Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 89

Chapter 893,952 wordsPublic domain

Het verbaasde mij in het begin dat ik Sophie zoo dikwijls schrijvende vond in een cahier, dat zij, zoodra ik binnenkwam, haastig wegstopte in een latafel. Het geheim werd mij echter spoedig opgelost. Op zekeren dag haalde Traddles, die juist in een sneeuwbui was thuis gekomen van het Gerechtshof, het cahier te voorschijn en vroeg mij wat ik van de hand, waarmede het bijna was volgeschreven, dacht.

„O, Tom, doe het niet!” riep Sophie, die bezig was zijn pantoffels bij het vuur te warmen.

„Maar, lieveling,” antwoordde Tom opgeruimd, „waarom niet? Wat zegt gij van dit schrift, Copperfield?”

„Het is buitengewoon regelmatig,” zei ik. „Mij dunkt, ik heb nooit zulk eene vaste hand gezien.”

„Vindt gij dat het op een dameshand lijkt?”

„Op een dameshand!” herhaalde ik. „Kalk en steen lijken meer op een dameshand dan dit schrift.”

Traddles barstte in een onstuimig gelach uit en vertelde mij dat het schrift was van Sophie; zij had beweerd dat er wel spoedig een klerk zou noodig zijn en nu wilde zij daarvoor optreden; zij had daarom hare hand gevormd naar een voorbeeld en kon nu ik weet niet hoeveel pagina's leveren in een uur. Sophie was erg verlegen toen mij dit alles zoo haarfijn verteld werd en zei dat als „Tom” eenmaal rechter was, hij het niet meer zoo zou uitbazuinen, hetgeen „Tom” ontkende, zeggende dat hij er altijd trotsch op zou zijn onder welke omstandigheden ook.

„Wat is zij toch een door en door goed en verrukkelijk vrouwtje, beste Traddles!” zei ik, toen zij heenging, lachend.

„Beste Copperfield!” antwoordde Traddles, „zij is zonder eenige uitzondering het verrukkelijkste vrouwtje van de wereld! De wijze waarop zij het huishouden voert, hare nauwgezetheid, ordelijkheid, spaarzaamheid, opgewektheid, Copperfield...”

„Ja, gij hebt redenen genoeg tot dankbaarheid,” antwoordde ik. „Gij zijt een gelukkige kerel. Ik geloof dat gij u zelven en elkander tot de gelukkigste stervelingen, van de wereld maakt.”

„O, ik ben overtuigd dat wij tot de gelukkigste menschen behooren,” antwoordde Traddles. „Ik erken dat gaarne. Goede Hemel, als ik haar 's morgens zie opstaan bij het licht van een kaars en hare dagelijksche bezigheden zie beginnen, naar de markt zie gaan vóór de klerken in Gray's Inn komen; als ik bedenk hoe zij van de eenvoudigste materialen de heerlijkste kleine dinertjes weet te bereiden, poddingen en pasteien gereed maakt, alles zoo ordelijk en netjes bijeen houdt, hoe keurig zij zelve er altijd uitziet, mij des avonds altijd gezelschap houdt, hoe laat het ook worden mag, altijd even vroolijk en opgewekt.... zie Copperfield, dan kan ik somtijds niet gelooven dat zij _mijn_ vrouwtje is.”

Hij trok de pantoffels, die zij gewarmd had, met eene zekere eerbiedige voorzichtigheid aan en strekte toen behagelijk zijn voeten op den haardrand uit.

