Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 25

Chapter 252,602 wordsPublic domain

Toen keerde de knaap zich naar ons toe, en toen hij zag dat wij tevreden waren, begon hij hartelijk te lagchen, en zeide: "Zoo schieten wij de beeren in ons land."--"Hoe wilt gij die schieten zonder geweren?" vroeg ik.--"Niet met geweer, maar met zeer lange bogen," zeide hij.--Dit voorval had ons eene aangename afleiding gegeven, maar wij waren nog altijd in eene woeste streek, onze gids was gekwetst, en wij wisten naauwelijks wat nu te doen; het gehuil der wolven klonk ons nog in de ooren, en behalve het geraas, dat ik aan de Afrikaansche kust hoorde, waarvan ik vroeger gesproken heb, herinner ik mij niet ooit iets gehoord te hebben, dat zoo afgrijsselijk was. De bedenking hiervan en dat het duister werd, riep ons van daar, anders hadden wij zeker, gelijk Vrijdag begeerde, dien monsterachtigen beer de huid afgestroopt, die het wel waard was, doch wij hadden nog drie mijlen af te leggen en onze gids haastte ons; dus lieten wij hem liggen en vervolgden onze reis. De grond bleef nog met sneeuw bedekt, schoon niet zoo diep en gevaarlijk als op het gebergte, en de wolven waren, gelijk wij naderhand hoorden, door den honger gedreven tot in de vlakte afgedaald, en hadden in de dorpen veel kwaads gedaan, schapen en paarden en ook eenige menschen gedood. Wij moesten nog eene gevaarlijke engte door, waar wij, gelijk onze gids zeide, zoo er nog wolven in die streek waren, ze zouden aantreffen; dit was eene kleine vlakte, die tusschen digte bosschen, als eene lange laan doorliep, en die wij door moesten, om het dorp te bereiken, waar wij ons nachtverblijf zouden houden.

Een half uur voor zonsondergang trokken wij het eerste bosch door, en even na zonsondergang kwamen wij in de vlakte. In het eerste vonden wij niets, dan op eene opene plek van geen twee roeden breed, zagen wij vijf wolven den weg oversteken, alsof zij eene prooi najaagden. Zij sloegen op ons geen acht en waren in een oogenblik uit ons gezigt. Hierop ried onze gids, die in zijn hart een lafaard was, ons aan op onze hoede te zijn, want dat hij geloofde, dat er meer wolven kwamen.

Wij hielden onze wapenen gereed, doch zagen geen meer wolven voor wij het bosch door en op de vlakte gekomen waren. Daar gekomen hadden wij genoeg te zien. In de eerste plaats zagen wij een paard, dat de wolven gedood hadden, en waar wel een dozijn aan bezig waren de beenen af te kluiven, want het vleesch was er reeds geheel af. Wij achtten het niet geraden hen in hunnen maaltijd te storen, en zij sloegen op ons geen acht. Vrijdag wilde op hen schieten, maar ik verbood het, want ik begreep, dat wij spoedig genoeg te doen zouden hebben. Wij waren nog niet halverwege de vlakte door, toen wij in het bosch aan de linkerzijde van ons, de wolven allerverschrikkelijkst hoorden huilen; en kort daarop zagen wij een troep van wel honderd regt op ons aankomen, zoo geregeld als een troep soldaten. Ik wist niet hoe hen best te ontvangen, maar begreep, dat wij allen een digtgesloten linie moesten maken. Dit geschiedde in een oogenblik, en nu gelastte ik, dat men slechts om den anderen man schieten zou, terwijl de anderen zich gereed zouden houden tot eene tweede losbranding als zij bleven naderen, terwijl dan de eersten niet hunne geweren laden, maar ieder met eene pistool gereed zouden staan, want wij hadden ieder een geweer en twee pistolen, dus konden wij zes maal achtereen vuur geven. Dit was echter niet noodig, want bij de eerste laag bleef de vijand staan, verschrikt van het vuur en het schieten; vier waren doodgeschoten en verscheidenen gewond, gelijk wij aan het bloed op de sneeuw zagen. Daar zij nu stand hielden en niet terugtrokken, bragt ik mij te binnen, dat mij wel eens verhaald was, dat de woestste dieren voor de stem van een mensch vreezen; en liet dus ons geheele gezelschap een luid geschreeuw aanheffen. Dit middel had het gewenschte gevolg, zij keerden zich om en begonnen af te trekken. Eene tweede laag van ons deed hen daarop ijlings wegvlugten.

