor geven," zeide ik. Ook hiervan zal ik den uitslag mededeelen.

Nu vroeg ik hem naar het derde punt, waarin wij te laken waren, "Het is van gelijken aard," zeide hij, "en ik zal het, met uw verlof, even rondborstig openleggen. Het betreft gindsche wilden, die, als ik mij zoo uitdrukken mag, uwe overwonnen onderdanen zijn. Het is eene grondstelling, mijnheer! die alle Christenen, tot welke kerk zij ook behooren, erkennen of behooren te erkennen, dat de kennis van het Christendom door alle mogelijke middelen en bij elke gelegenheid behoort te worden uitgebreid. Van dit beginsel uitgaande, zendt onze kerk zendelingen naar Perzië, Indië en China, en zelfs onze hoogere geestelijken begeven zich gewillig op de gevaarlijkste togten en in de gevaarlijkste verblijven onder moordenaars en barbaren, om hun de kennis van den waren God te leeren en tot het Christelijk geloof over te halen. Nu hebt gij hier, mijnheer! eene zoodanige gelegenheid, om zes- of zevenendertig wilden van de afgoderij tot de kennis van hunnen Schepper en Verlosser te brengen, dat het mij verwondert, dat gij zulk eene gelegenheid, om goed te doen, kunt laten voorbijgaan, welke waarlijk de belooning voor een geheel leven zou uitmaken."

Ik was nu inderdaad verstomd en wist geen woord in te brengen. Ik zag hier voor mij een Christen vol waren ijver voor God en de godsdienst, wat dan ook zijne bijzondere geloofsbelijdenis was; en ik had zelfs geen oogenblik hier ooit aan gedacht, en zou er, geloof ik, nooit aan gedacht hebben, want ik beschouwde die wilden als slaven, die wij zoo behandeld zouden hebben, als wij er eenig werk voor gehad hadden, of gaarne verkocht en naar een ander werelddeel gezonden hebben; zoo wij slechts van hen ontslagen werden en zij niet naar hun eigen land konden terugkeeren. Maar ik moet bekennen, dat zijne woorden mij verstomd deden staan en ik niet wist, wat ik zeggen zou. Hij zag mij ernstig aan, en mij eenigzins verbijsterd ziende, zeide hij: "Het zou mij spijten, mijnheer! als gij misnoegd waart over iets wat ik gezegd heb."--"Neen, neen," antwoordde ik, "ik ben alleen misnoegd op mijzelven; en ik ben geheel verslagen, dat ik er vroeger niet alleen niet aan dacht, maar dat ik ook nu niet weet wat ik er nu aan doen kan. Gij weet," vervolgde ik, "in welke omstandigheden ik mij bevond. Ik moet naar de Oost-Indiën, met een schip, welks reeders ik groot nadeel toebreng, met het schip hier op te houden, terwijl het volk al dien tijd voor rekening van de reeders komt. Wel is waar, wij zijn overeengekomen, dat ik hier twaalf dagen zou blijven, en dat ik voor ieder dag daar boven drie pond sterl. als liggeld per dag zou betalen. Maar ik mag niet langer dan acht dagen op liggeld blijven liggen, en ik ben nu reeds dertien dagen hier; zoodat het mij volstrekt onmogelijk is iets hieraan te doen, of ik moest zelf hier achterblijven; en als dan dit schip op reis verging, zou ik in denzelfden toestand zijn, als toen ik hier het eerst kwam, en waaruit ik zoo wonderbaarlijk verlost ben."

Hij bekende, dat dit zeer hard voor mij was, maar drukte mij op het hart, of niet het geluk van zevenendertig zielen te redden, verdiende, dat ik daarvoor alles wat ik in de wereld had, in de waagschaal stelde. Dit wilde er bij mij nog zoo niet in, en ik antwoordde: "Zeker, mijnheer! is het een onwaardeerbaar geluk, in Gods hand het werktuig te zijn, om zevenendertig heidenen tot de kennis van Christus te brengen. Maar daar gij een geestelijke zijt en daarvoor opgebragt, zoodat het, als het ware, uw beroep is, hoe komt het, dat gij het niet liever zelf onderneemt, dan het van mij te eischen?"

