Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 3

Chapter 34,092 wordsPublic domain

Verscheidene malen moest ik aan land gaan, om zoet water in te nemen. Eens lieten wij daarom het anker vallen bij eene hooge landtong. Het was vroeg in den ochtend, en daar de vloed doorkwam, wilden wij wachten om dieper landwaarts in te kunnen gaan. Xury, wiens gezigt scherper was dan het mijne, riep mij zacht en zeide, dat het best ware zoo wij verder van het strand gingen, terwijl hij mij een verschrikkelijk grooten leeuw wees, die tegen de zijde van den heuvel lag te slapen. "Ga naar den wal, Xury," zeide ik, "en schiet dien leeuw dood." Hij beefde echter van schrik, en zeide: "Hij mij dooden! Ik een mond voor hem." Hij meende een mond vol. Zonder hem meer te zeggen wenkte ik hem, dat hij stil zou zijn, en nam mijn grootste geweer, en laadde het met twee kogels en eene goede lading kruid; even zoo het tweede, en op het derde geweer deed ik vijf kleinere kogels. Ik mikte zoo goed ik kon met het eerste, om hem in den kop te treffen; maar daar hij op zijn buik lag, met zijne voorpooten voor zijn muil, trof ik een van deze op de hoogte van de knie. Brullende sprong hij op, doch viel dadelijk weder neder; spoedig echter stond hij weder op drie pooten en liet een allerafgrijsselijkst gebrul hooren. Ik nam dadelijk het tweede geweer en juist toen hij heen wilde gaan, trof ik hem in den kop, en had het genoegen hem in stuiptrekkingen te zien neerzijgen, terwijl hij weinig geluid meer gaf. Toen kreeg Xury weder moed en wilde, dat ik hem aan wal liet gaan. "Welnu ga," zeide ik. Hij nam in de eene hand een geweer, zwom met de andere naar het strand, en bij het dier gekomen, hield hij den tromp van het geweer in zijn oor, en schoot hem nogmaals door het hoofd, waarop hij dadelijk stierf.

Het was een fraaije jagt, maar slecht voedsel voor ons, en het speet mij thans genoeg, dat ik drie ladingen kruid en lood verspild had, om een dier te dooden, dat ons tot niets nut was. Xury wilde toch iets van hem hebben, dus kwam hij weder aan boord en verzocht mij om de bijl. "Waarom Xury?" vroeg ik. "Ik hem den kop afhakken," zeide hij. Dit kon hij echter niet en dus vergenoegde hij zich met een poot, die waarlijk monsterachtig groot was.

Ik bedacht mij echter, dat misschien zijne huid ons van eenige dienst kon zijn, dus besloot ik hem te villen. Xury en ik gingen aan het werk, maar Xury verstond zich veel beter op dit werk dan ik. Wij waren er den geheelen dag mede bezig; maar eindelijk waren wij er mede gereed en spanden de huid over de tent van onze boot; de zon droogde haar in twee dagen, en naderhand diende zij mij om op te liggen.

Vervolgens liepen wij tien of twaalf dagen zuidwaarts, en hielden zeer zuinig met onze levensmiddelen huis, die echter sterk verminderden, en gingen alleen aan land als wij water moesten innemen. Ik wilde de rivier Gambia of Senegal, dat wil zeggen, de hoogte van Kaap Verd bereiken, omdat ik daar Europesche schepen hoopte te ontmoeten. Zoo dit niet het geval was, wist ik niet wat te doen, dan de eilanden op te zoeken of onder de Negers om te komen. Ik wist, dat al de schepen van Europa, naar de kust van Guinea of Brazilië bestemd, de Kaap Verdische eilanden naderen. In één woord, ik had geen ander uitzigt, dan de kans van door een schip gezien te worden of den dood.

