Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 9
„Hier! De schoenlapper is er geweest en heeft gezegd, dat er niets meer aan te doen is, mijnheer Mell. Hij zei, dat er geen stukje van de oude schoenen meer aan te vinden is en begrijpt niet hoe gij verwachten kunt, dat hij ze nog herstelt.”
Met deze woorden wierp hij mijnheer Mell de schoenen toe, waarop deze een paar schreden terugging om ze op te rapen, en ze erg mistroostig aan alle kanten bekeek, terwijl wij samen voortwandelden. Ik merkte toen eerst op, dat de schoenen, die hij droeg, erg versleten waren, en op ééne plaats zijne kous er zelfs door heen kwam, gelijk een uitbottend knopje.
Salem House was een groot, vierkant gebouw van baksteen, met twee vleugels en zag er ongezellig en uitgewoond uit. Het was overal zoo stil, dat ik mijnheer Mell vroeg of de jongens uit waren; maar hij scheen verbaasd, omdat ik niet wist dat het vacantie was; dat al de jongens naar huis waren; dat mijnheer Creakle, de eigenaar, met mevrouw Creakle en de jongejuffrouw Creakle naar een zeebadplaats waren; en dat ik in de vacantie was gekomen als straf voor mijn slecht gedrag.... dat alles vertelde hij mij onder het voortgaan.
Het schoollokaal, waarin hij mij bracht, leek mij het akeligste en ongezelligste vertrek toe, dat ik ooit gezien had. Ik zie het nog. Een lange kamer met zes lange rijen banken en drie rijen lessenaars en in het rond overal pinnen om hoeden, petten en leien op te hangen. Brokstukken van oude schriften liggen over den stoffigen vloer verspreid. Op een der lessenaars vind ik eenige huisjes voor zijdewormen en twee ongelukkige witte muizen, door den eigenaar achtergelaten, loopen in een van bordpapier en ijzerdraad vervaardigd kasteeltje rond, met hunne roode oogjes in alle hoekjes snuffelend om iets eetbaars te vinden. Een vogel in een kooitje, dat niet veel breeder is dan het dier zelf, laat nu en dan een droevig geluid hooren, wanneer het op het twee duim hooge stokje springt of van daar weer naar beneden; sjilpen of zingen schijnt hij niet te kunnen. Er is een vreemde, bedorven lucht in de kamer, een lucht van beschimmeld leder, rotte appels en muffe boeken. Er kon moeilijk meer inkt over den vloer verspreid zijn geweest, al was het huis zonder dak gebleven van den opbouw af en al had het inkt geregend, gesneeuwd en gehageld door alle jaargetijden heen.
Toen mijnheer Mell mij verlaten had om zijne onherstelbare schoenen naar boven te brengen, liep ik zachtjes naar het boveneinde van de zaal en merkte intusschen dit alles op. Plotseling ontdekte ik een stuk bordpapier, waarop met mooie letters geschreven stond: „Pas op. Hij bijt.”
Ik klom terstond op de lessenaar, meenende dat er minstens een groote hond onder zou liggen; maar hoe ik ook met angstige oogen rondkeek, ik zag niets, dat op een hond geleek. Terwijl ik nog zat rond te gluren, kwam mijnheer Mell terug en vroeg mij wat ik deed.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar ik zoek den hond,” zei ik.
„Een hond?” vroeg hij. „Welken hond?”
„Is hier dan geen hond, mijnheer?”
„Waarom moet hier een hond zijn?”
„Den hond, waarvoor men moet oppassen, omdat hij bijt, mijnheer.”
„Neen, Copperfield,” sprak hij ernstig, „dat is geen hond. Dat is een jongen. Ik heb last gekregen, Copperfield, dit papier op uw rug te hangen. Het spijt mij, dat wij op zulk eene wijze moeten kennis maken, maar ik moet het doen.” Tegelijkertijd zette hij mij van de lessenaar af en hing mij het plakkaat, dat uitsluitend voor dit doel vervaardigd was, als een knapzak op den rug; en waarheen ik ook ging, ik moest het meedragen. Niemand kan beseffen wat ik door dit plakkaat geleden heb. Of iemand mij zien kon of niet, ik verkeerde altoos in de meening, dat de een of de ander het stond te lezen. Het hielp niet of ik mij al omkeerde en niemand vond, want ik verbeeldde mij altijd dat er iemand achter mij stond. Die onbarmhartige man met het houten been verzwaarde mijn leed nog. Hij had daar veel te zeggen; waar hij mij ook zag staan, leunende tegen een boom of tegen een muur, riep hij mij met zijne schrikverwekkende stem toe: „Hé, daar jongeheer! Hé, daar jongeheer Copperfield! Laat uw rug maar zien, of ik zal het rapporteeren!” De speelplaats was een kaal, met grint bestrooid pleintje, waarop alle localen en ook de keukens uitkwamen: ik wist, dat het geheele dienstpersoneel las wat er op mijn rug stond, dat de bakker het las en de slager het las; iedereen, die 's morgens, wanneer ik daar _moest_ wandelen, uit- of inging, las, dat men zich voor mij in acht moest nemen, omdat ik beet. Ik herinner mij zeer goed, dat ik bang begon te worden voor mij zelven.
