Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 85
Dit gewichtige opschrijfboekje herinnerde hem nog te juister tijd aan eene andere zaak. Terwijl wij naar de bovenkamer terugkeerden,—waar hij zijne afwezigheid verontschuldigde door te zeggen dat hij opgehouden was door omstandigheden buiten zijn wil—haalde hij er een groot vel papier uit te voorschijn, dat in de lengte opgevouwen en geheel bedekt was met zorgvuldig uitgewerkte berekeningen. Ik keek er even in en moet zeggen dat ik berekeningen met zulke groote getallen nooit gezien heb dan in schoolschriften. Het waren berekeningen van interest op interest van de geheele verschuldigde som gedurende twee jaar en vijftien maanden; terwijl de aflossingen zuiver in rekening waren gebracht. Hij had hiervan een keurig notatje opgemaakt, dat hij Traddles met een buiging overhandigde tot volledige kwijting van de geheele schuld—als tusschen man en man.
„Ik heb een voorgevoel,” zei mevrouw Micawber, „dat mijne familie aan boord zal komen, eer wij voor goed Engeland verlaten.”
Waarschijnlijk had mijnheer Micawber dit voorgevoel ook, maar hij deed het in zijn tinnen kroes en verzwolg het met de punch.
„Indien gij in de gelegenheid zijt om iets van u te laten hooren, mevrouw Micawber,” zei tante, „moet gij die niet laten voorbijgaan, hoor.”
„Lieve mevrouw Trotwood,” antwoordde zij, „ik zal mij reeds gelukkig voelen, indien ik weet dat er iemand is, die gaarne iets van ons hooren wil. Ik zal dus zeker schrijven. Ik vertrouw dat mijnheer Copperfield, onze oude, vertrouwde vriend, nu en dan wel eens bericht van ons zal willen ontvangen; wij kennen hem immers al van het oogenblik af, dat onze tweelingen pas geboren waren!”
Ik antwoordde dat ik dikwijls iets van haar hoopte te hooren en dan niets dan goeds.
„De Hemel geve dat daartoe meermalen gelegenheid zij!” viel mijnheer Micawber in. „De oceaan is in den tegenwoordigen tijd te vergelijken met een haven vol schepen; wij zullen er dus op onzen overtocht menige passeeren. Het is maar een overstapje,” vervolgde hij, met zijn lorgnet spelende, „maar een overstapje. Het mag geen afstand heeten.”
Ik denk nu dikwijls hoe dwaas het toch was, dat mijnheer Micawber, als hij van Londen naar Canterbury moest, deed alsof hij naar het uiterste einde van de aarde ging, terwijl hij nu over zijne reis naar Australië sprak als over een tochtje naar Calais.
„Indien de gelegenheid zich voordoet,” hernam mijnheer Micawber, „zal ik op reis nog wel eens de eene of andere geschiedenis kunnen vertellen; en de stem van mijn zoon Wilkins zal aan het kombuis-vuur zeker welkom zijn. Als mevrouw Micawber niet zeeziek is zal zij ongetwijfeld wel eens Little Tafflin voor hen willen zingen en het sein geven tot een dansje. Zwaardvisschen en dolfijnen zullen zich, naar ik onderstel, meermalen voor de boeg laten zien; zoowel aan bakboord als aan stuurboord zullen zich zonder twijfel zooveel merkwaardigheden opdoen dat de overtocht mij een droom zal lijken op het oogenblik dat de matroos in de mastkorf „Land” roept.”
Hij had dit alles met zijn gewonen zwier uitgesproken en dronk nu zijn kroes ledig alsof hij reeds aan het einde van zijne reis was en een eerste klasse-examen had afgelegd in de zeevaartkunde voor de hoogste autoriteiten.
