Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 90

Chapter 904,147 wordsPublic domain

Het antwoord luidde dat hij de Engelsche Bank bestolen had. „Oplichterij, valsche papieren en wisselruiterij, mijnheer. Hij was niet alleen, maar wel de hoofddader. Het schijnt om eene groote som te doen te zijn geweest. Het vonnis luidde: levenslange deportatie. 27 was de slimste van het komplot, maar heeft zich toch niet geheel kunnen vrijpleiten. De Bank heeft hem nog juist wat zout op den staart kunnen leggen.... doch ook maar even.”

„En no. 28?”

„28,” antwoordde mijn berichtgever, die zachtjes sprak en nu en dan eens achterom keek, ten einde zicht te over tuigen dat mijnheer Creakle noch een van de andere heeren hem zoo onbetamelijk hoorde spreken over zulke godvreezende lieden, „28, ook deportatie—was in dienst bij een jong mensch van goeden huize en stal den avond voor zij eene buitenlandsche reis zouden ondernemen tweehonderd vijftig pond aan geld en kostbaarheden. Ik herinner mij dit geval zoo goed, omdat hij door eene dwerg werd aangehouden.”

„Door wie?”

„Door een heel, klein vrouwtje; ik herinner mij haar naam niet meer.”

„Mowcher misschien?”

„Juist, zoo heette zij. Hij was ontsnapt en op het punt om naar Amerika te gaan met een pruik op en valsche bakkebaarden, zoo vermomd als gij ooit in uw leven iemand gezien hebt. Het kleine vrouwtje ontmoette hem te Southampton, herkende hem met hare scherpe oogjes onmiddellijk, liep tusschen zijn beenen door, zoodat hij viel en hield hem toen zoo stevig vast, alsof zij de dood in eigen persoon was.”

„Brave Mowcher!” riep ik.

„Dat zoudt gij zeker gezegd hebben, indien gij haar gedurende het proces op een stoel in de getuigenbank hadt zien staan,” zei de bewaker. „Hij had haar gezicht geheel opengekrapt en haar op beestachtige wijze getrapt en geslagen, toen zij hem vast had; maar zij liet hem niet los eer hij achter slot en grendel zat. Zoo stijf hield zij hem vast dat de politie hen te zamen in arrest moest nemen. Zij legde hare verklaringen zoo helder en duidelijk af, dat de rechter haar grooten lof toezwaaide en zij met groot gejuich naar huis werd gebracht. Zij verklaarde voor de rechtbank dat zij hem geheel alleen zou hebben ingepakt—zooveel slechtheid was haar van hem bekend—al ware hij een Simsom geweest. En ik geloof zeker dat zij het gedaan zou hebben!”

Dat geloofde ik ook en juffrouw Mowcher was in dit oogenblik zeer in mijne achting gerezen. Wij hadden nu alles gezien wat er te zien was. Het zou vruchtelooze moeite geweest zijn om iemand als mijnheer Creakle er op te wijzen, dat die nos. 27 en 28 hun oude rol voortspeelden en niet het minst veranderd waren; dat zij altijd geweest waren zooals zij zich op het oogenblik voordeden; dat zulke huichelaars in eene inrichting als deze juist op hunne plaats waren om den menschen zand in de oogen te strooien; dat zij zeer goed moesten begrijpen hoeveel voordeel zij nog van dit berouw konden trekken wanneer zij naar de koloniën werden gezonden; kortom, dat alles wat zij zeiden niets dan holle klanken waren en het geheele systeem ziekelijk was.

Wij lieten de heeren dwepen met hun systeem en gingen verbaasd en verontwaardigd heen.

„Het is misschien niet kwaad, Traddles,” zei ik, „dat men dit stokpaardje wat hard berijdt; des te eerder is het doodgereden.”

„Het is te hopen,” antwoordde Traddles.

LXII.

Er schijnt een licht op mijn weg.

