Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 88

Chapter 884,108 wordsPublic domain

Toen tante en ik alleen waren, bleven wij tot diep in den nacht samen praten over de landverhuizers, die nooit anders dan opgewekte brieven schreven en vol hoop waren op de toekomst; over mijnheer Micawber, die waarlijk nu en dan kleine sommetjes overmaakte op afdoening en zooveel mogelijk de finantiëele verplichtingen trachtte na te komen, die hij op zich genomen en met zooveel zorg geregeld had; over Janet, die bij tante's terugkomst onmiddellijk weder in haar dienst was getreden en hare afzwering van het mannelijk geslacht bezegeld had, door met een welgestelden herbergier in de huwelijksboot te stappen, terwijl tante ook _haar_ zegel op deze verbintenis had gedrukt, door de bruid een uitzet te geven en de plechtigheid met hare tegenwoordigheid te vereeren. Al deze onderwerpen waren ook reeds in onze brieven behandeld en mij dus voor het meerendeel reeds bekend. Als gewoonlijk werd ook mijnheer Dick niet vergeten. Tante vertelde mij hoe hij zich voortdurend bezig hield met het copiëeren van alles wat hem in handen kwam en koning Karel I op deze wijze op een eerbiedigen afstand hield; voor haar zelve was het feit, dat hij vrij en gelukkig was in plaats van zijn leven in een gesticht te slijten, een reden tot groote blijdschap en dankbaarheid; niemand kon, zoo goed als zij, weten wat er in dien man stak. (Deze gevolgtrekking was niet nieuw voor mij.)

„En, Trot,” vroeg tante, mij op de hand tikkende, terwijl wij op onze oude manier bij den haard zaten, „wanneer gaat gij naar Canterbury?”

„Ik zal morgen ochtend een paard huren en er heen rijden, tante, tenzij gij met mij mede zoudt willen gaan?”

„Neen,” antwoordde zij kortaf, zooals gewoonlijk, „ik blijf liever waar ik ben.”

„In dat geval zou ik een rijtuig nemen,” hernam ik. „Ik zou vandaag niet door Canterbury kunnen gekomen zijn, zonder daar eenigen tijd te blijven en ik wilde eerst u bezoeken.”

Dit deed haar goed, maar zij antwoordde: „Tut, Tut, Trot, ik zou wel geduld hebben gehad tot morgen!” Zij legde hare hand als van ouds op de mijne, terwijl ik peinzend in het vuur zat te kijken; peinzend, want ik kon niet weder hier en zoo dicht bij Agnes zijn, zonder dat het gevoel van berouw weder in mij opkwam, dat mij zoo lang had bezig gehouden. Het mocht minder pijnlijk zijn dan in de dagen, toen ik voor het eerst begon in te zien welken misslag ik had begaan, toen mijn geheele jonge leven nog voor mij lag, maar het was niettemin berouw.

„O, Trot,” meende ik tante nogmaals te hooren zeggen en thans begreep ik haar maar al te goed.... „Blind, blind, blind!”

Wij bewaarden beiden het stilzwijgen gedurende eenige minuten en toen ik mijn oogen opsloeg bemerkte ik dat zij den blik onafgewend op mij gevestigd hield. Waarschijnlijk had zij mijn gedachtengang gevolgd, die thans gemakkelijker was na te gaan dan vroeger.

„Gij zult haar vader als een oud man met witte haren terugvinden,” zei tante, „evenwel in alle opzichten verbeterd. Gij zult nu niet meer bijwonen dat hij alle menschelijke belangen, alle vreugde en verdriet volgens zijn eigen bekrompen maatstaf afmeet. Weet, mijn kind, dat zulke dingen zeer moeten krimpen eer ze op dergelijke wijze kunnen gemeten worden.”

„Daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde ik.

„En gij zult haar even lief en mooi en ernstig en belangstellend terugvinden als zij altijd geweest is,” vervolgde tante. „Indien ik nog grooter lof kende, Trot, zou ik haar dien geven.”

