Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 24

Chapter 244,117 wordsPublic domain

Thans mogt ik wel zeggen, dat het laatste einde van Job beter was dan het begin. Onmogelijk is het mijne aandoeningen te beschrijven, toen ik deze brieven doorlas, en vooral toen ik al mijn rijkdom voor mij zag; want daar de schepen uit Brazilië altijd met eene geheele vloot te gelijk komen, ontving ik mijne brieven te gelijk met mijne goederen, en deze laatsten lagen reeds veilig op de Taag, voor de brieven mij ter hand gesteld worden. Ik werd bleek en ongesteld, en zoo niet de oude man mij eene hartsterking had gehaald, geloof ik dat de plotselinge vreugde mij te sterk geweest, en ik op de plaats dood gebleven zou zijn. Zelfs bleef ik nog ziek, tot eenige uren daarna een geneesheer geroepen werd, en deze de ware reden van mijne ongesteldheid vernemende, mij eene aderlating liet doen, die mij veel verligtte, en waarna ik beter werd.

Ik was nu plotseling bezitter geworden van meer dan vijfduizend pond sterling in geld, en had eene bezitting in Brazilië, die meer dan duizend ponden 's jaars opleverde, zoo goed als eenig landgoed in Engeland; in een woord, in een toestand, waarin ik mij naauwelijks wist te voegen, of hoe ik dien genieten zou.

Het eerste wat ik deed was mijn ouden weldoener, den goeden kapitein, te beloonen, die mij het eerst in mijn tegenspoed had bijgestaan, van den beginne af menschlievend, en tot aan het einde eerlijk jegens mij gehandeld had. Ik toonde hem al wat mij gezonden was. Ik zeide hem, dat na de Voorzienigheid, die alles bestiert, ik dat alles aan hem te danken had, en dat het nu mijn pligt was hem te beloonen, hetwelk ik honderdvoudig doen wilde. Vooreerst gaf ik hem dus de honderd moidores, die ik van hem ontvangen had, terug, daarop liet ik een notaris roepen, en deze een volkomen kwijtschelding opmaken, zoo volledig als mogelijk, van de vierhonderd en zeventig moidores, die hij opgegeven had mij schuldig te zijn, waarna ik eene procuratie op hem liet vervaardigen, tot den ontvangst der jaarlijksche inkomsten mijner plantaadje, en mijn compagnon opdroeg met hem te sluiten, en de jaarlijksche opbrengst op de gewone wijze met de vloot aan hem over te maken. Een clausule in het einde behelsde eene jaarlijksche gift aan hem van honderd moidores, zoo lang hij leefde, en van vijftig aan zijn zoon, zoo lang deze leefde, alles uit de goederen te voldoen. Op deze wijze vergold ik den ouden man zijne goedheden.

Nu moest ik begrijpen welken koers thans in te slaan, en wat te doen met het goud, dat de Voorzienigheid mij aldus gegeven had. Ik had thans waarlijk meer zorg en hoofdbreken dan in mijne stille levenswijze op het eiland; waar ik geene behoeften had dan die ik voldoen kon; terwijl ik nu een grooten last op mijne schouders had. Ik had hier geene grot om mijn geld in te bergen, noch geen plaats waar ik dit zonder slot of grendel kon nederleggen, tot het roestig en beschimmeld werd; integendeel, ik wist niet waar ik het laten of wien ik het toevertrouwen zou; mijn oude beschermer, de kapitein, die een braaf man was, was inderdaad mijne eenigste toevlugt.

Mijne bezittingen in Brazilië schenen vroeger mijne tegenwoordigheid aldaar te vereischen, maar nu kon ik niet denken daar naar toe te gaan, voor ik eerst mijne zaken beschikt en mijne goederen in vertrouwde handen achtergelaten had. Eerst dacht ik aan mijne oude vriendin, de weduwe, wier eerlijkheid mij bekend was, maar zij was hoogbejaard en arm, misschien wel in schulden stekende; zoodat ik begreep zelf naar Engeland te moeten terugkeeren en mijne bezittingen mede te nemen.