Kerstmis naderde en ik was reeds bijna twee maanden in het land terug. Ik had Agnes dikwijls ontmoet en hoe luide het publiek mij ook toejuichte en hoe ik daardoor ook werd aangespoord, om al mijne krachten in te spannen, _haar_ lof hoorde ik toch het liefst.

Minstens eenmaal 's weeks, somtijds vaker reed ik naar Canterbury en bracht den avond bij mijnheer Wickfield en Agnes door. Gewoonlijk reed ik des avonds laat naar huis, want als ik haar verlaten had bekroop mij dat oude ongelukkige gevoel weder en ik was dan liever alleen in de vrije natuur dan half slapende en door de onverkwikkelijkste droomen geplaagd in mijn bed. Het grootste gedeelte van menigen onstuimigen nacht bracht ik zoo te paard door en riep mij onder het rijden alle gedachten weder te binnen, die mij gedurende mijne afwezigheid hadden bezig gehouden. Wellicht deed ik beter te zeggen dat ik luisterde naar de echo van die gedachten, want zij spraken tot mij als uit een ver verleden. Ik had ze nu eenmaal op een afstand geplaatst en hoorde ze uit de verte aan. Wanneer ik Agnes voorlas wat ik geschreven had—wanneer ik haar aandachtig luisterend gezichtje zag met een glimlach om den mond of een traan in het oog, en hare lieve stem zoo ernstig hoorde spreken over de dingen in de fictieve wereld, waarin ik mij bewoog... dan dacht ik dikwijls aan het lot dat het mijne had kunnen zijn, maar alleen zooals ik er over gedacht had toen ik met Dora getrouwd was: hoe zou ik _mijne_ vrouw wenschen?

Mijn plicht jegens Agnes, die mij liefhad en die ik onrecht zou aandoen indien ik hare liefde uit zelfzucht verstoorde, zonder ze ooit te kunnen beantwoorden zooals zij verdiende; mijne gerijpte overtuiging, dat ik, die mijn eigen lot geregeld en verkregen had wat ik zoo onstuimig had begeerd, geen recht had tot pruttelen doch geduldig moest dragen, daarin lag alles opgesloten wat ik voelde en wat de ondervinding mij had geleerd. Maar ik had haar lief en nu bleef mij tot eenige troost over, mij, heel vaag, een ver verwijderde toekomst voor te spiegelen, waarin ik haar dat, zonder eenige schuld op mij te laden, zou mogen bekennen, waarin alles voorbij zou zijn en ik zou kunnen zeggen tot Agnes: „Toen ik terugkwam had ik u zielslief en nu ben ik oud en sedert heb ik niemand lief gehad dan u!”

Geen enkele maal toonde zij mij eenige verandering in zich zelve. Zij bleef geheel wat zij altijd voor mij geweest was.

Tusschen tante en mij had sedert ons gesprek op den avond van mijne thuiskomst iets bestaan, dat ik geen terughouding noch gedwongen stilzwijgen noemen wil; wij waren ons in stilte bewust dat wij beiden voortdurend aan hetzelfde onderwerp dachten, maar onze gedachten nooit in woorden uitten. Wanneer wij des avonds ouder gewoonte bij den haard zaten, kwam de lust daartoe meermalen in ons op, en wij waren dat van elkander bewust. Toch bewaarden wij het stilzwijgen. Ik geloof dat zij dien avond in mijn hart gelezen had en volkomen begreep waarom ik niet uitsprak hetgeen in mij omging.

Toen het eindelijk Kerstmis geworden was en Agnes mij nog niet in vertrouwen genomen had, begon er eenige twijfel in mijne ziel op te komen. Zou zij vermoeden wat er in mij omging en zwijgen uit vrees van mij leed te doen? Indien dat zoo ware, baatte mij mijne opoffering niets, dan bleef mijn plicht jegens haar onvervuld, dan deed ik juist hetgeen ik wilde voorkomen. Ik besloot daarom allen twijfel weg te nemen en indien mijn vermoeden juist was met vaste hand alle hinderpalen uit den weg te ruimen.

