Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 84
Op een heerlijken najaarsdag, terwijl de grond bedekt was met afgevallen bladeren, waarvan de geuren het luchtruim vervulden, en er nog veel meer in allerhande kleuren aan de boomen hingen, kwam ik tegen den middag te Highgate aan. Ik had de laatste mijl te voet afgelegd, peinzend over de wijze, waarop ik mij van mijne zware taak zou kwijten; het rijtuig wachtte op eenigen afstand tot ik den koetsier zou wenken op te rijden.
Toen ik de woning naderde, zag die er nog eveneens uit als voorheen. Alle luiken waren gesloten; geen teeken van leven op het pleintje met het poortje, dat naar de ongebruikte deur leidde. De wind was gaan liggen; het was bladstil.
In het eerste oogenblik ontbrak mij de moed om aan te schellen; en toen ik het eindelijk deed, scheen de klank van de schel reeds door het huis te verkondigen wat ik kwam doen. Het kamermeisje kwam naar buiten met den sleutel in de hand en toen zij de poort opende, vroeg zij met eene ernstige stem:
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Zijt gij ziek?”
„Ik ben vermoeid en heb buitengewone ontroering gehad.”
„Is er een ongeluk gebeurd?..... Mijnheer James....?”
„St!” sprak ik. „Ja er is iets gebeurd, dat ik aan mevrouw Steerforth kom vertellen. Is mevrouw thuis?”
Het meisje antwoordde dat hare meesteres in den laatsten tijd zelden uitging, zelfs niet per rijtuig; dat zij hare kamer hield; dat zij nooit bezoek kreeg, doch mij wel zou ontvangen. „Mevrouw is op,” vertelde zij, „en juffrouw Dartle is bij haar. Welke boodschap moet ik overbrengen?” Ik droeg haar op niets van ons gesprek te laten blijken en alleen mijn kaartje boven te brengen en te zeggen dat ik in de huiskamer zou wachten. O, hoe anders zag deze er uit! De gordijnen waren half neergelaten en de harp had blijkbaar vele en nogmaals vele dagen onaangeroerd in dienzelfden hoek gestaan. Daar hing nog zijn portret als jongen; daar stond ook nog de cassette, waarin zijne moeder al zijne brieven bewaarde. Ik vroeg mij af, of zij ze nog wel eens zou lezen, of zij ze nog ooit zou lezen!
Het was zoo stil in huis, dat ik den lichten tred van het meisje op de trap hoorde. Zij bracht mij de boodschap terug, dat mevrouw Steerforth niet wel was en dus niet beneden kon komen, maar dat, indien ik haar wilde verontschuldigen, zij mij gaarne op haar eigen kamer zou ontvangen. Eenige oogenblikken later stond ik voor haar.
Zij zat in zijn kamer, niet in de hare. Natuurlijk begreep ik, dat zij die bewoonde ter herinnering aan hem en dat al de kleinigheden, die haar zijne liefhebberijen en zijne talenten in het geheugen riepen, daar om dezelfde reden waren gebleven, zooals hij ze had achtergelaten. Te gelijk met hare begroeting mompelde zij echter zoo iets als: „dat deze kamer zooveel gunstiger gelegen was nu zij zich altijd zoo onwel voelde,” haar strenge blik verbood zelfs een oogenblik twijfel te koesteren omtrent de waarheid van hare woorden.
Als gewoonlijk stond juffrouw Dartle bij haar stoel. Van het eerste oogenblik af, dat hare donkere oogen op de mijne rustten, begreep ik, dat zij mij aanzag als een ongeluksbode. Het litteeken was op dit oogenblik duidelijk zichtbaar. Zij deed een stap achteruit, opdat mevrouw Steerforth haar gezicht niet zou kunnen zien en scheen met haar schermen blik mijne gedachten te willen doorgronden.
„Het spijt mij u in den rouw te zien, mijnheer,” sprak mevrouw Steerforth.