Het duurde echter eenige maanden, voor ik hiertoe besluiten kon, en na derhalve mijn voormaligen weldoener, den kapitein, voldoende en naar zijn genoegen beloond te hebben, begon ik aan de weduwe te denken, wier echtgenoot mijn eerste weldoener was geweest, en zij, zoo veel in hare magt was, mijne trouwe geldbewaarster. Het eerst wat ik dus deed was door een Lissabonsche koopman aan zijn correspondent in Londen te doen schrijven, haar op te zoeken, en haar niet een wissel, maar honderd pond in geld te brengen, haar te gaan spreken en in hare armoede te troosten, door haar te zeggen, dat zij, zoo lang ik leefde, onderstand van mij zou ontvangen. Tegelijker tijd zond ik honderd pond aan ieder van mijne zusters, die, ofschoon niet behoeftig, toch in geene ruime omstandigheden waren, de eene was eene weduwe, en de andere had een echtgenoot, die zich jegens haar niet zoo gedroeg als hij wel mogt. Doch onder al mijne bekenden wist ik niemand te bedenken, wien ik al mijn geld durfde vertrouwen, zoodat ik naar Brazilië kon gaan, en alles gerust achterlaten. Dit bragt mij in groote verlegenheid.

Eens vatte ik het plan op naar Brazilië te gaan, om er mij voor altijd neder te zetten, want ik was er als het ware genaturaliseerd, maar ik had eenige godsdienstige bezwaren, die mij daarvan terughielden. Ik had wel niet geaarzeld om zoo lang ik onder hen was, mij te houden alsof ik hunne godsdienst aankleefde, en dit deed ik ook nog niet, maar er thans meer dan vroeger over denkende om daar te leven en te sterven, berouwde het mij, dat ik mij voor een Katholijk uitgegeven had, daar ik niet gaarne in de belijdenis van die leer wilde sterven. Echter was het dit niet, wat mij voornamelijk terughield van naar Brazilië te gaan; maar de onzekerheid wien ik mijne bezittingen zou toevertrouwen. Dus besloot ik die eerst naar Engeland te brengen, waar ik alsdan wel eenige kennissen zou weten of bloedverwanten vinden, die mij vertrouwd toeschenen; en diensvolgens maakte ik mij gereed met al mijn geld naar Engeland terug te gaan.

Te dien einde besloot ik in de eerste plaats, daar de vloot naar Brazilië weder zeilree lag, op de eerlijke en brave verrekeningen, die ik van daar ontvangen had, antwoord te geven. Eerst schreef ik den prioor van het Augustijner klooster een brief tot dankzegging voor zijne edelmoedige handelwijze en de aanbieding der 872 onuitgegeven moidores, waarvan ik verlangde, dat vijfhonderd aan het klooster, en de overige aan de armen zouden gegeven worden, naar des prioors goedvinden; terwijl ik den goeden Pater verzocht mij in zijne gebeden te bedenken.

Daarop schreef ik een dankbaren brief aan mijne twee gemagtigden, met al de erkentelijkheid, die hunne braafheid en eerlijkheid verdienden; hun eenig geschenk te zenden, ware water in de zee dragen geweest. Eindelijk schreef ik aan mijn compagnon mijn dank, voor de verbetering mijner plantaadje, en zijn ijver daarin; gaf hem last omtrent zijn verder bestier derzelve van mijn aandeel; in overeenstemming met de volmagt, die ik aan den ouden kapitein had gegeven, aan wien ik hem verzocht alles wat mij toekwam over te maken, tot hij nader van mij zou hooren. Ik verzekerde hem, dat ik niet alleen voornemens was naar hem toe te komen, maar ook het overschot mijns levens er te blijven doorbrengen. Hierbij voegde ik een fraai geschenk van eenige Italiaansche zijde voor zijne vrouw en twee dochters, (welke hij, volgens berigt van des kapiteins zoon had) met twee stukken fijn Engelsch laken, het beste dat ik in Lissabon bekomen kon, en eenige Vlaamsche kant van hooge waarde.

Na op deze wijze mijne zaken geschikt, mijne lading verkocht, en voor al mijne goederen wissels gekocht te hebben, was de vraag, hoe ik naar Engeland zou gaan. Hoezeer ik ook aan de zee gewoon was, had ik toen een sterken tegenzin om ter zee naar Engeland te gaan. Schoon ik er geene reden voor had, werd deze tegenzin zoo sterk, dat toen mijne bagaadje reeds aan boord was, ik nog van gedachten veranderde, en dat wel niet eens maar twee- of driemalen. Het is waar, ik was op zee zeer ongelukkig geweest, en dit kon er de reden van zijn, doch het is niemand geraden in zaken van zooveel belang zijn voorgevoel te verachten. Twee der schepen, waar ik het oog meer bijzonder op geslagen had, zoodat ik reeds mijne goederen in het eene gezonden had, en met den kapitein van het andere mijnen overtogt reeds bepaald; deze twee zelfde schepen verongelukten; het eene namelijk werd door Algerijnsche kapers genomen en het andere bij Torbay verbrijzeld, en al het volk op drie na, verdronk; zodat ik niet weet op welk schip ik ongelukkiger zou geweest zijn.