Het was—welke reden kan ik toch hebben om mij dit thans nog te herinneren!—een koude, gure winterdag. Het had eenige uren te voren gesneeuwd, maar de sneeuw lag niet dik op den hardbevroren grond. Een snijdende noordenwind blies uit de zee mijn venster binnen. Ik stelde mij voor hoe hij nu over de thans onbegaanbare sneeuwbergen in Zwitserland zou blazen en wat eenzamer zijn zou, deze verlaten bergstreek of een oceaan zonder een enkel zeil.

„Gaat gij in dit weer uit rijden, Trot?” vroeg tante, terwijl zij het hoofd door de deur stak.

„Ja,” antwoordde ik, „ik ga naar Canterbury. Het is goed weer om te rijden.”

„Ik hoop dat uw paard er ook zoo over denkt,” hernam tante, „maar op het oogenblik staat het met hangenden kop voor de deur, alsof het den stal wel zoo verkieslijk vindt.”

Ik moet hier vermelden dat mijn paard wel op het verboden terrein mocht komen, al was tante volstrekt niet inschikkelijker voor de ezels geworden.

„Hij zal zich straks wel warm loopen,” zei ik.

„De rit zal zijn meester in elk geval goed doen,” antwoordde tante met een blik op de papieren, die op de tafel lagen. „Ik heb nooit geweten als ik boeken las, dat het schrijven er van zooveel moeite kost, mijn kind.”

„Het kost somtijds moeite genoeg om ze te lezen,” zei ik schertsend. „Het schrijven heeft zijne eigenaardige aantrekkelijkheid, tante.”

„Ja, dat begrijp ik: Eerzucht, verlangen naar lof, sympathie en al zoo meer, nietwaar? Nu, ga je gang maar!”

Zij had mij op den schouder geklopt en toen op een stoel plaats genomen en terwijl ik zoo kalm als ik mij maar houden kon voor haar stond, vroeg ik: „Weet gij nog iets meer van die genegenheid van Agnes, tante?”

Zij keek mij eenige oogenblikken aan voor zij antwoordde: „Ik geloof het wel, Trot.”

„Zijn uwe vermoedens nog toegenomen, tante?”

„Ik geloof het wel, Trot.”

Zij staarde mij onafgebroken aan met eene uitdrukking van twijfel of medelijden of ongerustheid, zoodat ik nog meer moeite deed om haar een opgewekt gelaat te toonen.

„En wat meer zegt, Trot.......”

„Wat blieft u, tante?”

„Ik vermoed dat Agnes zal gaan trouwen.”

„God zegene haar!” zei ik zoo opgeruimd mogelijk.

„Ja, God zegene haar!” herhaalde tante, „en haar echtgenoot ook!”

Terwijl ik de trap afging, opsteeg en wegreed herhaalde ik de woorden van tante. Er was meer dan ooit reden om te doen wat ik besloten had.

O, wat herinner ik mij dien kouden rit nog goed! De kleine ijskegeltjes, door den wind van de takken afgewaaid, voel ik nog in mijn gezicht; ik hoor nog den harden hoefslag op den bevroren grond; ik zie nog de harde voren op het land, de ronddwarrelende sneeuwvlokken, de dampende paarden voor den hooiwagen, toen zij op den heuvel bleven staan om adem te scheppen, terwijl hunne belletjes welluidend rinkelden; de witte omtrekken der duinen, die zoo duidelijk tegen de donkere lucht afstaken, alsof ze op eene lei waren geteekend.

Ik vond Agnes alleen. De kleine meisjes waren allen naar huis en zij zat alleen bij den haard te lezen. Toen zij mij zag, legde zij haar boek haastig neer en nadat zij mij als gewoonlijk had verwelkomd, nam zij met haar werkmand op een der ouderwetsche vensterbanken plaats.

Ik ging naast haar zitten en wij spraken over het boek, dat ik onder handen had, en rekenden uit wanneer het af zou zijn en hoeveel ik gevorderd was na mijn laatste bezoek. Agnes was heel opgewekt en beweerde lachend dat ik spoedig veel te beroemd zou zijn om met haar over zulke onderwerpen te praten.

