Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 11

Chapter 114,181 wordsPublic domain

Dit bragt mij op de gedachten, of het mij niet mogelijk zou zijn eene kanoe of praauw te maken, gelijk de inboorlingen onder deze hemelstreek gebruiken, zelfs zonder gereedschappen, namelijk uit een grooten boomstam. Ik achtte dit niet alleen mogelijk, maar zelfs gemakkelijk, en verheugde mij zeer in het vooruitzigt, die te maken, en dat ik daartoe meer hulpmiddelen zelfs had dan de Negers en Indianen. Maar ik dacht niet aan hetgeen, waarin ik bij de Indianen te kort schoot, namelijk gebrek aan volk om te roeijen, als zij klaar was, eene zwarigheid, die voor mij veel moeijelijker te overwinnen was dan al het gebrek aan gereedschappen voor hen; want wat baatte het mij als ik een grooten boom uit het bosch had uitgekipt, dien met veel moeite gekapt, en ik daarna met behulp van mijne werktuigen in staat was, dien van buiten den vorm van een boot te geven, en van binnen met vuur of ijzer uit te hollen, zoo dat het eene boot werd; als ik na dat alles die moest laten waar zij lag, en niet in staat was haar te water te brengen?

Men zal niet kunnen begrijpen, dat ik niet de minste nagedachten over mijn toestand had, terwijl ik de boot maakte, anders had ik dadelijk moeten denken hoe ik haar in zee zou brengen; maar mijne gedachten waren zoo geheel vervuld met mijne reis over zee met haar, dat ik er zelfs nimmer aan dacht, hoe ik van het land zou komen, en toch was het inderdaad voor mij veel gemakkelijker de boot vijftien mijlen over zee te brengen, dan vijfenveertig over land, van de plaats waar zij lag tot in het water.

Ik toog te werk aan deze boot, meer als een gek, dan als iemand, die zijn gezond verstand heeft. De voorgenomen reis streelde mij, zonder dat ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water brengen, maar dan stopte ik mij zelven den mond met het dwaze antwoord: "Laat mij maar eerst de kanoe gereed hebben, dan zal ik wel middel vinden haar te gebruiken."

Dit was eene alleronverstandigste handelwijze, maar mijne verbeelding bragt mij het hoofd op hol, en dus ging ik aan het werk, en deed een cederboom vallen. Ik weet niet of Salomo ooit een grooter had bij de bouwing van den tempel te Jeruzalem, want hij was van onderen bij den wortel vijf voet en tien duim in doorsnede, en vier voet elf duim aan het andere einde, tweeëntwintig voet hooger, daarna werd hij dunner en liep in takken uit. Met eindelooze moeite velde ik dezen boom. Twintig dagen hakte ik aan den stam, toen had ik nog veertien dagen noodig om er de takken en armen, en de wijd uitgespreide kruin af te kappen, hetgeen met mijne bijlen een ontzettende arbeid voor mij was. Daarna ging er nog eene maand heen met den stam te vormen, en er eenigermate den vorm van eene sloep aan te geven, zoodat hij, gelijk het behoorde, regt op in het water kon drijven. Het uithollen, zoo dat hij den juisten vorm van eene sloep verkreeg, deed ik zonder behulp van vuur, maar door zwaren arbeid met een hamer en beitel, tot ik eindelijk eene vrij knappe praauw voor den dag bragt, groot genoeg om zesentwintig man te voeren, en dus althans groot genoeg voor mij en mijne lading.

Toen mijn werk zoo ver gedaan was, had ik er regt genoegen in. De boot was vrij wat grooter dan ik ooit in mijn leven eene kanoe of praauw, uit één stam gemaakt, had gezien. Menig droppel zweet had zij mij gekost, dat kan ik verzekeren. Nu bleef er slechts over haar te water te laten loopen. Zoo ik dit had kunnen doen, twijfel ik niet of ik zou de dolzinnigste en gewaagdste reis ondernomen hebben, die ooit bij iemand opgekomen was.

Maar al mijne uitvindingen, om haar te water te brengen, mislukten, schoon zij mij ontzettenden arbeid kostten. De boot lag wel niet verder dan ongeveer honderd ellen van het water, maar in de eerste plaats liep de grond hoog op bij de kreek. Ik besloot deze hoogte weg te graven, zoo dat de grond daar laag afliep. Hieraan begon ik weder met ontzettende moeite; maar wie vraagt naar moeite bij het vooruitzigt op zijne bevrijding? Maar toen deze moeijelijkheid uit den weg geruimd was, was er slechts één bezwaar overwonnen, want ik kon de kanoe even min bewegen als vroeger de andere boot.