Hierop bleef hij vlak voor mij staan, en maakte eene diepe buiging voor mij. "Ik dank allerhartelijkst God en u, mijnheer!" zeide hij, "voor zulk eene blijkbare roeping tot eene zoo gezegende onderneming, en zoo gij er u van ontslagen acht en het van mij verlangt, wil ik het gaarne doen, en het als eene ruime belooning beschouwen voor al de gevaren en moeiten van mijne ongelukkige reis, dat mij eindelijk zulk eene heerlijke loopbaan geopend is." Terwijl hij sprak, zag ik eene zekere verrukking op zijn gelaat, zijne oogen fonkelden, zijn gelaat gloeide, hij werd beurtelings bleek en rood, kortom, hij was verrukt van vreugde over het werk, dat zich voor hem opdeed. Het duurde eene poos, eer ik wist, wat ik hem zeggen zou; want ik stond inderdaad verrast een man te vinden, zoo opregt en zoo vol ijver, en die zich door zijnen ijver zoo ver liet vervoeren. Maar na eenig nadenken vroeg ik hem, of hij het ernstig meende, en of hij op het vooruitzigt van deze arme lieden te bekeeren, het wagen wilde, zich misschien levenslang op een schraal bevolkt eiland te laten opsluiten, terwijl hij zelfs niet wist, of hij hun eenig goed kon doen of niet.

Hij zag mij verbaasd aan, en vroeg wat ik wagen noemde. "Weet gij, mijnheer!" vroeg hij, "waarom ik met u naar de Indiën wilde gaan?"--"Neen," zeide ik, "ik weet dat niet, maar ik denk, om den Indianen te prediken."--"Ongetwijfeld," hernam hij, "en denkt gij, dat, als ik deze zevenendertig wilden tot het Christelijk geloof kan bekeeren, dat dan mijn tijd niet wel besteed is, al verliet ik nimmer het eiland weder? Is het behouden van zoovelen niet oneindig meer waard dan mijn leven, ja, dat van twintig menschen als ik. Dagelijks," vervolgde hij, "zou ik Christus en de H. Maagd danken, als ik het gezegend werktuig mogt zijn, om deze arme lieden te behouden, al zou ik nimmer het eiland verlaten, of mijn geboorteland wederzien. Maar daar gij mij de eer doet, mij dit werk op te dragen (waarvoor ik u al mijn leven dankbaar zal zijn), heb ik u nog een verzoek te doen."--"Wat is dat?" vroeg ik.--"Dat gij," antwoordde hij, "uw knecht Vrijdag hier bij mij laat, om mijn tolk en medehelper te zijn, daar ik hen en zij mij niet kunnen verstaan."

Dit verzoek was mij hoogst onaangenaam, want ik kon om verscheidene redenen niet aan eene scheiding van Vrijdag denken. Hij was mijn reisgezel geweest, hij was mij niet alleen getrouw, maar ook zeer genegen, en ik had besloten, vrij wat voor hem te doen, als hij, gelijk te verwachten was, mij zou overleven. Bovendien, daar ik Vrijdag tot een Protestant had gemaakt, zou een ander geloof hem geheel verbijsteren, en zoolang hij leefde zou hij nimmer willen gelooven, dat zijn oude meester een ketter en een verdoemde was, en dit kon ten laatste hem weder tot zijne vroegere afgoderij brengen. Echter schoot mij iets te binnen, en ik zeide hem, dat ik geenen lust had, mij van Vrijdag te ontdoen, schoon het waar was, dat een werk, dat hem hooger dan zijn leven toescheen, bij mij zwaarder dan het behoud van eenen knecht moest wegen, maar aan den anderen kant wist ik, dat Vrijdag mij nimmer zou willen verlaten, en om hem tegen zijnen wil daartoe te dwingen, zou eene schandelijke onregtvaardigheid zijn, omdat ik hem het tegendeel beloofd had, gelijk hij beloofd had mij nimmer te zullen verlaten. Dit scheen hem te verontrusten, want hij kon onmogelijk met deze lieden omgaan, daar hij evenmin een woord van hen kon verstaan, als zij van hem. Deze zwarigheid ruimde ik uit den weg, door te zeggen, dat Vrijdags vader Spaansch geleerd had, dat hij ook verstond, en dus als tolk dienen kon. Thans was hij tevreden en niets kon hem overhalen, zijn voornemen ter bekeering der zevenendertig wilden op te geven. Doch de Hemel beschikte dit later anders.