In dezen tweestrijd nam ik mijne toevlugt tot mijn ouden raadsman, die mij ernstig ried niet ter zee de reis te doen, maar te land, en de golf van Biscaye over te steken naar Rochelle, vanwaar ik veilig en gemakkelijk naar Parijs en zoo over Calais naar Dover reizen kon; of naar Madrid te gaan en geheel Frankrijk door de reis te land te doen. Om kort te gaan, ik had zooveel tegen eene zeereis, behalve van Calais naar Dover, dat ik besloot den geheelen weg te land af te leggen; hetwelk, daar ik geen haast had en het geld niet behoefde te ontzien, verre weg de aangenaamste was; vooral toen mijn oude kapitein een Engelsen heer, den zoon van een koopman uit Lissabon, bij mij bragt, die de reis mede wilde maken, waarna wij nog twee Engelsche kooplieden en twee jonge Portugesche heeren vonden, waarvan de laatsten alleen naar Parijs gingen; zoodat wij in alles met ons zessen en vijf knechten waren. De twee kooplieden en de Portugezen namen ieder een knecht met hun beide om de onkosten, en ik nam voor mij als knecht een Engelsch matroos mede, behalve Vrijdag, die veel te onbedreven was om op reis als knecht te gebruiken.

Op deze wijze vertrokken wij van Lissabon, allen goed bereden en gewapend, zoodat wij een kleinen troep uitmaakten. Men deed mij de eer aan mij kapitein te noemen, omdat ik de oudste was en twee knechts bij mij had, en ook de eigenlijke oorzaak van de geheele reis was. Daar ik den lezer met geen mijner zeetogten lastig gevallen ben, wil ik dit ook niet met het journaal van mijne landreis doen; echter mag ik eenige avonturen niet verzwijgen, die wij op deze lange en bezwaarlijke reis ontmoetten.

Te Madrid gekomen, bleven wij daar eenigen tijd vertoeven, daar wij allen vreemdelingen in Spanje waren, om het Spaansche hof en al wat merkwaardig was te bezigtigen, doch daar het laat in den zomer was, hielden wij er ons niet lang op, en verlieten Madrid omstreeks het midden van October. Maar toen wij aan de grenzen van Navarra kwamen, werden wij op verscheidene plaatsen verontrust door de tijding, dat er aan de Fransche zijde zoo veel sneeuw was gevallen, dat verscheidene reizigers verpligt waren geweest naar Pampeluna terug te keeren, na met veel gevaar den overtogt beproefd te hebben.

Te Pampeluna aangekomen, vonden wij dat dit de waarheid was, en voor mij, die altijd in een heet klimaat, waar men naauwelijks kleederen verdragen kon, had geleefd, was de koude onuitstaanbaar. Nog onaangenamer dan verrassend was het, dat wij slechts tien dagen te voren Oud-Kastilië hadden verlaten, waar het niet alleen warm, maar zeer heet was, en onmiddellijk een zoo strengen, snijdenden wind uit het Pyrenesche gebergte voelden, dat die ondragelijk was, en wij bang werden, dat onze handen en voeten zouden bevriezen. De arme Vrijdag was inderdaad in doodsangst, toen hij de bergen met sneeuw bedekt zag, en voor het eerst van zijn leven de koude gevoelde.

Tot meerder ongeluk bleef het, toen wij te Pampeluna gekomen waren, zoo geweldig doorsneeuwen en zoo lang, dat men zeide, dat de winter vóór zijn tijd was gekomen, en de vroeger moeijelijke wegen thans geheel ontoegankelijk waren; in één woord, de sneeuw lag op sommige plaatsen te hoog om er door te komen, en daar zij niet bevrozen was, gelijk in noordelijke landen, kon men niet voorttrekken, zonder bij iedere schrede gevaar te loopen van levend begraven te worden. Wij bleven niet minder dan twintig dagen te Pampeluna, toen ik, ziende dat de winter inviel en er geene waarschijnlijkheid op zachter weder was (want strenger winter had men in vele jaren in Europa niet vernomen) voorstelde dat wij allen naar Fontarabia zouden gaan, en ons daar inschepen naar Bordeaux, dat een korte reis was.

