Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 12

Chapter 124,190 wordsPublic domain

Het was den 6 November, in het zesde jaar mijner regering of van mijne gevangenschap, zoo als men het noemen wil, dat ik op deze reis onderzeil ging. Ik vond dat de reis veel verder was dan ik verwacht had, want schoon het eiland op zich zelf niet zoo groot was, vond ik, toen ik aan de oostzijde kwam, een groot rif van klippen, dat zich ongeveer twee mijlen ver in zee uitstrekte, sommige waren boven water, andere blind; en achter deze strekte eene drooge zandbank zich nog eene mijl verder uit, zoodat ik verpligt was een groot eind in zee te steken, om deze kaap te omzeilen.

Toen ik dit rif het eerst ontdekte, stond ik op het punt, mijne onderneming op te geven en terug te keeren, daar ik niet wist hoe ver ik genoodzaakt zou zijn in zee te gaan, en bovenal hoe ik zou terugkeeren, dus ging ik voor anker liggen, want ik had van eene gebroken dreg, die ik uit het schip gehaald had, eene soort van anker gemaakt. Na mijne boot goed vastgelegd te hebben, nam ik mijn geweer en stapte aan land, waar ik op een heuvel klom, van welken ik dacht die kaap te kunnen overzien, en waar ik hare geheele uitgestrektheid waarnam, en besloot het te wagen.

Toen ik van den heuvel, waarop ik stond, de zee overzag, bespeurde ik eene sterke, ja eene allergeweldigste strooming, die oostelijk liep, en zelfs digt langs het rif heen; en ik nam dit te naauwkeuriger op, omdat ik inzag dat er eenig gevaar bestond, dat als ik in deze strooming geraakte, ik door hare hevigheid zeewaarts kon gesleept worden, zonder dat ik het eiland weder zou kunnen bereiken. En waarlijk, als ik niet eerst op den heuvel was geklommen, geloof ik, dat dit ook zou gebeurd zijn, want aan de andere zijde was dezelfde strooming, behalve, dat die op een verderen afstand liep, en digt onder de kust liep eene sterke tegenstrooming, zoo dat ik niets te doen had dan slechts buiten de eerste strooming te blijven, en ik zou ongetwijfeld naar de kust teruggevoerd worden.

Ik bleef echter twee dagen voor anker liggen, omdat de wind, die vrij stevig was (uit het O.Z.O., en dus juist tegen de gezegde strooming inblies) op dat punt eene zware branding maakte, zoo dat het uithoofde van de branding niet veilig voor mij was, al te digt bij de kust te houden, en niet al te ver af, uithoofde van de strooming.

Den derden dag was des morgens de zee stil, daar de wind gedurende den nacht was gaan liggen, en ik waagde den togt; maar het volgende is eene les voor alle onbedreven loodsen. Naauwelijks was ik aan het rif, zelfs nog geen bootslengte van den wal, of ik bevond mij in zeer diep water, en eene strooming, die als een molensluis liep. Deze sleepte mijne boot met zoo veel geweld mede, dat ik, wat ik ook deed, haar niet aan den rand der strooming kon houden, maar zij mij, naar ik bemerkte, al verder en verder van de tegenstrooming, die aan mijne linkerhand was, afsleepte. Er was geen wind genoeg om mij te helpen, en wat ik met mijne riemen doen kon beteekende niets. Ik begon mij thans verloren te achten, want daar de strooming aan beide kanten van het eiland was, wist ik dat zij op weinige mijlen afstands met elkander zamentreffen moesten, en dan was ik onherstelbaar verloren. Ik zag ook geene mogelijkheid het te vermijden, zoodat ik niets voor oogen had dan den dood, niet van de zee, want die was kalm genoeg, maar van den dood door honger. Ik had wel is waar, eene schildpad, zoo groot als ik maar optillen kon, aan het strand gevonden, en in de boot geworpen, en ik had eene groote kruik met zoet water, dat is te zeggen een van mijne gebakken potten; maar wat zou mij dit baten als ik in den uitgestrekten Oceaan gedreven werd, waar op misschien duizend mijlen afstands, geene kust, geen vast land of eiland was.