Op deze speelplaats was een oude deur, waarin de jongens hunne namen sneden. Die deur was overdekt met namen, maar ik herinner mij heel goed, dat ik tegen het einde van de vacantie geen naam lezen kon zonder te denken, op welken toon en met welken nadruk zou _hij_ lezen: „Pas op. Hij bijt.” Er was een jongen, een zekere J. Steerforth, die zijn naam bijzonder diep had ingesneden, en ook bijzonder vaak. Deze jongen zou het zeker met eene krachtige stem lezen en mij dan bij de haren trekken. Er was nog een andere jongen, Tommy Traddles heette hij, die er zeker een spelletje van maken en zeggen zou, dat hij bang voor mij was. Van een derden jongen, George Demple, stelde ik mij voor dat hij er een wijsje op zou maken. Ik zag hen in mijne verbeelding allen bij elkander staan—er waren er vijf en veertig volgens mijnheer Mell—ginds bij de deur; ik zag hen een klein, bevend jongentje met algemeene stemmen verbannen naar Coventry, terwijl zij, ieder op zijn eigen wijze, uitriepen: „Pas op. Hij bijt. Pas op!”
Met het plaats nemen op de banken en aan de lessenaars was 't hetzelfde. Met de lange rijen bedden, die ik zag, toen ik in een er van lag, was 't hetzelfde. Ik herinner mij nacht op nacht gedroomd te hebben, dat ik weder bij mijne moeder was, zooals zij vroeger placht te zijn, of dat ik weder bij baas Peggotty logeerde, of dat ik op den omnibus zat, of dat ik het middagmaal gebruikte met mijn ongelukkigen vriend, den knecht in het logement, en in al deze toestanden riepen en keken de menschen mij na, en had ik niets aan dan mijn nachthemd en... dat plakkaat.
In mijn eentonig leven en in mijn voortdurenden angst voor het einde van de vacantie, was dit papier een afschuwelijke kwelling! Elken dag kreeg ik van mijnheer Mell een taak op, maar ik deed ze af, en leerde mijne lessen zonder moeite—er waren hier ook geen mijnheer en juffrouw Murdstone.
Vóór en na mijn werktijd wandelde ik rond, zooals ik reeds meedeelde, onder voortdurend toezicht van den man met het houten been. Hoe levendig herinner ik mij nog den mist om het huis, de groene, gebarsten plavuizen in de gang, de oude, lekkende waterton, en de kleurlooze stammen van sommige dier oude boomen, die meer in den regen en minder in den zonneschijn schenen gestaan te hebben dan andere boomen. Om één uur gebruikten wij het middagmaal, mijnheer Mell en ik, aan het boveneinde van een lange, kale eetzaal met ruw houten tafels en eene onverdragelijke vetlucht. Daarna ging ik weder aan het werk tot de thee, die mijnheer Mell uit een blauwe kop en ik uit een tinnen kroes dronk. Den geheelen dag, tot zeven of acht uur 's avonds, zat mijnheer Mell aan zijn eigen, afzonderlijk staande lessenaar in de school hard te werken met pen, inkt, liniaal, boeken en groote papieren—dit waren, zooals ik later ontdekte, de rekeningen van het laatste half jaar. Wanneer hij des avonds alles had opgeborgen, kwam de fluit voor den dag en begon hij te spelen en blies dan zoo hard, dat ik meer dan eens bang was, dat hij zijne geheele ziel zou wegblazen door de groote klep aan het uiteinde.
