Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Part 10

Chapter 104,200 wordsPublic domain

Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit als een kind, en wrong mij de handen. Somtijds te midden van mijn werk ging ik zitten, en staarde zuchtend een paar uren op den grond. Dit was het ergste, want als ik mijne borst in tranen en jammerklagten kon lucht geven, verminderde mijne neêrslagtigheid van lieverlede.

Thans echter begon ik mij met andere denkbeelden bezig te houden. Ik las dagelijks het Woord van God, en paste al de vertroostingen daarin op mijn toestand toe. Op zekeren morgen toen ik zoo neêrslagtig was, opende ik den bijbel bij deze woorden: "Ik zal u nimmer verlaten!"

Dadelijk viel het mij in, dat deze woorden voor mij geschreven waren; waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat. Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, en Gods gunst en zegen verloor, zou het verlies oneindig grooter zijn.

Van dit oogenblik af begreep ik, dat ik in mijn eenzamen, verlaten toestand gelukkiger kon zijn, dan ik waarschijnlijk in eenigen anderen staat in de wereld ooit zou geweest zijn; en deze gedachte deed mij op het punt staan van God te danken, dat Hij mij op dit eiland gevoerd had. Er was echter iets in mij, dat zich hiertegen verzette, en mij de woorden belette uit te spreken. Hoe kunt gij zulk een huichelaar zijn, zeide ik tot mij zelven, dat gij God dankt voor een toestand, waarmede gij wel moogt trachten tevreden te zijn, maar waarbij gij gaarne zoudt willen bidden, dat God u er uit bevrijdde?--Schoon ik dus God niet dankte, dat ik mij hier bevond, dankte ik hem toch opregt, dat Hij door mijne tegenspoeden mij mijn vorig leven had doen inzien en tot berouw over hetzelve gebragt. Nimmer vatte ik den Bijbel op, of ik dankte God, dat Hij mijn vriend in Engeland dien zonder mijn orders onder mijne goederen had doen pakken, en mij dien naderhand uit het wrak laten redden.

In deze gemoedsgesteldheid trad ik het derde jaar in, en hoewel ik den lezer niet met zulk een uitvoerig verslag van mijn arbeid als in het eerste jaar lastig gevallen heb, kan ik over het algemeen aanmerken, dat ik zelden ledig was, daar ik regelmatig mijn tijd verdeelde. Eerstelijk bad ik God en las eenigen tijd in den Bijbel, een gezetten tijd driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit om voedsel te zoeken, hetwelk mij gewoonlijk drie uren elken morgen bezig hield, als het niet regende. Eindelijk het afhalen en braden van hetgeen ik geschoten of gevangen had, waarmede een groot deel van den dag verliep. Ook moet men bedenken, dat het op het midden van den dag te warm was om uit te gaan, zoodat ik slechts tegen vier ure na den middag kon werken; somtijds ook werkte ik des morgens, en ging tegen den avond met mijn geweer uit.

Bij deze korte werkuren moet men voegen de groote moeijelijkheid van mijn werk, en de vele uren die ieder ding, dat ik maakte, mij kostte, uit gebrek aan werktuigen, aan hulp en aan bekwaamheid. Ik was bij voorbeeld tweeënveertig dagen bezig met eene plank te maken tot eene lange tafel, die ik noodig had, terwijl twee timmerlieden met eene zaag uit denzelfden boom zes planken in een halven dag zouden vervaardigd hebben.

Ik moest in de eerste plaats een grooten boom vellen, omdat ik eene breede plank wilde hebben. Hiermede bragt ik drie dagen door en nog twee dagen met het afkappen van de takken. Ik hakte toen met ontzettende moeite zoo veel van den stam af tot hij bewogen kon worden; toen keerde ik hem op zijde, en maakte een kant, van het begin tot het einde, zoo vlak en effen als eene plank, en keerde toen hem om, en bewerkte de andere zijde even zoo, tot ik een plank van drie duim dik had, die aan beide zijden vlak was. Men oordeele welk een arbeid dit was; maar geduld en vlijt hielpen mij dit en vele andere dingen verrigten. Ik voer dit aan ten bewijze, waarom een zoo gering werk mij zoo veel tijd kostte. Hetgeen met hulp van anderen en geschikte werktuigen eene kleinigheid was, werd voor een mensch alleen een allerzwaarste en langzaamste arbeid. Desniettemin deden vlijt en volharding mij vele, ja alle zaken tot stand brengen, die ik in mijne omstandigheden behoefde.

