Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1
Part 14
Al deze arbeid was alleen ontstaan uit de vrees, die de afdruk van een menschenvoet bij mij verwekt had; want tot hiertoe had ik nog geen menschelijk wezen het eiland zien naderen; en thans had deze ongerustheid mij twee jaren lang het leven verbitterd, gelijk iedereen gelooven zal, die weet wat het is, in voortdurenden angst te leven. Ik moet ook bekennen, dat deze angst veel invloed op mijne godsdienstige stemming had; want de vrees, dat ik in handen der wilden en menscheneters mogt vallen, drukte mijn geest zoo ter neder, dat ik zelden in eene behoorlijke stemming was om mij tot mijnen Schepper te wenden, althans niet met die kalmte en onderworpenheid, waarmede ik gewoon was te bidden. Ik bad tot God in den angst van elken nacht overvallen en geslagt te worden, en uit ondervinding kan ik betuigen, dat eene rustige, dankbare, blijmoedige stemming veel geschikter ons tot het gebed maakt dan angst en vrees voor onheil; zulk een mensch is even ongeschikt om God te bidden, als hij, die op een ziekbed uitgestrekt ligt; ziekten van den geest toch maken onbekwamer tot het gebed, dan die van het ligchaam, daar het bidden eene verrigting van den geest en niet van het ligchaam is.
Doch om met mijn verhaal voort te gaan. Na aldus een deel mijner kudde in veiligheid gebragt te hebben, ging ik het geheele eiland door om nog een verborgen plek te zoeken, voor eene tweede bewaarplaats. Ik kwam hierbij verder aan de westzijde van het eiland dan ik ooit geweest was, en zeewaarts ziende, meende ik op verren afstand eene groote boot te zien. Ik had in een der geredde matrozenkisten een paar kijkers gevonden, maar geen daarvan bij mij, en het voorwerp was zoo ver af, dat ik niet wist wat ik er van maken zou, schoon ik er mij half blind op tuurde.
Toen ik den heuvel opging verloor ik het voorwerp uit het gezigt, en gaf het dus op, maar besloot nimmer weder uit te gaan zonder een kijker bij mij. Toen ik den heuvel af, en op de westzijde van het eiland was gekomen, waar ik nog nimmer geweest was, zag ik duidelijk, dat het spoor van een menschenvoet hier niet zoo buitengewoon was als ik mij verbeeld had, maar dat het eene bijzondere bestiering der Voorzienigheid was geweest, dat ik op een deel des eilands was geworpen waar de wilden nimmer kwamen. Zoo ik hier vroeger gekomen was, had ik ingezien, dat de kanoes, die wat ver in zee geraakt waren, dit eiland dikwijls aandeden, om daar te overnachten. Ook na in hunne kanoes gevochten en gevangenen gemaakt te hebben, bragten zij die volgens hunne gewoonte hierheen, om ze te slagten en op te eten, daar het allen hier omstreeks kannibalen waren. Ik zal in het vervolg hierover meer spreken.
Toen ik, gelijk ik zeide, aan het westeinde van het eiland kwam, stond ik van schrik en afschuw als verplet, daar ik het strand met hersenpannen, handen, voeten en andere gebeenten van menschen bedekt zag. Ik ontdekte eene plek waar een vuur gebrand had, en een kuil in den grond rondom liep, waar ongetwijfeld de ellendelingen bij hun afschuwelijk feest gegeten hadden.
Dit schouwspel trof mij zoo geweldig, dat ik eene poos om mijn eigen gevaar niet dacht. Mijn geest was geheel vervuld met de gedachte aan zulke helsche barbaarschheid, en den afschuw voor zulk eene ontaarding van alle menschelijk gevoel, waarvan ik vroeger wel gehoord, maar dat ik nimmer zoo van nabij had gezien. Met walging wendde ik mijn gelaat af van dit afschuwelijk tooneel, en eerst na eene hevige braking kwam ik een weinig tot mij zelven, maar kon hier niet langer blijven; dus klom ik zoo spoedig ik kon den heuvel weder op en ging naar huis terug.
