Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1
Part 19
Daar ik over het geheel in al zijne woorden zulk eene gehechtheid aan mij vond, en dat niets hem mij zou doen verlaten, begreep ik, dat de grondoorzaak van zijn verlangen om zijn vaderland terug te zien, uit de vurige liefde voor zijn volk en de hoop het wel te doen ontsproot; eene zaak tot welke ik niet den minsten lust of verlangen gevoelde. Mijne grootste zucht om derwaarts te vertrekken ontstond uit het berigt dat ik van hem vernomen had, dat namelijk zich daar zeventien blanken bevonden. Zonder verder dralen ging ik derhalve met Vrijdag aan het werk om een grooten boom te vinden, die geschikt was voor eene groote praauw of kanoe om de reis te ondernemen. Er was hout genoeg op het eiland om eene geheele vloot te bouwen, niet alleen van praauwen of kanoes, maar van groote schepen zelfs. De hoofdzaak echter waarnaar ik verlangde, was er een te vinden, die zoo digt bij het water stond, dat wij die, als zij af was, te water konden brengen, ten einde niet weder in denzelfden misslag als vroeger te vervallen.
Eindelijk wees Vrijdag mij een boom, want ik vond, dat hij veel beter wist dan ik welke soort van hout de geschiktste was. Ik weet nog niet tot welke soort de boom behoorde, die wij velden, behalve dat hij veel naar verwhout geleek. Vrijdag was er voor den stam met vuur uit te hollen, maar ik zeide hem dit liever met werktuigen te doen, en nadat ik hem het gebruik daarvan gewezen had, kon hij er spoedig goed mede te regt. Na eene maand harden arbeid, hadden wij hem af, en zeer goed gevormd, vooral toen wij met onze bijlen, die ik hem had leeren behandelen, er de goede gedaante van eene sloep aan hadden gegeven. Vervolgens kostte het ons nog wel veertien dagen tijds om haar als het ware duim voor duim, op groote rollen naar het water te brengen; maar toen zij er in was, had zij zeer goed twintig man kunnen dragen.
Toen de sloep te water was, zag ik met genoegen hoe vlug en behendig Vrijdag haar, in weêrwil van hare grootte, kon behandelen, doen voortgaan en wenden. Ik vroeg hem dus of hij er thans mede zou willen en durven oversteken? "Ja," zeide hij, "ik er zeer goed mede overkomen, al waait het ook harden wind!" Maar ik had een ander voornemen, waarvan hij niets wist, en dat was om een mast en zeil te maken, en haar van een anker en ankertouw te voorzien. Een mast was gemakkelijk te vinden, ik koos hiertoe een jongen, regten cederboom, dien ik daar digt bij vond, en waarvan er op het eiland eene menigte waren, en ik liet Vrijdag dien vellen, en wees hem hoe hij dien afkappen en in orde brengen moest. Met het zeil hield ik mij zelf onledig. Ik wist, dat ik oude zeilen of liever stukken van oude zeilen genoeg had, maar daar ik die nu zesentwintig jaren lang gehad en niet zeer zorgvuldig bewaard had, omdat ik mij niet verbeeld had ze ooit op die wijze te kunnen gebruiken, twijfelde ik niet of zij zouden allen verrot zijn, hetgeen ook met de meesten het geval was. Ik vond echter twee stukken, die nog vrij gaaf waren, en met deze ging ik aan het werk, en na vrij wat moeite, en naaijen, dat, gelijk men denken kan, bij gebrek aan naalden uiterst links en vervelend van de hand ging, maakte ik eindelijk een leelijk driehoekig zeil, met een gaffel en een giek, gelijk onze sloepen gewoonlijk voeren, en waarmede ik het best wist om te gaan, omdat ik zulk een gebruikt had in de boot, waarmede ik uit Barbarije vlugtte, gelijk ik hiervoor verhaald heb.
Ik bragt bijkans twee maanden zoek aan het in orde brengen van mijn mast en zeilen; want ik maakte ook nog een kleine vlieger en een fok er bij, om te helpen als wij door den wind moesten gaan, en ik maakte er van achteren een roer aan om te sturen; en schoon dit er vrij onbehouwen uitzag, kende ik echter het nuttige en noodzakelijke er te goed van, om mij niet zoo veel moeite te geven, dat het eindelijk tot stand kwam, schoon, als ik bedenk hoe dikwijls mijne proefnemingen hiertoe mislukten, ik geloof, dat het mij schier even veel moeite kostte als de boot zelve.
