Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 91

Chapter 913,985 wordsPublic domain

Dit klonk den kinderen zoo geheimzinnig in de ooren, dat het eenige verwarring veroorzaakte. Een van de jongens verborg het hoofdje in moeders schoot, ten einde buiten gevaar te zijn en de kleine Agnes, onze oudste, liet haar pop in de steek en bleef met den blonden krullebol tusschen de meubelgordijnen staan om te zien wat er nu gebeuren zou.

„Laat dien man binnenkomen,” zei ik.

Al spoedig verscheen daar een kalme oude man met grijs haar en bleef op den drempel van de kamer staan. De kleine Agnes, door zijn uiterlijk aangetrokken, snelde op hem toe en trok hem de kamer binnen, terwijl mijne vrouw plotseling opsprong en op blijden toon uitriep: „Het is baas Peggotty!”

En het was baas Peggotty! Hij was nu een oud man, maar een stevig, gezond en krachtig oud man. Toen onze eerste ontroering voorbij was en hij tegenover ons zat met een van onze kinderen op elke knie, scheen hij mij zulk een forsch en stevig en bovendien zulk een knap oud man toe als ik ooit ontmoet had.

„Jongeheer Davy,” zei hij. O, wat klonk die oude naam uit een lang vervlogen tijd en op dien ouden toon mij natuurlijk in de ooren! „Jongeheer Davy, welk een genot voor mij u weer te zien en dat naast zulk een lief en mooi vrouwtje!”

„Ja welk een genot, oude vriend!” riep ik uit.

„En dan deze heerlijke kinderen,” hernam hij. „Zulke schoone bloemen in uw hof! Wel, jongeheer Davy, gij waart zoo groot als de kleinste van dezen, toen ik u voor het eerst zag. Toen Em'ly ook nog niet grooter was en onze arme Ham nog maar een jongen!”

„De tijd heeft mij meer veranderd dan u,” zei ik. „Maar laat deze lieve schalkjes nu naar bed gaan en zegt mij waar uwe bagage is, want geen ander huis dan dit mag u onder zijn dak hebben. Is die oude zwarte zak er ook bij, die zulke verre reizen heeft meegemaakt? En dan moet gij ons onder een glas Yarmouther grog alles vertellen wat u in die tien jaar is overkomen?”

„Zijt gij alleen?” vroeg Agnes.

„Ja, mevrouw,” antwoordde hij, hare hand kussend, „geheel alleen.”

Hij zat tusschen ons in en wij wisten niet hoe wij hem hartelijk genoeg zouden ontvangen en toen ik begon te luisteren naar die oude, welbekende stem verbeeldde ik mij, dat hij van zijne reizen vertelde om zijn nichtje te zoeken.

„Het is een heele plas water,” zei hij, „om over te steken en dan nog maar voor eenige weken, maar water—vooral zout water—is mij niet vreemd, en vrienden zijn mij dier en ik ben hier—dat rijmt.”

„En gaat gij zoo spoedig weder terug?” vroeg Agnes.

„Ja, mevrouw,” antwoordde hij. „Ik beloofde het Em'ly eer ik heenging. Gij ziet, ik word er met de jaren niet jonger op en als ik het nu niet ondernomen had, zou er misschien niets meer van gekomen zijn. En het is altijd mijn plan geweest! Ik moest jongeheer Davy en uw eigen lieve gezicht nog eens zien, terwijl gij zoo gelukkig getrouwd zijt en dan mag ik oud worden.”

Hij keek ons aan met een blik alsof hij zijne oogen niet genoeg aan ons kon verzadigen. Agnes wierp lachend eenige grijze lokken van hem naar achteren, opdat hij ons beter zou kunnen zien.

„En vertel ons nu eens,” zei ik, „hoe het u gegaan is.”