„Wat ik vooral hoop, mijn waarde Copperfield,” zei mevrouw Micawber, „is dat sommige takken onzer familie in het moederland zullen herleven. Frons uwe wenkbrauwen niet, Micawber! Ik heb nu niet het oog op mijn eigen familie, maar op onze kindskinderen. Hoe krachtig de jonge boom ook is,” vervolgde zij hoofdschuddend, „ik kan den stamboom niet vergeten; mocht onze stam nog eens tot aanzien en rijkdom komen dan hoop ik dat die rijkdommen zullen vloeien in de schatkist van Groot-Brittannië!”
„Lieve,” zei mijnheer Micawber, „Groot-Brittannië moet zelf maar zien hoe zij er komen zal. Ik voel mij verplicht te zeggen dat het nooit veel voor mij gedaan heeft en dat ik op dat punt geen bijzondere wenschen heb.”
„Micawber,” antwoordde zijne vrouw, „nu hebt gij ongelijk. Gij gaat niet naar dat verre land om de betrekkingen met Oud-Albion te verzwakken, maar om de banden nauwer aan te halen.”
„Ik kan niet zeggen,” hernam mijnheer Micawber, „dat die betrekkingen mij dankbaar genoeg gestemd hebben om te wenschen nieuwe aan te knoopen.”
„Micawber, nu hebt gij nogmaals ongelijk, gij kent uw eigen kracht niet, Micawber. Juist uwe kracht zal door den stap, dien gij op het punt zijt te doen, de betrekkingen tusschen u en Albion versterken.”
Mijnheer Micawber bleef met hoog opgetrokken wenkbrauwen in zijn armstoel zitten, de inzichten van zijne vrouw half deelende, half terugwijzende, maar toch zeer gevoelig voor hare goede meening omtrent hem.
„Beste Copperfield,” hernam mevrouw Micawber, „ik zou zoo gaarne willen dat mijnheer Micawber zijne positie beter voelde. Het komt mij voor dat mijnheer Micawber van den dag der inscheping af zijne positie beter moet gaan voelen. Gij, die ons al zoo lang kent, beste Copperfield, zult wel weten dat ik niet zoo optimistisch ben als mijnheer Micawber. Ik ben meer practisch van aard, als ik dat zoo maar eens zeggen mag. Ik weet dat wij eene langdurige reis voor ons hebben en dat ons tallooze ontberingen en ongemakken voor de deur staan. Ik kan mijn oogen niet sluiten voor de feiten. Maar ik weet ook wie mijnheer Micawber is; ik weet ook hoeveel wilskracht mijnheer Micawber bezit en ik acht het daarom van het hoogste belang, dat mijnheer Micawber van het begin af zijne positie zal voelen.”
„Lieve,” viel hij in, „gij zult mij wellicht willen toestaan de opmerking te maken dat ik mogelijk mijne positie op dit oogenblik reeds zeer goed voel.”
„Ik kan het niet gelooven,” hernam zij. „Niet geheel. Beste Copperfield, mijnheer Micawber verkeert niet in een gewoon geval. Mijnheer Micawber vertrekt naar een vreemd land om wellicht voor de eerste maal op zijne volle waarde geschat te worden. Ik wensch dat mijnheer Micawber zich plaatsen zal op den voorsteven van het schip en uitroepen: „Dit land kom ik veroveren! Hebt gij roem en eer? Hebt gij rijkdom? Hebt gij voordeelige betrekkingen? Breng ze dan hier! Ze zijn mijn!””
Mijnheer Micawber glimlachte tegen ons en scheen te meenen dat dit denkbeeld nog zoo heel dwaas niet was.
„Ik wensch dat mijnheer Micawber—wellicht drukte ik mij niet duidelijk genoeg uit—,” vervolgde zij met den grootsten ernst, „de veroveraar worden zal van zijn eigen fortuin. Dat, beste Copperfield, schijnt mij de eenige ware opvatting toe van zijne positie. Van het eerste oogenblik af wensch ik dat mijnheer Micawber op den voorsteven zal staan en zeggen: „Genoeg gedraald! Genoeg teleurstellingen! Genoeg armoede! Hier is een nieuw land! Breng mij vergoeding! Leg uwe schatten aan mijne voeten!””