„Waarlijk, ik kan het somtijds niet gelooven,” herhaalde hij. „En dan onze uitspanningen! Goede Hemel! ze kosten niets en zijn toch zoo heerlijk! Wanneer wij des avonds hier zitten, de buitendeur gesloten en de gordijnen neergelaten hebben—die zij zelve heeft gemaakt—wat kunnen wij dan nog meer verlangen? Is het mooi weer dan maken wij des avonds nog een wandeling en bieden de drukke straten ons het grootste genot aan, wij kijken naar de schitterende juwelierswinkels en ik laat Sophie de slangen met de oogen van diamanten op wit satijn zien, waarvan ik er haar zeker een ten geschenke zou geven als ik het betalen kon; en Sophie wijst mij het gouden horlogie met al de nieuwste uitvindingen, dat zij mij zou geven indien zij er geld voor had; en wij zoeken de lepels en vorken en vischlepels en botermesjes en suikertangen die wij zouden uitzoeken, indien wij het geld daarvoor hadden, en dan wandelen wij weer verder alsof wij werkelijk de gelukkige eigenaars waren. En wanneer wij op een van de pleinen of in een van de hoofdstraten een huis te huur vinden staan, kijken wij er even binnen en zeggen of het ons zou bevallen, als ik eens rechter werd! En wij maken de verdeeling: deze kamer voor mij, die voor de meisjes, enz.; tot wij het eens zijn of het geschikt of niet geschikt zou wezen, als het ooit eens zoover komen mocht. Soms gaan wij voor half geld naar de komedie en zitten dan heel boven, waar de lucht alleen reeds het geld waard is, en daar genieten wij van het spel, waarvan Sophie elk woord gelooft evenals ik. Op onze wandeling naar huis koopen wij nu en dan eens een lekker hapje in een gaarkeuken of een kreeft of iets dergelijks in een vischwinkel en nemen het mede naar huis, waar wij dan al pratende over „het stuk”, een heerlijk souper hebben. Nu weet gij heel goed, Copperfield, dat wij onmogelijk zoo gelukkig konden zijn als ik Lord Kanselier was!”

„Ik weet dat gij altijd gelukkig zoudt zijn op welke wijze ook, wat gij ook waart, beste Traddles,” zei ik. „A propos, teekent gij tegenwoordig nog wel eens geraamten?”

„Waarlijk,” antwoordde Traddles lachend en met een kleur, „ik kan niet loochenen dat ik het nog wel eens doe. Laatst nog, toen ik op een van de achterste banken in King's Bench zat, met een pen in de hand, kwam de verzoeking in mij op om eens te probeeren of ik daarmede den tijd nog zou kunnen verdrijven. En, bedrieg ik mij niet, dan vindt gij er op den rand van den lessenaar, ginds, nog een—met een pruik op.”

Nadat wij beiden hartelijk om deze herinnering aan den ouden tijd gelachen hadden, bleef Traddles glimlachend in het vuur kijken en zei op vergevensgezinden toon: „Die oude Creakle!”

„Ik heb hier een brief van dien ouden .... schavuit,” zei ik. Ik was nooit minder genegen om hem te vergeven dan wanneer ik Traddles zoo vergevensgezind zag.... Traddles, dien hij zoo erbarmelijk geranseld had!

„Van Creakle?” riep Traddles. „Neen toch!”

„Onder de personen, die zich, nu ik wat naam begin te maken, tot mij aangetrokken gevoelen,” zei ik, in mijne brieven snuffelend, „en die nu tot de ontdekking komen dat zij altijd zoo aan mij zijn gehecht geweest, behoort ook mijnheer Creakle, onze oude schoolmeester. Hij is dat niet meer, Traddles. Hij leeft nu van zijn geld en is bij de magistratuur in Middlesex.”

Ik dacht dat Traddles verrast zou zijn als hij dit vernam, maar hij was het volstrekt niet.

„Hoe denkt gij dat hij bij de magistratuur zal gekomen zijn?” vroeg ik.

„Groote Goedheid!” riep Traddles, „die vraag zal zeer moeilijk te beantwoorden zijn. Misschien heeft hij voor iemand gestemd of aan iemand geld geleend, of van iemand iets gekocht, of iemand op de een of andere wijze aan zich verplicht of met iemand geknoeid en heeft die iemand den gouverneur van het graafschap bewogen hem te benoemen.”