Voor haar was geen grooter lof, voor mij geen grooter verwijt denkbaar. Hoe had ik zoo kunnen dwalen!

„Als zij de jonge meisjes, die haar zijn toevertrouwd, opvoedt tot hetgeen zij zelve is,” hernam tante op zulk een ernstigen toon dat de tranen haar in de oogen sprongen, „dan, dat weet de Hemel! mag zij bogen op een welbesteed leven! ‚Nuttig en gelukkig,’ zeide zij op dien gedenkwaardigen dag. Hoe kan zij anders zijn dan nuttig en gelukkig?”

„Is Agnes nog....” Ik dacht hardop.

„Wat? Hé? Wat nog?” vroeg tante op een toon, die zoo scherp klonk als ik zelden van haar gehoord had.

„Nog vrij.”

„Nog vrij! Zij heeft wel een dozijn aanbidders!” riep zij bijna verontwaardigd uit. „Zij had wel twintig maal kunnen trouwen, beste jongen, gedurende uwe afwezigheid!”

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik! Geen oogenblik! Maar is er onder al die aanbidders geen, die harer waardig is? Een anderen zou Agnes niet kunnen liefhebben.”

Tante bleef een oogenblik in gepeins verzonken met de hand onder de kin. Eindelijk antwoordde zij, terwijl zij mij strak aankeek:

„Ik vermoed dat haar hart gesproken heeft.”

„En vindt zij wederliefde?”

„Trot,” antwoordde zij ernstig, „meer kan ik niet zeggen. Ik heb niet het recht zelfs zoover te gaan als ik thans reeds gegaan ben. Zij heeft mij nooit in vertrouwen genomen; ik vermoed het alleen.”

Zij keek mij zoo ernstig, zoo angstig aan—ik zag haar zelfs beven—dat ik op dit oogenblik, beter dan te voren nog, voelde hoe zij mijn gedachtengang gevolgd had. Ik herhaalde in mij zelven alle besluiten, die ik in de laatste dagen en nachten had genomen, en opnieuw ontbrandde de strijd in mijn hart.

„Indien het zoo is,” begon ik, „en ik hoop dat het zoo is....”

„Ik weet niet of het zoo is,” antwoordde tante kortaf. „Gij moet u door mijne vermoedens niet op een dwaalspoor laten brengen. Gij moet ze geheim houden. Wellicht staan ze op losse schroeven. Ik mag ze eigenlijk niet uitspreken.”

„Indien ze waarheid bevatten zal Agnes er mij zeker mede in kennis stellen, zoodra zij den tijd daartoe gekomen acht. Eene zuster, aan wie ik zooveel heb toevertrouwd, tante, zal mij zeker deelgenoot maken van haar geluk.”

Tante wendde de oogen even langzaam van mij af als zij ze op mij gevestigd had en bedekte ze daarna peinzend met hare hand. Een oogenblik later legde zij de andere hand op mijn schouder en zoo bleven wij zwijgend bij elkander zitten, beiden verdiept in het verleden.

Den volgenden morgen reed ik vroeg weg ten einde de plaats te bezoeken, waar ik het gelukkige gedeelte van mijn schooljaren had doorgebracht. Ik kan niet zeggen dat ik mij bijzonder gelukkig voelde, nu ik hopen mocht eene overwinning op mij zelven te zullen behalen: zelfs het vooruitzicht dat ik haar lieve gezichtje zou terugzien kon mij niet vroolijk stemmen.

De welbekende weg was spoedig afgelegd en zoo reed ik dan weder door de oude straten, waarvan elke steen mij het een of ander voorval uit mijne jeugd in het geheugen riep. Ik ging te voet naar het oude huis, maar kon niet terstond binnengaan omdat het hart mij te vol was. Ik keerde terug en wierp in het voorbijgaan een blik door het lage venster van het torenkamertje, waar eerst Uriah Heep en later mijnheer Micawber hadden gezeten en dat nu tot spreekkamertje scheen ingericht te zijn. Kantoor scheen daar niet meer te worden gehouden. Overigens zag het oude huis er nog even keurig en goed onderhouden uit, juist zooals ik het de eerste maal gezien had. Ik verzocht het mij onbekende dienstmeisje, dat open deed, aan juffrouw Wickfield te zeggen dat er een heer was, die de groeten kwam overbrengen van een vriend buitenslands; waarop zij mij verzocht de oude, deftige trap op te gaan—met de gewone waarschuwing voor de treden, die mij zoo goed bekend waren—en werd in het salon gelaten, waar niets veranderd was.