„Och, dat is spoedig genoeg verteld, jongeheer Davy,” antwoordde hij. „Wij zijn nergens gekomen of het is ons goed gegaan. Wij hebben voorspoed gehad. Wij hebben gewerkt zooals onze plicht was; ja, in het begin viel het ons wel eens wat zwaar, maar wij hebben altijd voorspoed gehad. Met de schapenfokkerij, met het planten, met alles is het ons zoo goed gegaan als het kon. Er heeft zegen op ons gerust,” zei hij, eerbiedig het hoofd buigend, „wij hebben niets dan voorspoed gehad. Dat wil zeggen op den duur; was het vandaag niet—dan morgen; was het gisteren niet—dan vandaag.”

„En Em'ly?” vroegen Agnes en ik tegelijk.

„Em'ly?” zei hij, „nadat gij haar verlaten had, mevrouw,—ik heb haar nooit haar gebed hooren doen achter het scherm, dat ons in de wildernis scheidde, of ik hoorde uw naam—en nadat zij en ik jongeheer Davy uit het gezicht hadden verloren, toen de zon zoo helder scheen—was zij zoo neerslachtig, dat als zij geweten had wat jongeheer Davy zoo verstandig voor ons verborgen heeft gehouden, ja, dan geloof ik, dat zij niet levend aan de overzijde was gekomen. Maar er waren arme landverhuizers aan boord met zieke kinderen en deze namen al haar tijd in beslag. En zoo kon zij zich nuttig maken en dat heeft haar geholpen.”

„Wanneer heeft zij het vernomen?” vroeg ik.

„Nadat ik het gehoord had, hield ik het nog ongeveer een jaar voor haar verborgen. Wij woonden toen op een eenzame plek, maar te midden van de prachtigste boomen en de rozen groeiden tot op ons dak. Op zekeren dag, terwijl ik op het land werkte, kwam daar een vreemdeling aan uit Norfolk of Suffolk—dat weet ik niet meer.—Natuurlijk ontvingen wij hem zoo goed als wij konden en gaven hem te eten en te drinken. Dat is zoo het gebruik in de kolonie. Hij had een oude krant bij zich en nog een ander gedrukt bericht van den storm. Zoo is zij het te weten gekomen. Toen ik 's avonds thuis kwam wist zij het.”

Zijne stem daalde toen hij dit vertelde en ik herinner mij nog goed welk eene plechtige uitdrukking er lag op zijn mooi, frisch gezicht.

„Bracht het veel verandering in hare stemming?” vroeg ik.

„Ja, gedurende eenigen tijd,” antwoordde hij, hoofdschuddend, „zoo niet tot op dit oogenblik. Maar ik vermoed dat de eenzaamheid haar goed zal doen. En zij heeft veel te zorgen voor al het gevogelte en zoo al meer, dat heeft haar geholpen. Het zou mij verwonderen, jongeheer Davy, of gij Em'ly nog zoudt herkennen.”

„Is zij zoo veranderd?” vroeg ik.

„Dat weet ik niet. Ik zie haar elken dag maar nu en dan meende ik het. Een tenger vrouwtje met zachte, droefgeestige, blauwe oogen, een fijn gezichtje, een mooi kopje, dat een weinig voorover helt, eene zachte stem en een weinig... bedeesd in hare manieren, zou ik bijna zeggen. Zoo is Em'ly tegenwoordig.”

Wij sloegen hem zwijgend gade, terwijl hij voor zich op den grond staarde.

„Sommigen meenen,” vervolgde hij, „dat zij eene ongelukkige liefde gehad heeft; anderen dat haar huwelijk door den dood is afgesprongen. Niemand weet het ware. Zij zou wel honderd malen hebben kunnen trouwen, maar dan zeide zij altijd: ‚Dat is voor mij voorbij, oom.’ Vroolijk wanneer zij met mij alleen is; teruggetrokken wanneer anderen er bij zijn; gaarne uren wandelen om een kind les te geven of een zieke op te passen, of een vriendschapsdienst te bewijzen aan een jong meisje dat gaat trouwen—ofschoon zij het trouwen zelf nooit wil bijwonen—dol op haar oom; geduldig, bemind bij oud en jong; gezocht door iedereen, die in zorg is. Zoo is Em'ly tegenwoordig.”

