Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 7

Chapter 74,094 wordsPublic domain

17 December. Van dezen dag tot den 20sten hield ik mij bezig met planken te leggen en spijkers te slaan in de stijlen, om alles, wat ik kon, daaraan te hangen, en thans begon ik binnen 's huis eenigzins op orde te komen.

* * * * *

20 December. Thans droeg ik alles in den kelder en begon mijne woning te meubeleren, en eenige planken te plaatsen, om levensmiddelen op te leggen; maar de planken werden schraal. Ook maakte ik eene andere tafel.

* * * * *

24 December. Het regent den geheelen nacht en dag, zoodat ik niet kan uitgaan.

* * * * *

25 December. Den geheelen dag regen.

* * * * *

26 December. Droog weder en de grond veel koeler en aangenamer dan te voren.

* * * * *

27 December. Ik schoot een jonge geit, en kwetste een andere, zoodat ik haar ving en naar huis droeg. Daar gekomen bond ik het dier vast en spalkte haar poot.

NB. Ik droeg zooveel zorg voor haar, dat zij in leven bleef, en de poot genas en werd zoo goed als te voren. Door haar zoo lang op te passen werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou zijn.

* * * * *

28, 29 en 30 December. Zware hitte en geen wind, zoodat ik niet naar buiten kon, dan tegen den avond op wild uitgaan. Dezen tijd bragt ik door met in mijne huishouding alles in orde te brengen.

* * * * *

1 Januarij. Het was nog drukkend warm; maar ik ging 's morgens en 's avonds met mijn geweer uit, en nam op het midden van den dag rust. Dezen avond was ik verder de valleijen ingegaan, die naar het midden van het eiland voerden, en vond, dat daar geiten in menigte waren, schoon uiterst schuw en moeijelijk te bekruipen. Ik besloot echter te beproeven, of ik mijn hond er geen jagt op kon doen maken.

* * * * *

2 Januarij. Ik ging derhalve den volgenden dag met mijn hond uit, en hitste hem op de geiten aan; maar ik had mij misrekend, want zij hielden stand tegen den hond, en deze besefte zijn gevaar, want hij durfde haar niet naderen.

* * * * *

3 Januarij. Ik begon aan mijne heining of wal, dien ik zoo sterk als mogelijk besloot te maken, om dat ik nog altijd vreesde overvallen te zullen worden.

NB. Daar deze wal vroeger beschreven is, zal ik hier weglaten wat deswege in mijn journaal staat; alleen zal ik vermelden, dat ik van den 3 Januarij tot den 14 April bezig was aan het maken, voltooijen en verbeteren van dezen muur, schoon hij niet meer dan vierentwintig el lang was, zijnde een halve cirkel, van eene plaats in de rots, tot aan eene andere, acht el vandaar, terwijl de deur van den kelder in het midden achter denzelven was.

Al dien tijd werkte ik hard, hoewel de regen mij vele dagen, ja weken achtereen hinderde; maar ik achtte mij niet veilig voor de geheele muur af was; en men kan naauwelijks gelooven, welken ontzettenden arbeid alles vereischte, vooral het halen van de palen uit het bosch, en hen in den grond te slaan; want ik nam veel zwaarder dan noodig was.

Toen deze muur voltooid, en van buiten met een wal van zoden beschermd was, achtte ik het voor zeker, dat, zoo er eenig volk aan het strand kwam, zij niets, wat naar eene woning geleek, zouden bemerken; en een merkwaardig geval bewees naderhand, dat ik wel geoordeeld had.

Gedurende dezen tijd deed ik alle dagen, als de regen het toeliet, de ronde in het bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare nesten, en nam de jongen er uit, die zeer goed om te eten waren.