De boeken, die Agnes en ik hadden gelezen, stonden nog op den boekenhanger; het lessenaartje, waaraan ik zoo menigen avond mijne lessen had zitten leeren, stond nog op hetzelfde hoekje van de oude tafel. Al de kleine veranderingen, door het inwonen van de Heeps teweeggebracht, waren weder verdwenen; alles was weder zooals in den ouden gelukkigen tijd.

Ik stond voor het venster en keek over de straat naar de huizen aan de overzijde, zooals ik zoo menigen regenachtigen achtermiddag gedaan had; ik herinnerde mij wat ik van de menschen gedacht had, die zich achter de vensters vertoonden, en hoe ik hen met de oogen gevolgd had, trap op, trap af, terwijl de regen in schuine stralen neerviel en de dakgoten overstroomden. De gewaarwording, waarmede ik de landloopers placht na te kijken, die kletsnat, met een bundeltje aan een stok over den schouder, de stad binnenkwamen, bekroop mij ook nu weder; dezelfde lucht van vochtige aarde kwam mij in den neus en ik meende zelfs den wind te voelen, waarmede ik op mijn moeilijken tocht zoo menigmaal te kampen had gehad.

Toen de kleine deur in den beschoten wand geopend werd, schrikte ik even en keerde mij om. Op hetzelfde oogenblik keek ik in Agnes' mooie, ernstige oogen. Zij bleef staan en zou gevallen zijn, indien ik haar niet in mijne armen had opgevangen.

„Agnes! Liefste Agnes! Heb ik u al te zeer verrast?”

„Neen, neen! Ik ben alleen zoo blij u te zien, Trotwood!”

„Liefste Agnes, ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik ben nu ik u terugzie!”

Ik drukte haar aan mijn hart en gedurende eenige oogenblikken bewaarden wij beiden het stilzwijgen. Daarna namen wij naast elkander plaats en op haar lief gelaat lag het welkom te lezen, waarvan ik jaren achtereen dagen nacht had gedroomd. Zij was zoo waar, zoo mooi, zoo goed.... ik was haar zooveel dankbaarheid verschuldigd.... ik had haar zoo innig lief, dat ik onmogelijk uiting kon geven aan hetgeen in mij omging. Ik wilde haar prijzen, haar danken, haar vertellen welk een goeden invloed de gedachte aan haar steeds had geoefend—ik had dit in mijne brieven reeds zoo vaak gedaan—maar al mijne pogingen waren vergeefsch. Ik kon mijne liefde en mijne blijdschap niet in woorden brengen.

Met hare oude weldadige kalmte bracht zij mij een weinig tot bedaren, voerde mij terug naar den tijd, toen wij afscheid hadden genomen, sprak met mij over Emily, die zij in het geheim meermalen had opgezocht, vertelde mij op weemoedigen toon van Dora's graf. Met het nooit falend instinct van haar edel hart raakte zij zachtkens en melodieus al de snaren aan, die in mijn geheugen trilden, zoodat geen enkele een wanklank liet hooren; ik kon luisteren naar die ver verwijderde treurmuziek, zonder dat één enkele toon mij deed huiveren. En hoe zou dat ook! Was zij zelve niet steeds de goede Engel geweest op mijn levenspad?

„En gij, Agnes?” vroeg ik eindelijk. „Vertel mij het een en ander van u zelve. Gij hebt in al dien tijd bijna nooit iets over u zelve meegedeeld!”