Ik mat daarop den afstand, en daar ik de kanoe niet naar het water kon brengen, besloot ik het water naar de kanoe te brengen, door een kanaal te graven tot aan de plaats, waar zij lag. Ik begon ook hieraan, maar toen ik nu eens narekende hoe diep en breed ik dit moest graven, hoe ik de aarde er uit moest werken, vond ik, dat bij het aantal handen, waarover ik beschikken kon, te weten mijne eigene twee, er tien of twaalf jaren zouden verloopen voor ik dit kon volbrengen, want de kust lag hoog, zoo dat ik aan het einde twintig voet diep had moeten graven. Hoezeer met grooten weerzin, moest ik dus eindelijk mijn plan opgeven. Dit griefde mij bitter, en nu zag ik te laat in hoe dwaas het is een werk te beginnen, zonder eerst te bedenken, of wij in staat zijn het te volvoeren.

Midden in dit werk was ik, toen het vierde jaar van mijn verblijf alhier eindigde, en ik bragt dien dag evenzeer in gebeden door als de vorige, en met gelijke vertroosting, want door eene gestadige beoefening van Gods Woord, en ondersteund door Gods genade, had ik thans geheel andere begrippen dan te voren. Ik beschouwde nu de wereld als een afgelegen oord, als iets, waarmede ik niets te maken, waarvan ik niets te verwachten had, en waarnaar ik waarlijk niet verlangde. Kortom, daar ik er waarschijnlijk nimmer weder iets mede te maken zou hebben, beschouwde ik de wereld gelijk ik dacht, dat wij die welligt hier namaals zullen beschouwen, namelijk als een plaats, waarin ik geleefd, doch die ik thans verlaten had. Ik mogt er wel van zeggen gelijk Abraham tot den rijken man in het Evangelie: "Tusschen mij en ulieden is eene groote kloof gevestigd."

Ik was inderdaad buiten het bereik van de verzoekingen der wereld. Noch den lust des vleesches, noch den lust der oogen, noch de hoogmoed des levens had ik hier te duchten. Ik had niets te benijden, want al wat mij hier eenig genot kon verschaffen was in mijn bezit. Ik was heer van het geheele land, en kon mij keizer of koning van hetzelve noemen als ik het goed vond. Ik had geene mededingers, niemand die mij de heerschappij of het oppergezag betwistte. Ik had scheepsladingen koorn kunnen teelen, maar kon ze niet gebruiken, dus liet ik niet meer groeijen dan ik voor mij noodig achtte. Ik had overvloed van schildpadvleesch, nu en dan een was voor mij genoeg. Ik had hout genoeg om eene geheele vloot te bouwen, en genoeg druiven om die vloot met wijn of rozijnen te laden, als zij gebouwd was.

Maar voor mij was datgene alleen van waarde, wat ik gebruiken kon. Ik had genoeg om in mijne behoeften te voorzien, en wat zou mij meer gebaat hebben? Had ik meer wild geschoten dan ik nuttigen kon, mijn hond of de roofvogels hadden het moeten eten; had ik meer koorn gezaaid dan ik noodig had, het had moeten bederven. De boomen, die ik geveld had, lagen op den grond te verrotten. Ik kon ze alleen als brandhout gebruiken, en dit had ik alleen noodig om mijn eten op te koken.

In één woord, de natuur en mijne ondervinding leerden mij, na rijp nadenken, dat alle goederen der wereld voor ons niet verder goed zijn dan zij voor ons gebruik geschikt zijn, en dat van al wat wij bijeenschrapen, om anderen te geven, wij zoo veel genieten als wij gebruiken kunnen en meer niet. De schraapzuchtigste vrek der wereld zou van zijne gierigheid genezen zijn geworden, als hij in mijn toestand ware geweest, want ik bezat oneindig meer dan ik wist te gebruiken. Ik had niets te verlangen, dan eenige beuzelingen, die ik niet bezat, maar die mij van groot nut zouden geweest zijn. Ik had, gelijk ik vroeger gezegd had, eenig geld in goud en zilver, ter waarde van ruim zesendertig pond sterling. Helaas, daar lag dat ellendig, nietswaardig goed! Ik kon er niets mede aanvangen, en dacht dikwijls bij mij zelven, dat ik er handen vol van had willen geven voor een gros tabakspijpen of een molen om mijn koorn te malen; ik had het altemaal willen geven voor de waarde van een paar dubbeltjes aan zaad van peenen en knollen, of voor eene hand vol erwten en boonen en eene flesch inkt. Thans had ik er niet het minste voordeel van, het lag in eene lade te beschimmelen door de vochtigheid in het regensaizoen; en al was die lade vol diamanten geweest, het zou hetzelfde geweest zijn, en daar zij mij van geen nut waren, hadden zij geene waarde voor mij.

