Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 15

Chapter 154,126 wordsPublic domain

Terwijl ik daar aan het houtkappen was, bemerkte ik, dat er achter eenig zeer dik kreupelhout of heestergewas, eene zekere opening was. Ik was nieuwsgierig, die te zien, en toen ik met moeite aan den ingang kwam, vond ik, dat, die vrij groot was, namelijk, dat ik er, en nog iemand naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in weêrkaatste. Echter kwam ik na eenige oogenblikken wat tot mij zelven, en schold mij zelven voor een tiendubbelen gek, en zeide, dat hij, die bang was den duivel onder de oogen te zien, niet geschikt was om twintig jaren geheel alleen op een woest eiland te leven, en dat er zeker niets in de grot was, dat meer schrik kon verwekken dan mijn eigen persoon. Hierna raapte ik al mijn moed bijeen, nam een vlammend hout in de hand, en stoof daarmede gewapend, de grot in. Ik had nog geen drie stappen gedaan, of ik schrikte weder even hevig als vroeger, want ik hoorde een luid steenen, als van iemand, die zware pijn lijdt, dan weder een dof geluid, als of men binnen 's monds sprak, gevolgd door een diepen zucht. Ik trad terug en was zoo ontsteld, dat het koude zweet mij uitbrak, en had ik een hoed op gehad, dan zouden mijne te berge staande haren dien misschien opgeligt hebben. Maar nog trachtte ik moed te scheppen met het denkbeeld, dat God alomtegenwoordig was en mij kon beschermen, en weder voorwaarts stappende, zag ik bij het licht van het brandend hout, dat ik boven mijn hoofd hield, zag ik, zeg ik, een allermonsterachtigsten, vreesselijken ouden bok op den grond liggen, die daar lag te zieltogen en van ouderdom scheen te sterven. Ik beproefde hem weg te jagen; hij trachtte op te staan, maar kon niet; en ik dacht bij mij zelven: blijf dan maar liggen, want hebt gij mij zoo verschrikt, dan zult gij zekerlijk de wilden, zoo die het durven wagen naar binnen te dringen terwijl gij nog leeft, nog veel meer schrik aanjagen.

Van mijne verbazing bekomen, begon ik rond te zien en ontdekte, dat de grot inderdaad zeer klein was, namelijk ongeveer twaalf voet, maar onregelmatig, noch rond noch vierkant gevormd, daar de natuur dit alleen, zonder hulp van menschenhanden gedaan had. Ik bemerkte ook, dat er aarde op eene plaats was, die dieper inliep, maar zoo laag, dat ik er op handen en voeten in moest kruipen. Daar ik nu geen kaars bij mij had, stelde ik dit uit, maar besloot den volgenden dag met kaarsen en een tinteldoos terug te komen. Mijn tinteldoos had ik van het slot van een oud geweer gemaakt.

Ik kwam dan ook den volgenden dag terug met zes kaarsen van mijn eigen maaksel, want ik maakte thans zeer goede kaarsen van geitenvet; en de grot ingaande, was ik, gelijk ik zeide, genoodzaakt ongeveer tien ellen op handen en voeten voort te kruipen, hetgeen, naar mij dacht, al een groot waagstuk was, daar ik niet wist hoe ver zij liep, of waar ik zou uitkomen. Na deze engte doorgegaan te zijn, verhief het gewelf zich ongeveer tot twintig voet; maar nimmer, durf ik zeggen, zag men op het eiland schitterender gezigt, dan de wanden dezer grot opleverden. Deze weerkaatsten honderdduizend maal het licht mijner twee kaarsen; wat er in de rots zat, of diamanten of andere edelgesteenten, of goud, wist ik niet. Ik bevond mij nu in de allerbevalligste grot, die men bedenken kon, schoon het er geheel duister was; de grond was droog en effen, en er lag eene soort van keizelzand op, zoodat er geenerlei stinkend of venijnig gedierte, noch eenige vochtigheid aan de wanden te bespeuren was. De ingang alleen was wat moeijelijk, hetgeen mij echter een voordeel toescheen, daar het juist zulk eene veilige schuilplaats was als ik verlangde. Ik besloot dus onverwijld daar eenige dingen te brengen, waarvoor ik het meest bezorgd was, bovenal mijn buskruidmagazijn en al mijne wapenen, die ik niet gestadig gebruikte, bestaande uit twee jagtgeweren en drie musketten. Van deze laatste behield ik dus vijf in mijn kasteel, die als kanonnen op mijne buitenste schans geplant stonden, en er ook des noodig konden uitgenomen worden. Bij deze gelegenheid moest ik het kruidvaatje, dat ik uit zee opgevischt had, openslaan, en ik vond, dat het zeewater er aan alle kanten drie tot vier duim doorgedrongen was, en het kruid daar zoo hard had gemaakt als een steen, waardoor het overige als de kern in een pit volkomen bewaard was gebleven. Ik had dus midden in het vat ongeveer zestig pond zeer goed kruid, hetgeen voor mij eene aangename verrassing was. Ik bragt dat alles er heen, en hield slechts twee of drie pond in mijn kasteel, om tegen elke verrassing gewapend te zijn, ook bragt ik er al het lood, dat ik voor kogels bewaard had. Alstoen vergeleek ik mij bij de reuzen uit den ouden tijd, die men zegt, dat in grotten en rotsholen leefden, waar niemand hen kon bereiken. Ik hield mij overtuigd, dat al zaten mij vijfhonderd wilden na, zij mij niet zouden vinden, en al was dit zoo, mij hier nog niet zouden durven aanvallen.