Hij bracht even de hand voor het gezicht en keek met een half onderdrukten zucht van den grond op.

„En is Martha nog bij u?” vroeg ik.

„Martha is getrouwd, jongeheer Davy, toen wij ruim een jaar aan de overzij waren. Een jonge man, een boerenjongen bracht op zijn weg naar de markt—een reis van meer dan vijfhonderd mijlen heen en terug—een dag bij ons door en vroeg haar tot vrouw—er zijn daar weinig vrouwen—waarna zij met hun beiden in de wildernis zouden gaan wonen. Zij verzocht mij hem hare geschiedenis mede te deelen. Ik deed het en zij zijn getrouwd en wonen eenige honderde mijlen van ons af en hooren niets dan hun eigen stemmen en die van de vogels.”

„En juffrouw Gummidge?”

Dat scheen een aangenaam onderwerp voor baas Peggotty, want hij barstte plotseling in een schaterlach uit en wreef handen en beenen, zooals hij gewoon was te doen, wanneer hij pret had in de oude boot.

„Wilt gij 't wel gelooven!” riep hij.

„Er is, zoo waar als ik hier zit, iemand gekomen om haar ten huwelijk te vragen! Een scheepskok, die planter geworden was, jongeheer Davy, is zoo waar als ik leef gekomen, om haar ten huwelijk te vragen! Ik mag gekielhaald worden als het niet waar is—meer kan ik niet zeggen!”

Ik had Agnes nooit zoo zien lachen. Die plotselinge uitbarsting van baas Peggotty was zoo vermakelijk, dat zij bijna niet kon uitscheiden en hoe meer zij lachte, hoe grooter baas Peggotty's lachlust werd en hoe harder hij over zijn beenen begon te wrijven.

„En wat antwoordde juffrouw Gummidge?” vroeg ik toen hij wat ernstiger geworden was.

„Gij moogt het gelooven of niet,” antwoordde hij, „maar in plaats van te zeggen: ‚dank u, op mijn leeftijd trouwt men niet meer,’ nam zij een emmer op, die in hare nabijheid stond, en sloeg er den armen scheepskok mede om de ooren totdat hij om hulp begon te roepen en ik binnenkwam om hem te ontzetten.”

Baas Peggotty barstte weder in een schaterlach uit en Agnes en ik hielden hem dapper gezelschap.

„Maar _dit_ moet ik tot eer van het goede schepsel zeggen,” hernam hij, zijn gezicht afvegend, „zij heeft haar woord gehouden en is alles en meer nog geweest voor ons dan zij beloofd had. Zij is het gewilligste, trouwste, eerlijkste schepsel dat ik ooit ontmoet heb, jongeheer Davy. Ik heb haar na ons vertrek geen enkele maal hooren zeggen dat zij een ongelukkig en rampzalig schepsel was, zelfs niet toen wij nog geheel alleen in de kolonie waren. Zij heeft zoolang wij uit Engeland zijn niet meer aan ‚den oude’ gedacht, dat kan ik u verzekeren.”

„En nu eindelijk, mijnheer Micawber,” zei ik. „Hij heeft aan al zijne geldelijke verplichtingen voldaan, zelfs Traddles afbetaald—gij herinnert u zeker wel dat Traddles borg gebleven was—ik maak daaruit op dat het hem goed gaat. Maar wat is het laatste nieuws van hem?”

Met een glimlach om de lippen haalde baas Peggotty een pakje papieren te voorschijn en nam daar zoo behoedzaam mogelijk een ouderwetsch krantje uit.

„Gij begrijpt, jongeheer Davy,” zei hij, „dat wij, nu het ons zoo goed is gegaan, de wildernis verlaten hebben en naar Port Middlebay Harbour gegaan zijn, dat wij een stad noemen.”