Mijn levenswijze was thans voor mij veel aangenamer en geruster naar ligchaam en ziel, dan in den beginne. Dikwijls zette ik mij met een dankbaar hart aan tafel, en bewonderde de bestiering der Goddelijke Voorzienigheid, die aldus in de wildernis mij spijs had bereid. Ik leerde meer op de gunstige en minder op de ongunstige zijde van mijn toestand zien, en meer te denken aan hetgeen ik bezat dan aan hetgeen mij ontbrak, en dit verschafte mij somwijlen meer opbeuring dan ik hier kan zeggen, en waarvan ik hier melding maak, om dit te doen bedenken aan hen, die onvergenoegd zijn en niet rustig kunnen genieten wat God hun geschonken heeft, omdat zij datgene zien en benijden, wat Hij hun heeft onthouden. Al ons verdriet over hetgeen ons ontbreekt, schijnt mij toe te ontstaan uit gebrek aan dankbaarheid voor hetgeen wij bezitten.

Eene andere bedenking was mij zeer nuttig, en zal dit ongetwijfeld zijn voor ieder, die zich in een tegenspoed als de mijne bevindt; deze bestond daarin, dat ik mijn tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, welken ik in den beginne te gemoet zag, en die zeker mijn lot zou geweest zijn, als Gods genadige Voorzienigheid niet het schip nader bij het strand had geworpen, zoodat ik er niet alleen kon bijkomen, maar er alles uit naar den wal brengen, wat ik noodig had; zonder hetwelk ik noch gereedschap om te werken, noch wapens tot mijne verdediging, noch kruid en lood om mijn voedsel te verkrijgen, zou gehad hebben.

Geheele uren, ja geheele dagen bragt ik aldus door met mij op het levendigst voor te stellen hoe ik had moeten handelen, als ik niets uit het schip had kunnen halen; hoe ik geen ander voedsel dan visch en schildpadden had bekomen, of liever, daar het lang duurde eer ik dezen vond, hoe ik voor dien tijd van honger had moeten sterven, of zoo niet, hoe ik dan als een wilde had moeten leven, en zoo ik bij toeval mij van een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als een beest vaneen scheuren.

Deze gedachten deden mij de goedheid der Voorzienigheid jegens mij beseffen, en mij dankbaar zijn voor mijn tegenwoordigen toestand, met al zijne gevaren en ongemakken; en ik moet dus ook dit ernstig ter overweging aanbevelen aan hen, die in hunne ellende zeggen: "Is er eenige droefenis als de mijne?" Laat hen bedenken hoe veel erger sommige lieden er aan toe zijn, en zij zelven zouden zijn, als de Voorzienigheid dit gewild had.

Nog eene bedenking vertroostte mijn geest, en deze was, als ik mijn tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, welken ik verdiende, en dus billijk van de Voorzienigheid had mogen verwachten. Ik had geleefd buiten alle kennis en vreeze Gods. Wel hadden mijne ouders mij onderwezen en vroegtijdig getracht mij de vreeze Gods in te boezemen, met een besef van mijne pligten en van de bestemming en het doel mijns levens. Maar, helaas, vroegtijdig was ik tot een zwervend leven vervallen, en in een gezelschap, waarin het weinige van de godsdienst werd uitgeroeid, dat ik nog bezat, door den spot mijner makkers, door eene hardvochtige verachting van gevaren en het zien van den dood, waaraan ik gewoon raakte; door mijn langdurig verstoken zijn van alle gelegenheid om met iemand van andere beginselen dan ik omtegaan, of iets te hooren, dat goed was, of eene goede strekking had.