De oude bok, dien ik zieltogende had gevonden, stierf den volgenden dag na mijne ontdekking, en ik vond het veel gemakkelijker hem daarin een graf te delven dan hem er uit te slepen, dus begroef ik hem daar, om mijn neus voor den stank te waarborgen.

Ik was nu in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf op het eiland; en er zoo genaturaliseerd en aan mijne levenswijze gewoon, dat zoo ik slechts zeker ware geweest, dat er geene wilden zouden komen, ik tevreden zou geweest zijn met daar het overschot mijns levens te slijten, zelfs tot mijn laatste uur, tot ik, even als de oude bok, mij zou nederleggen en sterven. Ik had mij eenige vermakelijkheden verschaft, die mij den tijd aangenamer deden omgaan dan vroeger. Vooreerst had ik mijn papegaai leeren spreken, en hij klapte zoo aardig en vertrouwelijk, dat ik geloof, dat nooit een vogel beter sprak. Hij leefde niet minder dan zesentwintig jaren met mij, en hoe lang hij naderhand kon leven wist ik niet. In Brazilië zegt men, dat zij honderd jaar oud kunnen worden. Mijn hond was mij meer dan zestien jaren een trouwe makker, en toen stierf hij van ouderdom. Mijne katten vermenigvuldigden zoo, gelijk ik gezegd heb, dat ik er in den beginne verscheidene van moest dood schieten, ten einde zij niet mij en al wat ik had opvraten; maar toen eindelijk de ouden dood waren, en ik ze gestadig verjoeg en niets binnen haar bereik liet, verwilderden zij en liepen het bosch in, behalve twee of drie, die ik tam hield, en wier jongen ik altijd verdronk. Bovendien had ik altijd twee of drie tamme geitjes om mij heen, die ik leerde uit mijne hand te komen eten. Ik had ook nog twee papegaaijen, die tamelijk goed spraken, en allen: Robinson Crusoe! riepen, maar geen zoo goed als mijn eerste; ook had ik mij met hen zoo veel moeite niet gegeven. Ik had ook verscheidene tamme zeevogels, wier naam ik niet kende, die ik op het strand gevangen en gekortwiekt had. De stekken, die ik om mijn muur geplant had, waren nu tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd.

Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn mijnen Lezers te doen opmerken, hoe dikwijls datgene, wat wij het meest trachten te vermijden en voor ons het vreesselijkst is, toch het eenigste middel is om ons uit onze ongelukken te redden. Ik zou uit mijn buitengewonen levensloop vele voorbeelden tot staving hiervan kunnen aanhalen; maar nergens bleek dit duidelijker in dan in de omstandigheden, die de laatste jaren van mijn verblijf alhier kenmerkten.

