Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 86

Chapter 863,993 wordsPublic domain

Ik stak den brief in mijn borstzak en dacht na over hetgeen ik een uur geleden nog was geweest! Toen het gezang langzaam wegstierf en de rozeroode avondwolk al dunner en dunner werd, de kleuren in het dat verflauwden en de gouden sneeuw op de toppen der bergen samensmolt met de grijze lucht, voelde ik toch dat de nacht, die mijne ziel had omhuld, langzaam wegtrok, dat de duisternis had opgehouden, dat ik haar, die mij tot nu toe zoo lief was geweest, voortaan liever zou hebben dan ooit. Ik las den brief vele, vele malen over en antwoordde haar eer ik mij te rusten begaf. Ik vertelde haar dat ik hare hulp zoo noodig had gehad, dat ik zonder haar niets was en nooit iets geweest was; dat zij mij bezielde bij alles wat ik deed en dat ik al mijne krachten zou inspannen om hare verwachtingen niet te beschamen. En ik spande al mijne krachten in. Nog drie maanden en er zou een jaar verloopen zijn sinds het begin van mijn leed. Voor deze drie maanden om waren wilde ik geen plannen maken voor de toekomst; ik bleef dien geheelen tijd wonen in het dal en in de nabijheid er van. Toen de drie maanden voorbij waren, besloot ik nog eenigen tijd in Zwitserland te blijven; het bekoorlijke dorpje was mij lief geworden omdat de herinnering aan den omkeer in mijn gemoed er aan verbonden was. Ik bleef dus en ging met ijver aan den arbeid.

Gehoorzaam volgde ik Agnes' raad en zocht troost in de Natuur en.... nooit vruchteloos en ik begon weder belangstelling te koesteren voor de menschen om mij heen. Het duurde dan ook niet lang of ik had daar evenveel vrienden als te Yarmouth en toen ik, voor de winter inviel, naar Genève vertrok en tegen de lente terugkwam, klonk mij hunne hartelijke begroeting in de ooren alsof ik was teruggekeerd in mijn eigen huis, al werden ze niet in het Engelsch uitgesproken.

Ik arbeidde van den morgen tot den avond aan een roman, waarvan de inhoud niet vreemd was aan mijn eigen ervaringen, en zond dien aan Traddles. Hij bezorgde de uitgave op eene wijze, die voor mij zeer voordeelig was, en de geruchten van mijne toenemende vermaardheid bereikten mij door reizigers, die ik toevallig ontmoette. Na eenige rust en ontspanning begon ik met dienzelfden ijver een nieuw denkbeeld uit te werken en hoe meer ik vorderde hoe aangenamer mij deze taak werd, zoodat ik al mijne krachten inspande om iets goeds tot stand te brengen. Het was mijn derde roman, maar ik had dien nog niet half af, toen de lust in mij wakker werd om naar huis terug te keeren.

Hoewel ik met ijver en geduld had voortgewerkt, had ik in den laatsten tijd toch ook veel lichaamsbeweging genomen. Mijne gezondheid, die voor ik Engeland verliet veel geleden had, was nu weder geheel zooals in vroeger dagen. Ik had veel gezien, vele landen doorreisd en naar ik hoop mijne kennis in een aantal opzichten vermeerderd.

Op ééne uitzondering na heb ik thans alles in deze bladzijden opgeteekend wat ik van dit tijdperk noodig acht mede te deelen. Tot dusver heb ik dat gedaan zonder in een enkel opzicht mijne gedachten aan banden te leggen, want, zooals ik reeds elders schreef: dit verhaal is uit mijn geheugen opgeschreven. Ik wil echter thans ook deze uitzondering meedeelen. Ik kan niet zoo geheel doordringen in de geheimen van mijn eigen hart om te weten wanneer voor het eerst de gedachte in mij opkwam dat Agnes eigenlijk mijn eerste en eenige liefde had behooren te zijn. Ik kan niet zeggen in welk tijdperk van mijn bitter verdriet het mij voor het eerst duidelijk werd welk een schat van liefde ik in mijne jongensjaren had weggeworpen. Ja, hare liefde zou een onwaardeerbare schat voor mij geweest zijn en ik had dien weggeworpen. Ik onderstel dat reeds eene geheimzinnige stem mij deze gedachte heeft ingefluisterd, toen mij het ongelukkige gevoel bekroop dat ik iets miste in mijn leven, dat er iets, waarvan ik gedroomd had, niet verwezenlijkt was. Deze gedachte keerde later in mijne ziel terug als een verwijt, later, toen ik zoo treurig en eenzaam was achtergelaten in de wereld.

