Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1
Part 20
Ik zou moeijelijk kunnen uitdrukken hoe het mij trof, toen ik zag hoe krachtig de verrukking en kinderliefde waren bij dezen wilde, toen hij zijn vader, en dat wel van den dood gered wederzag; ik kan inderdaad niet half al de volgende uitsporige blijken zijner kinderlijke liefde beschrijven, want hij was nu eens in de kanoe en dan weder er uit. Als hij er in kwam, ging hij naast zijn vader zitten en hield diens hoofd tegen zijne borst gedrukt, gelijk eene moeder haren zuigeling, een half uur achtereen om hem te koesteren; dan nam hij zijne armen en beenen, die geschaafd en stijf van het binden waren, en verwarmde en wreef die met zijne handen; en ik dit ziende gaf hem wat rum uit mijne flesch om ze te wrijven, hetgeen ze zeer veel goed deed.
Dit maakte een einde aan onze vervolging van de andere kanoe met de wilden, die thans genoegzaam uit het gezigt geraakt was, en dit was een geluk voor ons, want twee uren later woei het zoo hard, terwijl zij nog geen kwartier ver konden zijn, en het bleef den geheelen nacht zoo hard uit het noordwesten doorstormen, dat ik niet onderstellen kon, dat bij dien zwaren tegenwind hunne kanoe zee kon bouwen noch zij hunne kust bereiken konden.
Doch om tot Vrijdag terug te keeren: hij had het zoo druk met zijn vader, dat het mij eenigen tijd niet van het hart kon hem te roepen, maar eindelijk deed ik het, en hij kwam lagchende en dansende naar mij toe. Ik vroeg hem of hij zijn vader wat brood had gegeven. Hij schudde het hoofd, en zeide: "Neen, ik slechte kerel, alles opgegeten heb." Ik gaf hem dus een stuk, dat ik nog in mijn zak had, voor zijn vader en een slok rum voor hem, maar hij wilde het niet drinken maar bragt het ook aan zijn vader. Ik had twee of drie trossen rozijnen in mijn zak, die ik hem ook gaf voor hem en zijn vader. Maar naauwelijks had hij dit gedaan, of ik zag hem uit de kanoe springen en wegloopen alsof hij dol was. Hij liep zoo vlug (ik heb nimmer iemand gezien, die zoo snel kon loopen als hij) dat hij in een oogenblik uit het gezigt was, en of ik hem toeriep en naschreeuwde, het hielp niet. Een kwartier daarna zag ik hem terugkomen, schoon niet zoo snel als vroeger, omdat hij iets droeg, en naderbij gekomen, zag ik, dat het eene pot met water was.
Toen hij bij mij kwam zag ik, dat hij een aarden pot of pan gehaald had om zijn vader wat zoet water te brengen, en hij had ook een paar koeken of brooden medegebragt. Het brood gaf hij mij, maar het water bragt hij aan zijn vader, hoewel ik, die zeer dorstig was, er ook een slokje van nam. Het water verkwikte zijn vader meer dan al de sterke drank, dien ik hem gegeven had, want hij bezweek schier van dorst. Toen zijn vader gedronken had, riep ik hem of er nog water over was, en daar hij ja zeide, gelastte ik hem dit aan den armen Spanjaard te geven, die het even hoog noodig had als zijn vader, en ik zond tevens een stuk brood naar dien man, die zeer afgemat was, en in de schaduw van een boom lag uit te rusten, en wiens leden ook zeer stijf en gezwollen waren van het zware knevelen, dat men hem gedaan had. Ik zag, dat toen Vrijdag met het water bij hem kwam, hij overeind ging zitten en dronk en ook een stuk brood at; ik ging dus naar hem toe en gaf hem ook een tros rozijnen. Hij zag mij aan met een gelaat, waarop de dankbaarheid ten duidelijkste te lezen stond, maar was zoo zwak, niettegenstaande hij zich in het gevecht zoo dapper geweerd had, dat hij niet opstaan kon; hij beproefde het twee of drie malen, maar kon niet op de been komen; zijne enkels waren zoo gezwollen en zoo pijnlijk, dat ik hem verzocht te blijven zitten en Vrijdag gelastte zijne beenen te wrijven en met rum te wasschen, gelijk hij zijn vader gedaan had.
