Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1
Part 23
Na het sein gehoord te hebben, begaf ik mij te rust, en daar ik dien dag vele vermoeijenissen had doorgestaan, sliep ik zeer vast tot ik door een geweerschot gewekt werd, en op de been springende, hoorde ik iemand mij roepen: "gouverneur! gouverneur!" en herkende de stem van den kapitein, die den heuvel opgeklommen, op het schip wees. Hij drukte mij in zijne armen. "Mijn waarde vriend en redder," zeide hij, "daar ligt uw schip, want het is geheel ter uwer beschikking, even als wij en al wat tot het schip behoort." Ik sloeg mijne oogen op het schip, dat op ongeveer eene halve (Eng.) mijl van het strand voor anker lag; want zoodra zij het vermeesterd hadden, hadden zij het anker geligt, en daar het fraai weder was het vlak voor den mond van eene kleine kreek gelegd, en daar het hoog water was, was de kapitein met de pinnas tot bij de plaats gekomen, waar ik het eerst mijne vlotten aan land gebragt had, en dus als het ware vlak voor mijne deur geland.
Ik dacht in den beginne van verrassing door den grond te zinken, want nu zag ik inderdaad mijne redding zigtbaar voor oogen, alles was in orde, en een goed schip gereed mij te brengen, waarheen ik verlangde. Eerst was ik eenigen tijd niet in staat een woord te antwoorden, maar daar hij mij in zijne armen gesloten had, hield ik mij aan hem vast, want ik was bang van op den grond neder te zijgen. Hij bespeurde mijne verrassing en eene flesch uit zijn zak halende, gaf hij mij dadelijk een hartsterking, die hij opzettelijk voor mij had medegebragt. Na gedronken te hebben, ging ik op den grond zitten, en schoon ik weder tot mijzelven was gekomen, duurde het nog eene geruime poos voor ik een woord tot hem spreken kon. Al dien tijd was de arme man even verrukt als ik, schoon niet zoo van verrassing; echter zeide hij mij duizend dingen om mij tot bedaren te brengen; maar mijn hart was zoo vervuld van vreugde, dat mijn geest geheel verbijsterd was; eindelijk barstte ik in een vloed van tranen uit, en kort daarop was ik weder in staat te spreken.
Toen omhelsde ik hem op mijne beurt als mijn bevrijder, en onze vreugde was wederkeerig. Ik zeide, dat ik hem als iemand beschouwde, dien de hemel ter mijner redding gezonden had, en dat al wat er gebeurd was, eene reeks van wonderen scheen; dat zulke dingen een blijk van het onzigtbaar wereldbestier der Voorzienigheid waren, en een bewijs, dat de oogen van den Almagtige tot in de afgelegenste schuilhoeken der aarde doordringen, en de ongelukkigen te hulp kwamen als het zijne wijsheid behaagde.
Ik vergat niet mijn hart dankbaar hemelwaarts te verheffen, en welk hart kon nalaten Hem te danken, die niet alleen iemand wonderdadig in de wildernis verzorgd had, en in zulk een jammerlijken verlaten toestand, maar van wien altijd elke redding erkend moet worden afkomstig te zijn?
Na eene poos gesproken te hebben verhaalde de kapitein mij, dat hij eenige ververschingen, die hij aan boord had, en waarvan de schelmen, die er eenigen tijd meester van waren geweest, hem niet beroofd hadden, voor mij had medegebragt. Daarna riep hij het bootsvolk toe, dat zij de presenten voor den Gouverneur aan den wal zouden brengen; en inderdaad waren het geschenken, die voor een Gouverneur voegden, en alsof ik niet met hen zou medereizen, maar op het eiland blijven wonen, en zij zonder mij vertrekken.
Eerstelijk had hij mij eene flesschenkelder met uitmuntende likeuren, zes groote flesschen, ieder van twee pinten, maderawijn, twee pond besten tabak, twaalf stukken ossenvleesch, en zes stukken spek, met een zak erwten en een honderd pond beschuit medegebragt.
Wijders bragt hij mij een kistje met suiker, een kistje met fijn meel, een kistje met limmetjes en twee flesschen citroensap mede, benevens eene menigte andere dingen. Maar bovendien bragt hij, hetgeen mij duizendmaal nuttiger was, mij zes schoone, nieuwe hemden, zes zeer goede halsdoeken, twee paar handschoenen, een paar schoenen, een hoed en een zeer goeden broek van hem zelven, met één woord, hij stak mij van top tot teen in de kleeren. Dit was voor iemand in mijne omstandigheden een zeer aangenaam geschenk, gelijk men ligt denken kan, maar nimmer viel een ding in de wereld mij zoo onaangenaam en ongemakkelijk, of ging mij zoo linksch af, als het dragen van die kleederen, toen ik ze pas aangetrokken had.