Dit gaf ons tijd onze wapenen weder te laden, gelijk wij zonder dralen deden; naauwelijks was dit echter geschied of wij hoorden aan onze linkerzijde, in hetzelfde bosch doch verder af, weder een verschrikkelijk geweld, van den kant dien wij moesten heentrekken. De nacht begon in te vallen, en de duisternis maakte onzen toestand nog hagchelijker; doch wij konden, toen het rumoer heviger werd, duidelijk het gehuil dier helsche beesten onderkennen, en plotseling zagen wij twee of drie troepen wolven, een op zijde, een van achteren en een voor ons uit, zoodat wij geheel omringd schenen. Daar zij ons echter niet aanvielen, zetten wij onzen weg voort, zoo snel onze paarden voort komen konden, hetgeen slechts op een middelmatigen draf was, daar de weg slecht was. Op deze wijze kwamen wij aan den ingang van het bosch, dat wij na de vlakte, door moesten trekken, maar wij zagen met leede oogen, toen wij bij den engen weg of laan, die er door liep, kwamen, dat vlak aan den ingang eene groote troep wolven stond. Plotseling hoorden wij van eene andere opening in het bosch een geweerschot, en een paard met zadel en toom kwam er uitvliegen als de wind met zestien of zeventien wolven achter zich. Het paard liep sneller, maar kon het niet lang zoo uithouden, en zij moesten het weldra inhalen.

Toen wij daarop den ingang, waar het paard uitgekomen was, binnengereden waren, zagen wij een verschrikkelijk tooneel. Wij vonden nog een paard en twee menschen, die de wolven verscheurden. Ongetwijfeld had een der mannen het geweer afgeschoten, want dit lag naast hem, doch de wolven hadden hem reeds half verslonden. Vol afgrijzen wisten wij eerst niet wat te doen, doch de wolven lieten ons weinig tijd van beraad, want zij verzamelden zich om ons heen, en schenen ons tot hunne prooi uitgekozen te hebben. Ik geloof, dat er wel driehonderd waren. Tot ons geluk lagen digt bij den ingang van het bosch eenige zware boomstammen, die den vorigen zomer zeker geveld en nog niet weggehaald waren. Ik plaatste mijne kleine troep achter deze, en vormde zoo een driehoekig front met de paarden in het midden. Het was tijd, want weldra kwamen zij met een dof gegrom aanzetten en beklommen onze borstwering, als waren zij zeker van hunnen buit. Het schijnt, dat zij vooral woedend werden door onze paarden achter ons te zien. Ik gelastte, dat men om den anderen man weder zou vuren, en ieder mikte zoo goed, dat bij de eerste losbranding verscheidene wolven sneuvelden, maar wij moesten aanhoudend doorvuren, want de achtersten dreven de voorsten aanhoudend als ware duivels vooruit. Bij onze tweede losbranding schenen zij tot staan gebragt, maar het was slechts voor een oogenblik, want er kwamen weder anderen opzetten, dus deden wij twee losbrandingen met onze pistolen, en doodden geloof ik wel zeventien of achttien en kwetsten zeker eens zooveel, maar toch kwamen er meer opzetten.

Ik wilde ongaarne onze laatste losbranding te haastig geven, dus riep ik mijn knecht, niet Vrijdag, want die was beter bezig met mijn geweer en het zijne telkens met de grootste vlugheid weder te laden, maar de ander, gaf hem een kruidhoorn, en gelastte hem onder den boomstam een breeden loop kruid te leggen. Hij deed dit en was naauwelijks weg, of de wolven kwamen opzetten en sommigen er opspringen, toen ik eene pistool op het kruid losbrandde, en dat ontstak. Die op den stam waren, vielen gezengd neder, verscheidene sprongen tot midden onder ons. Deze werden dadelijk afgemaakt en de overigen waren zoo verschrikt van het vuur, dat zij een weinig terugtrokken. Hierop gelastte ik al onze pistolen gelijk af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad kozen, en wij op een twintig gekwetsten aanvielen, die op den grond lagen, en ze in een oogenblik afmaakten, hetwelk een gelukkig gevolg had, want hun gekerm en gehuil werd door hunne makkers zeer goed begrepen, die de vlugt kozen en ons verlieten.