Ware ik in dien tijd veel met haar geweest, ik zou in mijn wanhoop zwak genoeg geweest zijn om mij te verraden. De vrees daarvoor was ook een van de redenen, die mij noopten eenigen tijd buiten Engeland te vertoeven. Ik zou geen grein van hare zusterlijke genegenheid hebben willen verliezen en had ik mij verraden, dan zou ik zonder twijfel een hinderpaal tusschen ons hebben opgeworpen. Ik kon niet vergeten dat de verhouding, welke thans tusschen ons bestond, het gevolg was van mijn eigen vrije keuze. Had zij mij ooit op andere wijze liefgehad—somtijds meende ik dat er een tijd geweest is wanneer dat het geval was—dan had ik hare liefde weggeworpen. Het baatte nu niet meer, dat ik mij gewend had aan haar te denken zooals ik deed toen wij beiden nog kinderen waren, als aan iemand, die ver boven mij verheven was. Ik had mijne hartstochtelijke liefde aan een ander gegeven en wat Agnes nu voor mij was, had haar eigen edele hart haar gemaakt. In het begin van de verandering, die langzamerhand in mij plaats greep, toen ik mijn best deed om mij zelven beter te leeren begrijpen en een beter mensch te worden, zag ik door een onbepaalden proeftijd heen naar een tijdperk, waarin het mij wellicht gegeven zou zijn het verleden uit te wisschen en het geluk te hebben haar toch nog tot mijne vrouw te maken. Toen de tijd voorbijging, verdween deze hoop allengs. Indien zij mij ooit had bemind, moest zij in mijne oogen bijna een heilige zijn, als ik mij herinnerde hoeveel vertrouwen ik in haar gesteld had, hoe zij bekend was geweest met de afdwalingen van mijn hart, hoeveel het haar gekost moest hebben om eene vriendin en zuster voor mij te blijven, en hoe zij de overwinning behaald had. En indien zij mij nooit had bemind, zou zij mij dan thans kunnen liefhebben? Ik had mij altijd zwak gevoeld tegenover hare flinkheid en standvastigheid en thans voelde ik mij zwakker dan ooit. Wat ik ook voor haar geweest mocht zijn of zij voor mij, indien ik haar jaren geleden meer waardig mocht zijn geweest, thans was ik dat niet meer. Ik had den tijd laten voorbijgaan en verdiende haar voor eeuwig te hebben verloren. Dat ik in deze omstandigheden leed, dat ze mij vervulden met berouw en spijt en ik mij toch volkomen bewust was van den eisch, dien eer en plicht mij stelden, om het denkbeeld te verbannen dat ik mij thans, nu mijne idealen vervlogen waren, tot het lieve meisje zou wenden, terwijl ik haar eigenlijk verloochend had toen het leven nog schitterend voor mij lag—is zoo waar als ik het op dit oogenblik neerschrijf. Deze beschouwing lag aan elke gedachte, die ik haar wijdde, ten grondslag. Ik deed geen moeite om voor mij zelven te verbergen dat ik haar liefhad, dat ik haar aanbad; maar ik dwong mij zelven te gelooven dat het thans te laat was, dat de verhouding, waarin wij zoo lang tot elkander hadden gestaan, thans moest blijven zooals ze was. Ik trachtte in hetgeen had kunnen zijn een middel te vinden om tot wat meer zelfverloochening en standvastigheid te komen, mij zelven en mijne dwalingen en gebreken beter te leeren kennen. Door te peinzen, over hetgeen had kunnen zijn, kwam ik tot de overtuiging dat het nooit meer zijn kon.