„Woonde mijnheer Micawber in de wildernis dicht in uwe buurt?”

„Nu, dat zou ik meenen,” zei baas Peggotty, „en hij heeft getoond dat hij werken kan als hij wil, dat verzeker ik u. Ik heb dat kale hoofd zien glimmen in de zon, jongeheer Davy, dat ik elk oogenblik meende het te zullen zien smelten. En nu is hij magistraat!”

„Magistraat? Wat zegt gij?”

Baas Peggotty wees naar een artikel in eene krant, dat het navolgende behelsde uit „Port Middlebay Harbour”:

[Illustratie]

„Het openbare feestmaal ter eere van onzen verdienstelijken medekolonist en stadgenoot, WILKINS MICAWBER, Magistraat van Port Middlebay, had gisteren plaats in de groote zaal van het hotel, dat tot den nok toe bezet was. Niet minder dan zevenenveertig personen hebben daar aangezeten, behalve nog de velen, die in de gangen en op de trappen een plaats vonden. De geheele beau-monde, allen die op den naam „aanzienlijk” kunnen aanspraak maken, waren daar bijeen om een welverdiende hulde te brengen aan zulk een talentvol en algemeen bekend man. Doctor Mell, die aan het hoofd staat van Colonial Salem House, de Latijnsche school te Port Middlebay, presideerde en had den verdienstelijken gast aan zijne rechterhand. Toen het dessert was opgebracht en wij het danklied _Non Nobis_ hadden gezongen, waarbij de glasheldere stem van den begaafden amateur Wilkins Micawber Esquire, Junior boven alles uitklonk, werden de gewone vaderlandslievende toasten ingesteld en met geestdrift ontvangen. Daarna stelde doctor Mell in gevoelvolle taal een toost in op „onzen verdienstelijken gast,” het sieraad van de stad onzer inwoning. De geestdrift, waarmede deze woorden werden begroet, was onbeschrijvelijk. Telkens en telkens weder klonken luide de hoerah's en rolden weg als een ver verwijderd onweder. Eindelijk werd tot stilte aangemaand en stond Wilkins Micawber Esq. op om zijn dank te betuigen. De onvolkomenheid van onze hulpmiddelen stellen ons, helaas, niet in staat om onzen verdienstelijken stadgenoot te volgen in zijn bloemrijke taal, in zijne gekuischte en schitterende toespraak! Genoeg zij het te vermelden dat hij een meesterstuk van welsprekendheid ten beste gaf en dat vooral de wijze, waarop hij zijn eigen voorspoedige loopbaan naging tot aan het allereerste begin en de jongeren onder de aanzittenden waarschuwde tegen de onaangename gevolgen van het aangaan van geldelijke verbintenissen, die men niet in staat is na te komen, menigeen een traan in het oog deed opwellen. De volgende toosten waren op doctor Mell, op mevrouw Micawber, die omringd door al wat Middlebay Harbour aan schoone, bevallige, jonge vrouwen kan aanwijzen, op de galerij zat en met eene sierlijke buiging bedankte; op mevrouw Ridger Begs geb. Micawber; op mevrouw Mell; op Wilkins Micawber, Esq. Junior, die het gezelschap in verrukking bracht door in schertsende woorden mede te deelen, dat hij niet met een toost doch met een lied zou bedanken; op de familie van mevrouw Micawber—d. w. z. op de familie in het moederland—enz. enz. Na afloop werden de tafels als door een tooverslag opgeruimd en de zaal tot danszaal ingericht. Onder degenen, die Terpsischore huldigden tot het aanbreken van den dag tot vertrek maande, behoorden Wilkins Micawber Esq. Junior en de beminnelijke rijkbegaafde vierde dochter van Dr. Mell, miss Helena.”