Nadat dit afgeloopen en al de goederen in mijn klein verblijf gebragt waren, begonnen wij raad te plegen, wat met onze gevangenen te doen; want het was eene zaak van rijp overleg, of wij het wagen zouden hen mede te nemen, of niet, vooral een paar van hen, die in den hoogsten graad onverbeterlijk en muitziek waren; en die de kapitein zeide, als zulke schelmen te kennen, dat er geen goed aan te doen was, en dat als hij ze meênam, dit in de boeijen moest zijn, om ze in de eerste Engelsche kolonie, daar hij binnen vallen kon, aan de regtbank over te geven. Hiervan vond ik, dat de kapitein niet af te brengen was.
Hierop zeide ik, dat, als hij het verlangde, ik op mij nam de twee kerels zoo ver te brengen, dat zij zelfs verzoeken zouden op het eiland te mogen blijven. "Met al mijn hart," zeide de kapitein; "niets zou mij aangenamer zijn."
"Goed," zeide ik, "ik zal hen laten halen en in uw bijzijn met hen spreken." Ik zond dus Vrijdag en de twee gijzelaars, die thans, omdat hunne kameraden hun woord hadden gehouden, losgelaten waren, naar de grot, en liet hen de vijf man, zoo gebonden als zij waren, naar mijn priëel brengen. Eenigen tijd daarna kwam ik daar in mijn nieuw gewaad aanstappen, en heette nu weder Gouverneur. Toen de kapitein bij mij was, liet ik het volk voor mij brengen, en zeide hun thans een volledig verslag van hunne schelmsche handelwijze van den kapitein ontvangen te hebben, en hoe zij met het schip hadden willen vertrekken, en verdere rooverijen bedrijven, maar dat de Voorzienigheid hen in den kuil had doen vallen, dien zij voor anderen gegraven hadden. Ik zeide hun, dat men op mijn bevel zich van het schip verzekerd had, dat nu op de reede lag, en dat zij zien konden hoe hun nieuwe kapitein de belooning voor zijn verraderij had bekomen, want dat zij hem aan den nok van de ra konden zien hangen. Dat ik thans verlangde te weten of zij iets hadden bij te brengen, waarom ik hen niet, als zeeroovers, op heeterdaad betrapt, ter dood zou doen brengen, waartoe mijne aanstelling mij ontwijfelbaar regt gaf.
Een hunner antwoordde voor de overigen, dat zij niets hadden bij te brengen, dan alleen, dat de kapitein, toen zij gevangen genomen waren, hun lijfsbehoud had toegezegd, en dat zij mijne barmhartigheid inriepen. Ik zeide echter, dat ik niet wist, welke barmhartigheid ik hun zou bewijzen, daar ik besloten had met al mijn volk het eiland te verlaten, en met den kapitein den overtogt naar Engeland te doen. De kapitein kon hen niet anders naar Engeland medenemen dan als gevangenen in de ijzers, om daar wegens muiterij en zeeroof teregt te staan; waarvan, gelijk zij wisten, de galg het einde zou zijn, zoodat ik hun niet zeggen kon wat voor hen het best was, ten ware zij besloten hadden hun lot op het eiland te beproeven, hetgeen mij, daar ik verlof had het te verlaten, onverschillig was, en dat ik niet ongeneigd was hun het leven te schenken, als zij begrepen, dat zij zich aan den wal zouden kunnen redden. Hiervoor schenen zij zeer dankbaar te zijn, en verklaarden veel liever hier te willen blijven dan naar Engeland te gaan, om daar opgehangen te worden; dus liet ik het daarbij berusten. De kapitein maakte echter eenige tegenwerpingen, alsof hij hen daar niet mogt achterlaten. Ik hield mij hierop zeer boos, en zeide den kapitein, dat zij mijne gevangenen en niet de zijne waren, en dat ik, na hun deze gunst beloofd te hebben, mijn woord zou houden, en als hij er iets tegen had, hij maar zien moest, dat hij hen weder in zijne magt kreeg, als hij kon.