Zoo was in de drie jaren, welke tusschen mijn vertrek en mijne terugkomst verliepen, mijne ziel vol tegenstrijdigheden; ik raakte in mijn eigen denkbeelden verward. Drie jaren waren voorbijgegaan sinds het landverhuizersschip vertrok, toen ik op hetzelfde uur, bij het ondergaan der zon, op dezelfde plaats, op het dek van de pakketboot stond, die mij huiswaarts bracht, turende op dezelfde rood gekleurde golven, waarin ik het beeld van het schip had zien weerkaatsen. Drie jaren! Een lange tijd, die toch zoo snel was voorbijgegaan! Ik verlangde naar mijn vaderland en naar Agnes, maar zij was niet de mijne en zou nimmer de mijne zijn... zij had het kunnen wezen, maar die tijd was voorbij!

LIX.

Terugkomst.

Ik kwam op een kouden herfstavond in Londen aan. Het was duister en regenachtig, zoodat ik in eene minuut meer mist en modder zag dan ik daar ginds in een geheel jaar gezien had. Ik wandelde een eind op eer ik een „cab” vond en hoewel de gevels der huizen met de overloopende dakgoten oude bekenden van mij waren, kon ik toch niet ontkennen dat ze bijzonder vuile bekenden waren.

Ik had meermalen opgemerkt—ik onderstel dat menigeen dezelfde opmerking gemaakt heeft—dat het somtijds schijnt, alsof iemands vertrek uit eene hem welbekende plaats het sein moest wezen voor allerlei veranderingen. Toen ik nu uit het portierraampje keek en opmerkte dat een oud huis in Fish-street Hill, waaraan in de laatste eeuw timmerman noch schilder eene hand hadden uitgestoken, gedurende mijne afwezigheid omvergehaald en dat eene naburige straat, waarin onreinheid en ongezondheid haar tempel hadden opgeslagen, verbreed en van een riooleering voorzien was, verwachtte ik zelfs de St. Pauluskerk verouderd te vinden.

Op enkele veranderingen in de omstandigheden van mijn vrienden was ik voorbereid. Tante woonde reeds langen tijd weder te Dover en Traddles had kort na mijn vertrek wat praktijk gekregen als advocaat. Hij woonde nu op kamers in Gray's Inn en had mij in zijn laatsten brief meegedeeld, dat hij nu begon te hopen binnen een niet al te langen tijd vereenigd te worden met het liefste meisje van de wereld.

Zij verwachtten mij vóór Kerstmis terug, maar zoo spoedig als ik thans onder hunne oogen kwam niet. Ik had hen opzettelijk misleid ten einde het genoegen van eene verrassing te smaken. En thans was ik onredelijk genoeg om eenige teleurstelling te voelen toen ik niet verwelkomd werd en daar eenzaam en zwijgend door de mistige straten reed.

De welbekende winkels met hunne vroolijke lichtjes maakten echter veel goed en toen ik bij het Gray's Inn koffiehuis uitstapte verkeerde ik in eene opgeruimde stemming. Ik werd op dit oogenblik herinnerd aan den tijd, toen ik zoo menigmaal aan het logement Het Gouden Kruis was afgestapt en aan de veranderingen, welke sinds dien tijd hadden plaats gegrepen, maar dat was natuurlijk.

„Weet gij ook waar Mr. Traddles woont in de Inn?” vroeg ik aan den kellner, terwijl ik mij bij den haard in de koffiekamer stond te warmen.

„Holborn Court, mijnheer, No. 2.”

„Bedrieg ik mij niet dan begint Mr. Traddles naam te maken aan de rechtbank?” vroeg ik weder.