Ik begon thans te denken om verscheidene dingen, die mij in mijn huishouding ontbraken, te maken, hetgeen ik eerst als geheel onmogelijk had beschouwd, gelijk ook met sommigen het geval was; ik kon bij voorbeeld nimmer een ton maken; ik had een paar vaatjes, gelijk ik gezegd heb, maar ik kon er nimmer een paar maken, schoon ik er verscheidene weken aan zoek bragt; ik kon nimmer den bodem of de duigen zoo goed bijeenbrengen, dat het water hield; dus gaf ik het op. Ik was zeer verlegen ook om kaarsen, want zoodra het duister was, dat is te zeven ure gewoonlijk, moest ik naar bed gaan. Ik wenschte thans wel dien klomp was te bezitten, dien ik op mijne reis langs de Afrikaansche kust had; maar al wat mij thans overschoot was, als ik eene geit gedood had, dat ik dan het vet bewaarde, in eene kom van klei, in de zon gedroogd, en een pit van eiken schors daarin brandde. Te midden van mijn arbeid kwam mij een zakje in de hand, waarin koorn was geweest, om het vorige gevogelte mede te voeden, ik denk toen het schip van Lissabon kwam. Wat er in overgebleven was, hadden de ratten opgegeten, en ik zag niets in den zak dan stof en vuilnis, en daar ik het zakje wilde gebruiken (ik denk om kruid in te doen, dat ik toen verdeelde, uit vrees voor den bliksem) schudde ik den zak uit, aan de eene zijde van mijne schans onder de rots.

Kort voor den grooten regen, waarvan ik sprak, had ik dit gedaan, zonder er verder over te denken. Maar eene maand of zoo daarna zag ik iets groens opschieten, hetwelk ik eene plant dacht te zijn, die ik nog niet kende, maar ik stond geheel verbaasd, toen ik eene poos daarna tien of twaalf aren zag opschieten, die volmaakt naar het Europesche, ja naar het Engelsche graan geleken.

Het is mij onmogelijk de verbazing en verbijstering, waarin dit mij bragt, uit te drukken. Ik had tot hiertoe naar geenerlei godsdienstige gronden in het geheel gehandeld; ik had zeer weinig begrip van de godsdienst, noch iets wat mij overkomen was anders beschouwd, dan alsof het toeval dit zoo gewild, of gelijk men zonder nadenken zegt, zoo als het den Hemel behaagd had; maar zonder na te denken over de redenen, waarom de Voorzienigheid de wereldsche gebeurtenissen aldus schikt. Maar toen ik daar rogge zag groeijen, in eene hemelstreek, die ik wist, dat geen koorn opleverde; en terwijl ik niet wist hoe het daar kwam, trof mij dit ten sterkste, en ik begon te vermoeden, dat God dit graan wonderbaarlijk had laten groeijen, zonder dat het gezaaid was geworden, en dat het alleen tot mijn onderhoud in deze woeste eenzame plaats opgeschoten was.

Dit perste mij de tranen uit de oogen, en ik beschouwde mij als door den Hemel bijzonder begunstigd, dat zulk een wonderlijke gebeurtenis voor mij geschied was. Het verwonderde mij te meer, omdat ik daar digtbij, langs de zijde van de rots, hier en daar eenige weinige halmen zag van rijst, die ik kende, omdat ik ze in Afrika, toen ik daar was, had zien groeijen.

Niet twijfelende, dat de Voorzienigheid dit aldus voor mij beschikt had en dat er nog meer aldaar was, ging ik alle deelen van het eiland door, waar ik vroeger geweest was, zocht in iederen hoek en onder iedere rots, om nog meer te zien, maar kon niets meer vinden. Eindelijk kwam het mij in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het was waarlijk eene bestiering der Voorzienigheid, dat tien of twaalf korrels graan onbedorven waren gebleven, terwijl de ratten al het overige vernield hadden; vervolgens, dat ik het juist op die plek had moeten werpen, waar het, doordien het onder de schaduw van eene hooge rots stond, onmiddellijk kon opschieten, terwijl, zoo het te dier tijd ergens anders gevallen ware, het verzengd en vernield zou geworden zijn.