Gelijk gezegd is, had ik tien dagen lang dit plan gevolgd, toen ik begon te bespeuren, dat het land bewoond was; op twee of drie plaatsen zagen wij, toen wij voorbij zeilden, volk op het strand staan; zij waren zwart en geheel naakt. Eens was ik voornemens aan land en naar hen toe te gaan, maar Xury ried mij ten beste, en zeide: "Niet gaan, niet gaan." Echter hield ik het digt langs de kust, om tot hen te kunnen spreken, en zag, dat zij een groot eind weegs mede liepen. Zij waren zonder wapenen, behalve een man, die een langen dunnen stok in de hand had, welke Xury mij zeide, dat een werpspies was, en dat zij daar op verren afstand zeer juist mede weten te treffen; ik hield mij dus op een voegzamen afstand, maar gaf hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn, gelijk het land daar oplevert. Hoewel wij niet wisten wat een van beide was, wilden wij het gaarne aannemen. Maar de vraag was hoe er aan te komen, want ik wilde mij niet op het strand tusschen hen wagen, en zij schenen even bevreesd voor ons. Zij wisten echter raad, want zij bragten en legden het aan het strand, gingen een groot eind weegs terug tot wij het aan boord genomen hadden, en kwamen toen weder digter bij ons.

Wij maakten hun teekens van dankzegging, want anders hadden wij niet; doch op datzelfde oogenblik had ik gelegenheid hun eene goede dienst te doen. Toen wij vlak bij het strand lagen, kwamen er twee verschrikkelijk groote wilde dieren, de een den ander vervolgende (naar het ons toescheen) van het gebergte zeewaarts loopen. Wij wisten niet of het mannetje het wijfje achtervolgde, en evenmin of hunne verschijning iets gewoons of ongewoons was. Ik geloof echter het laatste, want vooreerst komen de verscheurende dieren zelden anders dan des nachts te voorschijn; ten tweede waren de Negers, vooral de vrouwen, doodelijk verschrikt. De man die de lans droeg hield stand, maar al de overigen sloegen op de vlugt. Echter liepen de dieren regt op de zee aan, zonder er aan te denken de Negers aan te vallen, en sprongen in het water, naar het scheen, om zich te verfrisschen. Ten laatste kwam een hunner digter bij de boot dan ik verwachtte, maar ik was gereed hem te ontvangen, want ik had zoo spoedig mogelijk mijn geweer geladen, en zeide Xury, dat hij de beide anderen zou laden. Zoodra hij binnen schot kwam, gaf ik vuur en trof hem vlak in den kop. Oogenblikkelijk dook hij, doch kwam spoedig weder boven, hetgeen hij verscheidene malen herhaalde, naar het scheen met den dood worstelende. Hij trachtte het strand te bereiken, maar vóór dien tijd was hij reeds dood.

Het is onmogelijk de verbazing van die arme schepsels te beschrijven, bij het zien en hooren van mijn schot. Velen schenen half dood van vrees en vielen van schrik neder. Doch toen zij het dier dood zagen, en ik hun wees, dat zij naar het water zouden komen, vatten zij moed en begonnen het dier op te zoeken. Aan het bloed, dat op het water opkwam, bespeurde ik waar hij lag, en met een touw, dat ik om hem sloeg en de Negers liet inhalen, sleepten zij het op strand. Het was een bijzonder gevlekte en schoone luipaard, en de Negers hieven van verbazing, dat ik hem gedood had, de handen omhoog.

Het andere beest, door den slag en het vuur van mijn geweer verschrikt, zwom naar den wal en vloog naar het gebergte, vanwaar het gekomen was. De verte belette mij te zien welk dier het was. Ik bemerkte spoedig dat de Negers het luipaardenvleesch eten, en wilde het dus als eene gunst van mij geven. Toen ik hun door teekens te kennen gaf, dat zij hem nemen zouden, waren zij er zeer dankbaar voor. Ofschoon zij geen messen hadden, vilden zij hem met een scherp hout zoo vlug, ja veel vlugger dan wij het met messen hadden kunnen doen. Zij boden mij een deel van het vleesch aan, dat ik weigerde en hun door teekens te kennen gaf, dat ik hun alles schonk, doch ik wees hun dat ik de huid hebben wilde, die zij mij dadelijk gaven, met eene menigte van hunnen voorraad, dien ik aannam, zonder te weten wat ik er mede doen zou. Vervolgens gaf ik door teekens mijn verlangen naar water te kennen, en hield hun ten dien einde eene onzer ledige kruiken omgekeerd voor, om hun te doen zien, dat die ledig was, en gevuld moest worden. Zij riepen dadelijk eenigen hunner, en twee vrouwen kwamen met eene groote pot, van klei gemaakt en in de zon gedroogd, naar ik denk; deze plaatsten zij voor mij, en ik zond Xury met mijne kruiken aan het strand, die ze daaruit vulde. De vrouwen waren zoo wel naakt als de mannen.