Gedurende al den tijd, dat hij dit deed, vergingen er geen twee minuten of de arme jonge keerde het hoofd om, om te zien of zijn vader nog op dezelfde plaats en in dezelfde houding zat, waarin hij hem verlaten had, en toen hij eindelijk hem eens niet zag, sprong hij, zonder een woord te spreken op, en liep er zoo snel naar toe, dat het scheen alsof zijne voeten den grond niet raakten, maar bij hem komende bespeurde hij, dat hij alleen gemakshalve was gaan liggen. Dus kwam hij tot mij terug, en ik zeide den Spanjaard, dat Vrijdag hem zou helpen om als hij kon naar de boot te gaan, en dan zou ik hem naar onze woning voeren om verder voor hem te zorgen; maar Vrijdag, die een sterke knaap was, nam den Spanjaard op zijn rug en droeg hem zoo naar de boot, zette hem voorzigtig op het boord van de kanoe, met zijne voeten er in, ligtte hem vervolgens er geheel in en zette hem naast zijn vader, en vervolgens de boot afzettende, pagaaide hij die langs de kust sneller dan ik loopen kon, schoon het vrij hard woei. Zoo bragt hij ze behouden in de kreek, en hen in de boot latende, liep hij heen om de andere kanoe te halen. Terwijl hij mij voorbij liep vroeg ik waar hij heenging. Hij zeide: "Meer boot halen," en weg vloog hij als de wind, want nimmer liep een mensch of paard harder, en hij was met de andere kanoe bijkans zoo spoedig aan de kreek als ik er over land kwam, dus haalde hij mij over, en ging toen onze nieuwe gasten uit de boot halen, maar zij waren geen van beide in staat om te loopen, dus wist de arme Vrijdag niet wat hij doen zou.
Om hier te helpen, spande ik mijne hersens in, en toen Vrijdag roepende, zeide ik hem hen te verzoeken op het strand te blijven zitten. Spoedig had ik daarop eene soort van draagbaar gemaakt en Vrijdag en ik droegen hen daarop tusschen ons in. Maar aan onzen buitenwal gekomen, waren wij nog meer in verlegenheid, want het was ons onmogelijk hen er over te helpen, en ik wilde die niet gaarne afbreken. Vrijdag en ik gingen dus weder aan het werk, en binnen een paar uren hadden wij een vrij knappe tent opgeslagen, met oude zeilen en daarover takken bedekt, op de opene plek, tusschen mijn buitenste schans en de streek jong hout, door mij geplant, en hier maakten wij hun twee bedden van hetgeen ik had, namelijk van rijsten stroo, met dekens er over om op te liggen, en op ieder bed een deken om hen te dekken.
Nu was mijn eiland bevolkt, en ik achtte mij reeds ruim voorzien van onderdanen, en verheugde mij thans dikwijls met het denkbeeld hoeveel ik van een koning had. In de eerste plaats was het eiland geheel en al mijn eigendom, zoodat mijn regt van heerschappij onbetwistbaar was. Ten tweede was mijn volk mij volkomen onderdanig; ik was hun oppermagtig heer en wetgever; zij hadden allen hun leven aan mij te danken, en waren bereidwillig hun leven voor mij op te offeren, als daartoe de gelegenheid zich opdeed. Het was ook opmerkelijk, dat hoewel ik slechts drie onderdanen had, deze allen een verschillend geloof hadden. Vrijdag was een Protestant, zijn vader een Heiden en Kannibaal, en de Spanjaard een Roomschgezinde. Ik liet echter door mijn geheele gebied, volkomen vrijheid van godsdienst heerschen. Doch dit in het voorbijgaan.
Naauwelijks had ik mijne twee verloste, zwakke gevangenen te huis gebragt, en hun huisvesting en eene slaapplaats verschaft, of ik begon aan eenigen leeftogt voor hen te denken. Het eerste wat ik deed was Vrijdag te gelasten een halfwassen, eenjarige geit uit mijne kudde, te dooden; ik nam daarop het achterdeel, en hakte dat aan kleine stukjes; daarop zette ik Vrijdag aan het koken en braden, en maakte hun een zeer goeden maaltijd van vleesch en soep gereed; in welke laatste ik ook eenige rijst en wat koren gedaan had; en na het buiten's huis gekookt te hebben, want ik stookte nimmer vuur binnen mijne schans, bragt ik het eten naar de nieuwe tent. Na eene tafel voor hen geplaatst te hebben, ging ik met hen het middagmaal houden, en sprak hen zooveel mogelijk moed in, met behulp van Vrijdag, die mijn tolk was bij zijn vader, en ook bij den Spanjaard, want deze sprak de taal der wilden zeer goed.