Ik gaarde zorgvuldig de aren op, gelijk men wel denken kan, toen zij rijp waren, hetgeen in het laatst van Junij was, en ieder korrel bewarende, besloot ik die op nieuw te zaaijen, in de hoop van met der tijd genoeg te bekomen, om mij brood te verschaffen. Het was echter eerst in het vierde jaar, dat ik mij veroorloofde iets van het graan te eten, en dit nog zeer spaarzaam, gelijk men later vernemen zal.

Behalve dit graan waren er twintig of dertig rijsthalmen opgeschoten, die ik even zorgvuldig en met hetzelfde oogmerk bewaarde, namelijk, om later mij tot brood, of liever tot spijs te verstrekken; want ik vond middel om het te koken, zonder het te bakken, schoon ik dit naderhand ook deed. Doch ik keer tot mijn journaal terug.

Ik werkte deze drie of vier maanden uiterst hard, om mijn muur gereed te krijgen, en den 14 April sloot ik dien geheel, en ging naar buiten, niet door eene deur, maar over eene ladder, ten einde er aan de buitenzijde geen spoor van mogt overblijven.

* * * * *

16 April. Ik maakte de ladder af; klom met dezelve naar boven, haalde die achter mij op, en liet die van binnen zakken. Ik had thans een volkomen omheining voor mij; en van buiten kon men mij niet dan over den muur genaken.

Den dag nadat ik dezen muur voltooid had, was bijkans al mijn arbeid vruchteloos geweest, en ik zelf verongelukt. Dit was het geval. Toen ik van binnen bezig was achter mijne tent, vlak in den ingang van mijn kelder, schrikte ik allerhevigst door iets, dat waarlijk ook allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees dus van daaronder bedolven te worden, ijlde ik weg, en achtte mij niet veilig voor ik over den muur was, uit vrees, dat de stukken rots op mijn hoofd mogten vallen. Naauwelijks was ik op vasten grond, of ik zag duidelijk, dat het eene verschrikkelijke aardbeving was, want de grond, waarop ik stond, schudde driemaal, ongeveer acht minuten na elkander, zoo hevig, dat de sterkste gebouwen er door hadden moeten instorten, en een top van eene rots, die een halfuur van mij af, digt aan zee stond, viel met zulk een verschrikkelijk geraas naar beneden, als ik nimmer hoorde. Ik bemerkte ook dat de zee in hevige beweging was, en ik geloof, dat de schokken onder het water sterker dan op het eiland waren.

Ik was hiervan zoo verbaasd, daar ik nooit in mijn leven zoo iets had gevoeld, of van gehoord had, dat ik als geheel verplet was; en de beweging van de aarde maakte mij ziek, als iemand, die zeeziek is. Het geraas van de neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier bezwijken.

Toen de derde schok voorbij was, en ik eenigen tijd niets meer voelde, begon ik moed te scheppen, maar had toch nog het hart niet, weder over den muur te gaan, uit vrees van levende begraven te worden. Ik bleef neêrslagtig en mistroostig op den grond zitten, niet wetende wat te doen. Al dien tijd had ik niet het minste godsdienstige denkbeeld, behalve, dat ik werktuigelijk uitriep: "Heer, wees mij genadig!" en toen het gevaar over was waren alle gedachten aan den Hemel daarbij verdwenen.

Terwijl ik aldus zat, betrok de lucht alsof het zou gaan regenen, en in minder dan een half uur blies er een allergeweldigste orkaan. De zee was plotseling met schuim bedekt, de golven sloegen over het strand, de boomen werden ontworteld; en deze verschrikkelijke storm duurde omtrent drie uren, toen begon hij te bedaren, en twee uren later was het weder kalm, en begon het geweldig te regenen.