„Ik heb helaas mijne vrouw verloren,” antwoordde ik.
„Gij zijt wel jong, om nu reeds zulk een groot verdriet te kennen,” antwoordde zij. „Het doet mij leed dat te vernemen. Het doet mij zeer leed. Moge de Tijd u troost brengen.”
„Ik hoop, dat de Tijd ons allen troost zal brengen,” antwoordde ik, terwijl ik haar aankeek. „Och, lieve mevrouw Steerforth, wij moeten allen daarbij troost vinden, wanneer ons een slag treft.”
Mijn ernstige toon en de tranen, die mij in de oogen waren gesprongen, schudden haar wakker. Haar geheele gedachtengang scheen plotseling een schok gekregen te hebben.
Ik deed mijn best om mijne stem in mijne macht te houden, maar zij beefde toen ik zacht zijn naam uitsprak. Zij herhaalde dien eenige malen in zichzelve en wendde zich toen met gemaakte kalmte tot mij met de vraag:
„Is mijn zoon ziek?”
„Heel ziek.”
„Hebt gij hem gezien?”
„Ja, ik heb hem gezien.”
„Zijt gij met elkander verzoend?”
Wat moest ik op deze vraag antwoorden? Ik kon ja noch neen zeggen. Zij keerde zich even om naar de plek waar Rosa stond, en deze gelegenheid nam ik waar, om met mijne lippen de beweging te maken alsof ik het woord: ‚Dood’ uitsprak.
Opdat mevrouw Steerforth niet geheel achterom zou kijken en daar duidelijk datgene lezen zou, waartoe zij nog niet genoegzaam was voorbereid, ving ik snel haar blik op; maar ik had gezien hoe Rosa Dartle met wanhoop en ontzetting op het gelaat de handen opgestoken en toen voor haar gelaat geslagen had.
De mooie vrouw.... o, wat leek zij op hem!.... keek mij met een doordringenden blik aan en bracht de hand naar haar voorhoofd. Ik smeekte haar kalm te blijven en zich voor te bereiden op hetgeen ik haar zeggen moest; maar ik had haar eerder moeten bidden om te schreien, want zij zat daar aan een steenen beeld gelijk.
„Toen ik laatst hier was,” stotterde ik, „vertelde juffrouw Dartle mij dat hij op zee was. De beide laatste nachten zijn verschrikkelijk geweest op zee. Als hij eergisteren nacht op zee was en zich dicht bij eene gevaarlijke kust bevond—zooals men mij vertelde was dit werkelijk het geval—en indien het schip, dat men heeft zien vergaan, werkelijk dat was, waarmede hij de reis deed....”
„Rosa!” zei mevrouw Steerforth, „kom bij mij!” Zij kwam doch zonder eenig medelijden of de minste zachtheid te toonen. Hare oogen schitterden als kolen vuur toen zij voor mevrouw Steerforth kwam staan en zij barstte in een afschuwelijken lach uit.
„Ziezoo,” sprak zij, „is uw trots nu voldaan! krankzinnig schepsel? Nu heeft hij voor u geboet... met zijn leven! Hoort gij 't wel?.... Met zijn leven!”
Mevrouw Steerforth was achterover gezonken in haar stoel en gaf geen geluid dan een dof gekreun, terwijl zij Rosa met wijdgeopende oogen aanstaarde.
„Haha!” riep Rosa, terwijl zij zich hartstochtelijk op de borst sloeg, „kijk mij maar aan! Kerm maar, zucht maar en kijk mij aan! Hier!”—zij wees naar het litteeken—„hier, dit is het werk van uw dooden zoon!”
Het gekerm, dat de arme moeder nu en dan hooren liet, sneed mij door de ziel. Er was niet de minste verandering in haar te bespeuren. Onafgebroken dezelfde beweging met het hoofd en niet de geringste verandering op haar gelaat. Voortdurend die gesloten mond, die vast opeengeklemde tanden, alsof een pijnlijke kramp hare kaken gesloten hield.