„Gij merkt dat ik nu den tijd nog maar waarneem om met u te praten, terwijl ik het nog mag,” antwoordde ik.

Terwijl ik haar lief gezichtje gadesloeg, lichtte zij het plotseling van haar werk op en keek mij met hare zachte, heldere oogen aan.

„Gij zijt bijzonder nadenkend vandaag, Trotwood.”

„Zal ik u vertellen wat mij zoozeer bezig houdt, Agnes? Ik ben hierheen gekomen om dat te doen.”

Zij legde haar werk op zijde zooals zij gewoon was, wanneer wij over ernstige onderwerpen spraken, en schonk mij haar volle aandacht.

„Lieve Agnes, hebt gij er wel eens aan getwijfeld dat ik u trouw zou blijven?”

„Neen,” antwoordde zij en keek mij een weinig verbaasd aan.

„Twijfelt gij er aan dat ik altijd voor u zal blijven wat ik voor u geweest ben?”

„Neen.”

„Herinnert gij u dat ik getracht heb u te vertellen toen ik terugkwam, hoe dankbaar ik u nog altijd ben, liefste Agnes, en hoe innig ik u liefheb?”

„Dat herinner ik mij zeer goed,” antwoordde zij zacht.

„Gij hebt een geheim, Agnes; laat mij dat met u deelen.”

Zij sloeg haar oogen neer en beefde.

„Al had ik het niet van andere lippen dan de uwe gehoord, Agnes—dat moge u vreemd schijnen—zou ik toch hebben geraden dat er iemand is, aan wien gij den schat van uwe liefde hebt toegedacht. Houdt mij niet buiten iets, dat uw geluk zoo na betreft. Indien gij mij vertrouwen kunt, zooals gij zegt en zooals ik weet dat gij doen kunt, laat mij dan uw vriend, uw broeder zijn in deze zaak zooals in alle andere!”

Met een smeekenden, bijna een verwijtenden blik stond zij van de vensterbank op en liep haastig de kamer door alsof zij niet wist waarheen zich te wenden, sloeg de handen voor het gelaat en barstte in zulk een tranenvloed uit dat ik er van ontstelde. En toch ontwaakte daar iets in mijn hart, dat mij hoop gaf. Zonder te weten waarom smolten die tranen ineen met den stillen droeven glimlach, die zoo onuitwischbaar in mijn geheugen was gegrift, en vervulden ze mij meer met hoop dan met vrees of spijt.

„Agnes! Zuster! Lieveling! Wat heb ik gedaan?”

„Laat mij heengaan, Trotwood; ik ben niet wel. Ik ben mij zelve niet. Later.... een andermaal zal ik met u spreken. Ik zal u schrijven. Spreek nu niet meer met mij. O, doe het niet, doe het niet!”

Ik poogde mij te herinneren wat zij dien avond gezegd had over eene liefde, die niet beantwoord behoefde te worden. Het scheen mij toe alsof ik een ganschen wereld moest doorzoeken in één oogenblik.

„Agnes, ik kan u zoo niet zien; ik kan de gedachte niet verdragen dat ik u zoo gemaakt heb. Liefste meisje, mij liever dan wat ook op de wereld, laat mij deelgenoot zijn van uw verdriet, indien gij verdriet hebt. Indien gij hulp of raad noodig hebt, laat mij u die dan verleenen! Indien gij een last te dragen hebt, laat mij u dien verlichten! Voor wie zou ik nog kunnen leven, Agnes, dan voor u?”

„O, spaar mij, Trotwood; ik ben mij zelve niet op dit oogenblik. Een ander maal!” Dat was alles wat ik kon verstaan.

Was het zelfzucht, die mij verleidde? Of opende zich werkelijk een hoopvolle toekomst voor mij, waaraan ik zelfs niet had willen denken?