Al dien tijd zat ik op den grond, zeer beducht en neêrslagtig, toen het mij plotseling inviel, dat, daar deze wind en regen het gevolg van de aardbeving waren, deze zelve voorbij was, en ik het wagen kon in mijn kelder te gaan. Deze gedachte herlevendigde mijn moed, en de regen deed er het zijne toe, om mij over te halen, dus ging ik naar binnen, en in mijne tent; doch de regen was zoo geweldig, dat mijne tent bijkans er door neergeslagen werd, dus was ik gedwongen in mijn kelder te gaan, hetgeen ik met veel zorg en onrust deed. Deze stortbui dwong mij tot nieuwen arbeid, want ik moest onder den muur een greppel graven, om het water een afloop te geven, anders zou mijn kelder ondergeloopen hebben. Nadat ik eenigen tijd in mijn kelder doorgebragt, en geene schokken meer gevoeld had, schepte ik wat moed, en om dien te versterken, ging ik naar mijn magazijn, en nam een slok rum; hetgeen ik echter toen en naderhand altijd zeer spaarzaam deed, wetende dat ik, als deze op was, geen meer kon bekomen. Den geheelen dag en een groot deel van den nacht bleef het doorregenen, zoodat ik niet kon uitgaan; maar van mijne ontsteltenis bekomen, dacht ik na over hetgeen mij thans te doen stond. Als dit eiland aan aardbevingen onderhevig was, kon ik niet in den kelder blijven wonen; maar moest ik een hutje voor mij bouwen, dat ik ook met een muur omringen kon, en mij daardoor voor menschen en beesten beveiligen; want zoo ik bleef waar ik was, liep ik gevaar van te eeniger tijd levend begraven te worden.

Ik besloot mijne tent, die vlak tegen de rots aan stond, te verplaatsen, daar deze bij eene nieuwe aardbeving er ligtelijk op kon storten. De twee volgende dagen (19 en 20 April) besteedde ik met te overleggen werwaarts en hoe ik mijne woning verleggen zou. De vrees van levend bedolven te worden belette mij allen gerusten slaap, en toch was ik even bevreesd, in het open veld, zonder eenige beschutting, te slapen; en wanneer ik rond zag, en alles zoo goed in orde vond, en hoe veilig ik gehuisvest en verborgen was, gevoelde ik grooten weerzin in deze plaats te verlaten.

Middelerwijl kwam het mij in de gedachten, dat met dit te maken veel tijd zou verloopen, en dat ik mij er in moest schikken het gevaar te blijven loopen waar ik was, totdat ik een kamp voor mij gemaakt had en dat zoo versterkt, dat ik daarheen kon verhuizen. Ik besloot dus zoo spoedig mogelijk aan het werk te gaan, en mij een wal te maken met palen en kabeltouw, gelijk de vorige, omringd, en in het midden daarvan mijne tent op te slaan, als die voltooid was, maar tot dien tijd zou ik het wagen te blijven waar ik was. Dit was den 21sten.

* * * * *

22 April. Den volgenden morgen begon ik de middelen, om dit besluit uit te voeren, te overwegen, maar ik was in groote verlegenheid om gereedschappen. Ik had drie groote bijlen en eene menigte kleine, want deze hadden wij medegenomen, om met de negers te handelen; maar door het kappen en behakken van hard hout, waren zij allen bot en vol scharen geworden. Ik had wel een slijpsteen, maar kon dien niet draaijen, en tegelijk mijn gereedschap er op slijpen. Dit kostte mij meer tijd, dan een staatsman noodig heeft om over landen en volken, of een regter om over leven en dood uitspraak te doen. Eindelijk maakte ik een wiel met een strop, dat ik met mijn voet kon draaijen, zoodat ik mijne beide handen vrij had.--Ik had zoo iets in Engeland nimmer gezien, of er althans nooit geen acht op geslagen; hoewel ik naderhand vond, dat zij daar zeer algemeen waren; ook was mijn slijpsteen groot en zeer zwaar. Het gereed maken van dit werktuig kostte mij eene geheele week tijd.