En nu zag ik, hoe gemakkelijk de Goddelijke Voorzienigheid den rampzaligsten toestand, waarin zich iemand bevindt, nog veel erger kan maken. Nu zag ik naar mijn eenzaam eiland uit, als naar de aangenaamste plaats der wereld, en het grootste geluk, waarnaar ik wenschen kon, was, dat ik daar maar weder zijn mogt. Verlangend strekte ik er de handen naar uit. "O, gelukkig oord," zeide ik, "ik zal u nimmer wederzien! Rampzalige, die ik ben, waar ga ik heen?" Vervolgens verweet ik mijzelven mijne ondankbaarheid, en hoe ik over mijn eenzamen toestand getreurd had, en wat ik nu wel niet zou willen geven als ik daar slechts weder aan wal was! Zoo zien wij nimmer onzen toestand in het ware licht, voor wij door het tegendeel, er een helderder inzigt in verkrijgen; en datgene wat wij genieten, leeren wij eerst waarderen als wij het moeten missen. Het is naauwelijks mogelijk zich de ontroering te verbeelden, waarin ik mij thans bevond, nu ik van mijn geliefd eiland (zoo beschouwde ik het thans) op den wijden Oceaan was gedreven, schier twee mijlen ver, en genoegzaam wanhopende het ooit weder te zullen zien. Ik werkte echter hard, tot mijne kracht genoegzaam uitgeput was, en hield mijne boot zooveel noordelijk, dat wil zeggen naar den kant der strooming, waar de tegenstrooming lag, als ik bij mogelijkheid kon. Tegen den middag meende ik een windje in mijn gezigt te voelen, dat uit het Z. Z. O. kwam. Dit beurde mijn moed een weinig op, vooral toen het een half uur later eene frissche koelte begon te waaijen. Ik was thans op een vreesselijken afstand van het eiland, en als er mistig weder was opgekomen, was ik ook verloren geweest, want ik had geen kompas aan boord, en zou nooit geweten hebben hoe ik naar het eiland had moeten sturen, als ik het eens uit het gezigt had verloren, maar daar het weder helder bleef, zette ik mijn mast weder op en mijn zeil bij, en hield zoo veel noordelijk als ik kon, om uit de strooming te geraken.

Juist toen ik mijn mast en zeil bijgezet had, en er vaart in de boot was gekomen, zag ik zelfs aan de helderheid van het water, dat de strooming eenigzins veranderen moest; want waar de strooming zoo sterk was, was het water dik; maar daar ik hier de zee helder zag, bemerkte ik tevens dat de strooming afnam; en thans vond ik tien minuten verder oostelijk, dat de zee op eenige klippen brandde; deze rotsen scheidden de strooming weder, de voornaamste liep meer zuidelijk, en liet de klippen in het noord-oosten; de tweede, op de klippen stuitende, keerde met eene zware strooming weder naar het N. W. terug.

Hij, die aan den voet van het schavot pardon erlangt, of die onverwachts uit de opgeheven dolken van moordenaars gered wordt, kan zich mijne tegenwoordige vreugde voorstellen, en hoe gretig ik mijne boot in deze tegenstrooming bragt, hoe vrolijk ik, daar de wind ook aanwakkerde, mijn zeil bijzette, en aldus door wind en stroom naar het land aanhield. De stroom voerde mij omtrent eene mijl naar het land, maar ongeveer twee mijlen noordelijker dan de andere strooming, die mij naar zee had gebragt. Toen ik dus digt bij het eiland was bevond ik mij aan de noordkust, of vlak de tegenovergestelde zijde van die welke ik verlaten had.

Toen de stroom mij aldus meer dan eene mijl ver had gebragt, vond ik dat hij ophield en mij niet verder hielp. Ik vond echter, dat tusschen de twee groote stroomingen, namelijk, die aan de zuidzijde, die mij naar zee gedreven had, en die aan de noordzijde, het water ten westen van het eiland stil en zonder stroom was, en daar de wind nog gunstig was, hield ik regt op het eiland aan, schoon niet met zoo veel spoed als vroeger.