Ik zou mij zelven nog kunnen uitteekenen, zittende in de schemerachtig verlichte schoolzaal, met de hand onder het hoofd luisterend naar het jammerlijke spel van mijnheer Mell en met de opgegeven lessen voor den volgenden dag voor mij. Ik zie mij nog zitten, nu zonder boeken, luisterende naar mijnheer Mell; terwijl ik door de muziek heen allerlei geluiden, die ik in het ouderlijk huis hoorde, en de wind over het strand bij Yarmouth meende te hooren en mij daarbij zoo eenzaam en verlaten voelde. Ik zie mij zelven nog naar bed gaan in die groote, holle kamer, geheel alleen, en op den rand van het ledikant zittende schreien om een vriendelijk woord van Peggotty. Ik zie mij zelven nog 's morgens beneden komen en door het venster op de lange gang naar de klok op het bijgebouw met het windvaantje kijkende, opziende tegen het tijdstip, waarop J. Steerforth en de andere jongens zouden worden opgeroepen voor de lessen, en meer nog naar dat, waarop de man met het houten been het knarsende ijzeren hek zou openen om dien vreeselijken mijnheer Creakle binnen te laten. En altijd met die akelige waarschuwing op mijn rug!
Mijnheer Mell sprak niet veel met mij, maar was ook niet hard voor mij. Ik zou bijna kunnen zeggen, dat wij elkander gezelschap hielden zonder te spreken. Ik vergat nog te zeggen, dat hij somtijds in zich zelven sprak, grijnsde, de vuisten balde, op de tanden knarste en zijne haren uitrukte, zonder dat ik eenige aanleiding kon ontdekken, waardoor zijne woede werd opgewekt. Maar hij bezat deze eigenaardigheden nu eenmaal en al beangstigden ze mij in het eerst, ik was er spoedig aan gewoon geraakt.
VI.
De kring mijner kennissen breidt zich uit.
Ik had ongeveer eene maand dit leven geleid, toen de man met het houten been begon rond te stampen met een dweil en een emmer water, hetgeen mij deed vermoeden, dat er voorbereidingen getroffen werden tot de ontvangst van mijnheer Creakle en de jongens. Ik had mij hierin niet vergist, want de schoonmaakwoede strekte zich ook uit tot de schoolzaal en joeg mijnheer Mell en mij er uit, die maar moesten zien waar wij bleven. Gedurende eenige dagen liepen wij voortdurend twee of drie jonge meiden in den weg, die zich tot nu toe slechts zelden vertoond hadden; wij moesten telkens groote, dikke stofwolken trotseeren, zoodat ik ieder oogenblik moest niezen alsof Salem House een groote snuifdoos was.
Op zekeren dag deelde mijnheer Mell mij mede, dat mijnheer Creakle dien avond zou thuis komen. Na de thee vernam ik, dat hij gekomen was en nog voor ik naar bed ging, werd ik door den man met het houten been gehaald om voor hem te verschijnen.
Het gedeelte van het huis, dat mijnheer Creakle bewoonde, was vrij wat gezelliger ingericht dan het onze en hij had een aardig tuintje, dat heel mooi was, vergeleken met de stofferige speelplaats, een woestijn in miniatuur, waarin alleen kameelen en dromedarissen zich tehuis zouden hebben gevoeld. Het kwam mij hoogst vermetel van mij voor, de opmerking te durven maken, dat de gang er zoo netjes uitzag, toen ik bevend van angst op weg was naar mijnheer Creakle; ik was zoo verlegen, toen ik in zijne tegenwoordigheid verscheen, dat ik mevrouw Creakle en juffrouw Creakle, die beiden in de kamer waren, nauwelijks zag, ja, eigenlijk niets anders zag dan mijnheer Creakle, een zwaarlijvig man, met een zwaren horlogeketting, waaraan eenige dikke cachetten bengelden, gezeten in een grooten armstoel met een bierglas en een flesch naast zich.
„Zoo!” sprak mijnheer Creakle. „Is dat de jongeheer, wiens tanden moeten afgevijld worden? Draai hem eens om.”