Ik was thans voorzien van wortelen en koorn, zoo als het was, en van water. Ik verliet dan mijne vriendelijke Negers, en stevende nog elf dagen in dezelfde rigting, zonder te beproeven de kust te naderen; tot dat ik het land een groot eind in zee zag loopen, op ongeveer vier of vijf mijlen voor mij uit. Daar de zee zeer kalm was, hield ik zeewaarts, om deze landtong om te zeilen. Eindelijk dezelve op ongeveer twee mijlen van het land omgezeild zijnde, zag ik duidelijk land aan de andere zijde zeewaarts. Ik besloot dus, gelijk zeker wel het geval zal geweest zijn, dat dit Kaap Verd was, en dat gindsche eilanden, die waren, welke naar dezelve Kaap Verdische eilanden heeten. Zij lagen echter op een grooten afstand; en ik wist niet wat mij best te doen stond, want zoo ik door eene windvlaag overvallen werd, zou ik nimmer de eene noch de andere bereiken.

In deze verlegenheid stapte ik geheel verslagen in de tent en ging daar zitten, terwijl ik Xury aan het roer had gelaten. Eensklaps riep de jongen: "Meester, meester, een schip, een zeil!" De arme jongen bestierf het schier van angst, denkende, dat het niet anders zijn kon dan een van zijn meesters schepen, uitgezonden om ons te vervolgen. Ik echter wist wel, dat wij ver genoeg buiten zijn bereik waren. Ik sprong uit de kajuit, en zag niet alleen dadelijk het schip, maar ook wat het was; namelijk een Portugeesch schip, en, zoo als ik dacht, naar de kust van Guinea bestemd, om slaven te halen. Toen ik echter zag welken koers het hield, werd ik spoedig overtuigd dat het eene andere bestemming had, en niet voornemens was digter bij de kust te komen. Ik hield het dus zeewaarts, zoo veel ik kon, met oogmerk, zoo mogelijk, het te praaijen.

Ik bemerkte dat ik met al het zeil, dat ik voeren kon, bijgezet, nog niet in hunnen koers kon komen, maar dat zij mij voorbij zijn zouden, voor ik hun eenig sein had kunnen doen, doch na zoo veel ik kon opgeloefd te hebben, en toen ik reeds begon te wanhopen, zagen zij, naar het scheen, mij door hunne kijkers, en dat het eene boot van Europeesch maaksel was, die zij onderstelden dat een schip moest behooren, dat vergaan was; dus minderden zij zeil, om mij op zijde te laten komen. Dit moedigde mij aan, en daar ik een vlag van mijn ouden meester aan boord had, heesch ik die in sjouw, tot een noodsein, en vuurde een geweer af. Zij zagen beide, want naderhand werd mij verhaald, dat zij den rook gezien, maar den slag niet gehoord hadden. Op deze seinen brasten zij tegen, en in ongeveer drie uren tijds was ik hen op zijde.

Men vroeg mij in het Portugeesch, in het Spaansch en in het Fransch wie ik was; van al hetwelk ik niets verstond; maar eindelijk sprak een Schotsche zeeman, die aan boord was, mij aan, en ik antwoordde hem, zeggende, dat ik een Engelschman was, die de slavernij der Mooren van Salé ontvlugt was. Daarop verzocht men mij aan boord te komen, en nam mij en al mijne goederen zeer goedhartig op.

Het was eene onuitsprekelijke vreugde voor mij, gelijk iedereen wel zal willen gelooven, dat ik mij uit een zoo jammerlijken en schier hopeloozen toestand, waarin ik mij bevonden had, gelijk ik begreep, gered zag. Oogenblikkelijk bood ik den kapitein van het schip alles aan wat ik bezat, tot vergelding van mijne bevrijding; maar hij gaf mij edelmoediglijk te kennen, dat hij niets van mij aannemen, maar dat mij alles wat ik had zou ter hand gesteld worden, als wij behouden in Brazilië aankwamen. "Want," zeide hij, "ik heb u het leven gered, even zoo als ik in uwen toestand gaarne zou gered willen worden; en het kan te een of anderen tijd gebeuren, dat dit ook mijn lot wordt. Bovendien," vervolgde hij, "als ik u naar Brazilië medeneem, zoo ver van uw vaderland, en ik zou u het weinige ontnemen wat gij hebt, zoudt gij daar van honger sterven, en ik zou dan u slechts gered hebben, om u weder in doodsgevaar te brengen. Neen, neen, Senhor Inglese (mijnheer de Engelschman), ik zal u uit Christelijke liefde daarheen brengen, en wat gij hebt zal u daar wel te pas komen, om er van te leven, en uwe tehuisreis te bekostigen."