Ik staarde nog op dien naam doctor Mell, mij verheugende in de ontdekking dat de arme, geplaagde ondermeester van Salem House in zulke gelukkige omstandigheden verkeerde, toen baas Peggotty mijne aandacht op een ander gedeelte van het blad vestigde en mijn oog bleef rusten op mijn eigen naam:

„Aan David Copperfield, Esquire, den vermaarden schrijver!

_Geachte Heer._

Jaren zijn voorbijgegaan sinds ik in de gelegenheid was met eigen oogen de gelaatstrekken te aanschouwen, die thans bekend zijn bij het grootste gedeelte van de beschaafde wereld.

Maar, geachte Heer, hoewel beroofd—door de macht van omstandigheden buiten mijn wil—van de persoonlijke aanraking met een vriend en lotgenoot uit mijne jeugd, heb ik hem toch gevolgd in de kolossale vlucht, die hij genomen heeft; ook ben ik—al scheidden ons zeeën en oceanen—niet verstoken gebleven van de geestelijke gaven, waarmede hij de wereld heeft verkwikt.

Ik kan daarom een persoon, dien wij beiden achten en waardeeren, niet van hier laten gaan, zonder, waarde Heer, van deze openbare gelegenheid gebruik te maken om u, uit mijn naam en uit dien van alle bewoners van Port Middlebay, dank te zeggen voor het genot dat gij ons hebt verschaft.

Ga zoo voort, waarde Heer! Gij zijt hier geen onbekende, gij wordt hier gewaardeerd. Schoon ‚ver verwijderd’ zijn wij niet zonder vrienden, lijden wij niet aan melancholie, noch—ik mag er dit bijvoegen—zijn wij traag. Ga voort op de adelaarswieken, die u thans dragen! De inwoners van Port Middlebay zullen uwe vlucht met blijdschap, met genot gadeslaan.

Onder de oogen, die van dit gedeelte van den aardbol op u gericht zijn, zult gij, zoolang er licht en leven in is, dat ontwaren van

Wilkins Micawber,

Magistraat.”

De inhoud van het blaadje bracht mij tot de overtuiging dat mijnheer Micawber een van de ijverigste en verdienstelijkste correspondenten er van was. In hetzelfde nommer stond nog een artikel van hem over een brug; een advertentie vermeldde, dat een verzameling brieven van zijne hand eerstdaags, van belangrijke aanteekeningen voorzien, het licht zou zien en, indien ik mij niet zeer vergiste, was ook het hoofdartikel van hem.

Wij praatten druk over mijnheer Micawber en zijne lotgevallen, dezen avond en nog vele andere zoolang baas Peggotty bij ons bleef. Gedurende zijn verblijf, dat ongeveer een maand duurde, kwamen zijne zuster en mijne tante ons in Londen bezoeken. Agnes en ik namen op het schip afscheid van hem—thans voor de laatste maal. Maar voor zijn vertrek gingen wij te zamen naar Yarmouth om den kleinen steen te zien, dien ik op Ham's laatste rustplaats had laten leggen. Terwijl ik het geheele opschrift voor hem overschreef, zag ik hem bukken en eenig gras en wat aarde van het graf bijeengaren.

„Dat is voor Em'ly, jongeheer Davy,” zei hij, terwijl hij het in zijn borstzak stak. „Ik heb het haar beloofd.”

LXIV.

Een laatste blik terug.

En nu ben ik aan het einde van mijne geschreven geschiedenis. Nogmaals—voor het laatst—kijk ik achter me, eer ik mijn boek sluit.

Ik zie mij zelven met Agnes aan mijne zijde verder den levensweg bewandelen. Ik zie ons omringd door onze kinderen en onze vrienden en ik hoor vele stemmen, die mij ver van onverschillig zijn op mijne reis.

Welke gelaatstrekken vertoonen zich het duidelijkst aan mijn geestesoog? Zie, hoe velen zich naar mij omwenden als ik deze vraag in stilte doe!

Ziedaar mijne tante met sterker brilleglazen, eene oude vrouw van ruim tachtig jaren, maar nog altijd rechtop, die nog niet opziet tegen een wandeling van zes mijlen.