* * * * *

28, 29 April. Deze twee dagen bragt ik door met mijne gereedschappen te slijpen; mijn werktuig om den steen te draaijen ging zeer goed.

* * * * *

30 April. Daar ik bespeurde, dat mijn voorraad van brood sterk minderde, nam ik eens op wat er nog was, en stelde mij op rantsoen van een beschuit per dag, hetgeen mij zeer neêrslagtig maakte.

* * * * *

1 Mei. Toen ik dezen morgen naar zee ging, zag ik, terwijl het zeer laag water was, iets op het strand liggen. Toen ik er bij kwam vond ik een vaatje en twee of drie stukken van het wrak, die door den laatsten storm op het strand waren geslagen; en naar het wrak ziende, meende ik, dat het hooger uit het water uitstak dan anders. Ik onderzocht het vaatje, dat op strand lag, en vond dat het een kruidvaatje was, doch dat nat geworden was; het kruid was als een koek ineen gebakken, en zoo hard als steen. Ik rolde het hooger op het strand vooreerst, en ging verder op zoo digt bij het wrak als ik kon.

Toen ik bij het schip kwam vond ik het geheel verplaatst; het voorschip, dat vroeger in het zand begraven lag, was ten minste zes voet opgebeurd, en het achterschip, dat door de woede der golven aan stukken geslagen en van het overige als het ware afgerukt was geworden, kort na mijne laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen was, kwamen er dagelijks vele dingen aan strand spoelen, die de zee lossloeg en door de wind en golven op het strand geworpen werden.

Dit bragt mij weder alle denkbeeld aan verhuizen uit het hoofd, en ik hield mij ijverig, vooral dien dag, bezig, met te zien of ik ook op eenigerlei wijze in het schip kon komen; doch ik vond dat dit niet ging, daar het vol zand was. Daar ik echter geleerd had niets op te geven, besloot ik van het schip te slopen wat ik kon, overtuigd, dat alles mij op eene of andere wijze van nut kon zijn.

* * * * *

3 Mei. Ik ging aan het visschen, maar vong geen een visch, dien ik eten dorst, tot juist toen ik er wilde uitscheiden, daar het mij verdroot, ik een jongen dolfijn ving. Ik had eene lange lijn van dun touw gemaakt, maar had geen hoeken; ik ving echter dikwijls veel visch; althans zoo veel als ik lustte; die ik allen in de zon droogde, en gedroogd at.

* * * * *

4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant, die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit werk voor 's hands te staken.

* * * * *

5 Mei. Op het wrak gewerkt, een anderen balk doorgezaagd, en drie groote planken van het dek gesloopt, die ik vastbond en met den vloed naar wal liet drijven.

* * * * *

6 Mei. Op het wrak gewerkt, verscheidene ijzeren bouten en ander ijzerwerk er af gebragt; zeer hard gewerkt en doodmoede te huis gekomen, met veel lust het werk te staken.

* * * * *

7 Mei. Weder naar het wrak gegaan, maar met oogmerk er niet te werken. Ik vond dat het schip door zijne eigene zwaarte zich begeven had, de balken waren gebroken en verscheidene stukken van het schip schenen los te liggen; en de binnenzijde van het ruim lag zoo open, dat ik er in zien kon; het was schier geheel vol met water en zand.

* * * * *

8 Mei. Ik ging weder naar het wrak en nam een ijzeren koevoet mede, om het dek op te breken, dat nu geheel vrij van water en zand lag. Ik werkte twee planken er af en bragt die met den vloed naar den wal. Ik liet den koevoet op het wrak achter tot den volgenden dag.

* * * * *

9 Mei. Ik maakte met den koevoet eene opening naar het ruim, en vond verscheidene vaten, die ik los werkte, maar kon ze niet openbreken. Ook vond ik eene rol Engelsen lood, maar dit was te zwaar voor mij, om het op te heffen.