Toen wij echter hierover beraadslaagden, kwamen er vier Fransche heeren aan, die aan de Fransche zijde, even als wij aan de Spaansche, gebleven waren, tot zij een gids hadden gevonden, die het land bij het hoofd van Languedoc doortrekkende, hen langs wegen had gevoerd, waar zij slechts weinig sneeuw hadden aangetroffen, en deze was nog zoo hard bevroren, zeiden zij, dat zij hen en hunne paarden had kunnen dragen. Wij lieten dezen gids roepen, die zeide te willen aannemen ons langs denzelfden weg te brengen, zonder eenig gevaar van de sneeuw, mits wij genoeg gewapend waren, om ons voor de wilde dieren te beschermen; want als er zoo veel sneeuw viel, zeide hij, kwamen de wolven dikwijls van het gebergte naar beneden, razende van honger, omdat de met sneeuw bedekte grond hun geen voedsel aanbood. Wij zeiden, dat wij voor zulke beesten genoeg gewapend waren, als hij ons beveiligen kon voor eene soort van wolven op twee beenen, waarvan naar men ons gezegd had, wij vooral aan de Fransche zijde van het gebergte het meeste gevaar liepen. Hij verzekerde ons, dat op den weg, dien hij wilde nemen, wij daarvan geen gevaar zouden loopen. Dus besloten wij hem te volgen, even als twaalf andere heeren met hunne knechten, Spanjaarden en Franschen, die gelijk ik zeide, den overtogt beproefd hadden, maar genoodzaakt waren geweest terug te keeren.

Wij verlieten dan allen Pampeluna, den vijftienden November, met onzen gids aan het hoofd, die tot mijne verbazing, in plaats van vooruit te gaan, met ons terugkeerde, wel twintig Engelsche mijlen op den weg, dien wij van Madrid afgekomen waren; waarna wij twee rivieren overtrokken en de vlakte bereikt hebbende, ons wederom in een warm klimaat en aangename landstreek bevonden, waar geen sneeuw te zien was; maar plotseling links afslaande, naderde hij het gebergte langs een anderen weg, en schoon de hoogten en afgronden verschrikkelijk zich vertoonden, maakte hij zooveel bogten en wendingen, dat hij ons zonder het te weten over de hoogste gebergten had gebragt, zonder dat wij veel last van de sneeuw hadden gehad, en plotseling wees hij ons de aangename lagchende gewesten van Languedoc en Gascogne, die allen groen en bloeijend er uitzagen, schoon zij nog ver af lagen en wij nog een bezwaarlijken weg tot daartoe hadden. Wij werden wel eenigzins ongerust, toen het vier-en-twintig uren achtereen zoo hevig sneeuwde, dat wij stil moesten houden, doch hij stelde ons gerust en verzekerde, dat wij spoedig alles te boven zouden zijn. Inderdaad vonden wij elken dag, dat wij afdaalden, en dus trokken wij, in vertrouwen op onzen gids, voort.

Ongeveer twee uren voor het donker werd, was onze gids ons een eind weegs vooruit, en toevallig buiten ons gezigt. Eensklaps kwamen drie monsterachtige wolven uit een hollen weg, die in een digt bosch uitkwam, tevoorschijn. Twee wolven vlogen op den gids aan, en zoo hij een half kwartier verder vooruit was geweest, zouden zij hem verslonden hebben, voor wij hem te hulp hadden kunnen schieten. Een hunner greep het paard, en de andere den man zoo onstuimig aan, dat hij geen tijd of geen tegenwoordigheid van geest genoeg had om zijn pistool uit te halen, maar allergeweldigst om hulp riep. Vrijdag was juist naast mij, ik gelastte hem vooruit te rijden, om te zien wat er te doen was. Zoodra Vrijdag hem in het gezigt kreeg, riep hij zoo hard als de ander: "O meester, meester!" maar daar hij een moedige kerel was, reed hij tot vlak bij den man, en schoot den wolf met een pistool door den kop.

Het was gelukkig voor den armen man, dat het Vrijdag was, die hem te hulp kwam, want hij, die in zijn vaderland die beesten gezien had, was er niet bang voor, terwijl zoo een onzer op een verderen afstand geschoten had, hij misschien den wolf gemist of welligt den gids getroffen had. Het was genoeg om een moediger man dan ik te ontzetten, en ons geheele gezelschap was er inderdaad van verschrikt, toen wij na het afschieten van Vrijdags pistool, aan weerszijden het afschuwelijkst wolvengehuil hoorden, dat door de echo's in het gebergte verdubbeld werd, zoodat het scheen alsof er eene ontzettende menigte was, en misschien waren er genoeg om ons reden tot vrees te geven.