„Hoe het zij, hij is benoemd,” antwoordde ik. „En nu schrijft hij mij, dat hij blijde zijn zal mij de eenige ware manier te laten zien, waarop gevangenissen moeten zijn ingericht om de gevangenen tot berouw en inkeer te brengen.... zooals gij weet tracht men dat tegenwoordig te doen door eenzame opsluiting. Wat zegt gij daarvan?”

„Van het stelsel?” vroeg Traddles, en keek mij daarbij ernstig aan.

„Neen, van het aanbod. En ik voeg er eindelijk bij, dat gij met mij mede moet gaan.”

„Daarop heb ik niets tegen,” antwoordde hij.

„Dan zal ik hem dat schrijven. Gij herinnert u, om te zwijgen van de wijze waarop wij behandeld zijn, dat deze zelfde Creakle zijn zoon de deur gewezen heeft, en hoe hij zijn eigen, vrouw en dochter behandelde?”

„Ja, zeer goed.”

„Lees dezen brief nu eens, dan zult gij ontwaren hoe teerhartig hij omgaat met gevangenen, die eene geheele lijst misdaden op hunne rekening hebben,” hernam ik, „hoewel ik niet geloof, dat hij deze teerhartigheid ook tot andere klassen van menschelijke wezens uitstrekt.”

Traddles haalde de schouders op en was niet het minst verbaasd. Ik had ook niet verwacht dat hij anders zijn zou en was dus evenmin verbaasd; daarvoor had ik reeds te veel menschenkennis opgedaan. Wij bepaalden dus den dag en ik schreef dienzelfden avond nog aan mijnheer Creakle.

Op den afgesproken dag—ik geloof dat het de volgende was, maar dat doet niets ter zake—meldden Traddles en ik ons aan de gevangenis, waar mijnheer Creakle den schepter zwaaide. Het was een reusachtig, stevig gebouw, dat ten koste van verbazende sommen was gesticht. Ik kon het niet helpen, maar toen wij de poort naderden kwam de gedachte in mij op welk een opschudding er in het land zou zijn ontstaan, indien de een of ander dwaas geopperd had de helft van die sommen te besteden aan de oprichting van een industrieschool voor jongelieden, of van een toevluchtsoord voor ouden van dagen, die zulks verdienden.

In een spreekkamer, die zoo massief gebouwd was, dat de muren hadden kunnen dienen tot onderbouw van den toren van Babel, werden wij door onzen ouden meester ontvangen en voorgesteld aan eenige andere magistraatspersonen, die ook bezoekers hadden meegebracht. Hij ontving mij als iemand, die in vroeger dagen een grooten invloed had geoefend op de vorming van mijn karakter en mijn verstand en mij steeds met liefde had behandeld. Toen ik Traddles voorstelde, drukte mijnheer Creakle zich ongeveer op gelijke wijze uit, en gaf te kennen dat hij altijd Traddles' leidsman, leermeester en vriend geweest was. Onze eerwaarde onderwijzer was zichtbaar ouder en zijn voorkomen geenszins gunstiger geworden; er lag nog dezelfde brutale uitdrukking op zijn gezicht; zijne oogen waren nog even klein, doch lagen nog wat dieper in hunne kassen. De weinige grijzende haren, die ik mij herinnerde, waren verdwenen; en de dikke aderen op het voorhoofd maakten evenmin een aangenamen indruk als vroeger.

Na een onderhoud met deze heeren, waaruit de gevolgtrekking zou kunnen zijn gemaakt, dat men eigenlijk aan niets op de wereld zooveel aandacht schenken mocht als aan het gemak en het goede leven van de gevangenen hoeveel het ook moge kosten, en niets op de wereld zoo belangrijk was als gevangenisdeuren, begonnen wij onze wandeling door het gebouw. Aangezien het juist etenstijd was gingen wij eerst naar de keuken, waar het middagmaal voor elken gevangene afzonderlijk gereed stond, om hem in zijne cel te worden gebracht, hetgeen elken dag met de grootste regelmatigheid, prompt op hetzelfde uur geschiedde. Ik fluisterde Traddles in of het ook hem niet bevreemdde, dat niemand scheen in te zien welk een stuitend contrast er bestond tusschen dit overvloedige maal van uitnemende spijzen en dat van—om niet van behoeftigen te spreken—soldaten, matrozen, werklieden en de massa der bevolking, die met werken hun brood verdienden; geen twintigste procent van dezen werd half zoo goed gevoed. Ik vernam echter dat het „systeem” een voedzamen maaltijd noodzakelijk maakte; kortom ik zag in dat om het stelsel toe te passen, in dit, zoowel als in alle andere opzichten, het „systeem” een eind maakte aan allen twijfel en alle bezwaren uit den weg ruimde. Niemand scheen te beseffen dat er nog wel een ander systeem zijn kon dan „het” systeem.