Zij schenen hiervoor zeer dankbaar, en ik stelde hen in vrijheid, met last het bosch in te gaan, vanwaar zij gekomen waren, en de belofte van eenige geweren en kruid en lood, benevens aanwijzingen hoe zij, als zij wilden, hier een zeer goed leven konden leiden. Vervolgens maakte ik mij gereed aan boord te gaan, maar zeide den kapitein, dat ik dien nacht aan wal zou blijven, om mijne goederen gereed te maken, maar dat hij middelerwijl het schip in orde brengen en den volgenden morgen de boot naar den wal zenden zou om mij te halen; terwijl ik hem tevens gelastte den nieuwen kapitein, die doodgeschoten was, aan den nok van de ra te laten hangen, opdat het volk hier hem zou kunnen zien.
Toen de kapitein vertrokken was, liet ik de matrozen bij mij in mijn verblijf komen, en hield een ernstig gesprek met hen over hunnen toestand. Ik zeide, dat hunne keus zeer verstandig was, want dat, zoo de kapitein hen medenam, zij zeker zouden opgehangen worden. Ik wees hun hun vorigen aanvoerder, die aan den nok van de ra hing, en zeide, dat zij niets minder te wachten hadden. Toen zij allen verklaard hadden te willen achterblijven, zeide ik hun, hun mijn geheelen levensloop aldaar te zullen verhalen, en te dien einde verhaalde ik hun hoe het eiland was, hoe ik er gekomen was; toonde hun mijne verschansingen, hoe ik er mijn brood gebakken, mijn koorn geplant, mijne druiven gedroogd had, in een woord, al wat hun van nut kon zijn. Ook verhaalde ik hun van de zestien Spanjaarden, die verwacht werden, voor welke ik een brief achterliet, en die ik hen deed beloven, als hunne makkers te zullen behandelen.
Ik liet hun mijne wapenen, namelijk vijf musketten, drie jagtgeweren en twee sabels achter. Ik had nog anderhalf vat buskruid, want na het eerste jaar of twee had ik er weinig van gebruikt, en niets van verspild. Ik beschreef hun hoe ik de geiten behandelde, hoe zij gemolken en verzorgd moesten worden, om er boter en kaas van te erlangen. Kortom, ik verhaalde hun al mijn wedervaren, en beloofde den kapitein te zullen overhalen hun nog twee vaatjes kruid en wat tuinzaden achter te laten; ook gaf ik hun den zak met erwten, die de kapitein medegebragt had, en noodigde hen uit die te zaaijen.
Na den afloop hiervan verliet ik hun den volgenden dag en ging aan boord. Wij maakten ons zeilree, maar bleven dien nacht voor anker liggen. Den volgenden morgen vroeg kwamen twee man van de vijf aan boord zwemmen, en terwijl zij allerbitterst over de andere drie klaagden, smeekten zij dat men hen, om Gods wil, aan boord zou nemen, want dat zij vermoord zouden worden; en of de kapitein hen aan bood wilde laten komen, al liet hij hen ook dadelijk ophangen. De kapitein beweerde hierop, dat hij buiten mij niets doen kon, maar na eenige bedenkingen en op hunne plegtige beloften van beterschap werden zij aan boord genomen, en eene poos daarna duchtig afgestraft; vervolgens zijn zij steeds rustige en knappe kerels gebleven.
Wat later ging ik met den vloed naar den wal, om den matrozen het hun beloofde te brengen, waarbij de kapitein door mijne bemiddeling hunne kleederen en kisten gevoegd had, waarvoor zij zeer dankbaar waren. Ik moedigde hen wat aan door de verzekering, dat als ik eenig vaartuig ontmoette dat het eiland kon aandoen en hen innemen, ik hen niet vergeten zou.
Toen ik het eiland verliet, nam ik tot eene gedachtenis, de groote geitenvellen muts, mijn zonnescherm en een mijne papegaaijen mede; ook vergat ik het geld niet, waarvan ik vroeger gesproken heb, en dat zoo lang stil had gelegen, dat het roestig of zwart geworden was, en naauwelijks voor zilver kon doorgaan, voor het wat gewreven en gehanteerd was geworden, alsook het geld, dat ik op het Spaansche wrak had gevonden.