Tegen vier uren des namiddags, toen ik nog ongeveer eene mijl van het land af was, trof ik het einde van het rif aan, dat de oorzaak van mijn gevaar was, en zich zuidwaarts uitstrekte, en door de strooming ook dien kant heen te brengen, eene tegenstrooming noordwaarts veroorzaakte, die zeer sterk, doch niet regt in mijn koers liep, daar ik W. N. W. moest aanleggen. Met een goeden wind kwam ik echter door deze strooming, en na verloop van een uur was ik op een kwartier uurs afstand van het land, hetwelk ik, daar het effen water was, spoedig bereikte.

Toen ik aan wal was viel ik op mijne knieƫn, en dankte God voor mijne redding, en besloot alle denkbeeld van bevrijding door mijne boot op te geven. Na mijn maaltijd gedaan te hebben met hetgeen ik had, legde ik mijne boot vast in een kleinen inham, dien ik onder eenige boomen ontdekt had, en begaf mij daarop ter rust, daar ik uitgeput was door de vermoeijenissen der reis.

Ik was thans zeer in het onzekere, op welke wijze ik met mijne boot naar huis zou keeren. Ik had zoo veel gevaar geloopen, en te veel kennis van den toestand, om er aan te denken van den weg te kiezen dien ik gekomen was. Wat er aan de andere zijde (de westzijde) van het eiland was, wist ik niet, en ik verlangde niet om nieuwe gevaren te loopen; dus besloot ik in den morgen, mijn weg westwaarts langs het strand voort te zetten, en te zien of er geen kreek was, waarin ik mijn vaartuig veilig liggen kon, zoo dat ik het weder vinden kon, als ik het begreep noodig te achten. Na een uur bijkans langs het strand te hebben gevaren, kwam ik aan eene zeer goede baai of inham, van ongeveer een vierde uur diep, die steeds naauwer uitliep tot in een kleine beek, waarin ik eene zeer goede ligplaats voor mijne boot vond; alsof zij daar lag in een dok, dat daar opzettelijk voor gemaakt was. Hier legde ik ze vast en ging vervolgens aan wal, om te zien waar ik mij bevond.

Spoedig vond ik, dat ik slechts weinig voorbij de plaats was, waar ik vroeger was geweest, toen ik te voet het eiland was doorgetrokken. Ik nam dus niets uit mijne boot dan mijn geweer en mijn zonnescherm, want het was bijzonder heet, en ging op marsch. De weg was gemakkelijk genoeg, na eene reis als ik gedaan had, en tegen den avond bereikte ik mijne oude buitenplaats, waar ik alles vond zoo als ik het gelaten had, want ik hield mijn landhuis altijd in goede orde.

Ik klom over de heining, en ging in de schaduw uitrusten, waar ik, want ik was zeer vermoeid, weldra in slaap viel. Maar oordeel, zoo gij kunt, lezer, over mijne verrassing, toen ik uit mijnen slaap wakker gemaakt werd, door eene stem, die mij verscheidene malen bij mijn naam riep: "Robinson, Robin, Robinson Crusoe! Arme Robinson Crusoe! Waar zijt gij, Robinson Crusoe? Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest?"

Ik was eerst zoo vast in slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had, en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen de stem herhaaldelijk bleef roepen: "Robin, Robinson Crusoe!" begon ik eindelijk volkomen wakker te worden, en was in het allerhevigst verschrikt en sprong op in de uiterste ontsteltenis. Maar naauwelijks waren mijne oogen open of ik zag mijn papegaai op den top van de heining zitten; en nu wist ik dadelijk dat hij tegen mij gesproken had, want ik had hem geleerd zulke beklagende woorden tegen mij te spreken, en hij had dit zoo volkomen aangeleerd, dat hij dikwijls een uur lang op mijne hand zat, met zijn bek vlak tegen mijn gelaat aan, roepende: "arme Robinson Crusoe! Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest? Hoe komt gij hier?"