Even menschlievend als dit voorstel was, even strikt was hij in de uitvoering daarvan, want hij gelastte den matrozen volstrekt niets aan te raken van hetgeen ik had; daarna nam hij zelf alles in ontvangst, en gaf er mij eene juiste inventaris van, ten einde mij bij onze aankomst alles te kunnen terug geven, zelfs tot mijne drie aarden kruiken toe.

Hij zag dat mijne boot zeer goed was, en stelde mij voor die aan hem ten gebruike van het schip te verkoopen, en vroeg mij wat ik er voor hebben wilde. Ik zeide, dat hij in alles zoo edelmoedig jegens mij gehandeld had, dat ik geenerlei prijs op de boot kon stellen, maar alles aan hem overliet. Hij zeide mij daarop, dat hij mij een briefje van zijne hand zou geven, om er mij 80 stukken van achten te Brazilië voor te geven; en als iemand er mij daar meer voor wilde geven, zou hij mij haar terug geven. Hij bood mij ook nog 60 stukken van achten voor den knaap, Xury. Ik had hier veel tegen, niet dat ik hem niet aan den kapitein wilde afstaan, maar ik had een weêrzin om de vrijheid van den armen knaap te verkoopen, die mij zoo trouw geholpen had, de mijne te herkrijgen. Toen ik den kapitein mijne redenen zeide, billijkte hij die volkomen, en bood mij, als een middel om alles te vereffenen, aan, den knaap eene verbindtenis te geven, dat hij hem, zoo hij Christen werd, binnen tien jaren zou vrijlaten. Daar Xury zeide, dat hij hiermede tevreden was, stond ik hem aan den kapitein af.

Wij hadden eene zeer goede reis naar Brazilië, en kwamen tweeëntwintig dagen daarna in de baai de Todos los Santos of Allerheiligenbaai aan. En nu was ik weder gered uit den allerrampzaligsten toestand. Thans moest ik overleggen wat mij nu te doen stond. Het edelmoedige gedrag van den kapitein jegens mij, kan ik nimmer genoeg prijzen. Hij wilde niets van geld voor den overtogt hooren, gaf mij 20 dukaten voor de huid van den luipaard, 40 voor die van den leeuw, welke ik in de boot had gehad, en zorgde, dat al wat ik aan boord gebragt had, mij stipt werd teruggegeven. Wat ik verkoopen wilde, kocht hij; zoo als den flesschenkelder; twee van mijne geweren, en een gedeelte van den klomp was, want van het overige had ik kaarsen gemaakt. In een woord, ik maakte ongeveer 220 stukken van achten van mijne geheele lading, en met dit geld ging ik in Brazilië aan wal.

Ik begaf mij kort daarop, op aanbeveling van den kapitein naar het huis van een zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar te vestigen, en even als zij, een planter te worden; terwijl ik tevens op middelen zon, om mijn geld, dat ik te Londen had, aan mij overgemaakt te krijgen. Te dien einde verschafte ik mij eene soort van brieven van naturalisatie, kocht zoo veel onbebouwd land als ik betalen kon, en maakte een plan tot eene plantaadje, geëvenredigd naar het kapitaal, dat ik uit Engeland verwachtte.

Ik had een buurman, Wells genaamd, die te Lissabon, doch van Engelsche ouders geboren was, en zich nagenoeg in gelijke omstandigheden als ik bevond. Ik noem hem mijn buurman, om dat zijne plantaadje naast de mijne lag, en wij zeer vriendschappelijk omgingen. Mijn kapitaal was even gering als het zijne, en gedurende twee jaren plantten wij slechts, om onze dagelijksche nooddruft te winnen. Wij begonnen echter vooruit te gaan, en onze landerijen in orde te komen, zoodat wij in het derde jaar eenigen tabak plantten, en ieder eene groote plek gronds gereed maakten, om het volgend jaar suikerrietstekken op te zetten. Het ontbrak ons echter aan hulp, en nu gevoelde ik meer dan te voren, dat ik verkeerd gedaan had, mijn jongen, Xury, niet te houden.