Toen ik een weinig van dat gedeelte des eilands af was, stond ik eene poos als verplet, en daarna dankte ik God, met de uiterste aandoening en onder een vloed van tranen, dat Hij mij in een werelddeel had doen geboren worden, waardoor ik van zulke afschuwelijke wezens onderscheiden was, en dat, ofschoon ik mijn tegenwoordigen toestand zeer ongelukkig had geacht, ik meer reden tot dankbaarheid dan tot klagen had, en bovenal, dat ik vertroost was door de kennisse Gods en de hoop op zijne genade, een geluk, dat verre weg opwoog tegen al de ellende, die ik ondergaan had of nog kon ondergaan. In deze dankbare stemming ging ik naar mijn kasteel terug, veel geruster omtrent mijne veiligheid dan ik sedert lang geweest was, want ik zag in, dat deze schepsels nimmer op het eiland kwamen om te zoeken wat daar te halen was; misschien dewijl zij er niets zochten of gevonden hadden wat hun aanstond. Ik was hier thans bijkans achttien jaar geweest, zonder het minste spoor van menschelijke schreden te zien, en welligt kon ik er nog achttien jaren even verborgen leven, als ik mij niet aan hen ontdekte, waartoe ik geene de minste roeping gevoelde, daar het mijne zaak was mij zoo verborgen als mogelijk te houden, ten ware ik betere lieden dan menscheneters vond. Nogtans was mijn afschuw voor die woestaards en hunne zeden zoo groot, dat ik langen tijd neêrslagtig bleef, en schier twee jaren lang mij niet buiten mijn kring bewoog. Ik bedoel buiten mijn kasteel, mijn buitenplaats en mijne omheinde weiden; welke laatste ik alleen om mijne geiten bezocht; want ik had voor de wilden een afschuw als voor den duivel zelf. Al dien tijd zag ik zelfs niet naar mijne boot om; want ik kon er niet aan denken de andere boot het eiland om te brengen, uit vrees, dat ik op zee eenige dier wezens ontmoeten mogt; want ik wist wat mijn lot zou zijn, als ik in hunne handen mogt vallen.
Met ter tijd echter en door het bewustzijn, dat ik geen gevaar liep van door dit volk ontdekt te worden, begon mijne ongerustheid te slijten, en mijn leven zoo kalm als vroeger te worden; met dit onderscheid, dat ik behoedzamer was, en meer rondzag of een hunner mij ook ontdekken kon. Het was dus zeer gelukkig, dat ik eene tamme kudde geiten had, en niet meer op de wilde behoefde te jagen, en in het vervolg ving ik eenigen nog wel, maar alleen door strikken of vallen. Ik geloof, dat ik in geen twee jaren mijn geweer afschoot, schoon ik nimmer zonder hetzelve uitging, en bovendien altijd in mijn gordel twee of drie pistolen droeg, die ik uit het schip gered had, ook sleep ik een van de groote messen, die ik uit het schip gehaald had, en stak dit ook in mijn gordel, maar zonder scheede.
Aldus bleef alles gedurende eenigen tijd, en behalve deze voorzorgen leefde ik op den ouden rustigen voet. Al deze gebeurtenissen toonden mij meer en meer, dat mijn toestand, verre af was van rampzalig te zijn, als ik dien bij dien van anderen vergeleek, waarin God ook mij had kunnen plaatsen. Dit deed mij denken hoe weinig de menschen zich zouden beklagen over hun lot, als zij dit vergeleken, bij dat wat rampzaliger, en niet bij hetgeen gelukkiger was. In mijn tegenwoordigen toestand had ik aan weinig gebrek, zoodat ik werkelijk dacht, dat de schrik voor de wilden mijne verbeeldingskracht tot het uitdenken van gerijfelijkheden verstompt had. Ik had zelfs geheel een voornemen laten varen, dat ik eens gekoesterd had, namelijk van te beproeven, of ik niet van mijn graan wat mout kon maken, en hiermede bier brouwen. Dit was inderdaad een uitsporig denkbeeld, en dikwijls bespotte ik mij zelven er over; want ik zag thans in, dat ik om bier te brouwen, verscheidene dingen noodig had, die ik onmogelijk vervaardigen kon; als vooreerst vaten om het in te bewaren; die ik in spijt van al mijne pogingen nimmer kon maken, gelijk ik reeds gezegd heb, schoon ik het weken, zelfs maanden lang, doch vruchteloos, beproefde. Vervolgens had ik geen hop om het duurzaam te maken, noch gest, noch ketels om het in te koken, en toch, zoo al die schrik van de wilden niet tusschenbeide gekomen was, zou ik het beproefd en er misschien in geslaagd hebben, want ik gaf niet ligt iets op wat ik mij eenmaal in het hoofd had gezet.