Aldus verliet ik het eiland, gelijk ik op het scheepsjournaal zag, den 19 December 1686, nadat ik er achtentwintig jaren, twee maanden en negentien dagen op had doorgebragt, terwijl ik mijne ballingschap verliet op denzelfden dag der maand, waarop ik van de Mooren te Salé wegvlugtte. Na een lange reis kwam ik den 11 Junij 1687 in Engeland aan, waarvan ik vijfendertig jaren afwezig was geweest. Toen ik daar kwam, stond ik in de wereld als een vreemdeling, die er nimmer geweest was. Mijne weldoenster, wie ik mijn geld had achtergelaten, was nog in leven, maar had veel tegenspoeden gehad, was ten tweedenmale weduwe en in zeer behoeftige omstandigheden. Ik stelde haar omtrent mijne schuldbekentenis gerust, en verzekerde, dat ik haar niet lastig zou vallen, maar integendeel uit dankbaarheid voor hare vroegere zorgen voor mij, ondersteunde ik haar zooveel mijne geringe bezittingen toelieten, hetgeen op dit oogenblik slechts weinig was, doch ik verzekerde haar, dat ik haar niet zou vergeten als ik in staat zou zijn haar krachtiger te helpen, gelijk ik ook later deed.
Ik ging daarop naar Yorkshire, maar mijne ouders vond ik overleden, en mijne geheele familie uitgestorven, op twee zusters na, en twee kinderen van een mijner broeders, en daar men mij lang voor dood gehouden had, had men mij niets nagelaten; kortom ik begreep, dat ik geenerlei ondersteuning te wachten had en dat het weinige geld dat ik had, mij weinig baten zou om door de wereld te komen. Echter ondervond ik een staaltje van dankbaarheid, dat ik niet verwacht had; de kapitein van het schip, dien ik zoo gelukkig gered, en daardoor schip en lading behouden had, had van al het gebeurde een trouw verslag aan zijne reeders gedaan. Deze verzochten mij hun een bezoek te geven; allen overlaadden mij met loftuitingen, en boden mij een geschenk van tweehonderd pond Sterling aan.
Doch na rijp beraad, en ziende hoe moeijelijk ik mij hiermede een bestaan zou verschaffen, besloot ik naar Lissabon te gaan, om te trachten iets nopens mijne plantaadje in Brazilië te vernemen, en wat er van mijn compagnon was geworden, die ik onderstelde dat mij thans verscheidene jaren voor dood had gehouden. Ten dien einde scheepte ik mij in naar Lissabon, waar ik in April aankwam, terwijl Vrijdag mij trouw volgde, en steeds bewees mijn trouwe dienaar te zijn. Toen ik te Lissabon kwam, vond ik na eenige navraag, en tot mijn groot genoegen mijn ouden vriend, den kapitein van het schip, die mij het eerst op de Afrikaansche kust aan boord had genomen. Hij was nu oud geworden; had de zee vaarwel gezegd, en zijn zoon, die nu ook reeds een bejaard man was, voer thans in zijne plaats op Brazilië. De oude man kende mij niet meer, en ik zou hem ook moeijelijk herkend hebben, echter herinnerde hij zich spoedig mijner, toen ik hem verhaalde wie ik was.
Na onze oude kennis met hartelijkheid vernieuwd te hebben, vroeg ik, gelijk men wel denken kan, naar mijne plantaadje en mijn compagnon. De oude man verhaalde mij, dat hij thans in geen negen jaren in Brazilië was geweest, maar hij kon mij verzekeren, dat de laatste maal dat hij daar was, mijn compagnon nog leefde, maar de beide gevolmagtigden, die met hem toezigt zouden houden, waren beide overleden. Hij geloofde echter, dat ik goed zou staan bij de verbetering mijner plantaadje, want dat, daar men algemeen geloofde dat ik verongelukt was, mijne gemagtigden hunne rekening van mijn deel in de plantaadje aan den fiscaal hadden ingeleverd, die, zoo ik niet terug mogt komen, verklaard had dat een derde den koning, en twee derden aan het Augustijner klooster zouden toevallen, voor de armen en tot uitbreiding van het Christendom onder de Indianen. Zoo ik of iemand van mijnentwege echter opkwam, zou het mij teruggegeven worden, hoewel de jaarlijksche opbrengst niet, als zijnde tot werken van liefdadigheid besteed, maar hij verzekerde mij, dat de opzigter der koninklijke inkomsten van landerijen, en die van het klooster er voor gezorgd hadden, dat mijn compagnon hen jaarlijks prompt verrekening deed, waarvan zij de helft ontvingen. Ik vroeg hem of hij wist hoe ver de verbeteringen der plantaadje gegaan waren, en of hij begreep dat zij verdiende opgezocht te worden, of als ik daarheen ging, mij mijn regt op de helft niet zou betwist worden.