„Herinnert gij u nog wanneer hij dit deed?” vervolgde juffrouw Dartle. „Herinnert gij u nog, hoe de erfgenaam van uw karakter, wiens trots en drift door u zijn gevoed, mij voor mijn leven mismaakte? Kijk mij aan en zie hoe hij mij in zijne hooghartigheid heeft gemerkt tot mijn dood toe; en zucht en kerm dan omdat gij van hem gemaakt hebt wat hij was!”
„Juffrouw Dartle,” smeekte ik haar. „In 's Hemels naam.....”
„Ik _wil_ spreken,” zeide zij, terwijl hare oogen in mijne richting vlammen schoten. „Zwijg! Kijk mij aan, zeg ik, gij, hooghartige moeder van een hooghartigen, valschen zoon! Zucht over de wijze, waarop gij hem hebt opgevoed, zucht over de wijze, waarop gij hem bedorven hebt, zucht over uw verlies, zucht over het mijne!”
Zij klemde hare vuisten dicht en hare vermagerde gestalte beefde alsof de hartstocht haar langzaam verteerde.
„_Gij_, hem zijne eigenzinnigheid euvel duiden!” riep zij uit. „Gij, beleedigd door zijne hooghartigheid! Gij, die, toen uw haar grijs werd, dezelfde hoedanigheden tegenover de zijne hebt gesteld, terwijl gij ze hem bij zijne geboorte hadt medegegeven! Gij, die hem van zijne wieg af hebt opgekweekt tot wat hij geworden is, en hem belet hebt te zijn wat hij worden moest! Hebt gij nu uwe belooning gekregen voor al die jaren arbeid?”
„Juffrouw Dartle, schaam u! Gij zijt wreed!”
„Ik zeg u,” antwoordde zij, „dat ik tot haar spreken _wil_. Geen macht op aarde zou mij kunnen weerhouden, terwijl ik hier sta. Heb ik al die jaren niet gezwegen en zal ik nu niet spreken? Ik heb hem meer liefgehad dan gij ooit gedaan hebt!” riep zij uit, terwijl zij zich woest tot haar wendde. „Ik kon hem liefhebben al beantwoordde hij mijne liefde niet! Ware ik zijn vrouw geweest, ik zou een jaar lang zijne slavin hebben willen zijn voor één woord van liefde! Wie weet beter dan ik zelve wat ik voor hem wilde? Gij waart veeleischend, hooghartig, zelfzuchtig! Mijne liefde zou geduldig geweest zijn, zou uw ellendig gejammer met voeten hebben getreden!”
Hare oogen schoten vonken en zij stampte op den grond alsof zij werkelijk iets vertrad.
„Zie hier!” vervolgde zij, terwijl zij zich op de mismaakte wang sloeg. „Toen hij begon in te zien wat hij gedaan had, berouwde 't hem! Ik kon voor hem zingen en met hem praten, en mijne belangstelling toonen in alles wat hij deed, en met moeite en inspanning de kennis verwerven van zaken, die hem het meest belang inboezemden, ik trok hem aan. Toen hij nog niet bedorven was, had hij mij lief. Ja, hij had mij lief! Menigmaal, als gij met een kort woord werd afgescheept, heeft hij mij aan zijn hart gedrukt!”
Zij sprak deze laatste woorden op honenden toon, maar toch scheen zij zich in hare razernij—zij was die nabij—met gretigheid te verdiepen in een tijd, toen zij nog vatbaar was voor zachtere aandoeningen.