Terwijl wij door eenige hooge, breede gangen wandelden vroeg ik aan mijnheer Creakle en zijn vrienden welke voordeelen men verwachtte van dit alles beheerschende en overheerschende systeem? Het bestond in volkomen afzondering van de gevangenen, zoodat geen van hen iets wist of te weten kwam van zijn buurman en daarvan verwachtte men als gevolg, dat de gevangenen in eene gemoedsstemming zouden komen, die tot oprecht berouw en beterschap leidde.

Toen wij nu de gevangenen in hunne cellen bezochten en men ons eene verklaring gaf van de wijze, waarop zij zich naar de kapel, de wandelplaatsen en elders begaven, kwam het mij voor dat zij wel degelijk in de gelegenheid waren om veel van elkander te weten en dat er zonder twijfel een volledig stelsel van verkeer tusschen hen bestond. Nu ik dit schrijf is het, als ik het wel heb, bewezen dat ik daarin niet mistastte; maar aangezien het als vuige laster zou beschouwd zijn op „het” systeem, hield ik mijne zienswijze voor mij en deed in stilte boete voor deze zondige gedachte. Ik begon te zoeken naar de beweerde boetvaardigheid, maar ook daarin werd ik teleurgesteld. Daar heerschte een zekere mode in het betoonen van boetvaardigheid, evenals buiten de gevangenis in den snit van pantalons en vesten voor de vensters der kleedermakers-winkels. De wijze, waarop de boetvaardigheid betoond werd, verschilde weinig; vooral in den vorm, hetgeen mij verdacht voorkwam. Ik vond een groot aantal vossen, die de onbereikbare druiven verachtten, maar zeer weinige, die ik binnen het bereik van een tros vertrouwd zou hebben. Bovenal scheen het mij toe, dat zij, die de meeste vertooning maakten, ook de meeste belangstelling opwekten en dat hunne inbeelding, hunne ijdelheid, hun gebrek aan bezigheid, hunne zucht om te bedriegen, waaraan vooral veel leden en die sommigen, zooals uit hunne geschiedenis bleek, tot eene ongekende hoogte botvierden, in één woord, dat alles gedaan werd om hen aan te sporen tot het maken van vertooning, waardoor iedereen bevredigd scheen.

Ik hoorde gedurende onze wandeling echter zoo dikwijls over een zeker No. 27 spreken, die de gunsteling van allen en een voorbeeldig gevangene scheen te zijn, dat ik besloot mijn oordeel op te schorten tot ik no. 27 gezien had. Ook no. 28 was een lichtende ster, zooals ik vernam, maar het was ongelukkig dat zijn licht een weinig verduisterd werd door den glans, die no. 27 verspreidde. Ik hoorde zooveel over no. 27 spreken, van zijne vroomheid, van zijn vermaningen aan ieder, die onder zijn bereik kwam, van de „mooie” brieven, die hij aan zijn moeder schreef—hij verkeerde in de meening dat zijne moeder zich op den slechten weg bevond—dat ik waarlijk het oogenblik, waarop ik hem zou zien, met ongeduld verbeidde. En nu werd no. 27 voor het laatst bewaard om de kroon te zetten op alles. Eindelijk naderden wij de deur van zijn cel en mijnheer Creakle, die door een gaatje in de deur had gekeken, deelde ons opgetogen mede dat no. 27 in een gezangboek zat te lezen. Er volgde op deze mededeeling zulk eene opstopping van hoofden, dat het gaatje, waardoor no. 27 te zien was, er in letterlijken zin van verstopt raakte. Ten einde aan aller ongeduld te gemoet te komen gaf mijnheer Creakle last de deur te openen en no. 27 te verzoeken buiten te komen. En wien moesten Traddles en ik daar tot onze overgroote verbazing aanschouwen? Niemand anders dan Uriah Heep!