Maar, ofschoon ik wist dat het de papegaai was, en niemand anders wezen kon, duurde het eene geruime poos eer ik weder bedaard was van mijne ontroering. Eerst stond ik verwonderd hoe de vogel daar gekomen was, en dan hoe hij juist daar en nergens anders was gaan zitten. Maar daar ik wel overtuigd was dat het mijn papegaai en niemand anders was, hield ik mijne hand op en riep hem bij zijn naam. Oogenblikkelijk kwam de gezellige vogel op mijn vinger zitten, gelijk hij gewoon was, en bleef voortsnappen: "arme Robinson! en: Hoe zijt gij hier gekomen? Waar zijt gij geweest?" alsof hij blijde was dat hij mij weder zag, en zoo bragt ik hem naar huis terug.

Ik was nu voor eenigen tijd verzadigd van togtjes op zee, en had verscheidene dagen genoeg te doen met te bedenken in welk gevaar ik geweest was. Het zou mij zeer aangenaam geweest zijn als ik mijne boot weder aan de andere zijde van het eiland had gehad, waar ik woonde; maar ik wist niet hoe ik haar daar zou brengen. Ik kende de oostzijde van het eiland, langs welke ik gekomen was, thans te goed, om niet te weten dat ik niet wagen kon, dien weg te nemen; mijn bloed verstijfde in mijne aderen als ik er slechts aan dacht. Hoe het aan den anderen kant van het eiland was, wist ik niet, maar onderstellende, dat daar de stroom even hevig oostelijk tegen de kust aanliep, zou ik hetzelfde gevaar loopen van door den stroom medegesleept en tegen het eiland geworpen te worden, als ik vroeger geloopen had van er afgesleept te worden. Deze gedachten deden mij tevreden zijn zonder boot, schoon ik zooveel maanden had gewerkt om er eene te maken, en nog zoovele maanden om die te water te brengen.

In deze gemoedsgesteldheid bleef ik bijkans een jaar, een zeer rustig leven leidende, gelijk men denken kan, en daar ik thans met mijn toestand verzoend was en mij geheel aan den wil der Voorzienigheid onderworpen had, begreep ik dat ik in alle opzigten zeer gelukkig leefde, behalve in het gemis aan gezelschap. Ik maakte mij in dien tijd bekwamer in al die werktuigkundige verrigtingen, waartoe de nood mij dwong, en ik geloof dat ik thans een zeer goed timmerman mogt heeten; vooral als men in het oog houdt hoe weinig gereedschappen ik had. Bovendien bragt ik eene onverwachte verbetering in mijn aardenwerk te weeg; hetgeen ik thans met een rad vervaardigde, dat ik oneindig beter en gemakkelijker vond, daar ik thans de voorwerpen rond en van een goeden vorm maken kon, terwijl het vroeger leelijke, onbehouwen dingen waren. Maar ik geloof niet dat ik ooit hoovaardiger was op iets wat ik vervaardigd heb, of mij meer over eenige uitvinding verheugd, dan toen ik in staat was eene tabakspijp te maken, en schoon het een leelijk wanschapen ding, en even als mijne andere potten roodgebakken was, was ik er toch zeer mede verheugd, want zij was hard en vast en ik kon er uit rooken. Ik was dit altoos gewoon geweest, en er waren ook pijpen aan boord van het schip geweest, maar ik had die eerst laten liggen, omdat ik niet wist dat er tabak op het eiland was, en toen ik naderhand het schip weder doorzocht, kon ik ze niet terugvinden.

Ook vermeerderde ik mijn voorraad van mandewerk, en maakte eene menigte manden, zoo goed ik ze bedenken kon. Schoon niet zeer fraai, waren zij toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof, kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken vleesch, waaraan ik genoeg had, en dragen dit alles in eene mand naar huis. Ook bewaarde ik mijn koorn in groote diepe manden; ik wreef dit altijd uit de airen zoodra het droog was, en bergde het dan in de manden.

Ik begon thans te bemerken dat mijn buskruid zeer verminderde, en dat ik dit gebrek nimmer zou kunnen aanvullen. Ik begon er ernstig over na te denken, wat te doen als ik geen kruid meer zou hebben, namelijk hoe ik dan van tijd tot tijd eene geit zou dooden. Ik had, gelijk ik verhaald heb, in het derde jaar van mijn verblijf een jong geitje gevangen en tam gemaakt. Ik had altijd gehoopt er een bok bij te zullen bekomen; maar dit mogt mij nimmer gelukken. Eindelijk werd mijne geit oud, en ik kon het nimmer van mij verkrijgen haar te slagten, totdat zij ten laatste van ouderdom stierf.

