Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 16

Chapter 164,119 wordsPublic domain

Deze denkbeelden maakten mij zoo neêrslagtig, dat ik mijne onderneming begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, onuitvoerbaar werd. Nu viel het mij in, dat het best ware op de hoogste plek gronds te gaan, die ik vinden kon, en, als ik kon, waarnemen hoe de stroomingen met het getij liepen, wanneer de vloed doorkwam, zoo dat ik oordeelen kon, dat als ik eens langs den eenen weg naar buiten gedreven werd, of ik ook hopen kon langs een anderen weg naar binnen gedreven te worden, met de stroomingen. Naauwelijks kwam dit denkbeeld bij mij op, of ik sloeg mijn oog op een heuvel, vanwaar ik de zee aan weerszijden voldoende overzien kon, en waar ik een duidelijk gezigt van de stroomingen had, en hoe ik op mijn terugreis sturen moest. Ik vond, dat de strooming van de eb digt langs de zuidelijke punt van het eiland heen liep, terwijl de strooming van den vloed aan de noordelijke zijde digt langs het strand liep, en ik dus niets te doen had dan bij mijne terugkomst de noordzijde van het eiland te houden.

Hierdoor aangemoedigd, besloot ik den volgenden morgen met het begin van het getij uit te gaan, gelijk ik deed, na dien nacht in de kanoe, onder de dikke jas, geslapen te hebben. Ik stuurde eerst een eindweegs in zee regt noordwaarts aan, tot ik de kracht van de strooming begon te bemerken, die mij oostwaarts en met vrij groote snelheid voortdreef, maar niet zoo geweldig als de zuidelijke strooming te voren gedaan had, en mij het bestuur over mijne boot latende, zoo dat ik die, met mijn roeiriem sturende, met groote snelheid regt op het wrak aanhield, en het binnen twee uren bereikte.

Het was een treurig gezigt; het schip, dat van Spaansche bouworde was, zat tusschen twee rotsen vastgeklemd; de zee had het van achteren en op zijde reeds geheel aan stukken geslagen, en daar het voorschip met groot geweld tusschen de klippen was geworpen, waren de fokke en groote mast kort afgebroken, maar de boegspriet was heel en de voorsteven scheen nog geheel onbeschadigd. Toen ik dezen naderde kwam er een hond te voorschijn, die, mij ziende, begon te janken en te blaffen, en zoodra ik hem riep, in zee sprong en naar mij toezwom. Ik nam hem in de boot, maar hij was halfdood van honger en dorst. Ik gaf hem een stuk brood en hij at als een wolf, die veertien dagen lang honger geleden heeft. Toen gaf ik hem wat zoet water, maar zoo ik hem had laten begaan, zou hij zich te bersten hebben gedronken.

Daarna ging ik aan boord. Het eerst wat ik zag was twee mannen, die in de konstapelskamer verdronken waren, met de armen stijf om elkander geslagen. Ik begreep, gelijk zeer waarschijnlijk was, dat toen het schip in den storm vastraakte, de zee zoo hoog liep en er zoo hevig in gekomen was, dat deze arme lieden er door verdronken of gesmoord waren, zoo goed als of zij onder water hadden gelegen. Behalve den hond was er geen levend schepsel aan boord, en voor zoo verre ik zien kon, geene goederen, die niet door het water bedorven waren. Lager in het ruim lagen eenige vaten met wijn of sterken drank, die ik, toen het water op het laagst was, zien kon, maar zij waren voor mij te zwaar. Ik zag verscheidene kisten, die waarschijnlijk aan de matrozen behoord hadden, en ik nam er twee van in de boot, zonder te onderzoeken wat er in was.

Zoo het schip van achteren vast gezeten had, en het voorschip verbrijzeld ware geweest, zou ik eene zeer goede reis gedaan hebben, want naar hetgeen ik in die twee kisten vond, begreep ik, dat het schip zeer rijk geladen moest geweest zijn; en naar den koers, dien het gehouden had, te rekenen, was het waarschijnlijk bestemd naar Buenos Ayros of Rio de la Plata, boven Brazilië, vandaar naar de Havanna, en zoo misschien naar Spanje. Er waren zeker groote schatten in, maar daar had ik niets aan, en ik wist niet waar de bemanning gebleven was.