Na gegeten te hebben, gelastte ik Vrijdag eene kanoe te nemen en onze geweren en andere wapens te halen, die wij in de haast op het slagveld hadden laten liggen, en den volgenden dag zond ik hem uit om de lijken der gedoode wilden te gaan begraven, die thans in de zon lagen, en tevens de overblijfselen van hun afschuwelijk gastmaal onder den grond te bedelven. Ik kon er niet aan denken dit zelf te doen, noch zelfs het aan te zien als ik dien kant uitging. Dit alles volbragt hij zeer stipt, en deed zelfs alle sporen, dat hier wilden geweest waren, verdwijnen, zoodat toen ik weder dien kant uitkwam, ik niet vinden kon waar het geweest was, dan aan den hoek van het bosch, die zich naar het strand uitstrekte.
Ik begon toen mij een weinig te onderhouden met mijne twee nieuwe onderdanen, en het eerst deed ik Vrijdag aan zijn vader vragen wat hij dacht van de vlugt dier wilden in de kanoe, en of wij mogten verwachten hen te zien terugkeeren met eene overmagt, die wij niet zouden kunnen wederstaan. Zijne eerste meening was, dat de wilden nimmer den storm zouden hebben kunnen doorstaan, die des avonds, nadat zij vertrokken waren, was opgestoken, maar dat zij noodwendig verdronken of zuidwaarts verder op de kust moesten geslagen zijn, en dan zouden zij even zeker geslagt worden. Maar wat zij doen zouden als zij behouden aan hunne kust kwamen, wist hij niet, maar hij was van meening, dat de wijze waarop zij overvallen waren geworden, dat de schoten en het vuur hun zooveel schrik zouden aangejaagd hebben, dat zij hunnen landslieden zouden zeggen, dat zij door donder en bliksem en niet door menschenhanden gedood waren; en dat de twee, die zij gezien hadden (namelijk Vrijdag en ik) geen gewapende menschen, maar twee hemelsche of helsche geesten waren, gekomen om hen te verdelgen. Dit wist hij, zeide hij, omdat hij hen dit in hunne taal elkander had hooren toeroepen, want het was hun onmogelijk te begrijpen, dat een man vuur spuwen en donder spreken en van uit de verte dooden kon, zonder de hand op te heffen, gelijk thans geschied was.--De oude wilde had gelijk, want gelijk ik naderhand langs een anderen weg vernam, de wilden uit die streek hebben nimmer weder beproefd het eiland te naderen. Zij waren zoo ontzet door het verhaal van die vier menschen, (want deze waren naar het schijnt, niet op zee vergaan) dat zij geloofden, dat ieder, die zich op dit betooverd eiland waagde, door de goden met vuur zou verdelgd worden. Ik, die dit echter niet wist, bleef een geruimen tijd in aanhoudende vrees, en was altijd op mijne hoede, met mijn geheele leger, en daar wij nu met ons vieren waren, zou ik mij altijd tegen honderd van hen in het open veld gewaagd hebben.
Daar er echter na eene poos geene kanoes kwamen opdagen, sleet de vrees voor hunne komst uit, en ik begon mijne vroegere denkbeelden van een togt naar het vaste land weder op te vatten, daar nu ook Vrijdags vader mij verzekerd had, dat ik door hem op een goed onthaal bij zijn volk mogt rekenen als ik daarheen ging.
Echter schorste ik mijn voornemen eenigen tijd op, na een ernstig gesprek met den Spanjaard, en toen ik vernam, dat er nog zestien zijner landslieden en Portugezen, in den storm daar het leven gered hadden, en daar wel in vrede met de wilden leefden, maar niets meer ontvingen dan hoog noodig was om niet van honger te sterven. Ik vroeg hem al de bijzonderheden zijner reis, en vernam, dat zij op een Spaansch schip behoord hadden van Rio de la Plata naar Havanna bestemd, met last om daar hunne lading, die hoofdzakelijk uit huiden en zilver bestond, te lossen, en zoodanige Europesche goederen als zij daar konden vinden, terug te brengen; dat zij vijf Portugesche matrozen aan boord hadden gehad, die door hen van een ander wrak gered waren; dat bij het vergaan van hun schip vijf man van hun eigen volk verdronken waren, en dat de geredden onnoemelijke gevaren hadden doorgestaan, en half dood van honger op de Kannibaalsche kust gekomen waren, waar zij verwachtten elk oogenblik vermoord te zullen worden.