„Zooals ik wel had kunnen vermoeden, indien hij mij niet verblind had door zijne hofmakerij, daalde ik langzamerhand af tot een pop, tot een stuk speelgoed, waarmede hij zich in zijne ledige uren kon bezighouden, dat hij kon wegwerpen en weder opnemen al naarmate zijne luimen hem ingaven. Toen hij dit spel moede werd, was ook ik het moe. Toen zijne genegenheid dood was, had ik evenmin willen beproeven, de macht, die ik nog bezat, in het strijdperk te brengen, als ik zijne vrouw zou geworden zijn, indien hij daartoe gedwongen ware geweest. Wij gaven elkander de vrijheid zonder een woord te spreken. Wellicht hebt gij dat gezien zonder eenigen spijt te gevoelen. Sedert ben ik voor u beiden niets geweest dan een beschadigd en ontsierd meubel, zonder oogen, zonder ooren, zonder gevoel, zonder herinneringen. Zuchten? Zucht over hetgeen gij van hem gemaakt hebt; niet over uwe liefde voor hem. Ik zeg het u, er is een tijd geweest, waarin ik hem meer liefhad dan gij deedt!”
Zij stond daar met hare schitterende, toornige oogen tegenover dien strakken, starenden blik en toen het gekerm opnieuw begon, deed haar dat even weinig aan alsof zij tegenover eene schilderij had gestaan.
„Juffrouw Dartle,” zei ik, „indien gij zoo hardvochtig zijn kunt om niets te voelen voor de wanhoop eener moeder.....”
„Wie voelt iets voor mij?” voegde zij mij op bitsen toon toe. „Zij heeft dit gezaaid. Laat haar zuchten over hetgeen zij heden oogst!”
„En indien zijne gebreken.....” begon ik.
„Gebreken!” riep zij, in een hartstochtelijken tranenvloed uitbarstend. „Wie durft kwaad spreken van _hem_? Hij had een hart, dat duizenden vrienden waard was, zooals die waartoe hij afdaalde!”
„Niemand kan meer van hem gehouden hebben, niemand zal zijne nagedachtenis meer in eere houden dan ik,” gaf ik ten antwoord. „Ik bedoelde dat als gij geen medelijden hebt met zijne moeder, of indien zijne gebreken—gij hebt ze is uwe bitterheid opgesomd...”
„Dat is niet waar!” riep zij, hare zwarte haren uittrekkend, „ik had hem lief!”
„..... niet uit uwe herinnering kunnen verdwijnen,” ging ik voort, „in een uur als dit, zie dan naar deze vrouw en al hadt gij haar nooit te voren gezien, gij zoudt haar bijstaan!”
Gedurende al dezen tijd had mevrouw Steerforth onbewegelijk in haar stoel gezeten en in de uitdrukking van haar oogen was niet de minste verandering gekomen. Roerloos, strak, wezenloos voor zich uit starende, loosde zij van tijd tot tijd een zucht met dezelfde beweging van haar hoofd; overigens gaf zij geen enkel teeken van leven. Plotseling knielde Rosa Dartle voor haar neer en begon hare japon los te maken.
„Vloek over u!” sprak zij, terwijl zij mijne oogen opzocht met eene uitdrukking van spijt en woede in de hare.
„Vervloekt zij het uur waarop gij hier voor het eerst een voet hebt gezet! Vloek over u! Ga heen!”
Nauwelijks was ik uit de kamer of ik haastte mij terug te keeren en aan de schel te trekken, ten einde de dienstboden te waarschuwen. Zij had de onbewegelijke gestalte in haar armen genomen en lag nu op haar knieën te schreien, riep haar bij haar naam wiegde haar als een kind aan hare borst en deed alles wat in haar vermogen was om den slapenden geest op te wekken. Ik was nu niet meer bang om haar alleen te laten en verliet onhoorbaar de kamer, waarna ik allen in huis bijeenriep om mij te helpen.
Een weinig later keerde ik terug en legden wij hem op de kamer zijner moeder neer. Men vertelde mij, dat zij nog in denzelfden toestand verkeerde en dat juffrouw Dartle haar niet wilde verlaten; er was om een dokter gezonden, men had alles beproefd, maar zij lag daar als een steenen beeld, behalve dat zij nu en dan een zucht slaakte.