Het was nu in December, in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf alhier, en daar dit de zuidelijke zonnestand (want winter kan men het niet noemen) was, en dus mijn oogsttijd, moest ik dikwijls op het veld wezen. Op een vroegen morgen vóór den dag uitgaande, verbaasde het mij op het strand, een half uur van mij af, een groot vuur te zien, en tot mijn grooten schrik aan mijne zijde van het eiland.

Bij dit gezigt stond ik als verplet, en bleef in mijn boschaadje, waar ik niet durfde uitgaan; en toch was ik even ongerust, uit vrees, dat zoo deze wilden het eiland mogten rondzwerven, zij mijn te veld staande graan of eenig ander werk van mij mogten vinden en vernielen, en dadelijk daaruit begrijpen, dat er menschen op het eiland waren. Dan zouden zij niet rusten voor zij mij gevonden hadden. Ik keerde dus in mijn kasteel terug, en trok de ladder achter mij op.

Daarop maakte ik mij tot verdediging gereed. Ik laadde al mijn geschut, dat op mijne schans stond, en al mijne pistolen, en besloot mij ten uiterste te verdedigen, niet vergetende mij in Gods bescherming te bevelen en Hem te smeeken mij uit de handen der barbaren te redden. Ik bleef aldus twee uren, maar verlangde toen magtig te weten wat er omging, want ik kon geene verspieders uitzenden. Eindelijk kon ik deze onzekerheid niet langer verdragen, ik zette dus mijne ladder tegen de rots, en klom zoo naar den top. Daar ging ik plat op den grond liggen, en begon met mijn kijker naar hen uit te zien. Ik zag niet minder dan negen naakte wilden rondom een vuur zitten, niet om zich te warmen, want het was geweldig heet, maar naar ik denk, om een hunner afschuwelijke gastmalen van menschenvleesch te houden, dat zij levend of dood hadden medegebragt.

Zij hadden twee kanoes aan het strand liggen, en daar het eb was, begreep ik, dat zij op hoogwater wachtten, om weder in zee te gaan. Men kan zich niet begrijpen, welke verwarring dit gerigt bij mij te weeg bragt, vooral dat zij aan mijne zijde van het eiland en zoo digt bij mij geland waren. Toen ik echter begreep, dat zij altijd alleen met de eb konden komen, werd ik wat bedaarder, daar ik inzag, dat ik al den tijd, dat het hoogwater was, gerust van huis kon gaan, zoo zij alsdan niet vroeger aan wal waren gekomen. Hierdoor eenigzins gerust gesteld, ging met meer gerustheid aan mijn oogst aan het werk.

Het ging zoo als ik dacht, want zoodra de vloed doorkwam, zag ik hen allen naar hunne kanoes gaan, en heenroeijen, of liever pagaaijen. Ik moet nog vermelden, dat een uur of zoo voor zij vertrokken, zij aan het dansen gingen, en ik kon door mijn kijker al hunne gebaren en houdingen duidelijk zien. Zij waren geheel naakt, schoon ik niet onderscheiden kon of het allen mannen dan of er ook vrouwen bij waren.

Zoodra ik hen vertrokken zag, nam ik twee geweren op schouder, stak twee pistolen in mijn gordel met mijne sabel zonder scheede, en begaf mij zoo spoedig ik kon naar den heuvel, waar ik het eerste spoor van hen gezien had. Zoodra ik daar kwam, waarmede twee uren verliepen (want ik kon zoo met wapenen beladen, niet hard voort) bespeurde ik, dat er daar nog drie kanoes met wilden geweest waren, en verder op ziende, bemerkte ik, dat zij allen in zee waren gestoken en op het vaste land aanhielden.

Dit was een vreesselijk gezigt voor mij, vooral toen ik naar het strand afgaande, de blijken kon zien, die zij van hun afschuwelijk werk hadden achtergelaten; namelijk het bloed, de beenderen en een deel menschenvleesch, dat deze rampzaligen daar met vreugde en vrolijkheid hadden verslonden. Dit gezigt vervulde mij met zoo veel verontwaardiging, dat ik thans voornam de eersten, die weder kwamen, dood te schieten, al waren er ook nog zooveel.