Hij verhaalde mij, dat zij eenige wapens hadden, die hun echter volstrekt van geen nut waren, omdat zij kruid noch lood hadden; het zeewater had al hun kruid bedorven, op een klein weinig na, dat zij gebruikt hadden toen zij het eerst aan land waren gekomen, om zich eenig voedsel te verschaffen. Ik vroeg hem wat hij dacht, dat er daar van hen worden zou, en of zij geen plan tot ontvlugting ooit gemaakt hadden. Hierover zeide hij, hadden zij dikwijls beraadslaagd, maar daar zij noch vaartuigen, noch werktuigen om ze te bouwen, bezaten, noch eenigen voorraad hoegenaamd, was hunne overlegging altijd in wanhoop en tranen geëindigd. Ik vroeg hem hoe hij dacht, dat een voorstel van mij ten aanzien van hunne redding, zou opgenomen worden, en of dit niet geschieden kon als zij allen hier waren. Ik zeide hem ronduit, dat ik bovenal vreesde voor verraad en mishandeling van hunnentwege, als ik mijn leven in hunne handen stelde, want dat de dankbaarheid geene aangeboren deugd der menschen is; en dewijl de menschen niet alleen handelen naar gelang van hunne verpligtingen, maar veeleer naar het voordeel, dat zij verwachten. Ik zeide hem, dat het zeer hard zou zijn, als ik de bewerker hunner bevrijding was, en dat zij mij naderhand in Nieuw-Spanje tot hun gevangene maakten, waar een Engelschman van zijn dood zeker was, welke nooddwang of welk toeval hem ook derwaarts voerde, en dat ik liever aan de wilden overgeleverd en geslagt wilde worden, dan in de onbarmhartige handen der inquisitie te vallen. Ik voegde er bij, dat ik mij overigens overtuigd hield, dat zoo zij allen hier waren, wij een boot konden bouwen, groot genoeg om ons allen of zuidwaarts naar Brazilië of de eilanden, of noordwaarts naar de Spaansche kust te voeren; maar, dat als zij ter vergelding, als ik hen eens wapens in de hand had gegeven, mij met geweld naar hun eigen land voerden, mijne goedheid jegens hen slecht beloond worden, en ik er erger aan toe zijn zou dan vroeger.
Hij antwoordde met veel openhartigheid en verstand, dat hun toestand zoo jammerlijk was, en zij dit zoo zeer inzagen, dat hij geloofde, dat zij het denkbeeld van iemand, die iets tot hunne bevrijding had bijgedragen, ondankbaar te behandelen, zouden verafschuwen; en dat hij, als ik het verkoos, met den ouden man naar hen toe zou gaan, er met hen over spreken, en mij hun antwoord terug komen brengen; dat hij hen een plegtigen eed zou afeischen, dat zij zich geheel onder mijn bevel stelden, als hun kapitein en bevelhebber; en dat zij mij op de Heilige Sacramenten en het Evangelie trouw zouden zweren, en naar zoodanig Christenland gaan als ik verlangde, en naar geen ander; dat zij zich geheel en volkomen onder mijne orders zouden beschouwen tot wij behouden geland waren, in zoodanig land als ik verkoos, en dat hij een contract daarover, door hen onderteekend, zou medebrengen.
Vervolgens zeide hij, dat hij zelf eerst wilde zweren mij nimmer, zoolang hij leefde, te zullen verlaten, zonder mijn bevel, en dat hij zijn laatsten druppel bloed voor mij zou vergieten; als zijne landslieden zich aan de minste verbreking hunner beloften schuldig maakten.
Hij verhaalde mij, dat het allen zeer beschaafde, brave lieden waren, die zich in den jammerlijksten toestand bevonden, dien men zich kan verbeelden, daar zij noch wapens, noch kleederen, noch eenig voedsel hadden, maar geheel van de genade der wilden afhingen, en dat hij verzekerd was, dat, als ik ondernam hen te verlossen, ik in leven en dood op hen kon rekenen.
Op deze verzekeringen besloot ik het te wagen hen zoo mogelijk te verlossen, en den ouden wilde en den Spanjaard naar hen toe te zenden, om met hen te onderhandelen. Maar toen de Spanjaard gereed stond om te vertrekken, maakte hij zelf mij een zwarigheid, die aan den eenen kant zoo gegrond was, en aan den anderen kant zoo van zijne opregtheid getuigde, dat ik niet anders dan met hem instemmen kon, en naar zijn raad, de bevrijding zijner makkers, ten minste een half jaar uitstelde. Het geval was namelijk dit.