„Waarschijnlijk wel, mijnheer,” antwoordde de kellner, „maar ik kan het u niet zeggen.”

Deze kellner was een magere man van middelbaren, leeftijd en riep de hulp in van een deftiger collega, een zwaarlijvige bejaarde man met een onderkin, zwarte, korte broek en kousen, die uit een hokje te voorschijn kwam, dat op een kostersbankje leek, aan het eind van de koffiekamer, waar hij het beheer voerde over de kas, het adresboek, een lijst van de leden van het Parlement en eenige andere boeken en papieren.

„Mr. Traddles,” herhaalde de magere, „is immers Holborn Court, No. 2?”

De zwaarlijvige gaf hem een wenk om heen te gaan en wendde zich met eenige deftigheid tot mij.

„Ik vroeg,” herhaalde ik, „of Mr. Traddles niet reeds een goeden naam heeft onder de advocaten in Holborn Court?”

„Ik heb zijn naam nooit gehoord,” antwoordde de man met zijne heesche stem.

Ik werd een weinig verlegen ter wille van Traddles.

„Hij is zeker nog jong?” vroeg de zwaarlijvige, terwijl hij mij met een strengen blik opnam. „Hoe lang woont hij reeds in de Inn?”

„Nog geen drie jaar,” antwoordde ik.

De man, die zonder twijfel langer dan veertig jaren in zijn kostersbankje had gezeten, kon zulk een weinig beteekenend onderwerp niet voortzetten. Hij vroeg mij daarom wat ik zou gebruiken.

Ik voelde dat ik weder in Engeland was en maakte mij een weinig bezorgd over Traddles. Het scheen wel dat niets hem kon gelukken. Ik bestelde een moot visch en eene portie biefstuk en bleef bij het vuur zitten peinzen over mijn vriend.

Toen ik den eersten bediende eenigen tijd had gadegeslagen kon ik niet nalaten te denken dat de tuin, waarin hij langzamerhand was gerijpt tot hetgeen hij nu was, geen gelegenheid bood om welig te tieren. Over alles lag zulk een deftig waas; alles was er even stijf en ouderwetsch. De vloer was zonder twijfel op dezelfde wijze met zand bestrooid geweest toen de eerste bediende nog een jongen was—indien hij namelijk ooit een jongen geweest was, hetgeen mij niet waarschijnlijk voorkwam; de spiegelgladde mahonyhouten tafels weerkaatsten mijn gelaat zooals ze het vermoedelijk vijftig jaar geleden dat van andere bezoekers gedaan hadden; de olielampen brandden en glommen onberispelijk; de warme, groene gordijnen met de blinkende koperen roeden beletten den doortocht aan het minste tochtje; de twee groote houtvuren brandden met onverflauwde helderheid; de lange rijen karaffen staarden mij aan, alsof ze zich bewust waren van de groote hoeveelheid oude Port à Port, die in den kelder lag opgeslagen; alles was deftig en bracht mij tot het besef, dat eene goede plaats aan de rechtbank in Engeland evenmin stormenderhand te veroveren was als Engeland zelf. Ik ging naar mijne kamer om mijne vochtige kleederen met andere te verwisselen en ik zie dat reusachtige vertrek met de eikenhouten betimmering—het lag boven de hoofdpoort van Gray's Inn—nog voor mij, evenals het deftige, breede ledikant met de vier gebeeldhouwde stijlen en de zware eikenhouten kabinetten.... alles scheen samen te werken om jonge menschen te wijzen op den ernst des levens. Ik kwam beneden om het middagmaal te gebruiken en ook hier weder spraken mij de langzame, plechtige wijze, waarop ik bediend werd, en de doodsche stilte in de zaal—het was nog vacantie zoodat er bijna geen bezoekers waren—van de roekeloosheid van Traddles, om in de eerste twintig jaren hoop te durven voeden op een bestaan.