De man met het houten been draaide mij rond, zoodat ik het plakkaat naar alle windstreken vertoonde, en nadat hij de familie in de gelegenheid gesteld had het goed te bekijken, draaide hij mij nogmaals rond met mijn gezicht naar mijnheer Creakle, en ging toen naast zijn meester staan. Mijnheer Creakle's gezicht was vuurrood en de kleine oogen lagen diep in zijn hoofd; op het voorhoofd lagen eenige dik gezwollen aderen, zijn neus was klein en zijne kin zeer breed. Hij had een kale kruin en aan de slapen een weinig dun, grijzend haar. Wat mij echter het meest trof was, dat hij geen stem scheen te hebben, maar altijd fluisterde. De inspanning, die hem dit kostte, of de bewustheid, dat hij zich niet verstaanbaar maken kon, verergerde nog de nijdige uitdrukking op zijn breed gezicht en deed de aderen nog meer opzwellen wanneer hij sprak, zoodat het mij, als ik aan dat oogenblik terugdenk, niet verwondert, dat mij deze bijzonderheid het meest trof.
„Wel,” sprak hij, „welke rapporten hebt gij over dezen jongeheer?”
„Er is niets bijzonders met hem voorgevallen,” antwoordde de man met het houten been. „De gelegenheid om kwaad te doen ontbrak geheel.”
Ik meende op te merken, dat mijnheer Creakle teleurgesteld was; doch ik meende ook op te merken, dat mevrouw en juffrouw Creakle—die ik nu voor het eerst durfde aankijken, en die beiden zeer mager waren en geen woord meespraken—niet teleurgesteld waren.
„Kom hier, jongeheer!” zei mijnheer Creakle, mij tot zich wenkend.
„Kom hier!” herhaalde de man met het houten been met hetzelfde gebaar.
„Ik heb het genoegen uw stiefvader te kennen,” fluisterde mijnheer Creakle, terwijl hij mij bij een oor nam; „hij is een braaf man met een flink karakter. Hij kent mij en ik ken hem. Kent gij mij al? Hè!” vroeg hij, terwijl hij mij met wreed genoegen in het oor kneep.
„Nog niet, mijnheer,” antwoordde ik, ineenkrimpend van pijn.
„Nog niet? Hè?” herhaalde mijnheer Creakle. „Gij zult mij spoedig leeren kennen. Hè?”
„Gij zult mijnheer Creakle spoedig leeren kennen,” herhaalde de man met het houten been. Later begreep ik, dat hij met zijne zware stem als tolk optrad tegenover de jongens.
Ik stond te beven als een riet en zei dat ik het hoopte, indien hij het verkoos. Gedurende al dien tijd had ik een gevoel alsof mijn oor langzaam in een kool vuur veranderde, zoo hard kneep hij er in.
„Ik zal u eens vertellen wat ik ben,” fluisterde mijnheer Creakle, terwijl hij mijn oor losliet met een kneep tot afscheid, die mij de tranen in de oogen bracht.
„Ik ben een Tartaar.”
„Een Tartaar,” herhaalde de man met het houten been.
„Wanneer ik zeg, dat ik iets doen wil, dan doe ik het,” zei mijnheer Creakle, „en wanneer ik zeg, dat ik iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan hebben.”.... „Iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan hebben,” herhaalde de man met het houten been.
„Ik heb een vast karakter,” ging mijnheer Creakle voort. „Dat heb ik. Ik doe mijn plicht. Dat doe ik. Mijn eigen vleesch en bloed”—terwijl hij dit zeide keek hij mevrouw Creakle aan—„is mijn eigen vleesch en bloed niet, wanneer het tegen mij opstaat. Dan verloochen ik het. Is die man hier weer geweest?” Deze laatste vraag, werd aan den man met het houten been gedaan.
„Neen,” was het antwoord.
„Neen,” zei mijnheer Creakle. „Hij weet wel beter. Hij kent mij. Laat hem wegblijven. Laat hem wegblijven,” herhaalde mijnheer Creakle, terwijl hij met de hand over de tafel streek en mevrouw Creakle aankeek, „hij kent mij. En nu hebt gij mij ook leeren kennen, jongeheer; gij kunt nu heengaan. Breng hem weg.”
Ik was heel blij, dat ik kon heengaan, want mevrouw en juffrouw Creakle wischten beiden hare oogen af en ik had even goed medelijden met haar als met mij zelven. Ik had echter nog een verzoek op het hart, dat ik niet kon uitstellen, al verwonderde het mij naderhand, dat ik den moed had gehad het te doen.
„Mag ik u iets vragen, mijnheer....”
Mijnheer Creakle fluisterde: „Zoo? Wat dan?” en keek mij aan alsof hij mij met zijne oogen wilde in brand steken.
„Och, mijnheer,” stotterde ik, „ik heb werkelijk zooveel berouw over hetgeen ik gedaan heb, maar zoudt u dit papier niet willen laten wegnemen, vóór de jongens komen....”