„Ik _moet_ spreken,” zei ik. „Ik kan u niet zoo laten heengaan. In 's Hemels naam, Agnes, laat ons elkander niet misleiden na zooveel jaren, na alles wat er met ons is gebeurd! Ik moet duidelijk zeggen wat ik op het hart heb. Indien gij ook maar het geringste vermoeden hebt dat ik het geluk, dat gij schenken kunt, zou benijden; dat ik u niet zou kunnen afstaan aan den man van uw eigen keuze; dat ik niet uit de verte getuige zou kunnen zijn van uw geluk, zet deze gedachten dan van u af, want dat verdien ik niet! Ik heb niet te vergeefs geleden. En gij hebt mij niet te vergeefs doen leeren! En is geen zweem van zelfzucht in mijn gevoel voor u!”

Zij was nu stil geworden. Na eenige oogenblikken keerde zij haar bleek gezichtje naar mij toe en zei met eene zachte, nu en dan afgebroken, doch heldere stem:

„Ik ben aan uwe trouwe vriendschap verplicht, Trotwood, u te zeggen dat gij in eene dwaling verkeert. Meer kan ik niet doen. Indien ik in den loop der jaren nu en dan raad of hulp noodig heb gehad, is die mij geworden. Voelde ik mij ongelukkig, dan is dat gevoel weder voorbijgegaan. Drukte mij een al te zware last, dan is die van mij afgenomen. Indien ik een geheim heb.... dan is het geen nieuw geheim; en is het niet.... hetgeen gij onderstelt. Ik kan het niet meedeelen, noch geheel noch gedeeltelijk. Het is langen tijd mijn geheim geweest en moet dat ook blijven.”

„Agnes! blijf nog.... een oogenblik!”

Zij wilde heengaan, maar ik hield haar tegen en sloeg den arm om haar middel. „Langen tijd! Dus geen nieuw geheim?” Nieuwe gedachten doorkruisten mijn brein, nieuwe hoop vervulde mijn hart; mijn geheele toekomst die mij zoo kleurloos had toegeschenen, was eensklaps veranderd.

„Lieve Agnes, ik acht u zoo hoog en heb u zoo onuitsprekelijk lief! Toen ik zoo straks hierheen reed meende ik nog, dat niets ter wereld mij deze bekentenis zou kunnen ontlokken. Ik meende die in mijn hart te zullen kunnen opsluiten tot wij beiden oud waren. Maar, Agnes, indien ik werkelijk de hoop mag koesteren u ooit anders dan zuster te mogen noemen, ooit meer, o oneindig meer dan eene zuster in u te zien....”

Hare tranen vloeiden rijkelijk, maar ze verschilden zoo onuitsprekelijk van die, welke zij straks had geschreid, dat ik mijne hoop voelde aanwakkeren.

„Agnes, mijn Gids door het leven, mijn hechtste steun! Indien gij meer aan u zelve en minder aan mij gedacht hadt toen wij hier te zamen opgroeiden, zou ik nooit een ander meisje hebben kunnen liefhebben dan u. Maar gij waart zooveel beter dan ik; ik had u zoo noodig bij al mijne kinder-idealen en teleurstellingen, dat het eene behoefte, eene gewoonte voor mij was geworden u alles toe te vertrouwen, mij in alles op u te verlaten, zoodat de nog veel grootere behoefte om u lief te hebben daardoor verdrongen werd!”

Zij lag zachtkens schreiend—Goddank, het waren vreugdetranen!—in mijn arm, zooals ik haar nooit gehad had en nooit gedacht had ooit te zullen zien.

„Toen ik Dora liefhad, innig liefhad, zooals gij wel weet....”

„Ja,” sprak zij op ernstigen toon, „ik ben blijde dat te weten!”

„Toen ik haar liefhad.... toen zelfs zou mijne liefde onvolmaakt zijn geweest indien ik uwe sympathie had gemist. Eerst toen ik die had was mijn geluk volmaakt. En wat zou er, toen ik haar moest afstaan, van mij geworden zijn zonder u?”

Nog vaster in mijn armen, nog dichter tegen mijn hart, met haar bevende handje op mijn schouder en hare lieve, met tranen gevulde oogen naar mij opgeslagen......