Wij hadden zeker zestig wolven gedood, en zouden, zoo het dag geweest was, er nog meer nedergeveld hebben. Na dus ruim baan gemaakt te hebben, trokken wij weder vooruit, want wij hadden nog ongeveer een uur gaans voor ons. Onderweg hoorden wij de hongerige beesten gestadig huilen, en verbeeldden ons somtijds ze te zien, doch konden dit niet zeker zeggen, daar onze oogen van de schittering der sneeuw verblind waren. Een uur later kwamen wij in het dorp, waar wij ons nachtverblijf moesten houden, en hier vonden wij alles in onrust en beweging, want den vorigen nacht waren eenige wolven en beeren tot in het dorp doorgedrongen en hadden hun een doodschrik op het lijf gejaagd, en zij waren verpligt altijd en vooral des nachts de wacht te houden, ten einde hun vee en hun eigen leven te beveiligen.

Den volgenden morgen was onze gids zoo ziek en zijne kwetsuren zoo ontstoken, dat wij niet verder voort konden, dus waren wij verpligt een nieuwen gids aan te nemen en naar Toulouse te gaan, waar wij weder in een warm luchtgestel en een aangenaam, vruchtbaar land waren. Maar toen wij te Toulouse ons wedervaren verhaalden, zeide men ons, dat dit in het groote bosch aan den voet van het gebergte, niets ongewoons was, vooral als de grond met sneeuw bedekt was. Maar men vroeg ons, welk slag van een gids wij gevonden hadden, die het had durven wagen ons in dat strenge jaargetij te geleiden en verzekerde, dat het een wonder was, dat wij niet allen verongelukt waren. Toen wij verhaalden, welke stelling wij hadden aangenomen en onze paarden in het midden geplaatst hadden, keurden zij dit sterk af, en zeiden dat het vijftig tegen een was, dat wij niet allen verscheurd waren geworden; want de wolven zijn vooral zoo verhit op paarden, maar anders zeer bang voor geweerschoten. Daar zij echter uitgehongerd waren, had de trek naar paardenvleesch hen het gevaar doen verachten, en zonder ons aanhoudend vuur en den loop buskruid zouden wij hoogst waarschijnlijk allen verscheurd zijn. In allen geval zouden wij, als wij onze paarden in den steek hadden gelaten, en gezamenlijk afgetrokken waren, veilig hebben kunnen aftrekken, vooral met onze vuurwapens en in zoo groot getal zijnde. Wat mij betreft, ik heb nimmer grooter gevaar onder de oogen gezien, want toen ik driehonderd duivels huilende en met open muil op ons zag afkomen en geenerlei beschutting of veiligen aftogt voor ons zag, hield ik mij voor verloren, en liever dan weder het gebergte over te trekken, zou ik duizend mijlen ter zee afleggen, al wist ik ook, dat ik alle weken een storm zou moeten doorstaan.

Ik zou van mijne reis door Frankrijk niets kunnen mededeelen, dan hetgeen anderen beter vóór mij gedaan hebben. Ik reisde van Toulouse naar Parijs en kwam kort daarop te Calais en landde veilig te Dover den 14 Januarij, na veel koude uitgestaan te hebben. Thans was mijn doel bereikt, en ik spoedig in het bezit van mijn sedert kort ontdekten rijkdom, daar de medegebragte wissels weldra allen betaald werden. Mijne voornaamste raadsvrouw was thans weder de goede oude weduwe, die vol dankbaarheid voor het geld dat ik haar gezonden had, geene moeite of zorg te groot voor mij achtte, en daar ik op hare onkreukbare eerlijkheid bouwen kon, kon ik haar gerust alles toevertrouwen.

Ik schreef thans aan mijn vriend in Lissabon over den verkoop mijner plantaadje, en op zijn raad bood ik die aan de zoons van mijne gemagtigden te koop aan. Deze namen mijn eisch aan, en deden mij door een bankier te Lissabon drie-en-dertig duizend stukken van achten daarvoor toekomen, terwijl de lijfrente van honderd moidores aan den kapitein en vijftig aan zijn zoon als eene grondrente ten laste van de plantaadje bleven.