Zoo lang ik afwezig geweest was had ik zoo iets niet gezien, zoodat alle hoop voor mijn vriend verdween. De eerste bediende scheen genoeg van mij te hebben: hij kwam niet meer in mijne buurt, maar wijdde zijne diensten aan een ouden heer met hooge slobkousen, voor wien zelf een flesch wijn van een bijzonder merk uit den kelder werd gehaald zonder dat hij iets besteld had. De tweede bediende fluisterde mij in dat die heer een schatrijke notaris in ruste was, die, naar men vertelde, al zijn geld aan de dochter van zijne waschvrouw zou nalaten; ook wist men bij gerucht, dat hij een geheel zilveren tafelservies bezat, waarvan niemand echter ooit meer dan een lepel en een vork onder de oogen had gehad. Op dit oogenblik achtte ik Traddles verloren en begreep ik dat er volstrekt geen hoop meer voor hem was.

Aangezien ik niettemin zeer verlangend was naar mijn ouden vriend, bespoedigde ik mijn middagmaal zooveel mogelijk, waardoor ik in geenen deele, in aanzien steeg bij den ouden bediende, zoodat ik mij maar haastte om door eene achterdeur weg te komen. Holborn Court No. 2 was spoedig gevonden en een bordje op den deurpost bracht mij tot de wetenschap, dat Mr. Traddles op de bovenste verdieping woonde. Ik klom de oude, half vermolmde trap op en vond elk portaal verlicht door een morsig olielampje, waarvan de walm mij telkens tegenkwam. Al voortstrompelend meende ik op de bovenverdieping heel smakelijk te hooren lachen, niet door een advocaat of procureur, noch door een advocaats- of procureursklerk, maar door een paar vroolijke jonge meisjes. Aangezien ik echter, stilstaande om te luisteren, met mijn voet in een gat terecht kwam, hetgeen mij weder aan den eerbiedwaardigen ouderdom van Gray's Inn herinnerde, viel ik met zooveel geraas tegen de trap aan, dat het gelach plotseling verstomde. Wat voorzichtiger dan tot nu toe zette ik den tocht voort en mijn hart begon sneller te kloppen, toen ik de deur, waarop met groote letters „Mr. Traddles” geschilderd was, open vond. Ik klopte aan, doch vernam niets dan een verdacht geschuivel, waarop ik nogmaals klopte.

Een kleine jongen met een slim gezicht, die blijkbaar als klerk en als loopjongen dienst deed, kwam bijna ademloos naar buiten en keek mij aan, alsof hij mij uitdaagde om op wettige wijze aan te toonen dat ik iets verdachts had gehoord.

„Is Mr. Traddles thuis?” vroeg ik.

„Ja, mijnheer, maar Mr. Traddles is zeer bezet.”

„Ik moet hem spreken.”

Na mij nog eenige oogenblikken te hebben gadegeslagen besloot de jongen mij binnen te laten en terwijl hij tot dat doel de deur wat verder opende, liet hij mij eerst een klein portaal en daarna een miniatuur-kantoortje binnengaan. Hier vond ik mijn ouden vriend—ook buiten adem—aan een tafel zittende, gebogen over groote stapels papieren.

„Goede Hemel!” riep Traddles, toen hij opkeek. „Het is Copperfield!” Hij vloog mij letterlijk in de armen en ik hield hem stijf vast.

„Alles wel, beste Traddles?”

„Alles wel, beste, beste Copperfield; niets dan goeds kan ik u meedeelen.”

Wij waren beiden aangedaan door de blijdschap van het wederzien.

„Beste kerel,” zei Traddles, in zijne opgewondenheid zijn haar opstrijkende, hetgeen volkomen overbodig was, want het stond zoo rechtop als ooit, „beste Copperfield, wat zijt gij lang weggebleven en wat ben ik blij u terug te zien! En wat zijt gij verbrand! Waarlijk, ik ben zelden zoo blij geweest als op dit oogenblik!”

Ik kon al evenmin woorden vinden om mijne blijdschap uit te drukken.