Ik was nu in November en December, en wachtte den oogst van mijne rijst en graan. De grond, dien ik er voor omgespit had was niet groot, omdat ik, gelijk ik zeide, slechts weinig had. Het graan stond echter zeer goed, toen ik plotseling weder in gevaar kwam alles te verliezen, door verschillende vijanden, die ik moeijelijk kon afweren, als eerstelijk de geiten, en de beesten, die ik hazen noemde, kregen smaak in de graanhalmen, en aten het op zoodra het uitschoot, zoodat het geen airen kon schieten.

Ik zag geen middel hiertegen, dan om eene heining om mijn akker te maken, hetgeen mij zwaren arbeid kostte, vooral omdat het spoed eischte. Daar de omtrek echter klein was, had ik er in drie weken eene heining om, en over dag schoot ik sommige beesten, en bij nacht liet ik mijn hond de wacht houden, dien ik aan een paal bij den ingang vast bond, waar hij den geheelen nacht door blafte; dus ruimden de vijanden spoedig het veld, en het graan begon welig op te schieten.

Maar hadden de beesten mijn graan vernield toen het opschoot, de vogels zouden mij waarschijnlijk alles ontrooven nu het airen schoot. Toen ik er langs ging om te zien hoe het stond, zag ik eene menigte vogels van allerlei soort er nabij, die slechts schenen te wachten tot ik zou vertrokken zijn. Dadelijk schoot ik onder hen, (want ik had altijd mijn geweer bij mij) maar terstond daarop verhief zich eene wolk van vogels uit het graan, die ik nog niet gezien had.

Dat was mij eene groote teleurstelling; ik voorzag, dat zij in weinige dagen mij van alles zouden berooven, dat ik eindelijk verhongeren en geen enkelen graankorrel ooit oogsten zou. Wat ik doen zou, wist ik niet. Ik besloot echter zoo mogelijk mijn koorn te bewaren, al zou ik er nacht en dag de wacht bij houden. In de eerste plaats ging ik zien welke schade zij alreeds aangerigt hadden, en vond, dat hoewel zij reeds veel gegeten hadden, de schade nog niet zoo groot was, en het overige nog een goeden oogst zou geven als het behouden kon worden.

Toen ik mijn geweer laadde, zag ik de dieven overal rondom mij op de boomen zitten, alsof zij wachtten tot ik vertrokken zou zijn; ik deed alsof ik heen ging, en naauwelijks was ik uit hun gezigt of zij vielen weder in het graan. Ik was zoo verbitterd, dat ik niet wachten kon tot er nog meer waren, maar schoot weder en doodde er drie van. Dit was hetgeen ik wenschte, en ik behandelde ze gelijk men de dieven in Engeland doet, namelijk, ik hing ze op, ten voorbeeld voor anderen. Het is bijkans niet te begrijpen welk eene uitwerking dit had; want niet alleen streken de vogels niet meer in het koorn, maar kort daarop verlieten zij dat geheele gedeelte van het eiland, en ik zag geen vogel meer, zoo lang mijne vogelverschrikkers daar hingen. Ik was hierover verrukt, gelijk men wel denken kan, en in het laatst van December haalde ik mijn oogst binnen.

Ik had geen sikkel om het te snijden en moest dit dus met een groot mes doen, hetgeen echter gemakkelijk was, daar de oogst niet groot was. Ik sneed alleen de airen af, en bragt die in eene groote mand naar huis, waar ik met mijn handen er het graan uitwreef. Toen dit afgeloopen was, vond ik, dat ik van mijn zaad bijkans twee schepels rijst en twee en een half schepel graan geoogst had, dat wil zeggen naar gissing, want ik had geen maat.