Toen echter Vrijdag den eenen wolf had doodgeschoten, liet de ander dadelijk het paard los, en nam de vlugt. Gelukkig had hij het bij den kop gegrepen en het gebit in zijn bek gepakt, zoo dat hij het paard weinig kwaad had gedaan. De gids had meer geleden; want hij was tweemaal door het beest gebeten, eens in den arm en eens in de dij, en hij stond op het punt om van zijn verschrikt paard te vallen, toen Vrijdag hem bereikte.

Gemakkelijk begrijpt men, dat wij op het hooren van Vrijdags schot, allen onze paarden aanzetten, en zoo hard als de weg, die zeer moeijelijk was, toeliet, opreden, om te zien wat er te doen was. Zoodra wij de boomen, die ons het uitzigt benamen, voorbij waren, zagen wij wat het geval was, en hoe Vrijdag den armen gids ontzet had, schoon wij nog niet zien konden, welk beest hij gedood had.

Maar nimmer zag men een moediger en zonderlinger gevecht dan hetgeen nu volgde tusschen Vrijdag en den beer, die ons (schoon wij in het eerst zeer bang voor hem waren) veel vermaak gaf. Daar de beer een zwaar en plomp schepsel is, die niet zoo vlug loopt als de wolf, handelt hij gewoonlijk naar twee regels. Den mensch, die zijn eigenlijke prooi niet uitmaakt, schoon ik niet zeggen kan wat groote honger, als de sneeuw, gelijk thans het geval was, den grond bedekt, bij hem kan uitwerken, den mensch, zeg ik, valt hij zelden het eerst aan; integendeel, zoo gij u met hem niet inlaat, zal hij zich met u niet bemoeijen. Maar men moet toch zeer beleefd tegen hem zijn, en laten hem den weg vrij; want hij is zeer trotsch en zou voor geen prins uit den weg gaan; het best is een anderen weg heen te zien en bedaard voort te gaan, want zoo men stilstaat en hem stijf aanziet, wil hij dit wel eens als eene beleediging opnemen. Zoo men hem echter met iets gooit, dat hem raakt, al ware het maar een takje zoo dun als een pink, dan wordt hij boos, en laat alles staan om zijne wraak te koelen; want hij staat magtig op het punt van eer; dit is zijn eerste eigenschap. De tweede is, dat als gij hem beleedigd hebt, hij u nacht en dag volgen zal, om zich te wreken, tot hij u ingehaald heeft.

Vrijdag had onzen gids gered, en toen wij bij hem kwamen, was hij bezig hem van zijn paard te helpen, want de man was zoo wel verschrikt als gekwetst, vooral het eerste; toen wij eensklaps den beer uit het bosch zagen komen; het was een monsterachtige; de grootste, dien ik ooit zag. Wij waren allen een weinig ontsteld bij dit gezigt, maar toen Vrijdag hem gewaar werd, kon men de vreugde op zijn gelaat lezen. "O! o! o!" riep hij, "meester, geef mij verlof hem goeden dag te zeggen, gij zult lagchen om hem."

Ik verwonderde mij over zijne vreugde, en zeide: "Gek, hij zal u opeten!"--"Mij opeten! mij opeten!" riep Vrijdag. "Ik zal hem opeten liever, en u laten lagchen. Blijft allen hier staan, ik zal u laten lagchen." Hij ging zitten en had in een oogenblik zijne laarzen uit en een paar ligte schoenen aan, die hij in zijn zak had; daarop gaf hij mijn anderen knecht zijn paard en liep weg als de wind. De beer kuijerde zachtjes voort, en scheen zich met niemand te willen inlaten, tot Vrijdag nader gekomen, hem toeriep: "Hoor eens, hoor eens, ik moet u eens spreken!" alsof de beer hem verstaan kon. Wij volgden op een afstand, want wij waren nu in een bosch gekomen, waar de grond effen, en vrij open was, schoon hier en daar verscheidene boomen stonden. Vrijdag, die den beer achterna liep, was spoedig digt bij hem gekomen, waarop hij een steen opnam, en hem dien juist op het hoofd wierp, maar het was zoo goed alsof hij hem tegen een muur had geworpen, schoon Vrijdag er zijn doel mede bereikte, dat namelijk de beer op hem afkwam, ten einde ons te laten lagchen, zoo als hij zeide.