Behalve deze twee kisten vond ik een vaatje sterken drank van ongeveer twintig flesschen, dat ik met veel moeite in mijne boot bragt. In eene hut vond ik eene menigte geweren en een grooten kruidhoorn met ongeveer vier pond kruid; daar ik de geweren niet noodig had, liet ik die liggen en nam den kruidhoorn alleen mede. Ook nam ik mede een blaasbalg en een tang, die ik beide hoog noodig had, als ook twee koperen keteltjes, een chocoladepot en een rooster, en met dit alles, benevens den hond, vertrok ik, daar het getij mij naar huis dreef, en denzelfden avond, ongeveer een uur na zonsondergang bereikte ik het eiland weder, uiterst vermoeid van dezen togt.

Ik sliep dien nacht in de boot, en den volgenden morgen besloot ik hetgeen ik medegebragt had, in mijn nieuw ontdekte grot, en niet naar mijn kasteel te brengen. Na ontbeten te hebben, bragt ik al mijne lading aan den wal en begon die na te zien. Het vaatje met sterken drank was vol rum, zoo als wij in Brazilië hadden, dat wil zeggen, die niets deugde. Maar bij het openen der kisten vond ik verscheidene zaken, die mij ontbraken; in een vond ik bij voorbeeld een zeer fraaije flesschenkelder, geheel met allerlei fijne likeuren, in flesschen met zilveren stoppen, gevuld. Ik vond twee potten met confituren, zoo goed digt gemaakt, dat het water er niet had kunnen bijkomen, en nog twee, die bedorven waren, bovendien vond ik eenige zeer goede hemden, die mij zeer aangenaam waren, en anderhalf dozijn witte en gekleurde zakdoeken, die mij zeer goed te pas kwamen, om op een warmen dag mijn zweet af te droogen. Bovendien vond ik onder in de kist drie groote zakken, te zamen ongeveer elfhonderd stukken van achten bevattende, en zes gouden dubloenen in een papier gewikkeld, en nog eenige kleine staven goud, die ik denk, dat gezamenlijk een pond zouden wegen.

In de andere kist waren eenige kleederen, doch van minder waarde; ik denk, dat die aan den konstapelsmaat behoord had, schoon er geen kruid in was dan een paar pond zeer fijn, dat in drie fleschjes was, en naar ik denk, bestemd was om voor jagtgeweren te gebruiken. Over het geheel had ik op deze reis weinig opgedaan wat mij van nut was; want het geld was mij niet meer waard dan het slijk onder mijne voeten; en ik had alles wel willen geven voor drie of vier paar Engelsche schoenen en kousen, daar ik groot gebrek aan had en die ik in vele jaren niet aan mijne voeten gedragen had. Ik had nu, wel is waar, twee paar schoenen, die ik den twee verdronken mannen, die ik op het wrak vond, van de beenen had genomen; maar zij waren noch zoo stevig, noch zoo gemakkelijk als onze Engelsche schoenen, maar geleken meer naar dansschoenen. Ik vond in deze matrozenkist ongeveer vijftig stukken van achten, maar geen goud, ik begreep dus, dat de eerste kist aan een officier toebehoord had.

Ik bragt het geld naar mijne grot en legde het neder, gelijk ik vroeger gedaan had met dat, hetwelk ik uit ons eigen schip gehaald had; maar het was zeer jammer, dat het andere einde van het schip niet voor mij toegankelijk was geweest, want ik had mijne kanoe dan zeker verscheidene malen vol met geld kunnen laden, en zoo ik ooit naar Engeland had kunnen komen, had het daar veilig genoeg kunnen liggen, tot ik terug kwam, om het te halen.

Na alles aan wal gebragt en geborgen te hebben, ging ik naar mijne boot terug en bragt die langs het strand naar hare oude haven; daarna keerde ik naar mijne woning terug, waar ik alles in orde vond. Ik rustte thans van mijne vermoeijenissen, leefde op mijne oude wijze, en zorgde voor mijne huishouding. Eene poos leefde ik zeer rustig, behalve dat ik waakzamer dan gewoonlijk was, meermalen naar zee zag en niet dikwijls uitging, en zoo ik een togtje naar het eiland deed, was dit altijd naar de oostzijde, waar ik vrij zeker was, dat de wilden nimmer kwamen, en waar ik, zonder zoo vele voorzorgen en al die zwaarte van kruid en lood en wapens, gaan kon, die ik altijd medesleepte, als ik den anderen kant uitging.