Nadat dit gedaan was moest ik Vrijdag leeren hoe met de boot te zeilen, want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer, en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van koers veranderde. Toen hij, zeg ik, dit zag, stond hij van verbazing verstomd, weldra echter geraakte hij door eenige oefening er gemeenzaam mede, en hij werd een vlug matroos, behalve ten aanzien van het kompas, dat ik hem nimmer goed kon doen begrijpen; aan den anderen kant, daar het zeer zelden bewolkte lucht en bijkans nimmer nevelachtig in deze streken was, was er weinig behoefte aan een kompas, daar bij nacht altijd de sterren, en over dag het strand zigtbaar was, behalve in het regensaizoen, en dan verlangde niemand buiten's huis te zijn, noch te land noch ter zee.
Ik was nu het zevenentwintigste jaar mijner gevangenschap op deze plaats ingetreden, schoon de drie laatste jaren van mijn verblijf eigenlijk met de vorige niet kunnen vergeleken worden, daar het in dien tijd geheel anders was geworden dan vroeger. Ik vierde dit jaarfeest van mijne komst alhier met dezelfde dankbaarheid jegens God, voor zijne goedheid, als het eerste; en had ik toen reeds zoo veel stof tot dankbaarheid, nu was dit nog veel meer het geval, daar ik zoo veel meer blijken van Gods vaderlijke zorg voor mij had ontvangen, en de hoop op eene spoedige bevrijding koesterde, want ik hield mij vast overtuigd, dat mijne bevrijding spoedig op handen was, en ik geen volgende verjaring mijner komst aldaar zou vieren. Ik bleef echter even zoo voor mijne huishouding zorgen als te voren; ik spitte en plantte en omheinde, droogde mijne druiven, en deed al wat noodig was, als te voren.
Middelerwijl viel het regensaizoen in, waarin ik meer binnen 's huis bleef dan anders; dus had ik onze boot zoo goed mogelijk geborgen, door haar in de kreek te brengen, waar ik, gelijk ik gezegd heb, in den beginne mijne vlotten van het schip aan land bragt. Nadat ik haar bij hoog water op den wal gehaald had, deed ik Vrijdag een klein dok graven, dat juist groot en diep genoeg was om de sloep te bevatten, en toen het water afliep, sloten wij het met een stevigen dam af om er het water uit te houden; dus lag zij droog, en om den regen af te keeren, maakten wij er met zware takken eene soort van stevig afdak over heen; en aldus wachtten wij de maanden November en December af, waarin ik besloten had het avontuur te ondernemen.
Toen het weder gestadig werd, en de gedachte aan mijn voornemen, met de schoone dagen tegelijk terug kwam, maakte ik dagelijks toebereidselen tot onze reis. Het eerste wat ik deed, was een aantal levensmiddelen, voor de reis bestemd, bijeen te brengen; met oogmerk, om een of twee weken later het dok te openen en onze boot te water te brengen. Op een morgen was ik aan iets hiertoe bezig, toen ik Vrijdag riep en hem gelastte naar het strand te gaan, om te zien of hij een schildpad vinden kon, iets waarnaar wij gewoonlijk alle weken eens zochten, zoowel om de eijeren als om het vleesch. Vrijdag was nog niet lang weg geweest, toen hij terug kwam loopen, over mijn buitensten wal vloog als iemand, die den grond onder zijne voeten niet voelt, en voor ik den tijd had hem toe te spreken, riep hij: "O meester, meester! o verdriet! o kwaad!"--"Wat is het, Vrijdag?" zeide ik.