„Ik ging heen, Agnes en had u lief. Ik bleef daar ginds en had u lief. Ik keerde terug en had u lief!”

En nu beproefde ik haar te vertellen hoe ik gestreden had en tot welk besluit ik gekomen was. Ik beproefde mijn geheele hart voor haar bloot te leggen. Ik beproefde haar te vertellen hoe ik getracht had tot meer zelfkennis te komen en haar beter te leeren kennen; hoe ik had willen berusten bij hetgeen die meerdere kennis mij, naar ik meende, brengen zou en hoe ik ook thans tot haar gekomen was met dezen goeden wil. Indien zij mij zoo liefhad—zei ik—dat zij mij tot haar echtgenoot kon nemen, zou ik dat niet verdiend hebben dan alleen door de oprechtheid van mijne liefde voor haar en door het leed, waardoor die gerijpt was tot hetgeen ze nu was; daarom durfde ik haar die ook thans openbaren. O, Agnes, in uwe trouwe oogen zie ik mijn kind-vrouwtje; zij knikt mij toe en zegt mij dat het zóó goed is, dat ik door u herinnerd zal worden aan het lieve, teere Bloesempje, dat reeds bij het ontluiken werd afgerukt.

„Ik ben zoo gelukkig, Trotwood.... mijn hart is zoo vol..... maar één ding moet ik u toch zeggen.”

„Wat dan, mijn lieveling?”

Zij legde hare handjes op mijn schouder en keek mij aan met een rustigen, kalmen blik.

„Weet gij nog niet wat het is?”

„Ik ben bang om te zeggen wat ik denk. Vertel het mij maar.”

„Ik heb u liefgehad zoolang ik u gekend heb.”

* * * * *

O, wij waren zoo gelukkig, zoo innig gelukkig! Onze tranen vloeiden niet om de vele beproevingen—zij zooveel grootere dan ik—die wij hadden moeten ondervinden, maar uit blijdschap, omdat wij vereenigd waren voor geheel ons leven.

Dienzelfden winteravond wandelden wij samen door de besneeuwde velden en de zalige kalmte, die over ons gekomen was, scheen zich meegedeeld te hebben aan de koude lucht. De eerste sterren begonnen te schitteren en terwijl wij daar naar opkeken, dankten wij onzen Vader in de Hemelen, dat Hij ons geleid had tot deze rust. Later toen de maan was opgekomen, stonden wij te zamen voor hetzelfde ouderwetsche venster; Agnes met de oogen ten hemel geslagen en ik haar blik volgend. En voor mij zag ik een weg van vele, vele mijlen lang en een haveloozen, verwaarloosden knaap, die daarop voortstrompelde, door iedereen verstooten, een knaap, die het hart, dat nu tegen het zijne klopte, voor eeuwig _zijn_ eigendom mocht noemen.

Tegen het etensuur brachten wij den volgenden dag een bezoek aan tante. Peggotty zei dat zij in mijne studeerkamer was, die zij niet zonder trotschheid zelve in orde hield. En daar zat zij met den bril op bij den haard.

„Groote goedheid!” sprak zij, „wie brengt gij daar mede?”—De schemering was reeds ingevallen, zoodat zij niet goed zien kon.

„Agnes,” zei ik.

Aangezien wij afgesproken hadden eerst niets te zeggen geraakte tante een weinig in de war. Zij wierp mij een hoopvollen blik toe, maar ziende dat ik keek zooals altijd, nam zij met een teleurgesteld gezicht haar bril af en wreef er den neus mede. Toch heette zij Agnes hartelijk welkom en al heel spoedig zaten wij in de benedenkamer gezellig om den disch. Tante zette twee, drie malen den bril weder op, om mij nog eens met aandacht te bekijken, maar even dikwijls nam zij dien weder af en wreef er haar neus mede tot groote ontsteltenis van mijnheer Dick, die dit een zeer slecht voorteeken achtte.

„Ik heb met Agnes eens gesproken over hetgeen gij mij verteld hebt, tante,” zei ik na afloop van het middagmaal.