Zoo geheel was ik buiten het bezit van al wat goed was, of van alle denkbeeld daaraan, dat bij mijn grootste weldaden, zoo als mijne ontsnapping van Salé, toen ik door den Portugeschen kapitein opgenomen werd, toen ik zoo wel slaagde in Brazilië, mijne lading uit Engeland ontving, enz., ik nimmer de woorden: "Gode zij dank," in mijn hart of in mijn mond had; en bij mijne grootste tegenspoeden dacht ik zelfs niet aan het gebed, en gebruikte Gods naam alleen tot vloeken en lasteren.

Verscheidene maanden, gelijk ik reeds gezegd heb, was mijn geest zeer bedrukt over mijn vorig snood en verhard leven; en toen ik alles om mij heen beschouwde en overwoog, welke bijzondere bestieringen ik sedert mijne komst alhier had ontwaard, en hoe goedertieren God met mij gehandeld had; hoe Hij mij niet alleen minder gestraft had, dan mijne overtredingen verdienden, maar zoo genadig voor mij gezorgd had; gaf dit mij groote hoop, dat God mijn berouw had aangenomen, en ik nog in 't vervolg op zijne goedertierenheid hopen mogt.

Deze overwegingen maakten mij niet alleen onderworpen aan den wil van God, in mijn tegenwoordigen toestand, maar zelfs opregt dankbaar voor denzelven. Ik bedacht, dat ik, die nog in leven was, mij niet mogt beklagen, daar ik geenszins de regtmatige straf voor mijne zonden had ontvangen; maar dat ik dagelijks mij verheugen en dankbaar zijn moest voor dat dagelijksch brood, dat mij als door een wonder geschonken was, een wonder zoo groot, als dat van de voeding door de raven van den Profeet Elias, of liever door eene reeks van wonderen. Ik bedacht, dat ik van al de onbewoonde plaatsen op de wereld, geene plaats kon bedenken, waar ik gunstiger omstandigheden had kunnen aantreffen. Ik was aan den eenen kant van alle menschelijk gezelschap beroofd, hetgeen mij eene groote droefheid was, maar aan den anderen kant werd mijn leven niet bedreigd door verscheurende dieren; er waren geene venijnige dieren of giftige planten, geene wilden om mij te slagten. Kortom, schoon mijn leven aan den eenen kant zeer treurig was, was het aan den anderen kant gezegend; zoo ik slechts een regt besef had van Gods goedheid en zorg voor mij, en hieruit mijne dagelijksche vertroosting putte. Toen ik deze dingen goed inzag, was ik niet meer ter nedergeslagen.

Ik was hier nu zoo lang geweest, dat verscheidene zaken, die ik aan wal had gebragt of geheel versleten of gebruikt waren. Mijne inkt bijvoorbeeld was geheel verbruikt, sedert eenigen tijd, op een weinig na, dat ik zoo dikwijls met water had aangelengd, tot hij zoo bleek was, dat men hem naauwelijks op het papier zien kon. Zoo lang hij duurde had ik hem gebruikt, om de dagen van de maand op te teekenen, waarin mij iets merkwaardigs gebeurde, en bij overweging van het verledene, ontdekte ik een zonderling zamentreffen van de dagen, waarop mij verschillende gewigtige gebeurtenissen bejegend waren, en zoo ik bijgeloovig genoeg was geweest, om aan ongelukkige of gelukkige dagen te gelooven, zouden mij deze niet zonder reden sterk getroffen hebben.

In de eerste plaats vond ik, dat op denzelfden dag van het jaar, dat ik mijn vaders huis verliet en naar Hull ging, om in zee te gaan, op dienzelfden dag werd ik door een Saleschen kaper genomen en tot slaaf gemaakt. Ik ontkwam aan de schipbreuk op de reede van Yarraouth op denzelfden dag, dat ik naderhand van Salé in de boot vlugtte. Eindelijk, op mijn geboortedag, te weten den 30 September, werd mijn leven zoo wonderdadig gespaard, toen ik op dit eiland op het strand geworpen werd; zoo dat mijn zondig leven en mijn eenzaam leven op dit eiland op denzelfden dag begonnen waren.

Het eerst wat na mijn inkt op raakte was mijn brood, ik bedoel de beschuit, die ik uit het schip bragt. Met deze was ik zoo spaarzaam als mogelijk geweest, en had meer dan een jaar lang er dagelijks slechts een van gebruikt; en toch had ik een geheel jaar lang geen brood, tot ik zelf eenig koorn verkreeg, hetgeen zoo wonderdadig bewaard en eene groote weldaad voor mij was.