Peggotty, mijne oude kindermeid, draagt ook een bril, gewoon als zij is haar naaiwerk des avonds dicht bij de lamp te houden; het stukje waskaars, het elletje en de naaidoos met den St. Paul zijn even onafscheidelijk van haar als zij is van tante. Peggotty's wangen en armen, in mijne kinderjaren zoo rood en hard, dat ik mij verbaasde waarom de vogels daarin niet liever pikten dan in de onrijpe appelen, zijn nu een weinig verschrompeld; hare oogen, die alles in hare buurt plachten te verduisteren, zijn flauwer geworden doch schitteren nog steeds; maar haar ruwe wijsvinger, die ik eens met een zak-notemuscaatraspje vergeleek, is nog juist als toen en wanneer ik mijn jongste dien zie pakken, als het van tante naar Peggotty waggelt, denk ik aan onze oude huiskamer in Blunderstone toen ik zelf nog een kind was. Tante's teleurstelling is thans vergoed. Zij is peet van eene levende Betsey Trotwood en Dora, die op haar volgt, zegt dat tante haar voortrekt.

Peggotty heeft altijd een prop in den zak, die door niets anders veroorzaakt wordt dan door het krokodillenboek, dat er wel wat gehavend uitziet en waarvan een aantal bladzijden gescheurd en genaaid zijn, maar dat Peggotty aan de kinderen laat zien als een kostbaar kleinood. Ik krijg telkens eene vreemde gewaarwording, wanneer mijn eigen kindergezichtje mij uit die krokodillen-geschiedenis aankijkt en mij herinnert aan mijn ouden kennis Brooks van Sheffield.

Dezen zomer in de vacantie zag ik mijn jongens met een ouden man reusachtige vliegers oplaten en hij zoowel als zij keken er naar met innig genoegen, wanneer ze hoog in de lucht stonden. Toen ik kwam heette hij mij hartelijk welkom en wenkte en knikte mij toe en vertelde mij zachtjes dat ik zeker blijde zijn zou te vernemen, dat hij de memorie zou afmaken, zoodra hij niets anders te doen had, en dat mijne tante de uitstekendste vrouw van de wereld is. „Ik kan het u verzekeren, mijnheer.”

Wie is die gebogen vrouw, leunende op een stokje, met een gelaat, dat nog sporen vertoont van vroegeren hoogmoed en schoonheid? Blijkbaar voert haar geest strijd tegen volkomen verbijstering! Ik zie haar in een tuin en bij haar staat eene oude vrouw met scherpe gelaatstrekken en een litteeken over de lip. Laat mij luisteren naar hetgeen zij zeggen.

„Rosa, ik heb den naam van dien heer vergeten.”

Rosa buigt zich voorover en roept haar toe: „Mijnheer Copperfield.”

„Het verheugt mij u te zien, mijnheer, maar tot mijn spijt ontwaar ik, dat gij in den rouw zijt. Ik hoop dat de tijd u troost zal brengen.”

Haar ongeduldige geleidster zegt op kijvenden toon dat ik niet in den rouw ben, verzoekt haar nog eens goed te kijken en tracht haar geest te doen ontwaken.

„Gij hebt mijn zoon gezien, nietwaar, mijnheer?” vraagt de oudste van de twee. „Zijt gij verzoend met elkander?”

Eensklaps brengt zij met een zucht de hand naar het voorhoofd en roept met een akelig klinkende stem: „Kom hier, Rosa! Hij is dood!” Rosa knielt bij haar neer, liefkoost haar het eene oogenblik om in het volgende met haar te kijven en haar op driftigen toon toe te voegen: „Ik hield toch veel meer van hem dan gij!” Dan weder doet zij eene poging om haar als een ziek kind aan hare borst in slaap te sussen. Zoo verlaat ik haar en zoo zie ik haar altijd terug, zoo brengen zij hun tijd door, jaar in jaar uit.