Hij was nu ongeveer eene maand bij mij geweest, gedurende welke ik hem had laten zien hoe ik, met bijstand der Voorzienigheid, voor mijn levensonderhoud gezorgd had; en hij zag toen mijn voorraad van rijst en graan, die hoewel meer dan genoeg voor mij zelven, echter niet voldoende was, ten minste slechts schraal, voor mijn nieuw gezin, nu dit uit vier personen bestond; maar nog veel minder zou het genoeg zijn als zijne landslieden, waarvan, gelijk hij zeide, nog veertien in leven waren, overkwamen, en nog veel minder was er genoeg om ons vaartuig te provianderen, als wij er een gebouwd hadden, voor eene reis naar een der vestigingen in Amerika. Dus zeide hij mij, dat hij het raadzamer achtte, als ik hem en de twee anderen nog eenig land liet omspitten en bezaaijen, met zooveel zaaikoren als ik thans besparen kon, opdat wij genoeg graan in voorraad mogten hebben voor zijne landslieden, als die komen mogten; want het gebrek mogt hen in verzoeking brengen om hunne belofte te verbreken, en zij zich slechts uit de eene ongelegenheid in de andere gestort zien. "Gij weet," zeide hij, "dat schoon de kinderen Israëls zich eerst verheugden over hunne verlossing uit Egypte, zij echter tegen God zelf, die hun verlost had, opstonden, toen zij in de woestijn aan brood gebrek leden."
Zijne omzigtigheid was zoo prijsselijk en zijn raad zoo goed, dat ik niet dan genoegen in zijn voorstel kon nemen, zoowel als voldaan zijn over zijne getrouwheid. Dus gingen wij alle vier aan het spitten, zoo goed als dit met onze houten spaden ging, en ongeveer na eene maand, wanneer het zaaitijd was, hadden wij zooveel land ontgind, dat wij tweeëntwintig schepels graan en zestien potten rijst zaaiden, hetwelk al het zaaikoren was, dat wij missen konden, zelfs hielden wij naauwelijks genoeg graan over voor ons eigen voedsel, voor de zes maanden, waarin wij op onzen oogst moesten wachten, dat wil zeggen, te rekenen van den tijd, dat wij ons zaaikoren hadden afgezonderd, want men moet niet onderstellen, dat het daar te lande zes maanden in den grond bleef.
Daar ik nu gezelschap had, en wij ook talrijk genoeg waren om niets te vreezen van de wilden, als die gekomen waren, tenzij hun aantal bovenmate groot was, gingen wij zoo dikwijls wij er den tijd toe hadden, het geheele eiland door; en daar nu onze bevrijding ons steeds voor den geest zweefde, was het ons, althans mij, onmogelijk niet telkens de middelen daartoe te overdenken. Te dien einde merkte ik verscheidene boomen, die ik voor ons werk geschikt achtte, en zette Vrijdag en zijn vader aan het vellen daarvan, en dan liet ik den Spanjaard, wien ik mijne gedachten daaromtrent mededeelde, hun werk nagaan en bestieren. Ik wees hem met wat onvermoeiden arbeid ik zware boomen tot planken had gekapt, en liet hem hetzelfde verrigten, tot zij ongeveer een dozijn eikenhouten planken bijeen hadden, van bijkans twee voet breed, vijfendertig voet lang en van twee tot vier duim dik. Welke ontzettende arbeid dit vereischte, zal iedereen ligt begrijpen.
Te gelijker tijd trachtte ik mijne kudde van tamme geiten zooveel mogelijk te vermenigvuldigen, en te dien einde gingen Vrijdag en de Spanjaard den eenen dag, en Vrijdag en ik den anderen dag, beurtelings uit, en vingen ongeveer twintig jonge geiten, om bij de overigen op te kweeken, want als wij de moeder doodschoten, spaarden wij de jongen en voegden die bij onze kudde. Maar vooral deed ik, toen de tijd tot het droogen van druiven gekomen was, zulk eene groote menigte in de zon hangen, dat ik geloof, als wij te Alicante, waar men de druiven in de zon droogt, geweest waren, wij zestig tot tachtig vaten gevuld zouden hebben. Deze maakten met ons brood, grootendeels onze spijs uit; en het was een zeer goed voedsel, dat kan ik verzekeren, want zij zijn zeer voedzaam.