--"O, ginder," zeide hij, "ginder een, twee, drie kanoes, een, twee, drie kanoes!" Uit zijne wijs van zich uit te drukken maakte ik op, dat er zes waren; maar bij verdere navraag hoorde ik, dat er slechts drie waren. "Nu goed, Vrijdag, wees niet bang," zeide ik, en zoo trachtte ik hem een riem onder het hart te steken. Ik zag echter, dat de arme knaap doodelijk beangst was, want hij had zich in het hoofd gezet, dat zij alleen gekomen waren om hem te zoeken, en dat zij hem in stukken zouden houwen. Hij beefde zoo, dat ik niet wist wat ik met hem zou beginnen. Ik stelde hem gerust zooveel ik kon, en zeide, dat ik even veel gevaar liep als hij, en dat zij mij zoowel als hem zouden opeten. "Maar," zeide ik, "Vrijdag, wij moeten besluiten, met hen te vechten. Kunt gij vechten, Vrijdag?"--"Ik kan schieten," zeide hij, "maar er zijn er zooveel."--"Wees daar niet bang voor," hernam ik, "die wij niet doodschieten zullen door ons vuur bevreesd geworden zijn." Ik vroeg hem daarop, als ik besloot hem te verdedigen, of hij mij zou bijstaan en stipt doen wat ik hem gelastte. Hij zeide: "Ik sterven zal als gij mij gelast te sterven, meester." Ik ging daarop heen en nam een goeden slok rum en gaf hem ook een borrel; want ik had met mijn rum zoo zuinig huis gehouden, dat er nog vrij wat over was. Daarop liet ik hem de twee jagtgeweren, die wij altoos bij ons hadden, geven, en laadde die met groven ganzenhagel, die bijkans zoo zwaar was als pistoolkogels; daarop nam ik vier geweren, en laadde die ieder met twee patronen en vijf kogels, en op mijne twee pistolen deed ik ook twee kogels op ieder. Volgens gewoonte hing ik mijne groote sabel op zijde en gaf Vrijdag zijne bijl.
Na ons aldus uitgerust te hebben, nam ik mijn kijker en klom den heuvel op, om te zien wat ik ontdekken kon. Weldra bemerkte ik, dat er eenentwintig wilden waren, drie gevangenen en drie kanoes; en dat hunne geheele bezigheid scheen te zijn om van deze drie mannen een gastmaal te houden--een barbaarsch feest waarlijk, maar dat bij hen niets ongewoons was.
Ik bemerkte ook, dat zij niet geland waren op de plek waar Vrijdag ontsnapt was, maar digter bij mijne kreek, waar het strand laag was, en een digt bosch zich tot vlak bij de zee uitstrekte. Deze omstandigheid en de afschuw van het onmenschelijk oogmerk dezer barbaren, maakten mijne verontwaardiging zoo gaande, dat ik naar Vrijdag terugkeerde en hem zeide, dat ik besloten had op hen af te gaan, en hen allen dood te schieten, en hem vroeg of hij mij wilde bijstaan. Zijn angst was thans bedaard, en zijn moed door den sterken drank wat opgewekt, zoodat hij zeer wel gemoed was, en mij zeide, even als vroeger, dat hij wilde sterven als ik hem gelastte te sterven.
In deze eerste vlaag van woede deelde ik de wapens, die ik geladen had zoo als ik verhaald heb, tusschen ons; ik gaf Vrijdag eene pistool om in zijn gordel te steken en drie geweren op zijne schouders; ik nam zelf eene pistool en ook drie geweren, en aldus trokken wij op weg. Ik stak een fleschje rum bij mij, en gaf Vrijdag een zak met kruid en lood te dragen. Ik gelastte hem digt achter mij te blijven, en niet vooruit te gaan, noch te schieten noch iets te doen buiten mijn orders, en tevens geen enkel woord te spreken. Aldus uitgerust, maakte ik een omweg van bijkans eene (Eng.) mijl, zoo wel om de kreek over te trekken als om in het bosch te komen; opdat ik hen binnen bereik van mijn schot mogt bekomen, zonder dat zij mij ontdekten, hetgeen naar ik met mijn kijker gezien had, gemakkelijk te doen was.