Mijnheer Micawber sloeg de armen zoo vastberaden over elkander alsof hij reeds op den voorsteven stond.
„En indien hij dat doet,” hernam mevrouw Micawber, „indien hij zijne positie begrijpt, zal mijnheer Micawber dan de banden, die hem aan Brittannië verbinden, niet nauwer toehalen? Indien hij op dat andere halfrond een voornaam persoon in het openbare leven wordt, zal zijn invloed dan niet in zijn geboorteland worden gevoeld? Hoe zou ik zoo dom kunnen zijn om mij te verbeelden dat indien mijnheer Micawber in Australië tot macht en aanzien komt, men in Engeland daarvan niets zou ondervinden? Ik ben maar eene vrouw maar ik zou mij zelve en mijn papa onwaardig zijn, indien ik zoo dom was.”
Mevrouw Micawber's overtuiging dat hetgeen zij beweerde onwederlegbaar was gaf aan haar toon eene verheffing, die ik daarin nog nooit in zulk eene mate had bespeurd.
„En daarom wensch ik ook,” ging zij voort, „dat wij onze laatste levensdagen op Engeland's grond mogen slijten. Mijnheer Micawber kan—ik kan de waarschijnlijkheid zelfs niet ontveinzen dat mijnheer Micawber _zal_—een blad geschiedenis worden; hij behoort zich dan te vertoonen in het land, dat hem het aanzijn gaf, doch zijne talenten verwaarloosde!”
„Lieve,” merkte mijnheer Micawber hierop aan, „het is niet mogelijk mij niet getroffen te voelen door uwe liefde. Ik wil mij altijd gaarne neerleggen bij uwe verstandige inzichten. Wat geschieden moet—zal geschieden. De Hemel verhoede dat ik mijn geboortegrond iets zou onthouden van de schatten, die wellicht door onze afstammelingen zullen worden verzameld!”
„Goed gezegd!” riep tante, terwijl zij baas Peggotty een wenk gaf, „ik drink op ons aller vriendschap en wensch u toe, dat zegen en voorspoed in uw nieuwe vaderland uw deel mogen zijn.”
Baas Peggotty zette de kinderen, die op zijne knieën zaten, op den grond, ten einde met mijnheer en mevrouw Micawber en met ons allen aan te stooten en toen hij en de Micawbers elkander hartelijk de hand schudden en zijn gelaat door een glimlach werd verhelderd, voelde ik dat hij zijn weg zou vinden en overal een goeden naam achterlaten en bemind zou worden.
De kinderen mochten hunne houten lepels in den kroes van mijnheer Micawber steken en mede drinken op aller welzijn. Toen dit gebeurd was stonden tante en Agnes op en namen afscheid van de landverhuizers. Allen waren zeer aangedaan, er werd geschreid en de kinderen hielden Agnes aan den mantel vast; wij lieten de arme mevrouw Micawber in eene zeer bedroefde stemming achter; zij snikte en schreide bij een flauw brandende kaars, die de kamer, van de rivier gezien, een treurigen indruk deed maken.
Den volgenden morgen ging ik mij overtuigen dat zij weg waren. Zij waren te vijf uren met een bootje vertrokken. Hoewel ik hen slechts den vorigen avond in dat bovenkamertje gekend had, wekte dit, nu het zoo eenzaam en verlaten was, toch een gevoel van ledigheid bij mij op.
Den avond van den volgenden dag begaf ik mij met mijne oude Peggotty naar Gravesend. Wij vonden het schip op de rivier, omringd door een onnoemelijk aantal schuitjes; er woei een gunstige wind en het sein van vertrek wapperde aan den grooten naast. Ik huurde een bootje en wij voeren er heen tusschen het gewoel door, waarvan het schip het middelpunt uitmaakte, en gingen aan boord.