Doch thans liepen mijne denkbeelden in eene andere rigting. Nacht en dag dacht ik alleen hoe ik eenige dier monsters zou vernielen in hun bloeddorstig vermaak, en zoo mogelijk hunne medegebragte slagtoffers redden. Ik zou een grooter werk dan dit boek vullen, als ik al de ontwerpen waarover ik broedde, wilde vermelden, ter vernieling dier schepselen, althans om hun zulk een schrik aan te jagen, dat zij hier nimmer weder kwamen, maar alles vergeefs. Ik kon niets bedenken, of ik moest het zelf verrigten, en wat kon een man tegen misschien twintig of dertig wilden uitrigten, met boog en pijl gewapend, waarmede zij hun wit zoo zeker raken als ik met mijn geweer doen kon.
Somtijds wilde ik een hol graven onder de plaats waar zij hun vuur aanlegden, en dat met vijf of zes pond buskruid vullen, hetwelk, als zij hun vuur ontstoken hadden, hen allen in de lucht zou doen vliegen. Maar in de eerste plaats wilde ik ongaarne zooveel kruid verspillen, waarvan ik thans nog slechts een vat had. Ook was ik niet zeker, dat het op zijn tijd ontvlammen zou, en misschien zou het hen slechts wat aarde om de ooren doen vliegen, maar niet genoeg verschrikken om hen de plaats te doen verlaten. Op een anderen tijd wilde ik met mijne drie geweren, allen dubbel geladen, in hinderlaag gaan liggen, en als zij midden in hun bloeddorstig werk waren, op hen vuur geven; ik was zeker, twee of drie hunner met elk schot te dooden of te kwetsen, en ik twijfelde niet of met behulp van mijne sabel, zou ik ze allen ombrengen, al waren er twintig. Eenige weken lang speelde dit mij zoo door het hoofd, dat ik er des nachts soms van droomde.
Ik dreef dit zoo ver, dat ik verscheidene dagen besteedde met het zoeken naar geschikte plaatsen, om mij in hinderlaag te liggen, ten einde hen gade te slaan, en ik ging dikwijls naar de plaats zelf, die mij thans gemeenzaam was geworden, en vooral terwijl mijn geest met wraakgierige denkbeelden, en het voornemen om er twintig of dertig over de kling te jagen, was opgevuld; de afschuw, dien ik voor de plek had, en de blijken, dat de barbaren elkander verslonden hadden, voedden mijne woede.
Ik vond dan ook eindelijk eene plek in de zijde van den heuvel, waar ik begreep veilig te kunnen wachten, tot ik eenige hunner booten zag aankomen, als wanneer ik, zelfs voor dat zij gereed waren aan wal te gaan, mij in een hollen boom verbergen kon, waarin ik geheel verholen was, en al hunne bloeddorstige handelingen zou kunnen gadeslaan, en bedaard op hen aanleggen, als zij zoo digt bijeen zouden zijn, dat het bijkans onmogelijk was hen te missen en niet drie of vier hunner bij het eerste schot te treffen. Deze plaats eenmaal gekozen, maakte ik twee geweren en mijn gewoon jagtgeweer gereed. De eersten laadde ik ieder met schroot en vier of vijf pistoolkogels; het laatste met eene handvol groven ganzenhagel. Ik deed ook vier kogels op ieder mijner pistolen, en aldus, voorzien van kruid en lood voor eene tweede en derde lading, maakte ik mij tot mijne expeditie gereed.
Na aldus mijn plan tot den veldtogt gemaakt te hebben, klom ik elken morgen op den top des heuvels, die ongeveer een uur van mijn kasteel af lag, om te zien of ik op zee eenige booten kon bespeuren, die op het eiland aanhielden of het naderden. Na twee of drie maanden aldus de wacht gehouden te hebben, begon mij dit te vervelen echter, daar ik in al dien tijd niet het minste nabij het strand, noch op den geheelen oceaan, zoo ver mijn kijker reikte, kon ontdekken.