Het scheen mij blijkbaar, dat de bezoeken, die zij aldus aan het eiland gaven, niet veelvuldig waren; want het duurde meer dan vijftien maanden eer ik weder iets van hen zag. Gedurende het regensaizoen zouden zij zeker niet uitgaan, althans niet zoo ver van huis; echter was ik al dien tijd in gestadige onrust en vrees, dat zij mij onverwachts zouden overvallen. Dit bragt mij tot de opmerking, dat de verwachting van eenig onheil erger is dan het ondergaan van hetzelve, vooral als men niet in staat is zich van den angst of van die verwachting te ontslaan.

Al dien tijd was ik in eene allerbloeddorstigste stemming, en besteedde meest al mijnen tijd (dien ik beter had kunnen aanwenden) in te overwegen hoe ik de volgende maal, dat ik hen zag, hen zou overvallen en aantasten, vooral als zij, gelijk de laatste maal het geval was, in twee partijen verdeeld zouden zijn. Ik bedacht echter niet, dat zoo ik de eene week een troep doodde, ik de volgende week of maand een tweeden kon moeten doodslaan, en zoo voorts tot in het oneindige, tot ik eindelijk niet minder een moordenaar zou zijn dan deze menscheneters, en misschien nog meer.

Dit alles deed mij thans mijne dagen in groote verslagenheid en angst doorbrengen, daar ik verwachtte, dat ik, den een of anderen dag, in de handen dezer meêdoogenlooze barbaren zou vallen. Als ik nu en dan uitging, deed ik dit met de meeste voorzorg en zag onophoudelijk rond. Nu zag ik in hoe gelukkig het was, dat ik mij eene kudde tamme geiten had weten te verschaffen; want ik durfde volstrekt mijn geweer niet af te schieten, vooral niet bij dien kant van het eiland, waar zij gewoonlijk kwamen, ten einde hun geen alarm te geven; en al namen zij eerst de vlugt voor mij, dan kon ik toch zeker rekenen, dat zij misschien eenige dagen daarna met twee- of driehonderd kanoes zouden terugkeeren, en dan wist ik wat mijn lot zijn zou.

Het duurde echter vijftien maanden voor ik iets van de wilden zag of hoorde, en toen vertoonden zij zich weder, zoo als ik straks verhalen zal. Wel is het mogelijk, dat zij er in dien tijd eens of tweemaal geweest waren, maar dan kort en zonder dat ik er iets van gemerkt had, doch in de maand Mei, zoo ver ik berekenen kan, en in mijn vierentwintigste jaar, had ik eene zeer zonderlinge ontmoeting, die ik zoo aanstonds verhalen zal.

Al die vijftien of zestien maanden bragt ik in de grootste onrust door. Ik sliep onrustig, had altijd akelige droomen, en werd dikwijls met schrik wakker. Over dag verbijsterde mij de angst en des nachts droomde ik van het dooden van wilden, en zocht naar redenen, die dit regtvaardigden. Doch die zullen wij voor een oogenblik daar laten.

Op zekeren dag, den 16den Mei, naar mijn houten almanak te rekenen, dien ik nog dagelijks bijhield, woei het den geheelen dag een fellen storm met donder en bliksem, en de nacht was even ruw. Ik zat in den Bijbel te lezen, en ernstig over mijn toestand na te denken, toen ik eensklaps schrikte van een kanonschot, dat, naar ik meende, in zee gelost werd. Dit was een geheel andere verrassing dan de vroegere, en bragt mij geheel andere denkbeelden in het hoofd. In een oogenblik stond mijne ladder tegen de rots; ik haalde die op, en beklom toen den top; op dat oogenblik deed eene flikkering van vuur mij een tweede schot verwachten, welks geluid ik ook eene halve minuut daarna hoorde, en daaruit vernam, dat het van dien kant van de zee kwam, waar ik in mijne boot door de strooming in zee was gedreven.

Oogenblikkelijk begreep ik, dat er een schip in nood was, en dat het een ander in de nabijheid had, en noodschoten deed om hulp te vragen. Ik had tegenwoordigheid van geest genoeg, om te begrijpen, dat zoo ik hen niet kon helpen, zij dit mij konden doen; dus haalde ik al het drooge hout bijeen, dat ik vinden kon, stapelde het op een hoop en stak het in brand. Het hout was droog en brandde fel op, en hoe hard het ook woei, brandde het geheel op, zoodat als er een schip was, men het daar zien moest. Ongetwijfeld was dit ook zoo, want zoodra het vuur opbrandde, deed men weder een schot en naderhand nog verscheidene. Ik hield het vuur den geheelen nacht aan, en toen het dag werd en de lucht opklaarde, zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip. De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker er meer van te kunnen onderscheiden.