Hij herkende ons terstond en zich als van ouds wringende, zei hij:

„Hoe vaart gij, mijnheer Copperfield? Hoe vaart gij mijnheer Traddles?”

Deze herkenning veroorzaakte algemeene bewondering bij de voorstanders van het systeem. Ik meende op te merken dat het iedereen trof, toen hij niets trotsch bleek te zijn en ons nog wel wilde kennen.

„Wel, 27,” zei mijnheer Creakle en staarde hem daarbij aan met een droeven, doch tevens bewonderenden blik. „Hoe maakt gij het vandaag?”

„Ik ben zeer nederig, mijnheer!” antwoordde hij.

„Dat zijt gij altijd, 27,” zei mijnheer Creakle. Eene andere stem vroeg op eenigszins angstigen toon: „Voelt gij u werkelijk heel goed?”

„Ja, dank u, mijnheer!” antwoordde Uriah met een blik in die richting: „Ik voel mij hier veel meer op mijn gemak dan ooit daarbuiten. Ik zie mijne fouten nu in, mijnheer. Daardoor voel ik mij zoo op mijn gemak.”

Verscheidene heeren waren blijkbaar diep getroffen door zooveel deemoed; terwijl een derde stem op aandoenlijken toon vroeg: „Hoe is de biefstuk?”

„Dank u, mijnheer,” antwoordde Uriah, zich naar dezen nieuwen spreker wendende, „de biefstuk was gisteren wat taai, maar dat zijn omstandigheden, die men moet weten te dragen; ik heb dwaasheden begaan, heeren,” vervolgde hij met een walgelijken glimlach, „dus moet ik de gevolgen dragen.”

Toen het gemompel, gedeeltelijk van vreugde over den hemelschen gemoedstoestand van no. 27, maar ook van verontwaardiging, omdat de leverancier zich vermeten had hem eenige aanleiding tot ontevredenheid te geven—mijnheer Creakle hield er onmiddellijk aanteekening van—bedaard was, stond Uriah Heep midden in den kring, alsof hij zich wilde laten bewonderen als het merkwaardigste stuk in een museum. En opdat wij de bekeerden, op eenmaal door het volle licht zouden beschenen worden, werd last gegeven ook no. 28 uit de cel te laten.

Ik was al zoo verbaasd, dat ik niets dan eene kalme verwondering aan den dag kon leggen, toen mijnheer Littimer uit de cel te voorschijn kwam met een goed boek in de hand.

„28”, zei een heer met een bril op, die nog niets gezegd had, „gij hebt verleden week over de chocolade geklaagd. Hoe is ze na dien tijd geweest?”

„Dank u, mijnheer,” antwoordde 28, „ze is beter klaar gemaakt. Als ik die vrijheid nemen mag, zou ik zeggen dat de melk, waarmee ze is toebereid, niet geheel onvervalscht is; maar ik weet, mijnheer, dat de melk in Londen algemeen vervalscht wordt en het zeer moeielijk is dat artikel in zuiveren toestand te verkrijgen.”

Het kwam mij zoo voor, dat de heer met den bril zijn no. 28 tegen mijnheer Creakle's no. 27 wilde monsteren, tenminste beiden namen hun eigen gunsteling bij de hand.

„Hoe is 't met uw gemoedstoestand, no. 28?” vroeg de heer met den bril.

„Dank u, mijnheer,” antwoordde Littimer. „Ik zie mijne afdwalingen nu in, mijnheer. De zonden van mijne vroegere metgezellen drukken mij nog wel, mijnheer, maar ik vertrouw dat zij vergeving zullen vinden.”