Mijne kleederen begonnen jammerlijk te verslijten. Ik had geen linnen meer dan eenige oude hemden, die ik in de kisten van andere matrozen had gevonden, en die ik zorgvuldig bewaarde, omdat ik dikwijls niets anders dragen kon dan een hemd, en het was een groot geluk voor mij, dat er bij de matrozen kleederen schier drie dozijn hemden waren. Er waren ook verscheidene dikke buizen van de matrozen, maar deze waren te warm om te dragen, en hoewel het luchtgestel zoo geweldig heet was, dat men geene kleederen behoefde, kon ik toch niet geheel naakt gaan, al had ik er lust toe gehad, hetgeen in 't geheel het geval niet was, want ik kon, ofschoon ik geheel alleen was, het denkbeeld er van niet verdragen.

Eene reden, waarom ik niet geheel naakt kon gaan, was, dat ik geheel naakt, niet zoo goed de zonnehitte verdragen kon, als wanneer ik eenige kleederen aan had; want de zon verschroeide letterlijk mijne huid, terwijl, als ik een hemd aan had, de wind mij eenige koelte gaf, door onder hetzelve te spelen. Even min kon ik het zoo ver brengen, dat ik zonder een hoed of muts in de zon liep; want dadelijk zou de zonnehitte mij hoofdpijn gegeven hebben, als de zonnestralen zoo regt op mijn hoofd vielen, terwijl ik door het dragen van een hoed of muts hiervoor bewaard werd.

Te dien einde besloot ik eens schouwing te houden van al de lappen, die ik over had, en die ik mijne garderobe noemde. Al mijne kamizolen waren versleten, ik trachtte dus anderen te maken van de groote jassen, die ik had. Ik ging dus aan het kleedermaken of liever lappen. Het ging echter nog al dragelijk; maar de broeken, die ik alstoen maakte, zagen er jammerlijk uit.

Ik heb reeds gezegd, dat ik de huiden van al de viervoetige beesten, die ik gedood had, had bewaard, en die met eenige stokken in de zon uitgespannen, waardoor sommigen zoo hard geworden waren, dat zij genoegzaam onbruikbaar waren; van anderen echter had ik veel nut. Het eerste wat ik van deze maakte was eene groote muts met het haar naar buiten, opdat de regen er langs zou loopen. Dit ging zoo goed, dat ik een geheel stel kleederen van deze huiden maakte, namelijk eene buis en broek, aan de knieën open en zeer ruim, want zij moesten mij eer koel houden dan verwarmen. Ik moet bekennen, dat zij er jammerlijk uitzagen en dat, ofschoon een slechte timmerman, ik nog tienmaal slechter snijder was. Echter kwamen zij mij zeer goed te stade, en als ik in den regen liep, bleef ik volkomen droog, omdat er geen regen doordrong.

Daarna besteedde ik veel tijd en arbeid, om mij een zonnescherm te maken; ik had er een hoog noodig en verlangde er zeer naar. Ik had ze te Brazilië gezien, waar zij bij de zware hitte zeer nuttig zijn; en hier, nog digter bij de evennachtslijn, was de hitte zelfs nog heviger. Bovendien was zulk een scherm voor mij even nuttig voor den regen als voor de zon. Ik gaf mij ontzettende moeite, en het duurde lang voor ik iets maken kon, dat opstond. Toen ik eindelijk dacht er achter te zijn, mislukten er nog twee of drie, maar eindelijk had ik er een die tamelijk naar mijn zin was. De grootste moeijelijkheid was om te maken, dat het neêr sloeg. Ik kon er wel een maken dat opgezet kon worden, maar als ik dit niet kon neêr doen, had ik het altijd boven mijn hoofd moeten dragen en dat ging niet. Eindelijk echter maakte ik een goed, en bedekte het met huiden, met het haar naar buiten, zoo dat de regen er goed afliep; en het weerde de zon zoo goed af, dat ik thans veel beter in het warmste weder dan vroeger in het koelste kon uitgaan. Als ik mijn scherm niet noodig had, droeg ik het toegeslagen onder mijn arm.