Nu ik echter in het elfde jaar van mijn verblijf was, en mijn kruid gelijk ik zeide, sterk verminderde, begon ik mij te bedenken op een strik of val, om te zien of ik niet eenige geiten levende zou kunnen vangen, vooral eene geit met jongen wenschte ik. Ik maakte te dien einde strikken, en ik geloof dat zij er meermalen in verward raakten, maar daar zij niet zeer sterk waren, omdat het mij aan koord ontbrak, vond ik ze altijd aan stukken en het aas opgegeten. Eindelijk besloot ik het met vallen te beproeven; ik delfde dus verscheidene kuilen, op plaatsen waar ik opgemerkt had dat de geiten gewoonlijk kwamen weiden, en op deze kuilen plaatste ik horden, van mijn eigen maaksel ook, met eene groote zwaarte er op, en verscheidene malen plaatste ik hoopjes graan en drooge rijst er op, zonder den val te zetten, en ik kon gemakkelijk zien aan het spoor harer pooten dat de geiten er in geweest waren en het graan opgegeten hadden. Eindelijk zette ik drie vallen op eenen nacht, en toen ik er den volgenden morgen bij kwam, vond ik ze allen staan, en toch was het aas opgegeten en weg. Dit was ontmoedigend, doch ik veranderde mijne vallen, en om kort te gaan, toen ik er op een morgen naar ging zien, vond ik in een kuil een ouden bok, en in een anderen twee geiten en een bokje.

Wat ik met den ouden bok zou aanvangen, wist ik niet; hij was zoo woest dat ik niet bij hem in den kuil dorst gaan; dat wil zeggen om er hem levend uit te halen, hetgeen eigenlijk mijne bedoeling was. Ik had hem kunnen doodschieten, maar dat zou mij niet gebaat hebben; dus liet ik hem er uit en hij liep weg als of hij dol was; maar ik wist toen niet, hetgeen ik naderhand leerde dat honger zelfs een leeuw kan temmen. Als ik hem daar drie of vier dagen zonder voedsel had gelaten, en hem dan eenig water om te drinken en eenig graan had gebragt, zou hij zoo tam als een geitje geweest zijn, want dit waren zeer scherpzinnige en makke dieren, als men ze goed behandelde.

Ik liet hem dus voor het tegenwoordige gaan, daar ik toen niets beters wist te doen; daarop ging ik naar de drie geiten, en bond die een voor een met strikken vast en bragt ze niet zonder moeite naar huis. Het duurde lang voor zij wilden eten, maar door haar eenig rijp graan voor te werpen haalde ik ze er toe over en zij begonnen tam te worden. En nu begreep ik dat als ik mij zelven met geitenvleesch wilde voeden, wanneer mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde rondom mijne woning zou kunnen laten weiden.

Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er niet in konden komen. Dit was eene groote onderneming voor iemand met slechts twee handen. Daar ik er echter de volstrekte noodzakelijkheid van inzag, was mijn eerste werk eene geschikte plek grond te vinden, namelijk waar waarschijnlijk gras voor haar om te eten, water om te drinken, en beschutting voor de zonnehitte zou zijn.

Degenen, die van dergelijke inrigtingen verstand hebben, zullen zeggen dat ik zeer weinig inzigt van de zaak had, toen ik als eene allezins geschikte plek eene opene vlakke weide uitkoos, met twee of drie beekjes van loopend water, en dat aan het eene einde met boomen bezet was. Zij zullen over mijn voornemen lagchen als ik zeg, dat ik dit stuk grond, zoodanig begon te omheinen, dat mijn heining of paalwerk ongeveer twee (Eng.) mijlen groot zou worden. De dwaasheid bestond niet in den omtrek, want al was die tien mijlen geweest, zou ik waarschijnlijk tijd genoeg gehad hebben om het in te doen, maar ik bedacht niet, dat mijne geiten in zulk eene groote ruimte even wild zouden zijn, als of zij het geheele eiland voor zich hadden; en ik zou zooveel ruimte hebben om haar in te jagen dat ik ze er waarschijnlijk nooit zou kunnen vangen.