Ik kom thans tot zijn eerste bezwaar terug. Toen wij bij de Engelschen kwamen, liet ik hen allen bijeenroepen, en na hen te hebben voorgehouden, wat ik voor hen gedaan had, namelijk van welken voorraad ik hen voorzien had, waarvoor zij zeer dankbaar waren, begon ik te spreken over het schandelijke leven, dat zij leidden, en verhaalde hen juist hoe de geestelijke het beschouwd had, en terwijl ik hen bewees hoe onchristelijk en goddeloos het was, doch vooraf vroeg ik hun of zij gehuwd of ongehuwd waren. Twee hunner waren weduwnaars en de anderen waren ongehuwd. Ik vroeg hen, hoe zij met een goed geweten met deze vrouwen konden zamenwonen en zoovele kinderen bij haar hebben, zonder dat zij wettig met haar gehuwd waren.

Zij gaven allen ten antwoord, gelijk ik wel verwacht had, dat er niemand was, die hen trouwen kon, dat zij zich voor den gouverneur verbonden hadden, haar steeds als hunne wettige vrouwen te zullen behandelen en behouden, en zij vermeenden, dat zij in deze omstandigheden even wettig met haar gehuwd waren, alsof het huwelijk door eenen geestelijke en met alle plegtigheden der wereld ingezegend was geworden. Ik antwoordde, dat zij ongetwijfeld voor God gehuwd waren, en voor hun geweten verpligt haar als hunne vrouwen te beschouwen; maar dat de menschelijke wetten anders waren, dat zij later konden voorgeven niet gehuwd te zijn, en de arme vrouwen en kinderen verlaten, en dat deze arme vrouwen, zonder bloedverwanten of geld, zichzelve niet door de wereld zouden kunnen helpen. Ik zeide, dat ik derhalve niets voor hen doen kon, zonder verzekerd te zijn, dat zij het eerlijk meenden, maar dat ik zorgen zou alles te doen, wat ik kon, voor hunne vrouwen of kinderen buiten hen, en dat, ten ware zij mij blijken gaven, dat zij de vrouwen wilden trouwen, ik het niet voegzaam oordeelde, dat zij als man en vrouw bleven voortleven, want dat dit streed met alle goddelijke en menschelijke wetten, en zij, zoo voortgaande, niet op Gods zegen konden hopen.

Alles ging zoo als ik verwacht had; zij zeiden mij, bijzonder Willem Atkins, die voor de anderen het woord scheen te voeren, dat zij hunne vrouwen zoo lief hadden, alsof zij hunne landgenooten waren, en dat zij haar in geen geval zouden verlaten, en zij geloofden, dat hunne vrouwen zoo zedig en deugdzaam waren, en zoo veel voor hen en hunne kinderen deden, als zij bij mogelijkheid konden. En Atkins voegde er bij, dat wat hem betrof, als iemand hem aanbood, om hem naar Engeland mede te nemen en daar kapitein van het beste schip uit de marine te maken, hij niet zou medegaan, als hij zijne vrouw en kinderen niet kon medenemen, en als er een geestelijke aan boord was, wilde hij zich dadelijk laten trouwen met al zijn hart. Dit was juist wat ik wenschte. De priester was op dat oogenblik niet bij mij, maar toch in de nabijheid; om hem verder op de proef te stellen, zeide ik, dat ik een geestelijke bij mij had, die, als hij het meende, hem den volgenden morgen zou trouwen, en verzocht hem er zich op te bedenken en er met de overigen over te spreken. Hij zeide, dat hij voor zich er zich niet op behoefde te bedenken, maar blijde was, dat ik een geestelijke aan boord had, en dat hij dacht, dat de anderen het ook gaarne doen zouden. Ik zeide vervolgens, dat mijn vriend, de geestelijke, een Franschman was, en geen Engelsch kon spreken, maar dat ik als tolk zou handelen. Hij vroeg mij volstrekt niet of het een Roomsch of Protestantsch geestelijke was, waarvoor ik eigenlijk gevreesd had, doch hij vroeg er niet naar, en ik vertrok daarop naar mijnen priester en Atkins naar zijne makkers. Ik verzocht den priester tegen hen nergens over te spreken voor de zaak haar geheel beslag had, en verhaalde hem wat het volk mij gezegd had.

Alvorens ik hunne streek verliet, kwamen zij weder bij mij en zeiden, dat zij over mijne woorden nagedacht hadden, dat zij met vreugde vernomen hadden, dat ik een geestelijke bij mij had, en gaarne, ingevolge mijn verlangen, wilden trouwen, zoo spoedig ik begeerde, want dat zij in het geheel niet verlangden van hunne vrouwen te scheiden, en het beste met haar voorhadden. Wij stelden het dus op den volgenden morgen, en bepaalden, dat zij middelerwijl hunne vrouwen zouden verklaren wat het huwelijk was, en dat dit ook van haar eischte, hare mannen in geen geval te verlaten.