Baas Peggotty wachtte ons op het dek en vertelde mij dat mijnheer Micawber een oogenblik te voren nogmaals—nu voor het laatst—gearresteerd was op eene vordering van Heep. Ingevolge mijne opdracht had baas Peggotty de verschuldigde som voor hem betaald en ik gaf hem dien terug. Hij nam ons toen mede tusschendeks en daar verdween al mijn opgekomen vrees, dat er iets van hetgeen was voorgevallen op het strand te Yarmouth tot hem zou zijn doorgedrongen, want mijnheer Micawber nam mij terstond onder den arm en vertelde mij dat zij sinds den vorigen avond onafgebroken bij elkander waren geweest. Het was daar zoo donker en zoo vreemd dat ik in het eerste oogenblik niets kon onderscheiden; langzamerhand echter, toen mijne oogen aan de duisternis gewend begonnen te raken, kreeg ik een gevoel alsof ik in het midden van eene schilderij van Ostade geplaatst was. Tusschen de groote breede planken, balken en schoren, de vele vaten en kisten, pakken en valiezen van de landverhuizers zag men de kooien, waarin deze sliepen, hier en daar door een slingerende lantaarn verlicht, elders door het gele daglicht, dat door een openstaand luik heimelijk binnen keek; overal dicht opeen gedrongen groepen menschen, die vriendschap sloten of afscheid namen van elkander, praatten, schreiden, aten en dronken; sommigen hadden reeds bezit genomen van hunne weinige voetenruimte en het zich daar zoo behagelijk gemaakt als het kon met hunne familie, terwijl de kleinste kinderen op stoeltjes of bankjes waren vastgebonden; anderen, die wanhoopten of zij wel ooit eene behoorlijke rustplaats zouden vinden en met een neerslachtig gelaat rondwandelden. Men zag daar menschelijke wezens van allerlei leeftijd, van wichtjes, die nog nauwelijks drie weken oud waren, tot oude mannen en vrouwen, die schijnbaar nog evenveel weken te leven hadden; van landbouwers die werkelijk een stukje van Engeland's grond aan hunne laarzen meedroegen, tot smeden, wien het Engelsche roet en de Engelsche smook nog op het gelaat kleefden, alle leeftijden en beroepen schenen in de nauwe ruimte tusschendeks te zijn saamgekomen.
Toen ik rondkeek meende ik bij een geopend luik eene gestalte te zien zitten, die mij aan Emily deed denken; een van mijnheer Micawber's kinderen zat bij haar. Zij trok mijne aandacht het eerst toen ik eene andere gestalte met een kus afscheid van haar zag nemen, eene gestalte, die mij aan.... Agnes herinnerde. De snel afwisselende indrukken, de verwarring, die er heerschte, mijn eigen ongeregelde gedachtengang, alles te zamen was oorzaak dat ik haar terstond weder uit het oog verloor; ik wist alleen dat het tijdstip naderde waarop alle bezoekers gewaarschuwd zouden worden om het schip te verlaten, dat Peggotty naast mij stond te schreien en dat juffrouw Gummidge, bijgestaan door eene jongere vrouw in het zwart, bezig was baas Peggotty's bagage te rangschikken.
„Hebben wij elkaar nog iets te zeggen, mijnheer Davy?” vroeg baas Peggotty. „Is er ook nog iets vergeten?”
„Nog iets, ja,” antwoordde ik. „Martha.”
Hij klopte de vrouw in het zwart op den schouder en daar stond Martha voor mij.
„De hemel zegen' u, brave kerel!” riep ik uit. „Neemt gij haar met u mede?”
Zij antwoordde in zijne plaats met een vloed van tranen. Ik kon op dit oogenblik niet meer spreken, maar ik drukte hem de hand; indien ik ooit een man heb liefgehad en geacht, dan was het de brave baas Peggotty op dit oogenblik!