Maar helaas, was het wonder dat ik, die nimmer iets goed deed, zulk een misslag beging! Er zat thans niet anders op dan vol te houden. Ik had thans een beroep, dat geheel strijdig was met mijn karakter, en met de levenswijze waarnaar ik haakte, waarvoor ik mijn vaders huis verlaten, en al zijn goeden raad in den wind had geslagen. Ja, ik was thans inderdaad in dien levenstoestand geraakt, waarvoor mijn vader mij gewaarschuwd had, en welken ik even goed had kunnen bereiken als ik te huis was gebleven, zonder mij ooit zoo in de wereld af te slooven, als ik gedaan had. Dikwijls zeide ik tot mijzelven: "Zoo had ik even goed in Engeland, onder mijne bloedverwanten, kunnen werken, en daarvoor behoefde ik geen 5000 (Eng.) mijlen ver van huis te gaan, om dit onder vreemdelingen in eene wildernis te doen, zoo ver weg, dat ik nimmer iets van mijn vaderland, of iemand, die mij kent, hoor."

Aldus beschouwde ik mijn toestand met bittere spijt. Ik had niemand met wien ik omging, dan nu en dan met mijn buurman, waarvan ik gesproken heb; geen anderen, dan handenarbeid te verrigten, en ik leefde, gelijk ik dikwijls zeide, als iemand, die alleen op een woest eiland geworpen is. Maar o, hoe behoorden alle menschen te bedenken, dat, zoo zij den toestand, waarin zij zich bevinden, met een veel rampzaliger gelijk stellen, de Hemel hen noodzaken kan hunnen tegenwoordigen daarvoor te verwisselen, en hun vroeger geluk, door de ondervinding te leeren erkennen! En hoe regtvaardig was het, dat juist dat eenzame leven op een woest eiland mij te beurt viel, mij, die het zoo dikwijls vergeleken had bij het leven dat ik toen leidde, en in hetwelk ik, naar alle waarschijnlijkheid, met der tijd, rijkdom en schatten zou verworven hebben.

Ik had reeds eenige maatregelen genomen om mij te vestigen, voor mijn goede vriend, de kapitein, die mij op zee opgenomen had, weder afzeilde, want hij had drie maanden in lading gelegen. Ik sprak hem over het geld, dat ik in Londen achtergelaten had, en hij gaf mij dezen welgezinden en opregten raad: "Senhor Inglese (want zoo noemde hij mij altijd) als gij mij brieven en een volmagt geven wilt, met last aan den persoon, die in Londen uw geld heeft, van dit naar Lissabon te zenden, aan zoodanige lieden als ik u zal opgeven, en in goederen, die in dit land aftrek hebben, dan zal ik u, als het God behaagt, deze bij mijne terugkomst medebrengen; maar daar alle zaken aan tegenspoeden onderhevig zijn, zou ik u raden slechts 100 [£] Sterl., dat, gelijk gij zegt, de helft van uw kapitaal is, op te vragen, en deze eerst wagen. Zoo die goed overkomen, kunt gij het overige op gelijke wijze ontbieden, en zoo het verloren gaat, hebt gij de andere helft nog."

Dit was zulk een verstandige en vriendelijke raad, dat ik niet twijfelen kon, of hij was de beste dien ik volgen kon; ik maakte dus brieven aan de weduwe, wie ik mijn geld achtergelaten had, en eene volmagt voor den Portugeschen kapitein, volgens zijn verlangen, gereed. Ik schreef aan de weduwe al mijne avonturen, mijne vlugt; hoe ik den Portugeschen kapitein op zee ontmoet had; hoe menschlievend hij zich gedragen had, en wijders alle aanwijzingen omtrent de overzending mijner gelden. Toen de brave kapitein te Lissabon kwam, vond hij gelegenheid dit door eenige Engelsche kooplieden aldaar, te doen toekomen aan een koopman te Londen; waarop zij niet alleen het geld gaf, maar bovendien den Portugeschen kapitein een fraai geschenk overzond, voor zijne menschlievende handelwijze jegens mij.