Zoo lang ik dagelijks naar den heuvel ging, zoo lang bleef ik even vurig in mijn ontwerp; en mijn moed scheen al dien tijd onverzwakt, ter uitvoering van het uitsporig denkbeeld van twintig of dertig naakte wilden dood te schieten, voor eene misdaad, die ik volstrekt niet overdacht had, daar ik alleen geleid werd door mijn afschuw voor dit onnatuurlijk gebruik van de wilden, welke de Voorzienigheid, naar het schijnt, goedgevonden heeft, alleen door hunne lage en beestachtige driften te laten regeren, en die daardoor misschien sedert eeuwen aan zulke afschuwelijke zeden en gewoonten waren overgegeven, waaraan alleen zij, die van den Hemel verlaten, en beneden de menschelijke natuur verlaagd zijn, zich kunnen overgeven. Doch nu begonnen, gelijk ik zeide, mijne langdurige vruchtelooze togten mij te vermoeijen, en mijne wijze van zien nopens hunne handelwijze begon ook te veranderen, en ik begon koeler en bezadigder te overwegen wat ik wilde ondernemen; welk regt of gezag ik had om mij tot regter en beul te maken, en deze lieden als misdadigers te behandelen, wien de Hemel goedgevonden had, gedurende zoo vele eeuwen straffeloos hunnen gang te laten gaan, en als het ware tot de uitvoerders zijner straffen jegens hen onder elkander te maken; alsmede welk regt ik had mij in dien bloedigen strijd te mengen, dien zij onderling voerden. Ik redekavelde dikwerf aldus met mij zelven: "Hoe weet ik wat Gods oordeel daaromtrent is? Het is zeker, dat dit volk dit niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over. Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten het evenmin eene misdaad, een krijgsgevangene te slagten, als wij eenen os te dooden, en hebben even weinig tegen menschenvleesch als wij tegen schapenvleesch."
Eenige overdenkingen dienaangaande deden mij besluiten, dat ik ongelijk had, dat dit volk geen moordenaars waren in dien zin als ik ze beschouwd had; dat zij daaromtrent gelijk stonden met verscheidene Christenveldheeren, die krijgsgevangenen, of geheele troepen, schoon zij geen weerstand boden, kwartier weigerden en ze over de kling joegen.
Vervolgens bedacht ik, dat ofschoon hun gebruik beestachtig en barbaarsch was, het mij echter niet aanging; dat zij mij geenszins kwaad gedaan hadden; dat het welligt verschoonbaar was als zij mij aanvielen, of als ik het tot mijn behoud noodig achtte hen te overvallen; maar dat ik voor als nog buiten hunne magt was, en zij metterdaad van mij geene kennis droegen, en diensvolgens geen kwaad oogmerk tegen mij hadden. Derhalve kon het van mij niet regtvaardig zijn hen te overvallen; dit zou de onmenschelijkheden der Spanjaarden in Amerika, die daar duizenden vermoord hebben, regtvaardigen; en hoewel dit afgodendienaars en barbaren waren, die vele bloedige en onmenschelijke gebruiken hadden, zoo als het offeren van menschen aan hunne afgoden, toch waren zij jegens de Spanjaarden onschuldig; en van hunne uitroeijing is altijd gesproken met de uiterste afkeuring en verfoeijing, door de Spanjaarden zelven, en door alle Christen natiën in Europa is zij beschouwd als eene bloeddorstige menschenslagting, voor God noch menschen te regtvaardigen, en waardoor de naam van een Spanjaard zelfs bij alle Christenvolkeren in verschrikking is gekomen; alsof Spanje in het bijzonder een menschenras voortbragt, geheel en al zonder eenige gevoelens van menschlievendheid of medelijden, die men als aan welgeschapen harten eigen beschouwt.
Deze bedenkingen bragten mij tot beter inzien, en ik begon van lieverlede mijn oogmerk op te geven, en te besluiten, dat ik mij verkeerde maatregelen had voorgenomen, ten einde de wilden aan te vallen; dat het mijne zaak niet was mij met hen in te laten, ten ware zij mij het eerst aanvielen, hetwelk ik zoo veel in mij was moest trachten te voorkomen; maar als ik ontdekt en aangevallen werd, dan wist ik wat mij te doen stond.