Het was nu herfst en de oogst stond zeer goed. Wel was hij niet zoo overvloedig als ik wel eens beleefd had, maar toch voor ons oogmerk voldoende, want van de tweeëntwintig schepels zaaikoorn, oogstten en dorschten wij ongeveer tweehonderd-en-twintig schepels, en van de rijst naar evenredigheid; hetwelk voor ons voedsel genoeg was tot aan den volgenden oogst, al waren ook al de zestien Spanjaarden bij mij geweest, of zoo wij tot eene reis gereed waren hadden wij hiermede ons ruim kunnen provianderen voor eene reis naar iedere plaats, dat is te zeggen van Amerika. Toen wij aldus ons koorn te huis gehaald hadden, gingen wij aan het vlechten van groote manden om het in te bewaren, waarin de Spanjaard vooral zeer handig was, die mij dikwijls laakte, dat ik hiervan geene verdedigingsmiddelen maakte, maar ik zag er de noodzakelijkheid niet van in.
Nu ik voor al de gasten, die ik verwachtte, genoeg te eten had, gaf ik den Spanjaard verlof den overtogt te doen en te zien, wat hij kon doen met de achtergeblevenen. Ik gaf hem een schriftelijken last, niemand mede te brengen, die niet eerst in tegenwoordigheid van hem en den ouden wilde gezworen had, dat hij op geenerlei wijze den persoon, dien hij op het eiland vinden zou, die zoo goed was hen te hunner bevrijding af te halen, zou beleedigen, bevechten of aanvallen, maar dat zij hem zouden bijstaan en verdedigen tegen al zoodanige ondernemingen, en dat waar zij ook gingen, zij geheel en al onder zijn bevel en gezag zouden staan, en dat dit in schrift gesteld en door hen onderteekend zou worden. Hoe dat laatste zou geschieden, daar ik wist, dat zij pen noch inkt hadden, was eene zaak daar wij in het geheel niet over gedacht hadden.
Met deze lastgevingen vertrokken de Spanjaard en de oude wilde, de vader van Vrijdag, in een der kanoes, waarmede zij gekomen of liever gebragt waren door de wilden om verslonden te worden. Ik gaf ieder een geweer en zes of acht scherpe patronen mede, met last hiermede zuinig te zijn en ze niet dan bij dringende noodzakelijkheid te gebruiken. Dit was voor mij eene aangename verrigting, want het waren de eerste maatregelen, die ik sedert meer dan zeven-en-twintig jaren, ter mijner bevrijding genomen had. Ik gaf hun zooveel brood en rozijnen mede, als niet alleen genoeg was voor hen gedurende een geruimen tijd, maar ook voor al hunne landslieden voor acht dagen; en na hun goede reis gewenscht te hebben, liet ik hen vertrekken, na een sein met hen afgesproken te hebben, dat zij bij hunne terugkomst zouden laten waaijen, en waaraan ik hen op een afstand en vóór zij aan den wal kwamen, kon herkennen.
Zij vertrokken bij gunstigen wind en met volle maan, volgens mijne rekening in de maand October, doch nadat eens mijne rekening van de dagen in de war was geraakt, kon ik die nimmer weder in orde brengen; zelfs wist ik niet zeker, of ik de jaren wel volkomen juist had berekend, doch naderhand bleek het, dat mijne rekening van de jaren volkomen juist was.
Het was nu acht dagen, dat ik reeds op hen wachtte, toen een zeldzaam en onverwacht voorval, en welks gelijken welligt niet in de geschiedenis is vermeld, gebeurde. Ik lag op een morgen gerust te slapen toen Vrijdag kwam binnenstuiven, luidkeels roepende: "Meester, meester, daar komen zij, daar komen zij!"--Ik sprong op, en zonder om eenig gevaar te denken, ging ik, zoodra ik mijne kleederen aangeschoten had, door mijn boschje, dat thans een dik bosch geworden was, ik zeg, zonder aan eenig gevaar te denken, ging ik zonder wapens uit, hetgeen anders mijne gewoonte niet was; maar ik zag verbaasd op, toen ik, zeewaarts ziende, op ongeveer een half uur afstands, eene boot naar den wal zag zeilen, met eene gunstige koelte, zoodat zij spoedig moest aankomen. Ook merkte ik thans op, dat zij niet van dien kant kwam waar het vaste land lag, maar van het zuidelijkste einde van het eiland. Hierom riep ik Vrijdag en gelastte hem zich te verbergen, want dat dit niet de lieden waren, die wij verwachtten; en wij nog niet wisten of dit vrienden of vijanden waren.