Dit was mij eene groote aanmoediging en ik hoopte, dat God mij met der tijd brood zou beschikken. Hier deden zich echter weder zwarigheden op; want ik wist niet hoe ik mijn koorn zou malen, om er meel van te maken, noch hoe ik, als het tot meel was, er brood van zou maken, en al wist ik dit, hoe ik het bakken zou. Deze zwarigheden, gevoegd bij mijn verlangen naar eene groote hoeveelheid zaaikoorn, deden mij besluiten al het koorn voor het volgende saizoen te bewaren, en middelerwijl mijn gedachten en mijn tijd te besteden, om mij van meel en brood te voorzien.

Ik mag letterlijk zeggen, dat ik thans voor mijn brood werkte. Het is zonderling en ik geloof dat er weinig menschen over nagedacht hebben, hoe veel kleine zaken er noodig zijn tot het voortbrengen van die eene enkele zaak, het brood. Ik, die in een blooten natuurstaat mij bevond, ondervond dit tot mijn dagelijksch verdriet, en gevoelde dit ieder uur, van het oogenblik af, dat ik zoo onverwachts met zaaikoorn verrast werd. Eerstelijk had ik geen ploeg om den grond te beploegen, noch eene spade of schop om dien om te spitten. Dit overwon ik door eene houten spade te maken; maar schoon hare vervaardiging mij vele dagen kostte, was zij niet alleen veel spoediger versleten dan eene ijzeren, maar het werken er mede ook veel zwaarder en slechter. Ik deed het er echter mede, zoo goed als ik kon. Toen het koorn gezaaid was, had ik geen eg om het land te eggen, maar moest een zwaren boomtak achter mij aan slepen, om hiermede de kluiten te breken. Terwijl het rijpte ontdekte ik weder hoeveel werk ik had om het af te sluiten, te bewaren, te oogsten, naar huis te brengen, te dorschen, van het kaf te scheiden en te bewaren. Vervolgens ontbrak mij een molen om het te malen, een zeef om het te builen, gest en zout om er brood van te maken, en een oven om het in te bakken; en echter wist ik al deze dingen te maken of te doen vervangen, gelijk men in het vervolg zien zal, en het graan werd eene onschatbare aanwinst voor mij. Al mijn werk ging hierdoor langzaam en moeijelijk, maar dit was niet te verhelpen; en ook had ik er tijd genoeg voor; omdat ik er dagelijks vaste uren toe bestemd had. Daar ik besloten had niets van mijn koorn tot brood te gebruiken, voor ik er meer van zou hebben, had ik zes maanden voor mij om mij de gereedschappen aan te schaffen, die noodig waren om brood van het koorn te bereiden.

Maar eerst moest ik meer land toebereiden, want ik had nu zaad genoeg voor meer dan een morgen lands. Vooraf had ik ten minste eene week werk om mij eene spade te maken, die nog slecht en zwaar genoeg was, en mij den arbeid verdubbelde. Ik deed het echter er mede, en zaaide mijn zaad op twee groote vlakke stukken gronds, zoo digt bij mijn huis als ik die vinden kon. Ik maakte er eene goede heining om, van stekken gelijk ik er te voren om gezet had, en die ik wist dat goed groeiden, zoodat ik rekenen kon binnen het jaar eene goede heining te hebben, die slechts weinig herstelling zou behoeven. Hoezeer dit werk niet zwaar was, gingen er echter drie maanden mede heen, omdat het meerendeels in het regensaizoen was, waarin ik weinig kon uitgaan. Binnen 's huis vond ik, als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: _Koo_, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk dat ik voor mij had.

Ik had namelijk lang gepeinsd hoe ik op de eene of andere wijze aarden potten zou kunnen maken, die ik hoog noodig had. De hitte van het klimaat echter deed mij denken, dat als ik slechts goede klei vond, ik wel eene pot daarvan zou kunnen vormen, die in de zon gedroogd, hard en sterk genoeg zou zijn om gehanteerd te worden en drooge goederen in te bewaren. Ik had die noodig voor koorn, vleesch, enz. Ik besloot dus potten te maken, zoo groot als ik kon, en alleen geschikt om iets in te bewaren.