Zoodra de beer den steenworp gevoeld had, keerde hij zich om en kwam met zoo duchtig groote stappen voortschuiven, dat een paard in een galop hem naauwelijks had kunnen bijhouden. Weg vloog Vrijdag, en nam zijn weg naar ons toe als om hulp; dus besloten wij allen te gelijk op den beer te schieten, en mijn knecht te ontzetten; schoon ik niet weinig boos op hem was, dat hij ons den beer op den hals had gehaald, terwijl die een anderen weg uitkuijerde, en vooral omdat hij eerst den beer naar ons toelokte, en toen wegliep. "Is dat ons aan het lagchen maken, kerel?" riep ik. "Kom hier en neem uw paard, dan zullen wij op den beer schieten." Hij hoorde mij, en riep: "niet schieten! niet schieten! Blijf staan, gij zult veel lagchen." En terwijl de vlugge knaap slechts twee voet voor den beer uit was, keerde hij zich plotseling om, en een grooten eikenboom ziende, die hij tot zijn oogmerk geschikt achtte, wenkte hij ons hem te volgen, en zijn gang versnellende, klom hij vlug in den boom, na zijn geweer op vijf of zes ellen afstands van den boom nedergelegd te hebben.

Spoedig was de beer bij den boom gekomen, en wij volgden op een afstand. Eerst bleef hij bij het geweer staan, berook het, maar liet het liggen, en klom toen als eene kat in den boom, schoon hij zulk een plomp dier was. Ik stond versteld van de dolheid van mijn knecht, en kon nog maar niets zien om te lagchen, doch toen wij den beer op den boom zagen, reden wij allen er digter naar toe. Toen wij er bij kwamen, was Vrijdag aan het dunne eind van een zwaren arm van den boom gekomen, en de beer was er halverwege op. Zoodra Vrijdag zag, dat hij het einde van den tak naderde, riep hij ons toe: "Nu zult gij een beer zien leeren dansen." Hij begon dus den tak te schudden en er op te dansen, zoodat de beer begon te waggelen en achterom keek, alsof hij den aftogt wilde slaan, en wij ons van lagchen niet konden bedwingen. Maar Vrijdag had nog niet met hem gedaan; toen hij zag, dat hij stil stond, riep hij hem weder toe, alsof het beest hem verstaan kon: "Kom wat nader, vriend; kom wat nader als het u belieft!" Daarop bleef hij stil zitten, waarop de beer wat verder vooruit kwam, toen begon hij weder te springen, en de beer bleef stokstijf staan.

Wij dachten, dat het nu een geschikt tijdstip was, om hem voor den kop te schieten, en dus riep ik Vrijdag toe, stil te zitten, dat wij den beer zouden schieten, maar hij riep: "Niet schieten! niet schieten! Ik zal hem straks wel schieten." Om kort te gaan Vrijdag danste zoo lustig en de beer stond zoo uit het veld geslagen, dat wij ons lagchen niet konden bedwingen, schoon ik nog niet begrijpen kon, wat hij doen wilde. Eerst dachten wij, dat hij den beer uit den boom zou laten tuimelen, maar daar was de beer te slim toe, want hij kwam niet ver genoeg, en hield zich met zijne breede klaauwen zoo stevig vast, dat wij niet begrepen, hoe het af zou loopen.

Eindelijk maakte Vrijdag er een einde aan, en riep den beer toe: "Komt gij niet bij mij, dan zal ik bij u komen." Daarop schoof hij achteruit tot aan het uiterste einde van den tak, die door zijne zwaarte nederboog, zoodat hij gemakkelijk op den grond kon springen, gelijk hij deed, en toen zijn geweer halen ging. "Wel Vrijdag, waarom schiet gij hem nu niet?" vroeg ik. "Nog niet schieten," zeide Vrijdag, "eerst nog wat lagchen, dan zal ik hem schieten." Toen de beer zijn vijand vertrekken zag, klom hij van den zijtak af, maar uiterst benaauwd en bij iederen stap achterom ziende, tot dat hij den stam bereikt had. Toen klom hij verder zeer langzaam en zeer schroomvallig, voetje voor voetje achteruit, en even voor hij zijn achterpoot op den grond zette, liep Vrijdag naar hem toe, stak den tromp van zijn snaphaan in zijn oor en schoot hem zoo dood als een steen.