„Wat zou ik u kunnen meedeelen?” antwoordde zij met een glimlach, die haar gansche gelaat verhelderde. „Papa is wel. Gij vindt ons hier kalm in ons eigen huis terug; de zorgen zijn van ons weggenomen, ons huis is ons teruggegeven—nu gij dit weet, Trotwood, weet gij alles.”

„Alles, Agnes?” vroeg ik.

Zij keek mij verbaasd aan, alsof deze vraag haar eenigszins in verwarring had gebracht.

„Is er niets meer, zusje?”

Voor de tweede maal verdween de kleur uit haar gelaat, waarop een droeve glimlach te voorschijn kwam, terwijl zij zacht het hoofd schudde. Ik had haar willen brengen op hetgeen tante als een vermoeden had uitgesproken, want hoe pijnlijk het ook voor mij zijn moest door haar in vertrouwen te worden genomen, ik moest mijn hart het zwijgen opleggen en mijn plicht doen. Ik merkte echter op dat zij onrustig werd en sprak er niet verder over door.

„Hebt gij het druk, lieve Agnes?”

„Met mijne school?” vroeg zij, terwijl haar gelaat onmiddellijk de oude kalmte terugkreeg.

„Gij hebt een werkzaam leven, nietwaar?”

„Ja, maar het is zoo'n heerlijk werk,” antwoordde zij, „dat ik mij eene ondankbare noem, wanneer ik vind dat ik het druk heb.”

„Niets wat goed is, kan u moeilijk vallen,” zei ik.

Nogmaals verdween voor een oogenblik hare kleur en nogmaals zag ik denzelfden droeven glimlach, terwijl zij haar hoofd boog.

„Gij zult toch papa ook wel eens willen zien en vandaag bij ons blijven?” vroeg zij op vroolijken toon. „Misschien wilt gij van nacht wel op uw oude kamertje slapen? Wij noemen het nog altijd ‚uw’ kamertje.”

Ik kon dat niet doen, omdat ik tante beloofd had 's avonds terug te komen, maar ik wilde gaarne den dag te Canterbury doorbrengen.

„Ik moet nog eenige uren naar de school,” zei Agnes, „maar hier vindt gij de oude boeken, Trotwood, en de oude muziek.”

„Zelfs zie ik hier nog de oude bloemen,” antwoordde ik, „ten minste dezelfde soorten als vroeger.”

„Ik heb er steeds plezier in gehad,” hernam zij glimlachend, „alles te laten zooals het was toen wij kinderen waren. Wij waren toen wel gelukkig.”

„Ja, dat weet de Hemel!”

„Elk voorwerp, hoe klein ook, dat mij aan mijn broeder herinnerde,” sprak zij, terwijl zij mij vertrouwelijk aankeek met hare mooie oogen, „was mij steeds welkom. Dit zelfs”—zij liet mij haar mandje vol sleutels zien, dat aan haar arm hing, „schijnt nu en dan nog een oud wijsje te rinkelen!”

Zij glimlachte nog eens en verliet de kamer door dezelfde deur, waardoor zij gekomen was.

De taak rustte op mij om deze zusterlijke genegenheid met heiligen ijver aan te kweeken. Ze was alles wat mij was overgebleven, maar een onwaardeerbare schat. Indien ik het ongeluk had ook maar eenmaal de grondvesten van dat heilig vertrouwen te schokken, zou het voor mij verloren en niet meer te herwinnen zijn. Voortdurend moest ik blijven beseffen uit kracht waarvan het mij geschonken was. Duidelijk en klaar hield ik mij zelven dit voor. Hoe vuriger ik haar liefhad hoe meer het mijn plicht was dit niet te vergeten.

Ik maakte een wandeling door de straten, ontdekte mijn ouden vijand, den slager—hij was nu konstabel, zijn staf hing in den winkel—bezocht de plek, waar wij zamen hadden gevochten en peinsde daar over juffrouw Shepherd en de oudste juffrouw Larkins en al de dwaze minnarijen uit die dagen. Het scheen mij toe dat uit dien tijd niets meer voor mij bestond dan Agnes, maar Agnes scheen ver boven mij te staan gelijk een ster, die toegenomen was in helderheid.