Ik bragt bijkans twee jaren in dien toestand door, maar mijn ongelukkig hoofd, dat geschapen scheen om mij alle soort van ellende aan te brengen, was al dien tijd opgevuld met ontwerpen, hoe ik, als het mogelijk was, van dit eiland af zou raken; dan wilde ik eene tweede reis naar het wrak doen, schoon mijn verstand mij zeide, dat er niets was, wat de gevaren der reis zou beloonen; somtijds wilde ik dezen of dien weg heen een togtje doen, en ik geloof waarlijk, dat zoo ik de boot had bezeten, waarmede ik te Salé in zee stak, ik op goed geluk in zee zou gegaan zijn. In alle mijne lotgevallen was ik een waarschuwend voorbeeld voor hen, die met de gewone kwaal behebt zijn, waaruit ik geloof, dat de helft der menschelijke ellenden voortvloeijen, namelijk dat men niet tevreden is met den staat, waarin God en de natuur ons geplaatst hebben. Want zonder nu terug te komen op mijne eerste bestemming, en de uitstekende raadgevingen mijns vaders, welker tegenstreving ik mijne oorspronkelijke zonde noemen mag, waren mijne volgende misslagen van dien aard de oorzaken van mijn tegenwoordigen rampzaligen toestand. Want zoo de Voorzienigheid, die mij in Brazilië zoo gelukkig als planter gevestigd had, mij gematigde begeerten geschonken had, en hadde ik mij tevreden gesteld met langzaam vooruit te gaan, dan kon ik in den tijd, dien ik thans op het eiland had doorgebragt, een der aanzienlijkste planters van Brazilië geweest zijn, ja, ik ben overtuigd, dat ik, naar de wijze, waarop ik reeds vooruitgegaan was, ik thans ligtelijk honderdduizend moidores rijk had kunnen zijn. Wat behoefde ik ook eene winstgevende zaak, een goed ingerigte plantaadje te verlaten, om als supercargo naar de kust van Guinea te gaan, om slaven te halen, terwijl met der tijd en geduld onzen rijkdom zoo vermeerderd zou hebben, dat wij gemakkelijk hen voor onze deur hadden kunnen koopen, van degenen, wier taak het was hen te halen. Al had dit iets meer gekost, die hooger prijs verdiende niet met zoo veel gevaar uitgewonnen te worden. Maar gewoonlijk handelen jonge lieden zoo, terwijl zij eerst bij meerdere jaren en duurgekochte ervaring de dwaasheid daarvan inzien. Zoo ging het mij ook, maar toch had die verkeerde neiging zoo diep in mijn geest wortel geschoten, dat ik in mijn tegenwoordigen toestand niet tevreden was, maar aanhoudend peinsde over de mogelijkheid en de middelen, om van deze plaats te ontkomen. En ten einde de lezer mijn verder verhaal te aangenamer zij, zal het niet ongepast zijn eenig verslag van mijne eerste ontwerpen aangaande mijne ontkoming te geven, en op welken grond ik handelde.

Men verbeelde zich thans, dat ik na mijne laatste reis naar het wrak, in het kasteel teruggekeerd ben, mijn schip is geborgen en onder water gelegd, als gewoonlijk, en mijn toestand dezelfde als vroeger. Ik had nu zeker meer geld dan te voren, maar was er niet rijker om, want ik kon het evenmin gebruiken als de Indianen te Peru hun goud, voor de Spanjaarden daar kwamen.