De lezer zou mij beklagen of liever uitlagchen, als ik hem verhaalde, welke zonderlinge middelen ik bedacht om hierin te slagen; welke leelijke en wanvormige dingen uit mijne handen kwamen, en hoe dikwijls mijne potten invielen, omdat de klei niet sterk genoeg was om haar eigen gewigt te dragen; hoe velen er barstten door de zware zonnehitte, waaraan ik ze te haastig blootstelde; en hoe velen aan stukken vielen, als ik ze wilde optillen, zoo wel voor als nadat zij gedroogd waren; en om kort te gaan, hoe, nadat ik met veel moeite klei gevonden, uitgedolven, naar huis gebragt, aangemengd en bewerkt had, ik slechts twee groote leelijke aarden dingen, die men geen potten noemen mogt, na een arbeid van twee maanden, tot stand had gebragt.

Toen de zon deze twee echter zeer goed droog en hard had gemaakt, tilde ik ze voorzigtig op, en plaatste ze in twee groote manden, die ik daarvoor gevlochten had, ten einde zij niet zouden breken, en daar zij niet juist er inpasten, vulde ik de tusschenruimten aan met het stroo van mijne rijst en graan. Deze twee potten, die altoos droog stonden, begreep ik dat mijn koorn en misschien mijn meel zouden kunnen bevatten.

Hoe weinig het vervaardigen van groote potten mij nu gelukt was, slaagde ik echter beter met het maken van kleine ronde potten, schotels en dergelijke, die door de zonnewarmte zeer hard droogden. Dit alles voldeed echter niet aan mijn wensch, van eene aarden pot te hebben om vloeistoffen in te bewaren, en die het vuur verdragen kon, hetgeen bij deze het geval niet was. Toen ik eenigen tijd daarna een groot vuur aangemaakt had, om mijn vleesch te braden, en het later wilde uitdooven, vond ik in het vuur een stuk van een mijner gebroken potten, dat zoo hard als een steen, en zoo rood als een tegel gebakken was. Dit gezigt verraste mij en dadelijk begreep ik, dat de geheele pot zoo goed hard worden zou op het vuur, als een stuk daarvan. Ik dacht na hoe ik het best vuur zou aanleggen, om eenige potten te bakken. Van een oven, gelijk de pottenbakkers gebruiken, had ik geen begrip, evenmin van de wijze om die te verglazen, maar ik plaatste drie groote kruiken, en twee of drie potten boven op elkander, en het brandhout er om heen, met een grooten hoop asch er onder. Ik stookte het vuur steeds aan, totdat ik zag dat de potten van binnen gloeijend waren, en dat zij geen van allen barstten. Toen zij helder gloeiden, hield ik het vuur op dezelfde hoogte, gedurende vijf of zes uren; toen ik zag dat eene daarvan, ofschoon niet barstende, begon te smelten, of vloeibaar te worden, want het zand, dat onder de klei zat begon te smelten en zou tot glas geworden zijn, als ik voortgegaan had. Ik liet dus het vuur langzamerhand uitgaan, tot de potten niet meer gloeiden, en bleef er den geheelen nacht bij om het vuur niet te snel te laten uitdooven. In den morgen had ik drie goede, ik zal niet zeggen fraaije kruiken, en twee potten, zoo hard als ik wenschen kon, en een daarvan was door het gesmolten zand volkomen verglaasd.

Ik behoef niet te zeggen, dat ik na deze proefneming geen gebrek aan aardewerk meer had, maar ik moet bekennen, dat de vorm er van soms vrij zonderling was, want ik maakte ze gelijk kinderen soms voorwerpen van klei of stopverw maken.

Nimmer echter verheugde iemand zich over eene geringe zaak meer dan ik, toen ik gewaar werd, dat ik een aarden pot gemaakt had, die tegen het vuur bestand was; en ik had naauwelijks geduld genoeg om te wachten tot zij koud waren geworden, om een er van met wat water weder op het vuur te zetten, om er eenig vleesch in te koken, hetgeen zeer goed ging, en ik verkreeg eene zeer goede soep, schoon het mij aan meel en verscheidene andere dingen ontbrak, om die zoo goed te maken als ik wenschte.