Toen ik terugkwam, was mijnheer Wickfield ook thuisgekomen. Hij bezat een tuin, eenige mijlen van de stad, en bracht daar gewoonlijk zijne dagen door. Ik vond hem juist zooals tante hem beschreven had. Wij zaten met een half dozijn jonge meisjes aan tafel en hij scheen mij de schaduw te zijn geworden van het portret aan den wand.

De kalmte en vrede, in mijne herinnering aan deze plek verbonden, waren er teruggekeerd. Toen het middagmaal was afgeloopen dronk mijnheer Wickfield geen wijn en aangezien ik dien ook niet begeerde, gingen wij naar boven, waar Agnes met hare kleine beschermelingen zong en speelde en werkte. Na de thee gingen de meisjes naar bed en bleven wij met ons drieën over den ouden tijd praten.

„Ik heb veel reden om spijt en berouw te gevoelen over het verleden, Trotwood; dat weet gij wel; maar ik zou het niet willen uitwisschen, zelfs al stond dat in mijne macht.”

Ik kon dat wel gelooven als ik dat lieve gezichtje naast hem zag.

„Ik zou daarmede tevens zooveel geduld, zooveel toewijding en trouwe zorg zooveel kinderlijke liefde uitwisschen, die ik nimmer mag vergeten,” zei mijnheer Wickfield.

„Ik begrijp u, mijnheer,” antwoordde ik zacht. „Ik heb die altijd bewonderd.”

„Maar niemand weet, zelfs gij niet, hoeveel ik haar verschuldigd ben, hoe veel zij heeft moeten lijden, hoe hard zij heeft gewerkt, die lieve Agnes!”

Zij had met een smeekenden blik hare hand op zijn arm gelegd ten einde hem te stuiten en was zeer, zeer bleek geworden.

„Ja, ja!” zei hij met een zucht en naar ik meende verzweeg hij de eene of andere beproeving, die zij had doorstaan of nog zou moeten doorstaan in verband met hetgeen tante mij verteld had. „Ik heb u nooit iets van hare moeder verteld, Trotwood, is 't wel? Of heeft iemand anders dat wel gedaan?”

„Neen, mijnheer, nooit.”

„Het is niet veel, hoewel het zwaar te dragen is geweest. Zij trouwde met mij tegen den wensch van haar vader en deze trok toen de handen van haar af. Zij smeekte hem haar vergiffenis te schenken voor Agnes ter wereld kwam, maar hij was een hardvochtig man en hare moeder was al lang geleden gestorven. Hij wees hare bede af en brak haar het hart.”

Agnes leunde met het hoofd op zijn schouder en sloeg den arm om zijn hals.

„Zij had een teeder, liefhebbend hart,” ging hij voort, „dat niet bestand was tegen ruwe aandoeningen. O, ik kende het zoo goed! Wie zou het zoo goed gekend hebben als ik? Zij had mij innig lief maar was niet gelukkig; want zij leed voortdurend onder dit verdriet en aangezien zij zeer zwak was ten tijde van zijne laatste weigering, begon zij te kwijnen en stierf. Zij liet mij Agnes na—twee weken oud—en de grijze haren, waarmede gij mij hebt gezien, toen gij voor het eerst hier kwaamt.”

Hij gaf Agnes een hartelijken kus op de wang.

„Mijne liefde voor mijn dierbaar kind was ziekelijk, maar mijne gansche ziel was toen ziek. Meer kan ik niet zeggen. Ik spreek niet over mij zelven, Trotwood, maar over hare moeder en haar. Ik behoef u maar te laten raden wat ik ben en wat ik geweest ben, om het u te doen begrijpen, dat weet ik. Wat Agnes is, behoef ik u evenmin te zeggen. Ik heb in haar karakter altijd iets teruggevonden van de geschiedenis harer arme moeder en daarom wilde ik u dit van avond, nu wij weder met ons drieën alleen zijn, vertellen. Ik heb nu alles gezegd.”