Terwijl ik op weg was, kwamen mijne vroegere bezwaren bij mij op en mijn besluit begon te wankelen. Ik wil niet zeggen, dat ik eenige vrees voor hun aantal voedde; want daar zij naakt en ongewapend waren, was ik gewis de overhand te hebben, al ware ik geheel alleen geweest. Maar ik bedacht welke roeping, welke reden ik had, laat staan welke noodzakelijkheid er bestond, dat ik mijne handen in bloed zou doopen, en heden aantasten, die mij nimmer eenig leed hadden gedaan, en hiertoe ook geen voornemen hadden; die ten mijnen aanzien schuldeloos waren, en wier barbaarsche zeden hun eigen ongeluk waren, daar dit een teeken was, dat God hen met andere volken van dit werelddeel aan diepe onwetendheid ten prooi had gelaten. Maar dit gaf mij geen regt om over hunne daden het vonnis uit te spreken, veel minder mij tot uitvoerder der goddelijke geregtigheid op te werpen; want zoo God het goedvond zou Hij zelf hen straffen, en door rampen over hun geheele volk te brengen, de zonden des volks bestraffen; maar dit was geenszins eene taak, die mij toekwam. Wel is waar, in Vrijdag kon dit verschoonbaar zijn, omdat hij hun verklaarde vijand en als het ware in staat van oorlog met deze natie was; maar zoo het hem vrijstond hen aan te vallen, was dit niet bij mij het geval. Deze gedachten kwamen mij zoo levendig voor den geest, terwijl ik op weg naar hen toe was, dat ik besloot in hunne nabijheid post te vatten, en dan te handelen zoo als God mij zou aanwijzen; maar zoo ik geen duidelijker roeping dan thans ontving, mij niet met hen in te laten.
Met dit besluit trad ik het bosch in, en trok met de meeste stilte en omzigtigheid, terwijl Vrijdag mij digt op de hielen volgde, tot aan den zoom van het bosch, aan den kant, die het digtst bij hen was, behalve, dat een uithoek van het bosch mij van hen afscheidde. Hier gekomen riep ik Vrijdag zachtjes bij mij, en hem een grooten boom, die juist aan den hoek stond, wijzende, gelastte ik hem daarin te klimmen, en mij tijding te brengen als hij duidelijk zien kon wat zij verrigtten. Dit deed hij en kwam onmiddellijk terug, zeggende, dat men ze vandaar duidelijk zien kon; dat zij allen om het vuur zaten, het vleesch van een hunner gevangenen etende, terwijl een ander, niet ver van hen af, gebonden op het zand lag, die zij volgens zijn zeggen, daarna zouden doodslaan; hetgeen mij buiten mij zelven van drift maakte. Hij zeide mij, dat het niet een van zijne natie was, maar een dier witte gebaarde mannen, die bij zijn volk in de boot waren gekomen. Dit berigt, dat het een blanke was, deed mijn afschuw ten top stijgen, en naar den boom gaande zag ik door mijn kijker duidelijk den blanke, die op het strand lag, aan handen en voeten gekneveld met eene soort van biezen, en dat hij een Europeër was, en kleederen aanhad.
Er was nog een andere boom met eenig struikgewas er om heen, ongeveer vijftig schreden digter bij hen dan de plek waar ik stond, en door een kleinen omweg te maken kon ik zonder gezien te worden, daar komen, en dan was ik op een half geweerschot afstands van hen. Ik bedwong mijne drift derhalve, ofschoon die ten hoogsten top gestegen was, en ongeveer twintig schreden teruggaande, begaf ik mij achter eenig kreupelhout, dat zich uitstrekte tot aan den anderen boom, en toen kwam ik aan eene kleine hoogte, die mij op ongeveer tachtig schreden afstands, een duidelijk gezigt van hen opleverde.
Ik had geen tijd te verliezen, want negentien dier rampzaligen zaten op den grond allen digt bij elkander, en hadden juist de twee anderen afgezonden om den armen Christen te slagten, en hem misschien aan stukken gehouwen, naar hun vuur te brengen, en zij bukten om de banden aan zijne voeten los te maken. Ik keerde mij tot Vrijdag. "Doe nu zoo als ik gelast heb," zeide ik. Hij antwoordde van ja, en ik herhaalde: "Vrijdag, doe juist wat gij mij ziet doen, en geef wel acht." Ik zette een der musketten en het jagtgeweer op den grond, en Vrijdag deed hetzelfde. Met het andere geweer legde ik op de wilden aan, waarin hij mij navolgde. Ik vroeg daarop of hij gereed was. "Ja," was zijn antwoord. "Geef dan vuur," zeide ik, en op hetzelfde oogenblik brandde ik ook los.