Of mijnheer Creakle het meende of dat hij het alleen deed om mij bang te maken, weet ik niet, maar hij sprong van zijn stoel op, zoodat ik hals over kop aftrok, zonder te wachten op het geleide van den man met het houten been en niet omziende voor ik de slaapkamer bereikt had. Toen ik bemerkte, dat ik niet vervolgd werd, begaf ik mij naar bed en lag eenige uren achtereen te beven.
Den volgenden morgen kwam mijnheer Sharp terug. Mijnheer Sharp was de eigenlijke hoofdonderwijzer en stond boven mijnheer Mell. Mijnheer Mell gebruikte de maaltijden met de jongens; mijnheer Sharp met de familie Creakle. Naar het mij voorkwam, zag mijnheer Sharp er zwak en tenger uit; hij had een grooten neus en eene manier om zijn hoofd op zijde te dragen, alsof het hem veel te zwaar was. Er lag een eigenaardige glans over zijn krullend haar, maar de eerste jongen, die terugkwam, vertelde mij terstond, dat mijnheer Sharp een pruik droeg—een half-sleetsche, zooals hij beweerde—en elken Zaterdagnamiddag uitging om zijne pruik te laten opkrullen.
Het was niemand anders dan Tommy Traddles, die mij deze mededeeling deed. Hij was de eerste jongen, die terugkeerde, en maakte zich aan mij bekend door te zeggen, dat ik zijn naam zou vinden op den rechter hoek van de deur boven den grendel. Ik antwoordde: „O, dan zijt gij Traddles?” waarop hij zei: „Juist geraden” en toen moest ik hem alles vertellen van mij zelven en van mijne familie.
Het was eene gelukkige omstandigheid voor mij, dat Traddles het eerst terugkwam. Hij had zooveel plezier in mijn plakkaat, dat hij mij de onaangename taak bespaarde van het verborgen te moeten houden, of het door de jongens een voor een ontdekt te zien. Aan elken jongen, groot, en klein, vertoonde hij het onmiddellijk bij zijne aankomst ongeveer met deze woorden: „Kijk eens hier! Wat een grap!” Gelukkig waren de meeste jongens wat neerslachtig gestemd, zoodat zij mij niet zoo in de maling namen, als ik gevreesd had. Eenige begonnen, wel is waar, als Indianen om mij heen te dansen, en een groot aantal onder hen kon de verzoeking niet weerstaan van te doen of ik een hond was, en van mij te aaien en te streelen, opdat ik hen niet zou bijten, en van „Koest, hond!” te roepen; maar al was dit heel vervelend voor mij, en al kostte het mij eenige tranen, zij waren toch niet zoo uitgelaten als ik verwacht had.
Ik werd echter nog niet als kameraad beschouwd voor J. Steerforth was aangekomen. Voor dezen jongen, die den naam had van zeer knap te zijn, er goed uitzag en ongeveer zes jaar ouder was dan ik, werd ik gebracht als voor een overheidspersoon. Hij ondervroeg mij onder een afdak op de speelplaats over de bijzonderheden van mijn misdrijf, en was daarna wel zoo goed te zeggen, dat het „mooi schande” was mij zoo te straffen, voor welke woorden ik hem eeuwig dankbaar beloofde te blijven.
„Hoeveel geld hebt gij medegebracht, Copperfield?” vroeg hij naast mij loopende, nadat hij zijn oordeel op bovengenoemde wijze had uitgesproken.
Ik vertelde hem, dat ik nog in het bezit was van zeven shillings.
„Gij deedt beter mij die te geven, om ze te bewaren,” zeide hij. „Dat wil zeggen: gij kunt dat doen als gij het goed vindt. Gij behoeft het niet te doen als gij het niet goed vindt.”
Ik haastte mij zijn vriendelijken raad op te volgen en schudde Peggotty's beursje in zijne hand ledig.
„Zoudt gij er nu ook iets van willen uitgeven?” vroeg hij.
„Neen, dank u”, antwoordde ik.
„Gij kunt het, als gij wilt, begrijpt gij?” vervolgde Steerforth. „Gij hebt slechts één woord te spreken.”
„Neen, dank u, mijnheer,” herhaalde ik.
„Misschien zoudt ge wel een paar shillings willen uitgeven voor een flesch bessenwijn; wij kunnen die dan straks op de slaapkamer leegdrinken,” zei Steerforth. „Ik heb gezien, dat gij bij mij op de kamer slaapt.”