De bezoekers moesten het schip verlaten; de zwaarste taak wachtte mij nog. Ik vertelde hem wat de edele ziel, die was heengegaan, mij opgedragen had bij het afscheid te zeggen. Hij was er diep door bewogen; maar toen hij mij allerlei voor die doove ooren opdroeg, dat getuigde van zijne innige genegenheid en liefde, toen werd het mij bang te moede.
De tijd was daar, ik omhelsde hem, nam mijne schreiende Peggotty onder den arm en snelde haastig weg. Op het dek nam ik afscheid van de arme mevrouw Micawber. Zij keek voortdurend uit naar hare familie, doch te vergeefs; haar laatste woorden tot mij waren dat zij mijnheer Micawber nimmer ..... nimmer zou verlaten.
Wij stapten in onze boot en bleven op eenigen afstand liggen om het schip te zien vertrekken. Het was toen kalm weer en de zon scheen helder en warm. Het schip lag tusschen ons en het roode licht in, zoodat alle lijnen scherp tegen den gloed op den achtergrond afstaken. Nooit zag ik een schouwspel, dat tegelijk zoo schoon, zoo droevig en zoo opwekkend was als dit fraaie schip, daar stil liggende op de kabbelende golven, terwijl allen, die aan boord waren, naar de verschansing drongen en daar gedurende eenige oogenblikken blootshoofds en zwijgend staan bleven.
Zwijgend, doch slechts een oogenblik. Toen de zeilen zich ontplooiden en er beweging kwam in het schip, brak van alle booten een driewerf hoera los, dat aan boord werd overgenomen en beantwoord en nogmaals en nogmaals van weerszijden werd herhaald. Mijn hart was tot berstens toe vol, toen ik die kreten hoorde en met hoeden en zakdoeken zag zwaaien en.... toen zag ik _haar_ ook. Ik zag haar naast haar oom met de hand op zijn schouder. Hij wees _haar_ ons bootje en toen zag zij ons ook en wuifde mij haar laatst vaarwel toe.
Ja, Emily, mooie kwijnende Emily, schenk hem al het vertrouwen dat uw gewond hart schenken kan, want hij heeft u al zijne liefde geschonken en op u vertrouwd met zijn gansche hart.
Statig dreven zij voort, door het rozeroode zonlicht beschenen, van de anderen een weinig afgezonderd, zij steunend op hem en hij met den arm om haar heengeslagen. Toen wij aan wal kwamen was de zon achter de Kentsche heuvelen ondergegaan en zoowel op de aarde als in mijn hart was het duister.
LVIII.
Mijn verblijf buitenslands.
Een lange sombere nacht was voor mij neergedaald, waarin de herinnering aan menige hoopvolle verwachting, aan menig dierbaar gelaat, menige dwaling, menig nutteloos verdriet mij wakker hield.
Ik verliet Engeland, niet wetende—zelfs toen nog niet—hoe groot de schok was, dien ik moest doorstaan. Ik verliet allen, die mij dierbaar waren, en ging heen in de meening dat het zwaarste reeds gedragen was. Evenals een krijgsman in den slag door een kogel getroffen wordt zonder het in het eerste oogenblik te bemerken, zoo had ik, toen ik met mijn ongelouterd hart alleen was, geen besef van de wonde, waarmede ik rondliep.
Dat besef kwam tot mij, niet op eens maar langzamerhand; met ieder uur groeide het verlaten gevoel, dat ik bij mijn vertrek had bespeurd, aan. In het eerst was het niets dan een niet te omschrijven gevoel van verlatenheid en verdriet, waarin ik weinig anders ontdekte. Bijna onmerkbaar breidde dat gevoel zich uit tot een hopeloos besef van al hetgeen ik verloren had: liefde, vriendschap, belangstelling; van al hetgeen voor eeuwig voorbij was: mijn eerste genegenheid, het geheele groote luchtkasteel van mijn leven; van al wat mij was overgebleven: eene eenzame woestijn, die zich rondom mij uitstrekte tot aan den duisteren horizon.