Hij zeide mij niet juist te kunnen bepalen, wat de plantaadje waard was, maar dat mijn compagnon alleen van de helft een zeer rijk man was geworden, en hij had gehoord dat het derde deel van den koning, dat naar het schijnt een of ander klooster geschonken was, jaarlijks meer dan tweehonderd moidores bedroeg. Dat er geen twijfel aan de teruggave bestond, daar mijn compagnon nog leefde om mijn regt te bevestigen, en mijn naam ook op de lands registers ingeschreven was. Ook zeide hij mij, dat de opvolgers van mijne twee gevolmagtigden brave eerlijke lieden en zeer gegoed waren, en hij geloofde, dat zij mij niet alleen aan het bezit helpen, maar bovendien eene goede som gelds ter hand zouden stellen, zijnde de opbrengst tijdens de vorige gevolmagtigden het bestuurden, en vóór de in beslagneming, die voor ongeveer twaalf jaren voorgevallen was.
Dit verslag stelde mij echter niet geheel gerust, en ik vroeg den kapitein hoe het kwam, dat de gemagtigden zoo over mijne goederen beschikt hadden, daar hij wist dat ik een testament gemaakt en hem, den Portugeschen kapitein, tot mijn eenigen erfgenaam had benoemd. Hij zeide, dat dit ook waar was, maar daar er geen bewijs van mijn dood bestond, hij niet als executeur kon handelen; bovendien had hij zulk eene afgelegene zaak niet willen aanvaarden. Wel had hij mijn testament doen registreren, en zijn regt bewezen, en zoo hij eenig bewijs van mijn leven of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld, en mijne plantaadje in bezit genomen hebben, of zijn zoon hiermede belast.
"Maar," zeide de oude man, "ik heb u ander nieuws te vertellen, dat u misschien minder aangenaam zal zijn dan het overige; dat is, dat daar iedereen u verongelukt waande, uw compagnon en gemagtigden mij in uwen naam de verrekening aanboden van de opbrengsten van de zes of acht eerste jaren, die ik ontving; doch daar er tweemaal groote verbeteringen gemaakt werden, als het bouwen van een suikermolen, het aankoopen van slaven enz., waren die opbrengsten zoo groot niet als de volgende. Echter," vervolgde de oude man, "zal ik u eene behoorlijke rekening geven van al wat ik ontvangen, en hoe ik er mede gehandeld heb."
Eenige dagen later bragt mijn oude vriend mij de rekening van de inkomsten der vijf of zes eerste jaren der plantaadje, geteekend door mijn compagnon en de gemagtigden, die altijd goederen afgeleverd hadden, zooals tabak in rollen en suiker in kisten, benevens rum en melassie, de voortbrengselen van eene suikerplantaadje, en ik zag hieruit, dat de inkomsten telken jare aanmerkelijk grooter geworden waren. Doch daar in den beginne de uitgaven groot waren geweest, was de som eerst gering. Echter liet de oude man mij zien, dat hij mij vierhonderd en zeventig gouden moidores schuldig was, behalve zestig kisten suiker en vijftien dubbele rollen tabak, die verloren waren gegaan, toen hij ongeveer elf jaren na mijn vertrek, te Lissabon, met verlies van zijn schip, was gekomen.
De oude man begon over zijne ongelukken te klagen, hoe hij verpligt was geweest mijn geld te besteden om zijn verlies te herstellen, en een aandeel in een nieuw schip te koopen. "Doch, mijn oude vriend," zeide hij, "gij zult voor 's hands wat op rekening hebben, en zoodra mijn zoon terugkomt, alles wat u toekomt." Daarop haalde hij eene oude beurs voor den dag en gaf mij honderd en zestig gouden moidores, en zijne bewijzen van het aandeel dat hij en zijn zoon ieder voor een vierde in hun schip hadden, uithalende, stelde hij die als onderpand voor het overschot in mijne handen.
Deze blijken van eerlijkheid en braafheid van den ouden man troffen mij geweldig, en bedenkende wat hij voor mij gedaan had, hoe hij mij op zee opgenomen, en hoe edelmoedig hij mij bij alle gelegenheden behandeld had, en in het bijzonder welk een opregte vriend hij thans bewees te zijn, kon ik mijne tranen niet bedwingen. Ik vroeg hem dus eerst of hij op dat oogenblik zooveel geld missen kon en of het hem niet eenigzins belemmeren zou. Hij zeide, dat hij er zeker op het oogenblik een weinig door in de engte kwam; maar dat het altijd mijn geld was en ik er misschien meer behoefte aan had dan hij.