In een der nachten, in het regensaizoen, in Maart, het vierentwintigste jaar van mijn verblijf in dit eenzaam eiland, lag ik in mijn bed of hangmat, wakker, zeer gezond, ik had geenerlei pijn of ongemak, en ook geene meerdere gemoedskwelling dan anders, maar kon toch niet slapen, zelfs geen oogenblik insluimeren. Het is even onmogelijk als noodeloos de menigte van gedachten te vermelden, die gedurende dien geheelen nacht bij mij opkwamen. Mijn geheele leven kwam mij als in een kort bestek, achtervolgens voor den geest, tot aan mijne komst op het eiland, en even zoo dat gedeelte mijns levens, dat ik op hetzelve doorgebragt had. Terwijl ik mijnen toestand alhier sedert ik aan wal gekomen was, lag te overpeinzen, vergeleek ik den gelukkigen gang der zaken in het eerste jaar van mijn verblijf alhier, met dien voortdurenden angst, vrees en zorg, waarin ik steeds geleefd had, sedert ik een afdruk van een voet op het zand gezien had. Ik geloofde wel niet, dat de wilden het eiland al dien tijd aanhoudend bezocht hadden, en er honderden malen aan wal geweest waren; maar daar ik er toen niets van wist en dus volstrekt geene vrees voor voeden kon, was ik volkomen gerust, schoon het gevaar even eens was; en bij mijne onbekendheid met hetzelve was ik even welgemoed alsof ik er in het geheel niet aan blootgesteld was. Dit bragt mij op verscheidene nuttige opmerkingen, en bijzonder op deze, hoe oneindig goed de Voorzienigheid is, die den mensch zoo kortzigtig heeft gemaakt, waardoor hij, ofschoon te midden van vele duizenden gevaren, welke, zoo hij ze bespeurde, hem geheel verbijsteren zouden, volkomen kalm en gerust blijft, omdat hij de gevaren, die hem omringen, ziet noch kent.

Nadat deze gedachten mij eenigen tijd hadden bezig gehouden, dacht ik ernstig na over het wezenlijk gevaar, dat ik op dit eiland zoo vele jaren geloopen had, en hoe ik altijd met de grootste gerustheid rondgezworven had, terwijl misschien niets dan de top eens heuvels, de stam eens booms of het invallen van de duisternis tusschen mij en den ergsten dood geweest was, dien namelijk, van in de handen van menschenetende wilden te vallen, die mij zouden beschouwd hebben met hetzelfde oog, waarmede ik een geitje of schildpad aanzag, en even weinig zwarigheid er in zouden gevonden hebben, mij te slagten en op te eten, als ik een duif of een wulp. Ik zou de waarheid te kort doen als ik niet zeide, dat ik opregt dankbaar was aan mijn Behoeder, aan wiens bijzondere bescherming ik nederig erkende al mijne redding uit deze onbekende gevaren verschuldigd te zijn, en zonder welke ik onvermijdelijk in hunne wreedaardige handen zou gevallen zijn.

Toen deze gedachten voorbij waren, hield ik mij eenigen tijd bezig met het overwegen van den aard van deze rampzaligen, ik meen de wilden, en hoe het kwam, dat de alwijze Bestierder der wereld aan eenige zijner schepselen zulke barbaarschheid toeliet, ja, dat beneden het beestachtige was, van namelijk zijns gelijken te verslinden. Doch dit bleef bij eenige vruchtelooze bespiegelingen, maar bragt mij op het nagaan in welk deel der wereld deze rampzaligen leefden, hoe ver de kust was vanwaar zij kwamen, waarom zij zich zoo ver van huis begaven, en waarom ik het niet zoo ver kon brengen, dat ik in staat was naar hen toe te gaan, zoo goed als zij tot mij over kwamen.

Ik bekommerde er mij op dat oogenblik niet om, wat ik doen zou om daar te komen; wat er van mij worden zou als ik den wilden in handen viel, of hoe ik, zoo zij mij vervolgden, hun zou kunnen ontsnappen; zelfs niet hoe het mogelijk zou zijn de kust te bereiken, zonder dat eenigen hunner mij aanvallen zouden, zonder dat ik hoop had van te ontkomen, en als ik niet in hunne handen viel, wat ik doen zou om leeftogt te bekomen of welken koers ik nemen zou; geen dezer gedachten kwam zelfs bij mij op; maar mijn geest hield zich alleen bezig met het denkbeeld van in mijne boot naar het vaste land over te steken. Ik beschouwde thans mijn toestand, als de ongelukkigste, die er zijn kon; en dat niets erger kon worden voor mij, dan alleen de dood; dat zoo ik de kust van het vaste land bereikte, ik misschien redding kon vinden, of langs het strand gaan, gelijk ik in Afrika gedaan had, toen ik aan een bewoond land kwam. Misschien kon ik ook een Europeesch schip ontmoeten, dat mij opnam, en zoo al het ergste gebeurde, kon ik slechts den dood vinden, die in eens aan al mijne ellenden een einde zou maken. Men bedenke, dat dit alles de vrucht was van een overspannen en ongeduldig gemoed, dat als het ware wanhopig was geworden door het langdurige mijner zorgen, en de teleurstelling, die mij op het wrak, waarop ik geweest was, wedervaren was, waar ik zoo nabij de vervulling van mijne vurigste wenschen geweest was, namelijk iemand tot wien ik spreken en van wien ik eenige kennis nopens de plaats waar ik mij bevond, verkrijgen kon. Ik was geheel ontroerd door deze bedenkingen. Al mijne gemoedsrust, mijne onderwerping aan de Voorzienigheid en mijne berusting in des Hemels raadsbesluiten, schenen verdwenen, en ik kon mijne gedachten nergens anders op vestigen dan op het ontwerp eener reis naar het vasteland, dat mij met zoo veel kracht en zoo geweldig overviel, dat ik dit niet weerstaan kon.