Zoo iets was zeker nog nooit bij mij opgekomen, maar ik zei: „Ja, dat zou ik wel willen doen.”
„Heel goed,” hernam Steerforth. „Het zal u zeker wel aangenaam zijn een anderen shilling te besteden aan amandelkoekjes?” voegde hij er bij.
„Ja,” zei ik, „dat zou ik heel aangenaam vinden.”
„En een shilling of zoo aan biscuits en een aan vruchten, hé?” vervolgde Steerforth. „Het moet maar op, Copperfieldje!”
Ik glimlachte omdat hij ook glimlachte, maar ik was toch niet bijzonder in mijn schik.
„Wel,” zij hij, „wij moeten er een zoo goed mogelijk gebruik van maken, dat is alles. Ik zal mijn best voor u doen. Ik kan uitgaan, wanneer ik wil, en zal alles wel binnensmokkelen.” Met deze woorden stak hij al het geld in den zak en zei allervriendelijkst, dat ik er niet de minste moeite mede mocht hebben; hij zou wel zorgen, dat alles in orde kwam.
Steerforth hield zijn woord indien namelijk „in orde” mocht genoemd worden hetgeen ik heimelijk meende, dat volstrekt niet in orde was; ik had het gevoel, dat ik de twee halve kronen mijner moeder op de schromelijkste wijze verkwistte, al had ik het papier, waarin ze gerold waren geweest, als een kostbaar aandenken bewaard. Toen wij op de slaapkamer waren, om naar bed te gaan, had hij de zeven shillings omgezet in allerlei lekkernijen, die hij op mijn bed zette, zeggende: „Ziedaar, kleine Copperfield, het is een koninklijk maal, dat ik u breng.”
Ik kon er niet aan denken de honneurs waar te nemen, terwijl hij er bij was; hij, die zooveel ouder was dan ik; mijne hand beefde bij het denkbeeld. Ik verzocht hem mij de gunst te willen bewijzen van president te zijn en aangezien mijn verzoek door de andere jongens ondersteund werd, gaf hij er gehoor aan en ging op mijn kussen zitten om alles rond te deelen met de grootste onpartijdigheid—dat moet ik zeggen. De bessenwijn ging rond in een klein glaasje zonder voet, dat zijn bijzonder eigendom was. Ik zat aan zijne linkerhand, terwijl de andere jongens om ons heen gegroepeerd waren, op den vloer en op de andere bedden.
Hoe duidelijk zie ik ons daar nog zitten, niet anders dan fluisterend durvende spreken; of liever ik durfde niet anders dan fluisteren, terwijl de anderen hardop spraken. Het licht der maan scheen in onze kamer en teekende het venster, waardoor het binnenviel, verkleind op den grond; terwijl wij in het donker zaten, behalve wanneer Steerforth een lucifer aanstak om iets op onze tafel te zoeken; dan verspreidde zich een blauwachtig schijnsel over ons, dat terstond weder verdween. Een zeker geheimzinnig gevoel, opgewekt door de duisternis om ons heen, door het bleeke maanlicht en het op fluisterenden toon gevoerde gesprek, maakte zich opnieuw van mij meester; naar alles wat zij mij vertelden, luisterde ik met een onbestemd gevoel van diep ontzag en tevens van angst, zoodat ik heimelijk blijde was, dat zij allen om mij heen zaten en—hoewel ik veinsde te lachen—inwendig beefde toen Traddles beweerde, dat er een spook zat in een van de hoeken.
Ik vernam allerlei dingen omtrent de school en wat daartoe behoorde. Ik vernam, dat mijnheer Creakle niet zonder grond beweerde, een Tartaar te zijn, dat hij de strengste en onmeedoogendste meester was, die er bestond; dat hij elken dag om zich heen sloeg, rechts en links, op de jongens inrende en hen onbarmhartig ranselde. Dat hij zelf niets kende dan de wijze, waarop hij het best kon ranselen en—Steerforth verklaarde het—nog dommer was dan de domste jongen; dat hij, vele jaren geleden, een eenvoudig koopman in hop geweest was en een school had opgezet, nadat hij bankroet gemaakt had in de hop en het geld van mevrouw Creakle verdwenen was. En nog veel meer dergelijke verhalen werden mij gedaan; terwijl ik mij verbaasde hoe de jongens ze wisten.