Aan den anderen kant bragt ik mij zelven onder het oog, dat dit waarlijk de weg niet was om mij te bevrijden, maar mij geheel en al in het verderf te storten. Immers als ik niet zeker was, dat ik iedereen dooden kon, die alsdan aan het strand was, als ook hen, die er naderhand mogten komen, dan, als er slechts een ontsnapte, om zijnen landslieden het gebeurde mede te deelen, zouden zij weder bij duizenden overkomen om den dood van hunne makkers te wreken; en ik mij zelven een gewissen dood op den hals halen, waartoe ik voor als nog in het geheel geen roeping gevoelde.
Om kort te gaan, ik besloot, dat het mij geraden was, mij hierin volstrekt niet te mengen, maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De godsdienst sterkte mij in dit voorzigtig besluit, en ik was thans door verschillende redenen overtuigd, dat ik geheel en al mijn pligt te buiten ging, als ik zulke bloeddorstige ontwerpen bleef voeden, om onschuldige wezens te dooden; ik bedoel onschuldig jegens mij. Met de misdaden, waaraan zij zich jegens elkander schuldig maakten, had ik niets te maken; het waren hunne zeden, en ik moest die aan de Goddelijke geregtigheid overlaten, daar God de volkeren bestiert en zijne oordeelen op de wijze, die Hij goedvindt, over hen kan doen losbarsten.
Dit scheen mij thans zoo klaar toe, dat niets mij meer verheugde, dan dat het mij niet toegelaten was te doen, hetgeen ik thans als niet minder dan moedwilligen doodslag beschouwde, en ik dankte God op mijne knieën, dat Hij mij aldus van mijn bloeddorst had genezen; smeekte om zijne bescherming, dat ik niet in hunne handen mogt vallen, of de hand aan hen slaan, ten ware de Hemel mij dit duidelijk en ter verdediging van mijn eigen leven aanwees.
In deze gemoedsgesteldheid bragt ik nog een jaar door, en ik verlangde zoo weinig die rampzaligen aan te vallen, dat ik in al dien tijd geene enkele maal den heuvel opklom, om te zien of er ook eenigen in het gezigt waren, of te weten, of zij al of niet het eiland hadden aangedaan; ten einde niet in verzoeking te geraken mijne vroegere middelen te bezigen, of door eenig voordeel tot een aanval op hen verlokt te worden. Echter haalde ik mijne boot van de andere zijde van het eiland, en bragt die aan de oostzijde, waar ik die in een inham onder eenige hooge rotsen legde, waar ik wist, dat de wilden, uithoofde der stroomingen, niet met hunne kanoes zouden durven komen. Met de boot nam ik alles mede, wat ik daar achtergelaten had, namelijk een mast en een zeil, dat ik gemaakt had, benevens eene soort van anker of dreg, schoon eigenlijk naar geen van beide gelijkende, maar dat ik niet beter had kunnen maken. Dit deed ik om niet het minste blijk van menschelijke wezens, of spoor van eene boot op het eiland achter te laten.
Bovendien leefde ik stiller dan ooit, en verliet zelden mijne kluis dan voor mijne dagelijksche bezigheden, het melken mijner geiten en het nazien mijner kudde in het bosch, die als geheel aan de andere zijde van het eiland, buiten alle gevaar was; want het was zeker, dat de wilden, die somtijds het eiland aandeden, er nimmer iets dachten te vinden, en dus nooit het strand verlieten. Ik twijfel niet of zij waren er verscheidene malen, nadat ik hun spoor ontdekt had, geweest; en ik huiverde bij de gedachte wat mijn toestand zou geweest zijn, als ik op hen gestooten had, en zij mij ontdekt hadden, alleen gewapend met een geweer, soms met eenigen hagel slechts geladen. Welk een verrassing zou het geweest zijn als ik in plaats van een afdruk van een voet, een vijftien of twintig wilden aangetroffen had, en zij mij vervolgd hadden. Bij hunnen snellen loop zou er aan ontkomen niet te denken zijn geweest. Deze denkbeelden maakten mij soms bitter neêrslagtig. Met schrik dacht ik wat ik in dat geval zou gedaan hebben; zonder hen te kunnen weerstaan, misschien zonder tegenwoordigheid van geest om van mijne eerst na lang nadenken uitgevonden middelen tot verdediging gebruik te maken. Maar ik eindigde met dankbaar aan de Voorzienigheid te zijn, die mij voor deze schrikkelijke ramp bewaard had, terwijl ik zelfs het gevaar, waarin ik was, niet bevroedde. Dit bragt mij tot de overweging, die ik reeds meermalen, bij mijn leven, had gemaakt, hoe de Voorzienigheid ons in gevaren beschermt en leidt door schikkingen, waarvan wij het doel niet begrijpen. Dikwijls toch worden wij door geheel onverwachte gebeurtenissen uit groote gevaren bevrijd; dikwijls drijft een geheime aandrang, in hagchelijke oogenblikken, ons aan, om veeleer dezen dan genen weg in te slaan, die onfeilbaar tot ons verderf zou geleid hebben.