„En zoo beroemd geworden!” riep Traddles. „Zeg mij nu eens, brave jongen, wanneer zijt gij aangekomen? Waar komt gij vandaan? Wat hebt gij het laatst gedaan?”

Zonder op eene van al zijne vragen een antwoord af te wachten, bleef Traddles, na mij in een leunstoel bij de kachel te hebben geduwd, met eene hand in het vuur porren, terwijl hij met de andere voortdurend aan mijn das trok in de meening dat ik een overjas droeg. Met den pook in de hand omhelsde hij mij nu nogmaals en ik omhelsde hem; wij lachten en schreiden beiden van blijdschap en aandoening en veegden onze oogen af en zaten naast elkander en schudden elkander hartelijk de hand.

„En dat gij daar nu zoo uit de lucht komt vallen,” zei Traddles, „zoo vlak na de plechtigheid!”

„Na welke plechtigheid, beste Traddles?”

„Groote Goedheid!” riep hij met dezelfde groote oogen van vroeger. „Hebt gij dan mijn laatsten brief niet ontvangen?”

„Zeker niet, als daar ten minste iets over eene plechtigheid in stond!”

„Luister dan, Copperfield!” hernam Traddles, terwijl hij zijne haren met beide handen in de hoogte streek en deze daarna op zijne knieën liet rusten: „Ik ben getrouwd!”

„Getrouwd?” riep ik verrast uit.

„Goede Hemel, ja!”, zei Traddles; „door dominee Horace.... met Sophie.... uit Devonshire. Zie hier, brave jongen, zij heeft zich achter het gordijn verstopt!”

Tot mijne groote verbazing kwam op hetzelfde oogenblik het liefste meisje van de wereld lachend en blozend uit haar schuilhoek te voorschijn. Opgewekter, beminlijker, gelukkiger, stralender bruidje heb ik nooit op de wereld ontmoet; ik kon niet helpen dat ik dit terstond moest zeggen. Ik kuste haar zooals men een oude kennis doet en wenschte hun van ganscher harte geluk.

„Goede Hemel!” zei Traddles, „wat zal dat een gezellige avond worden! Wat zijt gij vreeselijk verbrand, Copperfield! Goede Hemel, wat ben ik gelukkig!”

„En ik ook!” zei ik.

„En ik ook!” riep de blozende en lachende Sophie.

„Wij zijn allen zoo gelukkig mogelijk!” zei Traddles. „Zelfs de meisjes zijn gelukkig. Goede Hemel, ik vergat ze geheel en al!”

„Vergeten?” vroeg ik.

„De meisjes,” antwoordde Traddles. „De zusters van Sophie logeeren bij ons. Zij wilden Londen wel eens zien en nu.... zijt gij zoo gestruikeld op de trap, Copperfield?”

„Ja, ik zelf,” antwoordde ik lachend.

„Welnu, toen gij struikeldet,” ging Traddles voort, „was ik met de meisjes aan het stoeien; eigenlijk speelden wij pand verbeuren. Maar aangezien dit niet in overeenstemming is met de deftigheid van Westminster-Hall en al heel vreemd zou schijnen indien een cliënt het zag, zijn zij gevlucht. En nu spelen zij luistervink—daar is geen twijfel aan;” voegde hij er bij met een blik naar een deur van eene andere kamer.

„Het spijt mij;” zei ik hartelijk lachend, „zooveel stoornis veroorzaakt te hebben.”

„Waarlijk,” hernam Traddles op vroolijken toon, „als gij ze had zien wegvliegen en terugkeeren toen gij aankloptet, om hare kammetjes op te rapen, die zij hadden laten vallen, zoudt gij dat niet zeggen. O, ze waren zoo dwaas! Liefste, wilt gij de meisjes halen?”

Sophie trippelde de kamer uit en wij hoorden hoe zij in het andere vertrek met luid gejuich werd ontvangen.