Mijne smart is wellicht zelfzuchtig geweest, maar ik zag dat toen niet in. Ik treurde over mijn kind-vrouwtje, dat nog in den bloeitijd van haar jonge leven van mij was weggenomen. Ik treurde over het verlies van hem, die de liefde en bewondering van duizenden zou hebben kunnen winnen evenals hij de mijne gewonnen had. Ik treurde om het gebroken hart, dat rust had gevonden in de kokende zee, en over de arme ballingen uit de eenvoudige woning waar ik den nachtwind had hooren loeien, toen ik nog een kind was.
De hoop, dat ik ooit weder deze opeenstapeling van treurigheid zou te boven komen, verdween eindelijk geheel. Ik zwierf van de eene plaats naar de andere, steeds mijn zwaren last met mij meedragende. Ik voelde nu de geheele zwaarte op mij drukken, ik ging daaronder gebukt en eene stem in mijn hart zeide mij dat er geen verlichting meer mogelijk was.
Toen mijne neerslachtigheid het toppunt bereikt had, meende ik te zullen sterven. Somtijds kwam de wensch in mij op, dat ik in mijn eigen huis mocht sterven en werkelijk keerde ik dan om op mijn weg, ten einde spoediger daar te zijn. Op andere tijden reisde ik door van stad tot stad, niet wetende wat ik daar zocht en onder den indruk of ik trachtte aan iets te ontkomen; terwijl ik zelf niet wist waaraan.
Het is mij niet mogelijk al de phasen, waarin de droefheid mij bracht, te beschrijven. Sommige droomen kan men niet anders dan onvolledig en onduidelijk beschrijven en wanneer ik mij zelven dwing op dit tijdperk van mijn leven terug te zien, dan komt het mij voor alsof ik toen in zulk een droom heb geleefd. Ik zie mij dan droomend rondzwerven tusschen de merkwaardigheden van allerlei steden, tusschen paleizen, kerken, tempels, schilderijen, kasteelen, graftomben en schilderachtige straten—alle overblijfselen uit lang vervlogen eeuwen; overal met mijn zwaren last bevracht en nauwelijks bewust van hetgeen ik gezien had, wanneer ze weder verdwenen waren. Ik was ongevoelig voor alles behalve voor mijn verdriet. Donkere nacht heerschte in en om mij. Den hemel zij dank ontwaakte daaruit een nieuwe dageraad voor mij!
Maanden lang bleef ik op reis met deze steeds donkerder wordende wolk in mijne ziel. Te vergeefs trachtte ik de redenen te vinden, die mij mijn pelgrimstocht deden voortzetten in plaats van naar huis terug te keeren. Nu eens zwierf ik van plaats tot plaats zonder mij ergens langer dan noodig was op te houden; dan weder bleef ik langen tijd op ééne plaats dralen. Ik reisde zonder eenig doel; nergens vond ik iets dat mij opbeurde.
Eindelijk was ik in Zwitserland, dat ik uit Italië door een der groote Alpenpassen bereikt had, en dwaalde met een gids dagen lang door het gebergte. Of de plechtige stilte om mij heen daar tot mijn hart gesproken heeft, kan ik niet zeggen. Ik had vol bewondering voor de grootschheid van de woeste natuur, van de hemelhooge toppen en onpeilbare afgronden, van de bruisende bergstroompjes en de onafzienbare ijsvlakten rondgedwaald, maar tot nog toe hadden ze mij niets geleerd.
Op zekeren avond kwam ik even voor zonsondergang in eene vallei, waar ik den nacht zou doorbrengen. Terwijl ik afdaalde langs het pad, dat zich langs den berg slingerde en het dal in al zijne bekoorlijkheid aan mijne voeten lag, zal waarschijnlijk de vredige aanblik, dien ik op dit oogenblik genoot, het sluimerende gevoel voor schoonheid en vrede in mijne borst hebben doen ontwaken. Ik herinner mij ten minste dat ik plotseling bleef stilstaan met eene gewaarwording, die mijne smart minder drukkend, minder wanhopend maakte. Ik herinner mij zelfs te hebben gevoeld hoe de hoop in mij ontwaakte, dat er nog eens eene verandering ten goede in mij zou plaats vinden.