Ten gevolge dezer overwegingen stelde ik het mij naderhand tot een vasten regel, dat wanneer naderhand, als het ware, eene geheime stem mij ried deze of gene zaak te doen of te laten, of dezen of genen weg in te slaan, ik altoos die aanwijzing volgde, schoon ik er geene andere reden dan dezen aandrang voor had. Meer dan een voorbeeld uit mijn leven zou ik kunnen bijbrengen, om het welslagen van deze handelwijze te bewijzen; maar vooral in den laatsten tijd van mijn verblijf op dit eiland; behalve dat ik vroeger waarschijnlijk veel dergelijks had kunnen bespeuren, zoo ik toenmaals de zaken uit hetzelfde oogpunt had beschouwd. Doch het is nimmer te laat om verstandig te worden, en ik kan ieder verstandig mensch, wiens leven even als het mijne aan zoo buitenwone wisselvalligheden, of zelfs aan min bijzondere onderhevig is, aanraden, zulke geheime wenken der Voorzienigheid niet in den wind te slaan, door welke onzigtbare werking zij ons medegedeeld worden. Ik kan deze noch verklaren, noch er over redetwisten, maar gewis zijn het onwraakbare bewijzen voor de werking van onstoffelijke wezens buiten ons. Hiervan zal ik in het overige van mijn eenzaam verblijf op het eiland merkwaardige bewijzen kunnen geven.
Mijne lezers zullen het, geloof ik, niet vreemd vinden, als ik beken, dat deze aanhoudende angst en gevaren waarin ik verkeerde, en de daardoor verwekte zorgen, mij alle uitvindingen en alle ondernemingen, die ik tot mijn verder gemak bedacht had, deden staken. Ik werd thans meer door de zorg voor mijne veiligheid, dan voor mijn onderhoud, beziggehouden. Ik durfde geen spijker slaan, geen hout kappen, uit vrees, dat het geraas hiervan gehoord zou worden; veel minder durfde ik een geweer afschieten, en vooral baarde mijn vuur mij veel vrees. De rook, die over dag zeer ver zigtbaar is, kon mij verraden, en ten dien einde verrigtte ik mijn werk, waarbij ik vuur noodig had, als potten en pijpen bakken, in mijn nieuw verblijf in het bosch, waar ik voor eenigen tijd, tot mijne groote vreugde, een natuurlijke onderaardsche grot had gevonden, die een heel eind weegs diep inliep; en ik was verzekerd, dat geen wilde, als hij den ingang vond, er zou durven ingaan, en niemand zou dit doen ten ware hij, gelijk ik, een veilige schuilplaats zoo hoog noodig had.
De ingang van deze grot was aan den voet van eene groote rots, waar het toeval, (zou ik vroeger gezegd hebben, maar het was inderdaad de Voorzienigheid) mij heenvoerde, terwijl ik eenige zware takken kapte om houtskolen te branden. Vooraf moet ik zeggen waarom ik houtskolen maakte. Ik was bevreesd bij mijne woning vuur te stoken, gelijk ik zeide, en toch kon ik niet leven zonder mijn brood te bakken, mijn vleesch te koken enz.; en dus beproefde ik eenig hout, gelijk ik in Engeland gezien had, met aarde overdekt, te branden tot het kolen waren, alsdan doofde ik het vuur uit, bragt de houtskolen naar huis, en gebruikte die om vuur te maken, zonder gevaar van den rook. Doch om tot mijn verhaal terug te keeren.