Aldus eindigde het eerste deel van een wisselvallig leven, een blijk van de bestieringen der Voorzienigheid, en welks lotwisselingen zelden geëvenaard zijn. Dwaselijk begonnen, eindigde het gelukkiger dan eenig gedeelte van hetzelve mij reden gaf te verwachten.

Men zou denken, dat ik in een toestand, zoo gezegend in alle opzigten, buiten alle gevaren was, en dit zou ook zoo geweest zijn als ik niet tot een zwervend leven bestemd was geweest. Ik had vrouw noch kinderen, weinig bloedverwanten, en hoezeer rijk, weinig bekenden, en schoon ik mijne plantaadje verkocht had, lag Brazilië mij nog altijd in het hoofd. Nog meer verlangde ik mijn eiland weder te zien en te vernemen of de arme Spanjaards daar gekomen, en hoe zij door de daar achtergelaten schurken behandeld waren.

De ernstige raadgevingen der weduwe weêrhielden mij zeven jaren lang hiervan, gedurende welken tijd ik twee neven, kinderen van een mijner broeders, naar mij nam. De oudste, die eenig vermogen bezat, voedde ik als een heer op, en vermaakte hem een deel van mijne bezittingen; den jongste gaf ik aan een scheepskapitein mede, en toen hij na vijf jaren een knap, bedaard en ondernemend jongman was, plaatste ik hem op een schip als kapitein, en zond hem naar zee. Deze jonge knaap verlokte mij naderhand, zoo oud als ik was, tot verdere avonturen.

Middelerwijl had ik mij in Engeland nedergezet, en was in het huwelijk getreden, en dat zeer tot mijn genoegen, want mijne vrouw schonk mij twee zonen en eene dochter. Maar mijne vrouw stierf, en mijn neef kwam terug van eene voorspoedige reis naar Spanje, en mijne neiging en zijn aanhouden verlokten mij, om als koopman naar Oost-Indië scheep te gaan. Dit was in 1694.

Op deze reis bezocht ik mijne nieuwe kolonie, zag mijne opvolgers, de Spanjaarden, vernam hunne geheele geschiedenis en die van de achtergelaten kerels; hoe zij eerst de Spanjaards plaagden, daarna vrede maakten, weder twist zochten, dien bijlegden en weder hernieuwden, tot eindelijk de Spanjaarden, tot geweld genoodzaakt, hen aan zich onderwierpen; hoe goed zij door deze behandeld werden; een verhaal even buitengewoon als mijn eigen leven; vooral van hunne gevechten met de Caraïben, die verscheidene malen op het eiland landden; de verbeteringen door hen daarop gemaakt, en hoe vijf hunner een togt naar het vasteland deden, en elf mannen en vijf vrouwen als gevangenen medebragten, waarvan het gevolg was, dat ik bij mijne komst een twintigtal jonge kinderen op het eiland vond.

Ik bleef er ongeveer twintig dagen, en liet hen allerlei noodwendigheden, vooral wapens, kruid en lood, gereedschappen, kleederen en twee handwerkslieden, een timmerman en een smid, die ik uit Engeland medegebragt had. Voorts verdeelde ik het eiland onder hen, doch behield den eigendom van het geheel voor mij, en na alles met hen geschikt en hen verzocht te hebben het eiland niet te verlaten, verliet ik hen. Daarop deed ik Brazilië aan, vanwaar ik met een daar gekocht scheepje, behalve vele andere zaken, hun zeven vrouwen toezond, hetzij als dienstboden of om als echtgenooten te nemen. Den Engelschen beloofde ik eenige wouwen uit Engeland te zullen zenden, als zij daar wilden blijven, hetgeen mij later niet mogelijk was. Deze knapen gedroegen zich zeer goed nu zij onder strenge tucht stonden. Ook zond ik hun uit Brazilië vijf koeijen, waarvan drie kalven moesten, eenige schapen en varkens, die bij mijne wederkomst zich aanmerkelijk vermeerderd hadden.

Doch dit alles, en hoe driehonderd Caraïben het eiland overvielen, hen eerst versloegen, één hunner doodden, en hunne aanplantingen vernielden; doch hoe later een storm des vijands kanoes vernielde, deze door honger en hunne geweren gedood werden, en zij weder in het bezit van het eiland geraakten; dit alles, met nog eenige buitengewone lotgevallen van mijzelven, gedurende nog tien jaren, zal ik misschien later verhalen.