De koopman te Londen besteedde deze 100 [£] aan Engelsche goederen, gelijk de kapitein opgegeven had, en zond die naar Lissabon, vanwaar hij ze allen behouden in Brazilië bragt. Hieronder had hij buiten mijn weten, (want ik was te onervaren in mijne zaken om er aan te denken) gezorgd voor alle soorten van ijzerwerk en gereedschappen, die mij op mijne plantaadje noodig waren, en waar ik groot nut van trok.

Toen deze lading aankwam, achtte ik mijne fortuin gemaakt. Ik was verrukt van vreugde er over; en mijn goede vriend de kapitein had de 5 [£] Sterl., die de weduwe hem tot een geschenk had gezonden, besteed, om voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, omdat ik dien zelf geteeld had.

Dit was echter nog niet alles; daar al mijne goederen Engelsche manufacturen waren, zoo als lakens, wollen stoffen, baai, enz., en alles dingen, die hier te lande bijzonder geacht en van waarde waren, kon ik dezelve zeer voordeelig verkoopen, zoodat ik zeggen kan, dat ik meer dan vier malen de waarde van mijne eerste lading had. Nu was ik mijn armen buurman oneindig ver vooruit, in den staat mijner plantaadje bedoel ik, want ik kocht een negerslaaf, en schafte mij ook een Europeschen knecht aan, behalve dien, welken de kapitein mij van Lissabon had medegebragt.

Gelijk echter misbruikte voorspoed dikwijls de oorzaak van onzen tegenspoed is, zoo ging het ook met mij. Het volgende jaar ging het met mijne plantaadje zeer goed; ik trok van mijn eigen grond vijftig groote rollen tabak, ieder van meer dan 100 [lb = gewicht], en deze vijftig rollen werden gepakt en bleven liggen, in afwachting, dat de vloot van Lissabon zou terugkomen. En daar nu mijne bezigheden en goederen vermeerderden, begon ik over allerlei ontwerpen, en ondernemingen boven mijn bereik, te broeden, gelijk inderdaad dikwijls de verstandigste kooplieden het hoofd op hol brengen.

Zoo ik in den stand gebleven was, waarin ik mij nu bevond, had ik ruimschoots al dat geluk kunnen genieten, waarvoor mijn vader mij een stil, rustig leven aanried; en waarvan, gelijk hij zeide, de middelbare stand overvloeide. Doch andere gebeurtenissen wachtten mij, en ik moest op nieuw de bewerker van mijn eigen ongeluk zijn. Wat mijn misslag vermeerderde, en in het vervolg mijn berouw verdubbelde: al mijne ongevallen waren het gevolg van mijn halsstarrig aanhoudend verlangen, om de wereld rond te zwerven, en van het opvolgen dezer begeerte, in weerwil van de duidelijkste vooruitzigten van welvaart en geluk, die de Voorzienigheid mij schonk.

Om dit wel te verstaan, moet men onderstellen, dat ik thans vier jaren in Brazilië gewoond had, dat ik thans het plantaadjewerk vrij wel begon te verstaan, en vooruit te gaan in welvaart. Ik had niet alleen de taal geleerd, maar ook met mijne medeplanters bekendschap gemaakt, zoo wel als met de kooplieden van San Salvador, dat onze haven was. In mijne gesprekken had ik hun dikwijls verhaald van mijne twee reizen naar de kust van Guinea; van de wijze, waarop daar de slavenhandel gedreven werd, en hoe gemakkelijk het daar op de kust viel, voor beuzelingen, zoo als kralen, snuisterijen, messen, scharen, bijlen, spiegeltjes, niet alleen goudstof en olifantstanden, maar ook Negers in te ruilen, ten dienste van dit land.

Zij luisterden altijd zeer oplettend naar mijne gesprekken hierover, maar vooral naar datgene, wat betrekking tot het koopen van Negers had, een handel, die toen daar weinig gedreven werd, om dat men er assientos of verlofbrieven van de koningen van Spanje en Portugal toe moest hebben, zoodat er weinig Negers, en deze zeer duur, gekocht werden.