Alles wat de goede man zeide, was zoo welgemeend, dat ik, terwijl hij sprak, mijne tranen naauwelijks bedwingen kon. Om kort te gaan, ik nam honderd moidores, en vroeg om pen en inkt, om er hem kwitantie van te geven, daarop gaf ik hem het overige terug, en zeide, dat zoo ik ooit in het bezit der plantaadje geraakte, ik ook het overige hem zou teruggeven, gelijk ik ook naderhand deed; dat ik zijn bewijs van aandeel in zijn zoons schip volstrekt niet wilde aannemen, daar ik begreep, dat zoo ik geldgebrek had, hij braaf genoeg was om mij te betalen; en zoo dit niet het geval was, maar ik datgene ontving, waarop hij mij hoop gaf, ik nimmer van hem een penning meer wilde aannemen.
Toen dit afgeloopen was, vroeg de oude man hoe ik mij weder in het bezit van mijne plantaadje dacht te stellen. Ik zeide er zelf heen te willen gaan. Als ik dit goed vond kon ik dit doen, zeide hij, maar zoo niet dan waren er middelen genoeg om mijne regten te handhaven, en mij onmiddellijk de voordeelen toe te eigenen; en daar te Lissabon schepen op de rivier zeilree lagen naar Brazilië, deed hij mijn naam in een openbaar register inschrijven, terwijl hij beëedigde, dat ik in leven en dezelfde persoon was, die het eerst voor de bedoelde plantaadje het land had aangevraagd. Nadat dit door een notaris met eene procuratie opgemaakt was, deed hij het mij naar een koopman aldaar zenden, dien hij kende, en stelde mij toen voor, tot aan het ontvangen van een antwoord bij hem te blijven.
Nimmer handelde men eerlijker dan bij het ontvangen van deze procuratie, want binnen zeven maanden ontving ik een groot pakket van de overgeblevenen mijner gemagtigden, de kooplieden, voor wier rekening ik naar zee was gegaan. Hierin bevonden zich eerstelijk eene rekening courant van de opbrengst mijner plantaadje, van het jaar af, waarin hunne vaders met den ouden Portugeschen kapitein hadden gesloten, zijnde voor zes jaren, de balans sloot met elfhonderd vier en zeventig moidores in mijn voordeel. Ten tweede was er de verrekening van nog vier jaren, gedurende welke zij het bewind gevoerd hadden, vóór de regering de administratie eischte, als van een persoon, dien men burgerlijk dood achtte, en deze balans sloot, daar de waarde der plantaadje vermeerderd was, met een batig slot van drie duizend twee honderd en een en veertig moidores. Ten derde was er een brief bij van den prioor van het Augustijner klooster, die ruim veertien jaren de inkomsten ontvangen had, doch daar hij niet in staat was datgene te verrekenen wat tot liefdadige einden uitgegeven was, eerlijk verklaarde, dat hij nog achthonderd twee en zeventig moidores niet uitgegeven had, die ter mijner beschikking waren. Het deel des konings leverde niets op.
Wijders was er een brief van mijn compagnon, die mij hartelijk geluk wenschte, dat ik nog in leven was, en mij verslag deed hoe veel de plantaadje verbeterd was, en wat zij 's jaarlijks opbragt, met opgave hoe veel morgen zij besloeg, hoe sterk de slavenmagt was en eindigende met het berigt, dat hij twee-en-twintig _Ave Maria's_ had opgezegd tot dankbaarheid aan de H. Maagd voor mijne wonderbare behoudenis; terwijl hij mij ten sterkste uitnoodigde over te komen en van mijn eigendom bezit te nemen, en hem, zoo ik niet zelf kwam, orders te geven aan wien mijne goederen af te schepen, en eindigende met eene hartelijke verzekering van zijne vriendschap en die van zijne familie. Tot een geschenk zond hij mij zeven fraaije tijgervellen, die hij naar het schijnt van Afrika ontvangen had met een ander schip, dat hij derwaarts gezonden had, en dat eene voorspoediger reis scheen aan te hebben dan ik. Hij zond mij ook vijf kisten met confituren en een honderd stukken ongemunt goud, niet wel zoo groot als moidores.
Met dezelfde vloot zonden mijne twee gevolmagtigden mij twaalf honderd kisten suiker, achthonderd rollen tabak en het overige van onze rekening in goud.