Nadat mij dit twee uren of langer het hoofd zoo op hol had gebragt, dat mijn bloed kookte en mijn pols klopte alsof ik de koorts had, alleen door de drift mijner denkbeelden, deed de natuur, daar ik door het woelen dezer gedachten zeer uitgeput was, mij in een diepen slaap vallen. Men zou denken, dat ik er van had moeten droomen, maar dat was het geval niet, ook niet van iets wat daarop betrekking had; maar ik droomde, dat ik in den morgen, gelijk gewoonlijk, buiten mijn kasteel ging, en op het strand twee kanoes zag, waaruit elf wilden stapten, en dat zij een anderen wilde medebragten, dien zij wilden dooden om hem op te eten, maar juist toen zij hem wilden slagten, rukte de wilde zich plotseling los, en nam de vlugt. Daarop verbeeldde ik mij, dat hij door het digte bosch voor mijne vesting zwierf om zich daarin te verbergen; en dat ik, ziende dat hij alleen was, en niet bemerkende, dat de anderen hem dien kant uit zochten, mij aan hem vertoonde, met bemoedigende gebaren; dat hij voor mij knielde, en mij om bijstand scheen te smeeken, waarop ik hem mijne ladder wees, hem die deed opstijgen, en hem in mijn kelder bragt, waar hij mijn knecht werd, en zoodra ik dien man verkregen had, zeide ik tot mijzelven: "Nu kan ik mij gerust naar het vaste land wagen; want deze man kan mij tot loods strekken, en zal mij zeggen wat ik doen moet en waar ik lijftogt kan bekomen, en waar ik niet gaan moet om niet verslonden te worden; in welke plaatsen ik mij wagen kan en welke ik ontwijken moet!" Met deze gedachten ontwaakte ik, en was zoo onbeschrijfelijk verheugd over het vooruitzigt mijner ontkoming in den droom, dat de teleurstelling, die ik gevoelde, toen ik tot mijzelven komende, bevond, dat het slechts een droom was, even buitensporig was, en mij geheel neêrslagtig maakte.

Ik besloot echter bij deze gelegenheid, dat de eenigste weg, dien ik had om eene ontkoming te beproeven, daarin bestond om zoo mogelijk een wilde in mijne magt te erlangen, en als het kon een hunner gevangenen, dien zij veroordeeld hadden om gegeten te worden, en hierheen bragten om te slagten. Maar hier deed zich nog de zwarigheid op, dat dit onmogelijk was zonder een geheelen troep van hen aan te vallen en hen allen te dooden; en dit was niet alleen een zeer roekelooze aanslag, die ligt kon mislukken, maar ik twijfelde aan den anderen kant of hij wel geoorloofd was, en mijn hart beefde bij de gedachte van zooveel bloed te vergieten, al was het ook ter mijner bevrijding. Ik behoef de redenen hier niet te herhalen, die zich bij mij hier tegen stelden, daar het dezelfde waren als vroeger, maar schoon ik nu andere redenen had, namelijk, dat het vijanden van mij waren, en zij mij zouden slagten als zij konden; dat het niet dan zelfbehoud was om mij uit een toestand te redden, die erger dan de dood was, en dat ik even goed tot mijne zelfverdediging handelde, als wanneer ik werkelijk door hen aangevallen werd, en zoo voorts; toch kon ik mij met het denkbeeld van zoo veel menschenbloed te vergieten, niet vereenigen.

Eindelijk echter, na lang met mij zelven getwist en op twee gedachten gehinkt te hebben, behield het verlangen naar mijne bevrijding de overhand, en ik besloot, mij van een dier wilden meester te maken, het kostte wat het wilde. Nu was de vraag hoe ik dit aanleggen zou, en deze was niet gemakkelijk te beantwoorden; maar daar ik er geene waarschijnlijke middelen toe kon uitdenken, besloot ik de wacht te houden, om te zien als zij aan wal kwamen, en het overige aan het lot over te laten, en zulke maatregelen te nemen als de omstandigheden zouden vereischen.