„Daaraan hebt gij verkeerd gedaan, Trot,” antwoordde zij met een kleur als scharlaken, „dan heb gij uw woord niet gehouden.”

„Ik hoop toch dat gij niet boos op mij zijt, tante,” hernam ik, „ik ben overtuigd dat gij het niet zijn zult als ik u vertel dat Agnes in geenen deele ongelukkig is.”

„Nonsens, praatjes voor de vaak,” riep zij.

Tante scheen niet op haar gemak te zijn en daarom was het maar beter haar gerust te stellen. Ik nam Agnes onder den arm en bracht haar achter haar stoel, waarna wij haar te zamen over de leuning heen aankeken. Tante sloeg in de handen van verbazing, keek ons door haar bril een voor een aan en kreeg het voor de eerste en laatste maal, zoolang ik haar gekend heb, onmiddellijk op de zenuwen.

Peggotty kwam ontsteld de kamer binnenstuiven en op het oogenblik dat tante weer bijkwam, vloog zij op Peggotty toe, noemde haar een dwaas, oud schepsel en sloot haar in de armen. Daarna omhelsde zij mijnheer Dick, die zeer vereerd was doch nog meer verbaasd, en vertelde hem waarom zij het deed. Zeker waren er op dit oogenblik geen gelukkiger menschen in het Vereenigde Koninkrijk te vinden. Ik kon niet ontdekken of tante in haar laatste gesprek tot een vroom bedrog hare toevlucht genomen dan wel zich in den toestand van mijn hart vergist had. Het was immers waar, zooals zij mij verteld had, zeide zij, dat Agnes binnenkort zou trouwen; ik zou zeker beter dan iemand ter wereld weten hoe waar dit was.

Wij trouwden binnen veertien dagen. Traddles en Sophie, Doctor en mevrouw Strong waren de eenige gasten bij onze bruiloft, die stil werd gevierd. Wij verlieten hen gelukkiger dan ooit en reden samen weg. Toen ik haar in mijn armen had, hield ik de bron omklemd van elke edele gedachte, die ooit in mij is opgekomen; het middelpunt van mij zelven, mijn eigen, lieve vrouwtje. Mijne liefde voor haar was gebouwd op eene rots.

„Beste man!” zei Agnes. „Nu ik u zoo mag noemen, moet ik u nog een geheim vertellen.”

„En wat is dat liefste?”

„Het dateert van den nacht waarin Dora stierf. Gij herinnert u dat zij u zond om mij te roepen?”

„Ja.”

„Toen vertelde zij mij dat zij mij iets naliet. Kunt gij raden wat dit was?”

Ik meende het wel te kunnen raden en trok de vrouw, die mij zoolang had liefgehad, dichter naar mij toe.

„Zij vertelde mij dat zij mij voor het laatst een opdracht zou geven, mij voor het laatst met iets belasten....”

„En dat was?”

„Dat _ik alleen_ hare ledige plaats zou mogen vervullen.”

En Agnes legde haar hoofdje tegen mij aan en schreide; en ik schreide met haar, hoewel wij beiden zoo gelukkig waren.

LXIII.

Een bezoeker.

Hetgeen ik mij voorgesteld had te verhalen is bijna ten einde; toch leeft er nog eene gebeurtenis in mijne herinnering, waaraan ik menigmaal met genoegen terugdenk en zonder welke één draad, dien ik heb gesponnen, geen behoorlijk einde zou hebben.

Mijn roem en mijn fortuin waren voortdurend toegenomen, mijn huiselijk geluk was volmaakt; ik was tien jaren gelukkig getrouwd. Op zekeren lenteavond zaten Agnes en ik bij elkander in onze woning in Londen, terwijl drie van onze kinderen bij ons speelden, toen mij gemeld werd dat een vreemdeling mij wenschte te spreken. Op de vraag of hij voor zaken kwam had hij geantwoord: ‚Neen’; hij was alleen gekomen om het genoegen te smaken mij te zien en had eene lange reis achter den rug. Het was een oude man, zei de knecht; hij leek wel wat op een planter.