Zijn gebogen hoofd, haar engelengezichtje en hare kinderlijke trouw kregen nog meer beteekenis voor mij dan ze ooit hadden gehad. Alleen dit reeds zou dezen avond onvergetelijk voor mij gemaakt hebben.

„Zijt gij van plan weder op reis te gaan?” vroeg Agnes mij, terwijl zij naast mij stond.

„Wat zegt mijn zusje daarvan?”

„Ik hoop het niet.”

„Dan is het mijn plan niet, Agnes.”

„Nu gij het mij vraagt moet ik wel zeggen dat ik het beter vindt als gij in het land blijft. Uw toenemende bekendheid en uw goede naam stellen u in staat om veel nut te stichten; al zou _ik_ mijn broeder kunnen missen”—zij keek mij, dit zeggende, met hare groote, blauwe oogen aan, „anderen zouden dat wellicht niet kunnen.”

„Wat ik ben heb ik aan u te danken, Agnes; dat weet gij zelve het best.”

„Aan mij, Trotwood?”

„Ja, Agnes, mijn lieveling!” zei ik, terwijl ik mij over haar heenboog. „Toen ik u vandaag terugzag, heb ik u iets willen zeggen, dat mij sinds Dora's dood niet uit de gedachten is geweest. Gij herinnert u zeker nog wel hoe gij dien avond onze kleine huiskamer binnen kwaamt, Agnes, met den vinger hemelwaarts?”

„O, Trotwood!” antwoordde zij met tranen in de oogen. „Zij was zoo vol liefde en vertrouwen en nog zoo jong! Zou ik dat ooit kunnen vergeten?”

„Wat gij toen voor mij waart, zusje, zijt gij altijd voor mij geweest. Gij hebt altijd naar boven gewezen, Agnes, mij altijd den goeden weg aangegeven, mij altijd naar hoogere dingen geleid!”

Zij schudde even het hoofd en door haar tranen heen zag ik denzelfden droeven glimlach.

„Ik ben u daarvoor dankbaar, Agnes; ik voel mij daardoor zoo aan u verbonden, dat ik aan mijne genegenheid voor u geen naam weet te geven. Ik wilde u zeggen—maar ik weet niet hoe—u zeggen dat ik mijn leven lang naar u zal opzien en mij door u zal laten leiden, evenals gij mij gedaan hebt door de duistere dagen van het verleden. Wat er ook moge gebeuren, welke nieuwe banden gij ook moogt aanknoopen, hoe onze verhouding ook moge veranderen, ik zal naar u blijven opzien en u liefhebben, zooals op dit oogenblik en zooals ik altijd gedaan heb. Tot in het uur van mijn dood zal ik uw beeld altijd voor mij zien, lieve zuster, met den vinger hemelwaarts.”

Zij legde haar handje op de mijne en zei dat zij zoo trotsch op mij was en op hetgeen ik gezegd had, maar dat ik al te zeer haar lof verkondigde. Daarna ging zij voort met spelen, doch zonder de oogen van mij af te wenden.

„Weet gij wel, Agnes,” hernam ik, „dat hetgeen ik heden avond vernam op zonderlinge wijze een deel schijnt uit te maken van de gewaarwording, die mij bekroop, toen ik u voor de eerste maal zag.... van het gevoel, waarmede ik als ruwe schooljongen naast u zat?”

„Gij wist dat ik geen moeder had,” antwoordde zij met een glimlach om de lippen, „en voeldet daarom medelijden met mij.”

„Meer dan medelijden, Agnes, dat weet ik; het schijnt alsof ik de geschiedenis van uwe moeder gekend, alsof ik geweten heb dat er iets onuitsprekelijks zachts en liefelijks in u was, iets dat in anderen verdriet zou zijn geworden—zooals ik het nu begrijp—doch in u weldadig werd voor allen, die met u in aanraking kwamen.”

Zachtkens bleef zij voortspelen, met den blik op mij gericht.

„Gij zult toch niet om mij lachen, wijl ik mij dat verbeeldde, Agnes?”

„O, neen, neen, zeker niet!”