Toen ik het dal had bereikt, bescheen de zon de toppen der omringende sneeuwbergen, die het insloten als eeuwigdurende wolken. Het kleine dorpje, dat voor dien dag het einddoel was van mijn tocht, lag aan den groenen voet van deze bergen en hoog boven den weligen plantengroei strekten zich reusachtige pijnwouden uit, die als ondoordringbare harnassen het dal tegen de afrollende sneeuwmassa's beschutten. Daarboven ontwaarde ik lange rijen steile gletschers, grauwe rotsen, breede ijsvlakten en groene weilanden, alles bekroond door de eeuwige sneeuw. Tegen de berghellingen aan lagen hier en daar menschelijke woningen, houten hutjes, doch alle bewoond en schijnbaar zoo klein alsof daar een doos met kinderspeelgoed was opgezet. Deze indruk maakte ook het dorpje met het houten bruggetje over de smalle rivier, die haar weg zocht over de rotsblokken heen en onder de wortels der boomen door. De stilte werd verbroken door het zingen der herders in de verte, maar toen daar eene rozeroode wolk langs het midden van den berg dreef was het mij een oogenblik of het gezang daaruit tot mij doordrong, of het geen aardsche muziek was, die ik hoorde. De plechtige stilte om mij heen, de grootschheid der natuur, de vredige kalmte aan mijne voeten, alles te zamen deed zijn vertroostenden invloed op mij gelden, zoodat ik plotseling mijn afgemat hoofd op het koele gras liet rusten en begon te schreien, zoo hevig te schreien als ik na Dora's dood nog niet had gedaan!
Eenige minuten te voren had ik een pakje brieven gevonden en was daarmede naar buiten geloopen om ze in God's heerlijke natuur te lezen terwijl mijn avondeten werd gereed gezet. In langen tijd had ik niets ontvangen, want eenige brieven hadden mij niet meer bereikt. Behalve eenige regels om te zeggen dat ik wèl was, en hier of daar was aangekomen, had ik zelf niet geschreven; de moed had mij daartoe ontbroken.
Het pakje was nu in mijn bezit; ik opende het en las het eerst den brief van Agnes.
Zij voelde zich gelukkig en tevreden en was nuttig werkzaam; het ging haar zoo voorspoedig als zij gehoopt had. Dat was alles wat zij van zich zelve vertelde. Het overige betrof mij. Zij gaf mij geen raad en hield mij geen plichten voor, alleen vertelde zij op hare eigenaardige, hartelijke wijze hoe zij op mij vertrouwde. Zij wist—schreef zij, dat een karakter als het mijne het goede zou zoeken in de smart. Zij wist hoe de beproevingen en gemoedsaandoeningen het zouden louteren en sterken. Zij was overtuigd dat het ondervonden leed mij in eene betere, hoogere richting zou leiden. Zij, die zich zoo verheugd had in de door mij behaalde lauweren, die zoo gehoopt had dat ze steeds grooter en grooter zouden worden, zij wist wel dat ik mijne voornaamste troost zou zoeken in den arbeid. De beproevingen, welke ik in mijne jeugd had moeten doorstaan, hadden zonder twijfel medegewerkt om van mij te maken wat ik geworden was; het veel grooter leed, dat mij thans had getroffen, zou mij ongetwijfeld nog beter maken, evenals ik daardoor geleerd had, zou ik weder anderen leeren. Zij beval mij aan in de hoede van God, die mijn lieveling tot zich genomen had; zij zou steeds met zusterlijke genegenheid naast mij staan en mij vergezellen waarheen ik wilde, trotsch als zij was op hetgeen ik geworden was, nog trotscher op hetgeen ik nog beloofde te worden.