Vrijdag had veel beter gemikt dan ik, aan den kant waar bij heenschoot had hij twee man gedood en drie gekwetst, en ik had aan mijne zijde een gedood en twee gekwetst. De wilden geraakten in vreesselijke opschudding, gelijk men wel denken kan; allen, die niet gekwetst waren, sprongen dadelijk op de been, maar zij wisten niet waarheen zij vlugten noch waarheen zij uitzien moesten; want zij zagen niet vanwaar het verderf hen naderde. Vrijdag hield mij gestadig in het oog, ten einde, gelijk ik hem gelast had, te zien wat ik deed; onmiddellijk na het eerste schot liet ik dus het geweer vallen en nam het jagtgeweer op, en Vrijdag deed hetzelfde; hij zag mij den haan overhalen en deed evenzoo. "Zijt gij gereed, Vrijdag?" vroeg ik. "Ja," hernam hij. "Vuur dan, in Gods naam," zeide ik, en ik brandde weder los op de verbijsterde wilden, en Vrijdag deed evenzoo, en daar onze geweren nu met groven ganzenhagel of kleine pistoolkogels geladen waren, zagen wij slechts twee vallen, maar eene groote menigte waren gewond, die als razenden heen en weder liepen, gillende en schreeuwende, terwijl spoedig daarna er nog drie of vier, die zwaar gekwetst waren, nederstortten.
"Volg mij nu, Vrijdag," zeide ik, het afgeschoten geweer nederleggende, en het nog geladen musket opnemende. Hij deed het moedig, en ik kwam het bosch uit en vertoonde mij, met Vrijdag vlak achter mij. Zoodra ik bemerkte, dat zij mij zagen schreeuwde ik zoo luid als ik kon, en gelastte Vrijdag dit ook te doen; en zoo hard als ik loopen kon, hetgeen in het voorbijgaan gezegd, door de wapens waarmede ik beladen was, niet zeer snel ging, begaf ik mij regt naar den armen mensch toe, die gelijk ik zeide, op het strand lag, tusschen de plaats waar zij zaten en de zee. De twee wilden, die hem juist hadden willen slagten, hadden de vlugt genomen in den schrik voor ons eerste vuur, en waren in eene kanoe gesprongen, en nog drie begaven zich ook daarheen. Ik keerde mij naar Vrijdag, gelastte hem verder te gaan en op hen vuur te geven. Hij begreep mij dadelijk, en ongeveer veertig schreden vooruitgaande, om te digter bij hen te zijn, gaf hij vuur op hen, en ik meende, dat hij hen allen gedood had; want ik zag ze allen over elkander in de boot tuimelen, doch twee hunner stonden spoedig weder op. Hij had echter twee er van gedood en den derde gekwetst, zoodat deze als dood op den bodem van de kanoe lag.
Terwijl Vrijdag op hen vuurde haalde ik mijn mes uit, en sneed de banden door, waarmede de arme mensch gebonden was; hielp hem op de been en vroeg hem in het Portugeesch wie hij was. Hij antwoordde mij in het Latijn een Christen; maar was zoo zwak en flaauw, dat hij naauwelijks staan of spreken kon. Ik haalde mijne flesch uit den zak en wenkte hem, dat hij drinken zou, hetgeen hij deed; en ik gaf hem een stuk brood, hetgeen hij opat. Toen vroeg ik hem wat landsman hij was, en hij zeide een Spanjaard, en zich een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij door alle mogelijke teekens te kennen hoezeer hij mij dankbaar was voor zijne bevrijding. "Sennor," zeide ik, in zoo goed Spaansch als ik bijeen kon brengen, "daar zullen wij later over spreken, maar nu moeten wij vechten, als uwe krachten het toelaten, neem dus deze pistool en die sabel, en weer u daarmede." Hij nam ze met dankzegging aan, en naauwelijks had hij de wapens in de hand, of hij scheen nieuwe kracht te krijgen, vloog als woedend op zijne moordenaars aan, en had twee hunner in een oogenblik neergeveld; want om de waarheid te zeggen, de arme schepsels, wien dit alles zoo onverwachts overkwam, waren zoo verschrikt van de losbranding onzer geweren, dat zij van verbazing en angst nederstortten, en even weinig in staat waren op de vlugt te denken, als om onze kogels af te weren, en zoo ging het ook met de vijf, die in de boot waren, want toen Vrijdag schoot en er drie die getroffen waren, nedervielen, stortten de andere twee van blooten schrik neder.