Dikwijls zag ik er dien dag naar uit, en bemerkte spoedig, dat het stil lag; dus begreep ik, dat het een schip was, dat voor anker lag, en verlangende het juiste te weten, gelijk men wel kan denken, liep ik, met mijn geweer in de hand, naar den Zuidoostkant van het eiland, naar de klippen, waar de strooming mij vroeger had medegesleept, en daar gekomen, en het weder thans geheel opgeklaard zijnde, zag ik duidelijk, tot mijn groot verdriet, het wrak van een schip, dat in den nacht op deze blinde klippen geworpen was, die ik, toen ik in mijne boot was, had aangetroffen, en welke klippen daar de kracht van den stroom stuitten, en eene soort van tegenstroom vormden, die mij toen uit den hagchelijksten toestand, waarin ik ooit in mijn geheele leven geweest was, had gered.

Wat echter den een redt, stort den ander in het verderf, want het schijnt, dat deze menschen, buiten hun bestek geslagen, geen kennis droegen van die geheel onder water staande klippen, en daar de wind des nachts fel uit het O. en O. N. O. geblazen had, er op geslagen waren. Ongetwijfeld zouden zij getracht hebben zich met de boot te redden, maar hunne noodschoten, vooral toen zij, naar ik mij verbeeldde, mijn vuur gezien hadden, bragten mij op verschillende gedachten. Eerst begreep ik, dat zij, op het zien van mijn vuur, zich in de boot begeven hadden, en getracht het strand te bereiken, maar door de hooge zee weggeslagen waren. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij vroeger hunne boot zouden verloren hebben, gelijk meermalen gebeurt, vooral door het overkomen van zware stortzeeën, die het volk dikwijls dwingen de verbrijzelde sloep met eigen handen over boord te werpen. Dan weder vermoedde ik, dat zij andere schepen bij zich hadden gehad, en deze op hunne noodschoten hen opgenomen en gered hadden. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij allen in de boot gegaan waren, en door de strooming op den wijden oceaan geslagen, waar niets dan de dood hun wachtte, en dat zij thans misschien dachten van honger te sterven en in eenen toestand waren om elkander te verslinden.

Dit alles waren evenwel slechts gissingen, en ik kon niets doen dan hen beklagen, hetgeen echter nog die goede uitwerking op mij had, dat het mij meer en meer aanleiding gaf om God te danken, dat Hij zoo liefderijk voor mij in mijn verlaten toestand gezorgd had; en dat van twee scheepsbemanningen, die nu in dezen hoek der wereld gedreven waren, geen ander leven dan het mijne gespaard was. Op nieuw moest ik hier opmerken, dat Gods voorzienigheid ons zeer zelden in zulk een jammerlijken toestand of in zoo groote ellende doet vallen, waarin wij niet voor het een of ander mogen dankbaar zijn, en bespeuren, dat anderen er nog erger aan toe zijn dan wij.

In dit laatste geval was zeker deze bemanning, waarvan ik niet mogt onderstellen, dat een gered was; niets kon doen vermoeden, dat zij niet allen vergaan waren, dan de mogelijkheid, dat zij door een ander schip waren opgenomen; en dit was niet waarschijnlijk, want ik zag daar niet het minste blijk van.