* * * * *

10, 11, 12, 13, 14 Mei. Ik ging alle dagen naar het wrak, en haalde er vele stukken hout en planken af, en wel twee- of driehonderd [lb = gewicht] ijzer.

* * * * *

15 Mei. Ik ging met twee kleine bijlen naar het wrak en beproefde of ik geen stuk van het lood kon afkappen, door de eene bijl als eene wig te gebruiken, maar daar het lood anderhalf voet onder water lag, kon ik er niet genoeg bijkomen.

* * * * *

16 Mei. Het had 's nachts hard gewaaid, en het wrak scheen door de golven meer gebroken te zijn; maar ik was zoo lang in het bosch geweest om duiven te schieten, dat het getij mij dien dag belette aan boord te gaan.

* * * * *

17 Mei. Ik zag eenige stukken van het wrak, die op een half uur afstands, door den wind op het strand waren gedreven; ik ging er heen, maar vond dat het een stuk van den kop was, maar te zwaar voor mij om het te huis te brengen.

* * * * *

24 Mei. Alle dagen tot heden op het wrak gewerkt, en met zwaren arbeid eenige dingen zoo verre losgewerkt met den koevoet, dat met hoog water eenige vaten en twee matrozenkisten er uit spoelden, maar daar de wind van het land blies, kwam er dien dag niets aan strand spoelen dan eenig brandhout, en een okshoofd met eenig spek, doch het zeewater en het zand hadden het onbruikbaar gemaakt. Ik hield met dit werk aan tot den 15 Junij, uitgezonderd den tijd dien ik dagelijks er af nam, om mijn voedsel op te sporen, bij hoog water, ten einde altijd gereed te zijn als het afgeloopen was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had, hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol lood afgehaald.

* * * * *

16 Junij. Naar den zeekant gaande vond ik eene groote schildpad; dit was de eerste dien ik gezien had, hetgeen echter niet uit hare schaarschheid voortsproot, want ware ik aan de andere zijde van het eiland geweest, dan had ik ze bij honderden kunnen vinden, gelijk naderhand bleek, doch ze dan misschien duur genoeg moeten betalen.

* * * * *

17 Junij. Bragt ik door in het koken van de schildpad. Ik vond er zestig eijeren in, en haar vleesch scheen mij het geurigste en lekkerste dat ik ooit geproefd had; en geen wonder, daar ik sedert mijne komst op dit akelig eiland slechts geitenvleesch en vogels geproefd had.

* * * * *

18 Junij. Het regende den geheelen dag en ik bleef binnen 's huis. Mij dacht, dat de regen koud nederviel, en ik was eenigzins huiverig, hetgeen ik wist dat op deze breedte ongewoon is.

* * * * *

19 Junij. Ik was zeer ongesteld en huiverig, alsof het koud weder was.

* * * * *

20 Junij. Den geheelen nacht niet geslapen, zware pijn in het hoofd en koortsig.

* * * * *

21 Junij. Zeer ziek, en doodsangst uitstaande over mijn jammerlijken toestand, ziek te zijn zonder hulp. Ik bad tot God de eerste maal sedert den storm voor Hull; maar wist naauwelijks wat ik zeide, daar mijne denkbeelden geheel verward waren.

* * * * *

22 Junij. Een weinig beter, maar vreesselijk beangst.

* * * * *

23 Junij. Weder erger, koud en huiverig met geweldige hoofdpijn.

* * * * *

24 Junij. Veel beter.

* * * * *

25 Junij. Zeer zware koorts, heet en koud, die zeven uren achtereen duurde, en van eenig zweet gevolgd werd.

* * * * *

26 Junij. Ik gevoelde mij beter, en daar ik niets te eten had, nam ik mijn geweer, maar vond dat ik zeer zwak was. Ik schoot echter eene geit en bragt die met veel moeite te huis, braadde er een stukje van en at dat op. Ik had er gaarne wat vleeschnat van willen koken, maar ik had geen pot.

* * * * *