Toen ik met mijne heining ongeveer vijftig ellen gevorderd was, kwam dat denkbeeld het eerst bij mij op en deed mij dadelijk mijn werk staken. Ik besloot daarop vooreerst een stuk af te perken van honderd en vijftig el lang, en honderd el breed, hetwelk voor 's hands genoeg was ter voeding van degeen, die ik vooreerst zou hebben, en als mijne kudde vermeerderde, kon ik altijd meer grond afperken. Dit was verstandiger overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er in vast en gewende ze zoo digt bij mij te grazen als mogelijk, om ze mak te maken. Ik ging er dikwijls heen met eene hand vol graan of rijst en liet ze uit mijne hand eten, zoodat toen mijne heining af was, en ik ze los liet, zij mij blatende achterna liepen, om een handvol koorn.

Dit was juist wat ik verlangde, en in anderhalf jaar had ik eene kudde van twaalf geiten, de jongen medegerekend, en twee jaren daarna had ik er drieƫnveertig, behalve verscheidene, die ik geslagt en opgegeten had, en na dien tijd perkte ik vijf verschillende stukken gronds af, met smalle doorgangen om haar in te drijven en te vangen als ik ze noodig had, of van het eene perk in het andere wilde drijven. Doch dit was niet alles, want niet alleen dat ik nu als ik het verlangde geitenvleesch had, maar ik had ook melk, iets waaraan ik in den beginne zelfs niet gedacht had, en dat later mij eene aangename verrassing was, want ik had soms tien of twaalf pinten melk per dag; en daar de natuur als zij ons iets schenkt, ons gewoonlijk het ook leert gebruiken, zoo bragt ik het eindelijk zoo ver, hoewel ik nimmer eene koe of geit gemolken had, noch boter of kaas ooit had zien maken, dat ik, schoon na vele mislukte proeven, eindelijk boter en kaas maakte, en er naderhand nimmer gebrek aan had. Hoe genadig kan toch onze Schepper zijne schepselen behandelen, zelfs in omstandigheden, in welke zij door de onoverkomelijkste rampen getroffen schijnen! Hoe kan Hij onzen bittersten toestand verzachten, en ons reden geven Hem zelfs in den diepsten kerker te loven! Welk eene tafel was thans voor mij gespreid in eene wildernis, waarin ik in den beginne niets dan den hongerdood voor oogen zag!

De ernstigste mensch zou gelagchen hebben, als hij mij met mijn huisgezin aan tafel had zien zitten. In de eerste plaats was er zijne majesteit, de onbeperkte gebieder van het geheele eiland, de heer over leven en dood van alle schepselen daarop. Ik kon al mijne onderdanen gevangen zetten, ter dood brengen of genade schenken, naar ik zulks goed vond, en ik had voor geene rebellie onder hen te vreezen. Ik at, als een koning, geheel alleen, omringd door al mijne dienaren! Mijn papegaai, als mijn gunsteling, had alleen het regt tot mij het woord te voeren; mijn hond, die nu oud en afgeleefd was, en zijn geslacht niet had kunnen voortplanten, zat altijd aan mijne regterhand, en twee katten, een aan weerszijden van de tafel, verwachtten nu en dan een stuk uit mijne hand, als een blijk van hooge gunst. Het waren echter niet de twee katten, die ik van boord had medegebragt, deze waren beide gestorven, en door mij digt bij mijne woning begraven; het waren afstammelingen van eene van haar, met eene soort van wilde kat, naar ik denk. Dit waren de eenigste, die ik tam gehouden had, de overigen zworven wild in de bosschen, en waren mij geweldig lastig, want zij kwamen dikwijls in mijn huis alles wegstelen; eindelijk schoot ik er eene menigte dood, waarna de overigen mij van haar bezoek verschoonden. Aldus leefde ik in overvloed zonder dat ik zeggen kon iets te missen dan gezelschap, en dat ontving ik eenigen tijd later meer dan mij lief was.