Aldus leefde ik zeer rustig, mijn geest was zeer bedaard, doordien ik mij geheel aan Gods wil onderworpen en aan zijne voorzienigheid toevertrouwd had. Hierdoor leefde ik beter dan in de maatschappij, want als ik naar verkeering met menschen verlangde, dan vroeg ik mij zelven af, of aldus met mij zelven en naar ik hoopte, in mijne gebeden, met mijnen Schepper te verkeeren, niet beter was dan de grootste genietingen van den omgang met anderen in de wereld?

Ik kan niet zeggen, dat mij na dien tijd, vijf jaren lang, iets buitengewoons gebeurde, ik leefde op dezelfde wijze en op dezelfde plaats voort. Hoofdzakelijk hield ik mij bezig, behalve met mijn jaarlijkschen arbeid van graan en rijst te teelen, en van mijne druiven te droogen, waarvan ik altijd voor een jaar in voorraad had; ik zeg behalve dezen arbeid en mijn dagelijks uitgaan met mijn geweer, had ik ondernomen eene kanoe te maken, die ik ten laatste voltooid had; zoodat ik, door er een kanaal van zes voet wijd en vier voet diep voor te delven, die eene halve mijl ver, in de kreek bragt. De eerste kanoe was, gelijk ik gezegd heb, zoo groot, dat ik die niet naar het water, en het water evenmin naar de kanoe kon brengen; dus lag zij daar als eene herinnering voor mij, om in het vervolg verstandiger te werk te gaan.

Den volgenden keer dan ook, schoon ik er geen geschikten boom toe vinden kon, en het op eene plek was, waar het water eene halve (Eng.) mijl ver moest gebragt worden, gaf ik het echter geenszins op, zoodra ik zag dat het uitvoerbaar was, en schoon ik er bijkans twee jaren aan bezig was, verdroot mij deze arbeid nimmer, omdat ik hoop had van eindelijk eene boot te verkrijgen, waarmede ik naar zee zou kunnen gaan.

Toen echter eindelijk mijne kleine praauw voltooid was, beantwoordde hare grootte echter volstrekt niet aan het doel, dat ik beoogde toen ik de groote maakte; ik meen van er mede naar het vaste land over te steken, waar dit ongeveer veertig (Eng.) mijlen ver af lag. De kleinte van mijn boot droeg er ook toe bij, aan dat voornemen een einde te maken, en eindelijk dacht ik er niet meer aan. Maar daar ik nu eene boot had, vatte ik thans het voornemen op eene reis rondom mijn eiland te maken. Ik was, gelijk ik verhaald heb, toen ik het eiland dwars doorgetrokken was, op eene plaats aan de andere zijde geweest, en mijne op dien togt gemaakte ontdekkingen maakten mij zeer verlangend ook de andere deelen der kust te zien, en nu ik eene boot had, maalde het denkbeeld van het eiland rond te varen, mij den geheelen dag door het hoofd.

Te dien einde, en om alles met beleid en bezadigdheid te doen, vervaardigde ik een mastje voor mijne boot, en maakte er een zeil voor, uit sommige stukken van scheepszeilen, die in groote menigte, in mijne voorraadschuur lagen.

Toen de mast en het zeil gereed waren, beproefde ik de boot, en vond dat zij zeer goed zeilde. Toen maakte ik kleine kasten of bergplaatsen van voren en achteren in mijne boot, om er leeftogt, kruid, lood en andere noodwendigheden in droog te houden, hetzij voor regen of voor het schuim der zee, en aan de binnenzijde maakte ik eene lange geul, waarin ik mijn geweer kon leggen, met eene klep er over heen, om het droog te houden.

Ik maakte mijn zonnescherm van achteren vast in de boot, zoodat het overeind stond, boven mijn hoofd, en mij even als eene zonnetent voor de hitte beschermde. Op deze wijze deed ik nu en dan een togtje naar zee, maar ging nimmer diep in zee, of ver van de kleine kreek. Eindelijk echter verlangde ik zoo, om den omtrek van mijn koningrijkje te bezien, dat ik de reis rondom hetzelve besloot te ondernemen. Diensvolgens rustte ik mijn scheepje uit voor de reis. Ik deed er in twee brooden, of liever koeken, van mijn meel gebakken, eene aarden pot vol gepelde rijst, (een voedsel dat ik veel gebruikte) een klein fleschje rum, eene halve geit en kruid en lood om er meer te schieten; en twee grove jassen, die ik, gelijk ik gezegd heb, uit de matrozenkisten gered had. Deze laatste dienden, de een om op te liggen, de ander om mij des nachts te bedekken.