Thans was mijne eerste zorg een steenen vijzel mij te verschaffen, om mijn koorn in te stampen, want om met mijne twee handen een molen te maken, daaraan was niet te denken. Hoe ik dit echter zou aanvangen was mij langen tijd een raadsel, want van alle handwerken ter wereld, was ik voor dat van steenzager nog minder bekwaam dan voor eenig ander. Menigen dag besteedde ik met naar een steen te zoeken, die groot genoeg was om uitgehold te worden en voor een vijzel geschikt te maken, maar ik kon er geen vinden, behalve een stuk van de rots, dat ik niet er af kon hakken. Geen der rotsen op het eiland waren ook hard genoeg; allen waren van eene soort van zandsteen, die de zwaarte van een grooten stamper niet zoude kunnen verduren, en het koorn met zand zoude vermengen bij het kneuzen. Na dus veel tijd met het zoeken naar een steen verloren te hebben, gaf ik het op, en besloot liever een groot blok van hard hout te zoeken, dat ik veel gemakkelijker vond, en toen ik er een gevonden had, zoo groot als ik slechts bewegen kon, maakte ik het rond met mijn bijl, en holde het toen uit met behulp van vuur en met oneindige moeite, op de wijze als de Indianen in Brazilië hunne kanoe's maken. Daarna maakte ik een grooten zwaren stamper van ijzerhout, en bewaarde dit toen, tegen dat ik mijn eerstvolgenden oogst zou te huis hebben gehaald, wanneer ik voornemens was mijn koorn tot meel te stampen, om daarvan brood te maken.

Thans moest ik zorgen om eene zeef te maken, om mijn meel van de zemelen te scheiden, zonder hetwelk ik begreep geen goed brood te zullen verkrijgen. Dit was allermoeijelijkst, want van hetgeen ik er toe noodig had, had ik niets, ik bedoel, fijn dun linnen of gaas. Maanden lang wist ik niet wat hieraan te doen; ik had geen ander linnen dan eenige lappen. Ik had wel geitenhaar, maar wist niet hoe dit gesponnen of geweven moest worden, en al had ik het geweten, dan had ik er geen gereedschap toe. Eindelijk echter bedacht ik, dat ik onder de matrozenkleederen, die ik uit het schip gered had, eenige neteldoeksche halsdoeken had. Van deze maakte ik drie kleine zeven, die echter voor het gebruik tamelijk geschikt waren, en waarmede ik mij eenige jaren behielp. Hoe ik later deed zal ik op zijne plaats vermelden.

Nu moest ik om het bakken denken, en hoe ik deeg zou maken als ik meel had, want ik had geen gest. Daar hieraan niets te doen viel, dacht ik er ook niet lang over, maar ik had meer zorg over een oven. Eindelijk bedacht ik een middel om mij hierin te helpen; ik maakte namelijk eenige aarden potten zeer breed maar niet diep, dat is zeggen van ongeveer twee voet in doorsnede, en negen duim hoog; deze bakte ik in het vuur gelijk de vorigen en bewaarde ze, en als ik brood wilde bakken legde ik een groot vuur op mijn haard aan, dien ik met eenige tegels, ook al van mijn eigen baksel, belegd had, maar die alles behalve volkomen vierkant waren.

Als het hout goed tot kolen gebrand was, plaatste ik deze op den haard, zoodat hij er geheel mede bedekt was en liet ze daar liggen tot de haard gloeijend heet was, dan schoof ik ze ter zijde en plaatste er mijn potten of vormen op, en hoopte de kolen op zijde daartegen aan, om de hitte te vermeerderen. Aldus bakte ik mijn deeg, zoo goed als in den besten oven van de wereld, en werd weldra een heele pastijbakker, want ik maakte al aardige rijstkoekjes en poddings, maar geen pastijtjes, want daar had ik alleen geitenvleesch of dat van gevogelte in kunnen doen.

Men moet zich niet verwonderen, dat ik hiermede bijkans geheel het derde jaar van mijn verblijf bezig was, want men moet bedenken, dat ik onder de hand tevens mijn nieuwen oogsten akkerbouw moest bestieren. Ik maaide mijn koorn op zijn tijd, en bragt het naar huis zoo goed ik kon, in mijne groote manden, waarin ik het in de airen liggen liet, tot ik tijd had het er uit te wrijven; want ik had geen dorschvloer, en geen vlegel om het mede te dorschen.