Ik liep het huis der rouwe door en liet overal de gordijnen neer—in de kamer, waar hij lag, het laatst. Ik lichtte de loodzware hand op en drukte die aan mijn hart, in de geheele wereld scheen doodsche stilte te heerschen, die slechts afgebroken werd door het gekerm zijner moeder.
LVII.
De landverhuizers.
Alvorens ik mij geheel kon overgeven aan den schok, dien al deze aandoeningen hadden teweeggebracht, bleef mij nog meer te doen over. Ik moest zorg dragen, dat het gebeurde geheim bleef voor hen, die op het punt waren om te vertrekken en hen gedurende de reis in eene gelukkige onwetendheid laten. Er was geen tijd te verliezen. Ik zocht daarom dienzelfden avond nog mijnheer Micawber op, deelde hem den stand van zaken mede en droeg hem op zich tusschen baas Peggotty en het bericht van het noodlottige ongeluk te plaatsen. Vol ijver nam hij deze taak op zich en beloofde mij alle nieuwsbladen te zullen onderscheppen.
„Mocht het tot hem doordringen,” zei hij met een slag op zijn borst, „dan moet het eerst door dit lichaam!”
Ik moet hier vermelden, dat mijnheer Micawber, ten einde zich vast aan zijn nieuwen maatschappelijken werkkring te gewennen, een soort zeerooversgezicht had leeren zetten, niet bepaald barbaarsch, maar vastberaden en vermetel, alsof hij voortdurend op tegenweer bedacht was. Men zou hem hebben aangezien voor een kind der wildernis, gewoon om buiten alle beschaving te leven en op het punt om naar zijne geboorteland terug te keeren.
Onder meer had hij zich een volledig pak van geolied doek aangeschaft met een stroohoed met lagen bol, die van binnen met pik of teer was bestreken. In deze grove kleeding en met een gewonen scheepskijker onder den arm terwijl hij zich reeds had aangewend om met één oog naar de lucht te kijken alsof hij ruw weer verwachtte, maakte hij op zijn manier veel meer den indruk van een zeeman dan baas Peggotty. Zijne geheele familie was om zoo te zeggen gereed om onmiddellijk aan den slag te gaan. Zoo vond ik mevrouw Micawber, voorzien van een nauwsluitenden, ijzersterken hoed, die onder de kin was vastgemaakt, en gewikkeld in een doek, waarin zij als een baal goed kon worden opgetild,—evenals tante mij had opgetild toen ik voor het eerst bij haar kwam—en die op den rug met een grooten knoop was vastgemaakt. Mejuffrouw Micawber was op gelijke wijze tegen het ruwe weder beveiligd, zonder iets aan zich te hebben, dat overtollig genoemd kon worden. Jongeheer Micawber was nauwelijks terug te vinden in het ruigste zeemanspak, dat ik ooit gezien heb, en de kinderen waren zoo ingepakt, dat ze zeer veel overeenkomst hadden met in luchtdichte bussen bewaarde eetwaren. Zoowel mijnheer Micawber als zijn oudste zoon hadden de mouwen met een zekeren zwier opgeslagen, alsof zij gereed waren om overal waar het te pas kwam een handje te helpen of met een „Haal op die hei!” mede te doen.
Zoo vonden Traddles en ik de familie tegen het vallen van den avond verzameld op de houten trap, toenmaals bekend onder den naam Hungerford Stairs, wachtende op het vertrek van eene boot, waarop een gedeelte hunner goederen geladen was. Ik had Traddles verteld wat ik in de laatste vier-en-twintig uren had beleefd en hij was er diep door getroffen; wij waren het echter eens dat geheimhouding geboden was en hij beloofde mij daarbij te zullen helpen. Hier ontving ik ook de belofte van mijnheer Micawber te dien opzichte.