Ik hield mijn geweer nog in de hand, maar zonder vuur te geven, omdat ik mijn schot bewaren wilde, daar ik den Spanjaard mijne pistool en sabel had gegeven; ik riep Vrijdag dus, en zond hem terug naar den boom vanwaar wij het eerst gevuurd hadden, om de ongeladen geweren te halen, die wij daar hadden laten liggen, hetgeen hij met groote vlugheid deed; en na hem mijn geweer gegeven te hebben, ging ik zitten om de anderen weder te laden; en gelastte hem naar mij toe te komen als hij ze noodig had. Terwijl ik ze laadde geraakte de Spanjaard in een fel gevecht met een der wilden, die hem met een dier houten zwaarden aanviel, hetzelfde wapen, waarmede hij zou geslagt zijn geworden, als ik het niet belet had. De Spanjaard, die ofschoon zwak, zoo moedig was als een leeuw, had dezen Indiaan eene geruime poos bevochten en hem twee wonden aan het hoofd toegebragt; maar de wilde, een kloeke sterke kerel zijnde, had den afgematten man nedergeworpen en trachtte hem mijne sabel uit de hand te wringen, toen de Spanjaard, hoewel onderliggende, wijsselijk de sabel losliet, mijne pistool uit zijn gordel trok en den Indiaan door het ligchaam schoot, zoodat hij op de plek dood bleef, alvorens ik, die hem te hulp kwam, bij hem was gekomen.
Vrijdag, die nu naar eigen willekeur handelen kon, vervolgde de vlugtende wilden met geen ander wapen dan zijne bijl, en hiermede maakte hij de drie af, die gelijk ik gezegd heb, bij het eerste schot gevallen waren, en al die hij verder bereiken kon. Den Spanjaard, die mij om een geweer vroeg, gaf ik een der jagtgeweren, waarmede hij twee wilden vervolgde, en ze beide kwetste; maar daar hij bezwaarlijk loopen kon, ontsnapten zij hem beide in het bosch, waar Vrijdag ze vervolgde, en er een van doodde; maar de andere was hem te vlug af; en ofschoon gewond, sprong hij echter in zee, en zwom uit al zijne magt naar de twee, die nog in de kanoe waren, welke drie personen, waaronder een gekwetste, die wij niet wisten of hij leven kon of niet, alles was wat ons van de eenentwintig ontsnapte. Zie hier den uitslag van het gevecht.
3 Gedood bij ons eerste vuur van den boom. 2 Gedood bij het volgende schot. 2 Door Vrijdag in de kanoe gedood. 2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt. 1 Door hem in het bosch gedood. 3 Door den Spanjaard gedood. 4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven of door Vrijdag afgemaakt. 4 Ontsnapt in de boot, waaronder een gewond of dood. ---- 21 in het geheel.
Die in de kanoe waren roeiden zoo hard zij konden om buiten ons schot te komen, en hoewel Vrijdag twee of drie schoten op hen deed, kon ik niet bespeuren, dat hij een hunner getroffen had. Vrijdag had wel gewild, dat ik een hunner kanoes genomen en hen vervolgd had; hunne ontvlugting baarde mij ook veel zorg, uit vrees, dat zij, na hunnen landslieden deze tijding gebragt te hebben, misschien met twee of driehonderd kanoes terug mogten keeren, en ons door hun aantal overweldigen. Ik gaf dus mijn toestemming hen op zee te vervolgen, sprong in een der kanoes en gelastte Vrijdag mij te volgen; maar in de kanoe gekomen stond ik niet weinig verwonderd daar nog een levend wezen in te vinden, even als de Spanjaard aan handen en voeten gebonden om geslagt te worden, en schier dood van schrik, niet wetende wat er gebeurde, daar hij niet over de zijde der kanoe heen had kunnen zien; hij was zoo stijf gebonden, en zoo lang gekneveld geweest, dat er schier geen leven meer in hem was.
Oogenblikkelijk sneed ik de gestrengelde biezen los, waarmede zij hem gebonden hadden; en wilde hem ophelpen; maar hij kon niet staan of spreken; maar kermde jammerlijk, meenende naar het schijnt, dat hij alleen losgemaakt werd om geslagt te worden.
Toen Vrijdag er bij kwam, gelastte ik dezen hem zijne bevrijding bekend te maken, en mijne flesch uithalende, gaf ik den armen drommel een slok, hetwelk, met de tijding van zijne bevrijding, hem weder bij bragt, en hij ging in de kanoe zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde, de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als een razende danste en sprong. Het duurde eene geruime poos eer ik het zoo ver brengen kon, dat hij tot mij sprak en mij zeide wat er van de zaak was, maar toen hij een weinig tot zichzelven kwam verhaalde hij mij, dat dit zijn vader was.