En daar nu mijn voorraad van koorn vermeerderde, had ik ook een grooter bergplaats noodig. Ik had nu ongeveer twintig schepels graan en schier even veel rijst, zoodat ik het nu vrij durfde gebruiken, want mijn brood was reeds lang op. Ik besloot nu ook te zien hoe veel ik voor een geheel jaar noodig had, en dan slechts eenmaal 's jaars te zaaijen.

Ik bevond ten laatste dat ik aan de veertig schepels rijst en graan voor een jaar meer dan genoeg had, dus nam ik voor alle jaren even veel als de laatste maal te zaaijen, in de hoop, dat ik aan den oogst hiervan ten volle genoeg zou hebben, voor brood voor een geheel jaar.

Terwijl ik mij met deze dingen onledig hield, waren mijne gedachten dikwijls gevestigd op het land, dat ik van den anderen kant van het eiland had gezien, en wenschte ik heimelijk, dat ik daar aan wal zijn mogt, in de verbeelding, dat ik het vaste land en een bewoonde plaats zien, en eenig middel ontdekken zou, om verder te komen. Ik dacht echter weinig aan de gevaren van zulk een toestand, en hoe ik in de handen der wilden zou kunnen vallen, welke welligt meer te vreezen waren dan de leeuwen en tijgers van Afrika, en dat zoo ik in hunne handen viel, het duizend tegen een was, dat ik gedood en welligt opgegeten zou worden; want ik had gehoord, dat de bewoners van de Caraïbische kust kannibalen of menscheneters waren; en naar de breedte te oordeelen, kon ik niet ver van hen verwijderd zijn. En al waren zij geene menscheneters, dan konden zij mij ligtelijk dooden, gelijk zoo vele Europeanen gebeurd was, die in hunne handen waren gevallen, zelfs bij tien en twintig te gelijk, hoe veel meer dan mij, die alleen was en mij weinig of niet verdedigen kon. Dit alles, zeg ik, hetgeen ik toen had moeten bedenken, en dat mij later inviel, boezemde mij toen geen de minste vrees in, en steeds peinsde ik op middelen om naar die kust over te steken. Hoe verlangde ik thans naar den Moorschen jongen en de boot, met welke ik wel duizend mijlen langs de Afrikaansche kust had afgelegd; maar deze had ik thans niet. Toen bedacht ik de boot van ons schip te gaan opzoeken, die, gelijk ik zeide, een groot eind weegs op het strand was geslagen, bij het begin van den storm. Deze lag nog bijkans op dezelfde plaats en was door het geweld van wind en golven bijkans onderst boven gekeerd, tegen eenen hoogen zandheuvel aan, waar zij hoog en droog lag. Zoo ik volk bij mij gehad had, om deze boot te herstellen en te water te brengen, had dit wel kunnen geschieden, en ik er mede naar Brazilië teruggekeerd zijn; maar ik kon ligt beseffen, dat ik haar evenmin kon opheffen en omkeeren als het eiland zelf. Ik ging echter naar het bosch, en kapte hefboomen en rollen, en bragt die naar de boot, om te zien wat ik er mede zou kunnen doen, daar ik dacht, dat als ik haar maar eerst omgekeerd had, ik gemakkelijk de schade zou kunnen herstellen, en daar het eene zeer goede sloep was, er mede in zee steken.

Ik spaarde geene moeite aan dezen vruchteloozen arbeid, en bragt er, geloof ik, drie of vier weken mede zoek. Toen ik eindelijk vond, dat het mij onmogelijk was haar om te keeren, bedacht ik, het zand er onder uit te delven, en haar zoo te doen vallen, nadat ik er verscheidene stukken hout onder geplaatst had, om den val te breken en te regelen.

Maar toen ik dit gedaan had, kon ik haar evenmin verwrikken, of er onder komen, laat staan haar te water brengen; dus moest ik dit opgeven; schoon ik echter alle hoop op de boot varen liet, groeide mijne begeerte, om naar het vaste land over te steken, steeds aan, naar gelang de middelen daartoe onmogelijker schenen.