De familie was gelogeerd in een klein, onaanzienlijk herbergje, dat toenmaals bij die trap stond en waarvan de bovenkamers als het ware over de rivier hingen. Aangezien zij landverhuizers waren, ondervonden zij in den omtrek van Hungerford Stairs niet weinig belangstelling en trokken ook wij zoo de aandacht, dat wij blijde waren in hunne kamer de wijk te kunnen nemen. Zij hadden een dier overhangende kamers boven de rivier betrokken en tante was daar met Agnes bezig eenige kleederen te herstellen voor de kinderen. Peggotty was daarbij tegenwoordig met het oude, onvergetelijke naaikistje, het ellemaatje en het stukje waskaars bij zich.
Het was geen gemakkelijke taak haar op alle vragen te antwoorden en baas Peggotty, die door mijnheer Micawber werd binnengebracht, in te fluisteren dat ik den brief overhandigd had en dat alles in orde was. Ik deed het echter en verschafte beiden een gelukkig uur. Had ik eenig blijk gegeven van hetgeen in mij omging, dan zou mijn eigen verdriet daarvan de verantwoording hebben gedragen.
„En wanneer zeilt het schip uit, mijnheer Micawber?” vroeg tante.
Mijnheer Micawber achtte het noodig tante en zijne vrouw trapsgewijze voor te bereiden tot de scheiding en antwoordde: „Eerder dan ik gisteren gedacht had.”
„De boot bracht u zeker tijding?” vroeg tante.
„Juist, mevrouw.”
„En welke? Wanneer zeilt gij uit?”
„Mevrouw,” antwoordde hij, „wij moeten morgen ochtend voor zeven uur aan boord zijn.”
„Sapperloot, dat is vroeg!” riep tante. „Is dat met het oog op het weer of de zee noodzakelijk, mijnheer Peggotty?”
„Ja, mevrouw,” antwoordde baas Peggotty, die door tante altijd „mijnheer” genoemd werd. „Zij zullen de rivier willen afzakken met de eb. Als jongeheer Davy en mijne zuster morgenavond te Gravesend willen komen, kunnen zij ons voor het laatst de hand drukken.”
„Dat zullen wij zeker doen,” antwoordde ik.
„Tot op dat oogenblik en tot wij op zee zijn,” merkte mijnheer Micawber op, terwijl hij mij een blik van verstandhouding toewierp, „zullen mijnheer Peggotty en ik een wakend oog houden op de bagage. Emma, liefste,” vervolgde hij op zijn eigenaardig deftige wijze zijn keel schrapende, „mijn vriend, Mr. Thomas Traddles is wel zoo goed mij in het oor te fluisteren, dat hij het voorrecht wil hebben de ingrediënten te verschaffen, benoodigd voor het bereiden van de kostelijke drank, die zulke aangename herinneringen opwekt aan den goeden ouden tijd. Kortom, ik bedoel—punch. Onder andere omstandigheden zou ik niet weten of mevrouw Trotwood en juffrouw Wickfield en....”
„Ik zal gaarne op uw geluk en uw voorspoed drinken, mijnheer Micawber,” zei tante, „zeer gaarne zelfs.”
„En ik ook!” riep Agnes met een bekoorlijken glimlach.
Mijnheer Micawber daalde terstond de trap af naar de gelagkamer, waar hij geheel thuis scheen te zijn; in een ommezien was hij met een dampenden ketel water terug. Ik moest wel opmerken, dat hij de citroenen schilde met zijn eigen zakmes, ongeveer een voet lang, zooals bij een rechtgeaard landverhuizer past; niet zonder eenig vertoon veegde hij het aan de mouw van zijne jas af. Ik zag nu ook, dat mevrouw Micawber en de beide oudste kinderen eveneens van dergelijke geduchte wapens voorzien waren, terwijl de andere kinderen elk een houten lepel met een koord om hun middel hadden gebonden. Zonder twijfel had ook het vooruitzicht op het ongeregelde leven aan boord en in de wildernis mijnheer Micawber aanleiding gegeven, om zijn vrouw en zijn beiden oudsten kinderen de punch niet in wijnglazen—hetgeen hij gemakkelijk had kunnen doen omdat er eene kast vol in de kamer stond—maar in ruwe tinnen kroezen toe te dienen en nooit zag ik hem met meer smaak zijn punch drinken dan ditmaal uit zijn eigen kroes, dien hij na afloop in zijn zak stak.