Het is mij volstrekt onmogelijk met woorden uit te drukken, welk een vurig verlangen mijne ziel verteerde bij het zien van het wrak, en hoe dikwijls ik uitriep: "O, waren er slechts twee, slechts ééne ziel gered, die mij gevonden had, zoo dat ik een makker, een natuurgenoot had, tot wien ik spreken en met wien ik omgaan kon!" Gedurende geheel mijn eenzaam leven had ik zulk een hevig verlangen niet gehad naar het gezelschap van een mijner medemenschen, noch zulk een diepe spijt over deszelfs gemis. Er bestaan in onze hartstogten zekere drijfveren, die zoo zij door eenig zigtbaar voorwerp of door de werking van onze verbeelding gaande gemaakt worden, onze ziel zoo krachtig daarheen doen neigen, dat deszelfs gemis ondragelijk wordt. Zoo ging het mij met den wensch, dat er slechts een man gered ware geworden: "Ware er slechts één, slechts één mensch het ontkomen!" Duizendmaal, geloof ik, herhaalde ik deze woorden, en dan wrong ik zoo hevig de handen, dat zoo er eenig voorwerp in geweest ware, het verbrijzeld zou geworden zijn, en ik klemde mijne tanden zoo stijf opeen, dat ik eenigen tijd den mond niet openen kon. De natuurkundigen mogen mijnenthalve het verklaren; ik kan slechts mededeelen wat er gebeurde, en hoe ik zelf mij er over verbaasde. Ongetwijfeld was dit de uitwerking van mijn vurigen wensch, en mijne gespannen verbeelding over het genoegen, dat de verkeering met een mijner mede-christenen mij zou opgeleverd hebben.

Doch dit mogt zoo niet zijn; hun lot of het mijne was anders besloten; want tot het laatste jaar van mijn verblijf op het eiland wist ik niet of er iemand uit het schip gered was of niet; alleen had ik eenige dagen later het verdriet, het lijk van een verdronken jongen aan land te zien spoelen, aan het einde des eilands, digt bij de plaats der schipbreuk. Hij had geene andere kleederen aan dan een matrozenbuisje, een linnen broek en een blaauw hemd; maar niets, waaruit ik gissen kon, tot welke natie hij behoorde. Hij had niets in zijn zak dan twee stukken van achten en eene tabakspijp, de laatste was mij tienmalen meer van waarde dan de eersten.

Het was nu stil en ik verlangde zeer in mijne boot naar het wrak te gaan, niet twijfelende of ik zou aan boord wel iets vinden, dat mij van nut kon zijn; doch dit was niet mijne sterkste drijfveer, maar wel de mogelijkheid, dat er nog een levend wezen aan boord zou zijn, wiens leven ik redden kon niet alleen, maar daardoor tevens mijn eigen lot ten uiterste verzoeten. Dit denkbeeld lag mij zoo aan het hart, dat ik dag noch nacht rust had; maar besloot in mijne boot mij naar het wrak te wagen, en den uitslag aan Gods voorzienigheid over te laten. De indruk, dien dit op mijn geest gemaakt had, was zoo sterk, dat ik meende dien niet te kunnen wederstaan, en begreep, dat eene onzigtbare magt mij daartoe aandreef, en ik mij zelven nadeel meende te doen, als ik dien niet opvolgde.

Hierdoor aangedreven, spoedde ik mij naar mijn kasteel, maakte alles tot mijne reis gereed, nam wat brood, eene groote pot vol zoet water, een kompas om naar te sturen, een flesch rum (want ik had daar nog vrij wat van) en eene mand vol rozijnen, en aldus met al het noodige beladen, ging ik naar mijne boot, schepte er het water uit, en maakte haar vlot, legde er mijne lading in, en ging meer van huis halen. Mijne tweede lading bestond uit een zak vol rijst, mijn zonnescherm, om mij voor zon en regen te beschutten, nog eene groote pot vol water en ongeveer twee dozijn van mijne brooden of koeken, benevens eene flesch geitenmelk en eene kaas. Dit alles bragt ik onder veel arbeid en zweet naar mijne boot, en na God voor den gelukkigen afloop der reis gebeden te hebben, stak ik af, en de kanoe langs het strand roeijende of pagaaijende, kwam ik eindelijk aan het einde van het eiland aan dien kant, namelijk aan het N. O. Nu moest ik, als ik het wagen durfde, in zee steken. Ik sloeg een blik op de felle stroomingen, die gestadig op eenigen afstand aan weerszijden van het eiland liepen, en die door de herinnering van het gevaar, dat zij mij hadden doen loopen, voor mij zeer vreesselijk waren; en toen begon mijn moed te bezwijken, want ik voorzag, dat als ik in eene dier stroomingen geraakte, ik een groot eind weegs in zee zou gedreven worden, misschien zoo ver, dat ik het eiland niet meer bereiken of zien zou, en daar mijne boot maar klein was, ware ik, zoodra maar de wind opwakkerde tot eene stijve koelte, onvermijdelijk verloren.