„Zijt gij zelf nu gelukkig?” vroeg de heer met den bril verder, terwijl hij hem aanmoedigend toeknikte.

„Ik ben u zeer verplicht, mijnheer, ik voel mij volmaakt gelukkig.”

„Hebt gij nog iets op het hart? Zoo ja, deel het mij dan mede, 28.”

„Mijnheer,” antwoordde Littimer, zonder op te kijken, „bedrieg ik mij niet, dan bevindt zich daar een heer in uw gezelschap, die mij uit vroegere dagen bekend is. Mogelijk stelt die heer er belang in te weten, dat ik mijne vroegere afdwalingen alleen toeschrijf aan de omstandigheid, dat ik in dienst was van jonge, onnadenkende menschen en mij door hen heb laten verleiden tot zwakheden, waaraan ik geen weerstand kon bieden. Ik hoop dat die heer zich zal laten waarschuwen, mijnheer, en mij mijne vrijpostigheid niet euvel zal duiden. Het is tot zijn bestwil. Ik zie mijn eigen afdwalingen nu in en ik hoop dat hij berouw zal voelen over al de goddeloosheid en de zonde, waaraan hij heeft deelgenomen.”

Ik merkte op dat verscheidene heeren de hand boven de oogen hielden, alsof zij juist in eene helder verlichte kerk kwamen.

„Dit strekt u tot eer, 28,” antwoordde dezelfde heer. „Ik had dit van u verwacht. Hebt gij nog meer te zeggen?”

„Mijnheer,” antwoordde Littimer, zijne wenkbrauwen even oplichtend, doch met neergeslagen oogen, „er was een jong meisje, dat op den slechten weg geraakte en dat ik trachtte te redden, mijnheer; ik slaagde daarin echter niet. Ik verzoek dien heer, indien het in zijne macht is, dat jonge meisje te doen weten dat ik haar vergiffenis schenk wegens haar slecht gedrag tegenover mij en dat ik haar aanraad op den goeden weg terug te keeren—indien hij zoo goed wil zijn.”

„Ik twijfel er geen oogenblik aan, 28”, zei de heer met den bril, „of de persoon, dien gij bedoelt, zal diep gevoelen hetgeen gij op zulk een gepaste wijze gezegd hebt. Wij willen u thans niet langer ophouden.”

„Verplicht, mijnheer,” zei Littimer. „Heeren, ik zeg u vaarwel en hoop dat gij en uwe huisgenooten uw zonden zult inzien en boete doen.”

Na deze woorden verdween no. 28, maar wierp nog even een blik van verstandhouding toe aan Uriah Heep, die mij in het vermoeden sterkte dat zij volstrekt niet zonder middelen waren om met elkander in aanraking te komen. Door het groepje heeren ging een goedkeurend gemompel, toen de deur achter hem dichtviel; hij was in hunne oogen een hoogst respectabel man en een bewijs te meer voor de deugdelijkheid van „het stelsel”. „Een mooi geval,” hoorde ik zeggen.

„Nu, no. 27,” zei mijnheer Creakle, die thans de baan vrij had voor zijn „exemplaar”, „kan iemand van de aanwezigen iets voor u doen? Zoo ja, spreek dan vrij uit.”

„Ik wilde u nederig de toestemming vragen,” zei Uriah met een ruk van zijn boosaardigen kop, „om nog eens aan mijne moeder te schrijven.”

„Dat zal u ongetwijfeld worden toegestaan,” antwoordde mijnheer Creakle.

„Dank u, mijnheer! Ik verkeer in angst over moeder. Ik ben bang dat zij niet gered is.”

„Waarvan?” vroeg een onvoorzichtige bezoeker, maar een algemeen „St!” bracht hem tot het besef van deze onbetamelijke vraag.

„Ik bedoel ‚hare ziel’, mijnheer,” antwoordde Uriah, zich wringende en kronkelende in de richting van de stem.