Met dit voornemen ging ik zoo dikwijls mogelijk op bespieding uit, tot dat het mij ten laatste hartelijk begon te vervelen; want het duurde meer dan anderhalf jaar, dat ik schier elken dag vruchteloos naar den westelijken en zuidwestelijken hoek van het eiland ging, om naar de kanoes uit te zien, doch er kwamen geene te voorschijn. Dit was zeer ontmoedigend, en daar ik niet kan zeggen, gelijk anders het geval was, dat met der tijd mijn verlangen verdween, werd ik er te gretiger naar hoe langer het duurde. Ik verlangde nu evenzeer naar de wilden als ik vroeger ze verlangde te vermijden. Ik vleide mij zelfs een, ja twee of drie wilden te verkrijgen, en die geheel tot mijne slaven te maken, om te doen wat ik hun zou gelasten, terwijl ik te gelijk belette, dat zij mij eenig leed deden. Lang verheugde ik mij met dit denkbeeld, maar er scheen niets van te zullen komen, al mijne verwachtingen waren vruchteloos, want gedurende een langen tijd kwamen er geene wilden opdagen.

Ongeveer anderhalf jaar na dat ik mij deze denkbeelden het eerst in het hoofd had gehaald, en toen ik reeds dacht, dat er nimmer iets van komen zou, werd ik op een morgen verrast door het zien van niet minder dan vijf kanoes, die allen aan mijne zijde van het eiland op het strand zaten, terwijl al de daarbij behoorende lieden aan land en buiten mijn gezigt waren. Hun aantal verijdelde al mijne voornemens, ik wist, dat er altijd vijf of zes en soms meer in eene kanoe kwamen, en wist dus niet hoe ik alleen twintig of dertig menschen zou aantasten, dus bleef ik misnoegd en teleurgesteld in mijn kasteel. Ik maakte echter alles tot een aanval gereed als de gelegenheid zich mogt voordoen. Na eene lange poos gewacht te hebben of ik ook eenig gerucht hoorde, werd ik ongeduldig, en klom met mijne ladder tot boven op den heuvel, en bleef daar zoo staan, dat men mijn hoofd niet boven den heuvel kon uitzien, en zij mij volstrekt niet konden gewaar worden. Hier bespeurde ik met behulp van mijn kijker, dat zij niet minder dan vijfendertig in getal waren, dat zij een vuur aangemaakt en vleesch toebereid hadden; hoe zij het braadden of wat het was, wist ik niet; maar zij dansten allen met allerlei zonderlinge en barbaarsche gebaren rondom het vuur.

Terwijl ik hen aldus gadesloeg, zag ik, dat men twee ongelukkigen uit de kanoes haalde, waarin zij, naar het schijnt, gelegen hadden, en thans ter slagtbank leidde. Een hunner viel oogenblikkelijk neder, naar ik denk, nedergeveld door een knods of houten zwaard, gelijk zij gebruiken, en twee of drie hunner begonnen hem aan stukken te houwen. Het andere slagtoffer bleef staan, in afwachting, dat het zijne beurt werd. Op dit oogenblik, terwijl deze ongelukkige zich eenigermate in vrijheid zag, ontwaakte bij hem de zucht tot zelfbehoud; hij nam de vlugt, en liep met onbegrijpelijke snelheid langs het strand, regt op mij aan, dat is te zeggen, naar dat gedeelte van de kust, waar mijne woning stond. Ik moet bekennen, dat ik vreesselijk schrikte, toen hij mijn kant uit kwam, en vooral toen ik verwachtte, dat allen hem zouden volgen. Nu verwachtte ik, dat mijn droom zou uitkomen en hij in mijne schans eene schuilplaats zou zoeken, maar ik kon er niet op rekenen, dat, even als in mijn droom, de andere wilden hem niet zouden vervolgen en daar vinden. Ik bleef echter staan en begon weder moed te scheppen, toen ik bemerkte, dat slechts drie man hem volgden, en vooral toen ik zag, dat hij veel harder liep dan zij en grond op hen won, zoodat ik begreep, dat, als hij het nog een half uur kon uithouden, hij buiten hun bereik zou zijn.