Gedurende een oogenblik gleed er eene droeve schaduw over haar gelaat, maar toen zij zag hoe ik daarvan schrikte, was die reeds verdwenen en speelde zij zachtjes voort, met een kalmen glimlach om de lippen en de mooie blauwe oogen op mij gevestigd.

Toen ik naar huis reed in den donkeren avond en langs den eenzamen weg, herhaalde ik in gedachten alles wat wij besproken hadden en bekroop mij de vrees dat zij niet gelukkig was. _Ik_ was ook niet gelukkig, maar tot dusver had ik getrouw aan mijn woord het zegel gedrukt op het verleden en aan haar gedacht, met den vinger hemelwaarts, naar dien hemel boven mij, die geheimzinnige toekomst, waarin ik haar zou kunnen en mogen liefhebben met bovenaardsche liefde en haar zou mogen vertellen welk een strijd daar beneden in mijn binnenste was gevoerd.

LXI.

Twee interessante boetelingen.

Gedurende eenigen tijd—in elk geval tot mijn boek gereed zou zijn, hetgeen nog wel eenige maanden zou duren—nam ik mijn intrek bij mijne tante te Dover; voor hetzelfde venster zittende, waaruit ik naar de zee en de maan had getuurd toen ik voor het eerst eene schuilplaats vond onder dit dak, zette ik rustig den arbeid voort.

Getrouw aan mijn voornemen om alleen dan over mijn eigen boeken te spreken, wanneer ze toevallig invloed oefenen op den loop van dit verhaal, wil ik ook thans niet uitweiden over de verwachtingen, de angsten en zegepralen, die mijn talent mij verschaften. Dat ik er mij met hart en ziel aan wijdde, heb ik reeds gezegd. Indien de boeken, welke ik geschreven heb, eenige waarde hebben, zullen ze voor zich zelven spreken; in het tegengestelde geval heb ik zonder vrucht gearbeid en kan dus ook niemand er eenig belang in stellen.

Nu en dan ging ik eens naar Londen ten einde eenige afwisseling te hebben en Traddles te bezoeken of over zaken te spreken. Hij had al dien tijd mijne zaken beheerd met eene niet te beschrijven nauwgezetheid, zoodat het mij zeer voorspoedig ging. Aangezien de vermaardheid, die ik mij allengs verworven had, tengevolge had dat ik tallooze brieven ontving, zelfs van menschen, wier namen ik nooit had hooren noemen—hoofdzakelijk over de meest onbeduidende onderwerpen en hoogst moeilijk om te beantwoorden—kwam ik met Traddles overeen mijn naamplaatje op zijn deur te doen bevestigen. Hier bezorgde de trouwe brievenbesteller dagelijks schepels brieven aan mijn adres en eenmaal 's weeks werkte ik mij er door heen even als een staatssecretaris—echter zonder diens salaris.

Onder deze correspondentie vond ik telkens aanbiedingen van een der vele beunhazen, die steeds op de Commons loeren, om onder mijn naam te praktizeeren, indien ik maar de moeite wilde nemen om mij tot proctor te laten aanstellen. De winst zou in dat geval gedeeld worden. Ik sloeg deze aanbiedingen echter van de hand; want ik wist maar al te goed hoeveel van die vermomde praktizijns de Commons reeds telde en meende daarom niet mede te mogen doen aan hare verdere verbastering.

De meisjes waren reeds vertrokken toen mijn naam voor het eerst aan Traddles' deur prijkte, en het wakkere boodschappenjongetje keek den ganschen dag alsof hij nooit den naam van Sophie gehoord had, die in een achterkamertje was opgesloten met het uitzicht op een binnenplaatsje met eene pomp. Ik vond haar daar altijd en telkens weder moest ik denken: „wat is zij toch een knap en helder vrouwtje.” Meermalen, wanneer zich geen vreemde voetstappen op de trap lieten hooren, zat zij daar ballades uit Devonshire te zingen, zoodat de schrandere jongen op het kantoor er door uit den slaap werd gehouden.