„Ik zou moeder zoo gaarne tot den heilstaat gebracht zien, waarin ik thans ben. Ik zou nooit daarin gekomen zijn, als men mij niet hier had opgesloten. Was moeder ook maar hier gekomen! Dat zou voor iedereen zoo goed zijn!”

Deze woorden schonken zooveel voldoening.... meer zelfs dan al hetgeen wij tot nu toe hadden aangehoord.

„Voor ik hier kwam,” zei Uriah, met een blik naar ons, alsof hij de wereld, waarin wij nog ronddoolden, wel had willen verdelgen, „was ik van het goede pad afgedwaald, maar thans zie ik mijne zonden in. Daar is veel zonde in de buitenwereld. En ook moeder is niet zonder zonde. Overal is zonde..... behalve hier.”

„Gij zijt wel veranderd!” zei mijnheer Creakle.

„Goede Hemel, ja, mijnheer!” riep deze hoopvolle boeteling.

„En zoudt gij niet weder afdwalen, indien gij hier uitkwaamt?” vroeg eene stem, die ik nog niet gehoord had.

„Daarvoor zou de Hemel mij behoeden, mijnheer!”

„Dit is zeker zeer streelend,” zei mijnheer Creakle. „Gij hebt mijnheer Copperfield toegesproken, no. 27. Verlangt gij nog meer tot hem te zeggen?”

„Gij hebt mij gekend, mijnheer Copperfield,” hernam Uriah, „langen tijd voor ik hier en veranderd was.” Hij keek mij aan, maar nooit zag ik een schurkachtiger uitdrukking, zelfs op zijn gezicht. „Gij hebt mij gekend, toen ik niettegenstaande mijne afdwalingen nederig was te midden van hoogmoedigen en zachtmoedig te midden van driftigen—gij zelf waart driftig, mijnheer Copperfield. Eens hebt gij mij in het gezicht geslagen.... herinnert gij u dat?”

Algemeen medelijden! Verontwaardigde blikken in mijne richting!

„Maar ik vergeef het u, mijnheer Copperfield,” zei Uriah, en maakte zijne vergevensgezindheid tot het onderwerp van eene godslasterijke vergelijking, die ik hier niet wil herhalen. „Ik schenk iedereen vergiffenis! het zou mij niet passen haatdragend te zijn. Ik schenk u ook vergiffenis, mijnheer Copperfield, en hoop dat gij in de toekomst uwe drift zult weten in te toomen. Ik hoop ook dat mijnheer W. berouw zal hebben en juffrouw W. en dat geheele zondige komplot. Gij zijt bezocht geworden door een groot leed; ik hoop dat gij daardoor tot inkeer zult komen, maar gij deedt beter hier eenigen tijd door te brengen. Mijnheer W. en juffrouw W. deden ook beter indien zij hier kwamen. Het beste, dat ik u kan toewenschen, mijnheer Copperfield en u allen, Heeren, dat is hier te worden opgenomen en hier eenigen tijd door te brengen. Als ik denk aan den tijd, toen ik van den goeden weg was afgedwaald, en aan den heilstaat, waarin ik hier verkeer, dan kan ik u niets beters toewenschen. Ik beklaag allen, die niet hier zijn.”

Te midden van een goedkeurend gemompel verdween hij in zijne cel en zoowel Traddles als ik ademden vrijer toen de deur weder gesloten was.

De boetvaardigheid van deze beide uitvaagsels van het menschdom was zoo eigenaardig, dat ik niet kon nalaten naar de feiten te vragen, die hen in de gevangenis gebracht hadden. Het scheen echter dat zij juist daarover liever het stilzwijgen bewaarden. Ik wendde mij daarom tot een van de bewakers, die zooals ik uit zijn gelaat meende te mogen opmaken, vrij goed begreep dat deze nos. 27 en 28 uitnemende comedianten waren.

„Kunt gij mij ook vertellen,” vroeg ik hem, terwijl wij verder gingen, „welke boevenstreken no. 27 het laatst heeft uitgevoerd?”