Welk schip komt daar uit Indië terug en wie is dat Engelsche meisje daar, gehuwd met een rijken Schot? Kan dat Julia Mills zijn? Ja, waarlijk, zij is het, mooier en spijtiger dan ooit, met een zwarten knecht achter zich, om haar de brieven en kaartjes op een gouden presenteerblad aan te bieden en een koperkleurige vrouw in het wit, met een bonten doek om het hoofd, om _haar_ het ontbijt te brengen in haar boudoir. Zij houdt echter geen dagboek meer aan en zingt geen lijkzang meer op de liefde; zij heeft voortdurend woordenwisselingen met den ouden Schot, die op een beer gelijkt met een gelooide huid. Julia zwemt letterlijk in het geld en spreekt over niets anders. Ik zou haar liever in de Sahara zien.

Misschien _is_ zij thans in de woestijn, want al heeft Julia ook een deftig huis, deftig gezelschap en deftige diners, elken dag weer, er groeit niets bij haar, er is niets wat ooit tot bloem of vrucht kan rijpen. Ik zie zeer goed wat Julia hare conversatie noemt; Jack Maldon behoort ook onder de huisvrienden en scheldt op zijn baantje en op hem, die 't hem bezorgde; hij spreekt van den doctor als „zoo grappig ouderwetsch.” Maar als Julia zulk gezelschap verkiest en daarmede eene afschuwelijke onverschilligheid aan den dag legt voor alles wat het menschdom kan verbeteren en vooruit brengen, dan ben ik liever in de Sahara en zoek daar mijn weg.

Ginds zie ik den doctor, die altijd een goede vriend voor ons gebleven is en onafgebroken werkt aan zijn woordenboek—hij is nu ongeveer aan de D—en gelukkig is met zijn vrouwtje en in zijn huis. En de oude Generaal heeft tegenwoordig veel minder in te brengen dan vroeger—en dat is goed ook!

Als ik in later jaren bij Traddles kom vind ik hem nog steeds in de Inner Temple tusschen stapels papieren en—daar waar het nog aanwezig is—met steil opstaande haren, de rechtsgeleerde pruik heeft er heel wat afgewreven. Zijne tafel is met papieren overdekt, en rondkijkende zeg ik:

„Als Sophie nu uw klerk was, zou zij genoeg te doen hebben.”

„Zeg dat gerust, Copperfield! Maar wat waren dat heerlijke dagen in Holborn Court? Is 't niet?”

„Toen zij vertelde dat gij rechter zoudt worden? Maar toen was dat praatje nog niet door de stad verspreid.”

„Hoe 't zij,” antwoordde Traddles, „als ik het ooit word....”

„Wel, gij weet immers dat gij het worden zult.”

„Welnu, beste Copperfield, als ik het ben zal ik die geschiedenis vertellen, zooals ik altijd gezegd heb.”

Arm in arm wandelen wij voort. Ik ben op een familiedinertje bij Traddles genoodigd. Het is Sophie's jaardag en onder weg vertelt Traddles mij van den voorspoed, dien hij geniet.

„Werkelijk, beste Copperfield,” zei hij, „ik heb alles wat mijn hart begeert. De eerwaarde heer Horace heeft eene plaats gekregen van vierhonderd en vijftig pond 's jaars; onze beide jongens ontvangen de beste opvoeding die zij wenschen kunnen, en munten uit door hun flink karakter en hun ijver; drie van de meisjes zijn goed getrouwd; drie wonen bij ons in; drie andere doen de huishouding bij mijn schoonouders na den dood van mevrouw Crewler—en allen voelen zich gelukkig.”

„Behalve....”

„Behalve de Beauty. Ja, het was wel ongelukkig dat zij zulk een schurk trouwde. Maar hij had iets schitterends en blinkends, dat haar aantrok. Maar, nu wij haar weer veilig bij ons thuis hebben en van dien kerel af zijn, zal de vroolijkheid ook wel terugkeeren.”