„Wij hebben afscheid genomen van alle weelde in het moederland,” zei mijnheer Micawber met innige zelfvoldoening. „Woudbewoners kunnen geen aanspraak meer maken op de geriefelijkheden van een beschaafd land.”
Op dit oogenblik kwam een jongen melden, dat mijnheer Micawber verzocht werd even beneden te komen.
„Ik heb een voorgevoel,” zei mevrouw Micawber, terwijl zij haar kroes op tafel zette, „dat het een lid van mijne familie is.”
„Indien dat zoo is, lieve,” antwoordde mijnheer Micawber op den driftigen toon, dien hij gewoonlijk aannam, wanneer de familie zijner vrouw ter sprake kwam, „indien eenig lid van uwe familie—wie het ook zij—beneden is, kan hij of zij even goed wachten tot het mij gelegen komt, als zij _ons_ altijd hebben laten wachten op hunne belangstelling.”
„Micawber,” sprak zijne vrouw op fluisterenden toon, „op een tijdstip als dit...”
„Moet men kleine beleedigingen vergeten,” voegde mijnheer Micawber er opstaande bij, „Emma, gij hebt gelijk.”
„Het verlies, Micawber,” hernam zijne vrouw, „is aan de zijde van mijne familie geweest, niet aan de onze. Indien mijne familie eindelijk begint te gevoelen tot welk gemis haar eigen gedrag heeft geleid, en nu ons de broederhand wil reiken, mogen wij die niet terugwijzen!”
„Zoo zij het, lieve,” antwoordde hij.
„Al is het niet om hunnentwil, Micawber, dan om den mijne,” sprak zijne vrouw.
„Emma,” hernam hij, „uit dat oogpunt beschouwd moet ik zwichten. Ik kan zelfs op dit oogenblik uwe familie niet om den hals vallen, maar het lid, dat nu staat te wachten, zal de warme vriendschap, die hem hierheen heeft gedreven, door mijne schuld niet voelen bevriezen.”
Mijnheer Micawber vertrok en bleef zoo lang weg, dat mevrouw Micawber niet geheel de vrees kon onderdrukken, dat hij met het gewaande familielid in eene scherpe woordenwisseling getreden was. Eindelijk verscheen dezelfde jongen nogmaals en bood mij een met potlood geschreven briefje aan, dat tot hoofd voerde: „Heep contra Micawber.” Uit dit schrijven vernam ik dat mijnheer Micawber opnieuw gegijseld en volslagen wanhopend was; hij verzocht mij hem door middel van den brenger van het briefje zijn mes en zijn kroes te zenden, omdat deze voorwerpen hem gedurende den korten tijd van zijn bestaan wellicht in de gevangenis nog nuttig zouden kunnen zijn.
Hij verzocht verder hem den laatsten vriendschapsdienst te bewijzen door zijne familie eene plaats in het werkhuis te bezorgen en dan te vergeten dat er ooit iemand bestaan had, die Micawber heette.
Natuurlijk beantwoordde ik dit schrijven door met den jongen naar beneden te gaan, waar ik mijnheer Micawber in een hoek vond zitten, terwijl hij den deurwaarder met woedende blikken aanstaarde. Toen ik voor hem betaald had en hij weder vrij was, omhelsde hij mij met vuur en teekende daarop deze nieuwe schuld in zijn zakboekje aan, waarbij hij—ik herinner mij dat zeer goed—aanmerking maakte op een halven stuiver, dien ik verwaarloosd had bij de optelling van het totaal.