„Is dat nu geen heerlijke muziek, Copperfield?” vroeg Traddles. „O, het is zoo aangenaam! Het schijnt of deze ouderwetsche kamers veel lichter zijn. Voor zoo'n ongelukkigen vrijgezel, die zijn geheele leven alleen gewoond heeft, is het bepaald een genot. Het is verrukkelijk. De arme kinderen hebben zooveel verloren aan Sophie, die, dat verzeker ik u, Copperfield, is en altijd was het liefste meisje.... Gij begrijpt hoe ik mij gestreeld voel nu zij zoo vroolijk zijn. Het gezelschap van jonge meisjes is verrukkelijk, Copperfield! Het is eigenlijk wel niet zooals het behoort, maar het is verrukkelijk!”

Ik merkte, dat hij dit laatste eenigszins aarzelend had uitgesproken, en begrijpende, dat hij in den eenvoud zijns harten vreesde een pijnlijke snaar te hebben aangeroerd, gaf ik op zulk een hartelijken toon mijn instemming te kennen, dat hij zich volkomen gerustgesteld voelde.

„En,” vervolgde Traddles, „ons huishouden is geheel in de war, om u de waarheid te zeggen, beste Copperfield. Dat Sophie hier is, is ook niet zooals het behoort; maar wij zijn nu eenmaal in het schuitje en zullen het er wel in uithouden. Voorloopig hebben wij geen andere woning. En o, Sophie is zulk een knappe huishoudster en heeft zooveel overleg. Gij zoudt u verbazen als gij zaagt, hoe zij al die meisjes bergt. Ik verzeker u dat ik niet begrijp hoe zij 't gedaan krijgt.”

„Hoeveel jonge dames hebt gij dan wel bij u?” vroeg ik.

„De oudste, de Beauty is hier,” antwoordde hij zachtjes en op vertrouwelijken toon, „Caroline. En Sarah is hier.... degene, die, zooals ik u meedeelde, iets aan de ruggegraat mankeerde. Zij is veel, veel beter! En de twee jongsten, die Sophie heeft opgevoed, zijn hier. En Louise is hier.”

„Goede Hemel!” riep ik uit.

„Ja,” zei Traddles. „Alles bij elkaar hebben wij maar drie kamers, maar Sophie heeft het wonderlijk goed geschikt voor de meisjes; zij slapen zoo lekker mogelijk. Drie in gindsche kamer en twee in die!”

Ik kon niet nalaten eens rond te kijken naar het plekje dat voor mijnheer en mevrouw Traddles overbleef en Traddles begreep mijn blik.

„Ik heb u immers gezegd dat wij ons kunnen behelpen,” hernam hij, „en wij _hebben_ ons beholpen met een kermisbed op de kamer. Maar er is nog een dakkamertje—een alleraardigst kamertje als men eenmaal boven is—Sophie heeft het zelve behangen om mij te verrassen; dat is nu ons kamertje. Het is net een klein kajuitje en men heeft er een prachtig uitzicht.”

„En dus zijt gij nu gelukkig getrouwd, beste Traddles,” zei ik. „Wat ben ik daar blij om!”

„Dank u, dank u, beste Copperfield,” antwoordde hij, terwijl wij elkander nogmaals de hand schudden. „Ja, ik ben zoo gelukkig als ik maar zijn kan. Herinnert gij u dezen ouden kennis?” vroeg hij met een zegevierenden blik op den bloemenstandaard, „en daar is het tafeltje met het marmeren blad! En alle andere meubels zijn eenvoudig, maar solide, zooals gij ziet! En wat onze zilverkast aangaat, goede Hemel! wij hebben nog geen theelepeltjes zelfs!”

„Die moeten dus nog verdiend worden!” riep ik vroolijk uit.

„Juist”, antwoordde hij, „die moeten nog verdiend worden. Natuurlijk bezitten wij wel theelepeltjes, want wij moeten onze thee toch kunnen omroeren; maar ze zijn van Christofle-zilver.”

„Als het echte zilver komt zal het zooveel te schitterender zijn,” antwoordde ik.